Het voorhangsel scheurt
Bij Hebreeën 10,19-25 en Lucas 23,38-47 of Lucas 23,44-47
De vernietiging van de tempel heeft een enorme impact gehad op joden en joodse christenen. Een hele geloofspraktijk is voorgoed onmogelijk gemaakt. Hier verdween echter méér dan een offercultus, en priesters die rituelen voor God en het volk voltrokken, méér dan een centrum van feestelijke samenkomsten. Aan Jeruzalem en de tempel is ook een wijze van op God vertrouwen verbonden. Is niet Jeruzalem Gods uitverkoren stad, waar Gods naam zou wonen en waar voor altijd een lamp zou branden (1 Koningen 11,13.32.36)? Is dit Gods straf? Is het volk onherroepelijk vervuld van zonde en onrecht?
Uit de Hebreeënbrief kan men opmaken dat er joodse christenen waren die de moed verloren, die wanhoopten dat ooit Gods dag van gerechtigheid zou aanbreken, die wegbleven uit de bijeenkomsten (10,25). Ter bemoediging van die mensen is de Hebreeënbrief geschreven. Hierbij baseert de auteur zich op talrijke bijbelcitaten, om zo vanuit de geloofstraditie die zo vertrouwd was en nu zo in in twijfel werd getrokken, nieuwe hoop te putten. Het dieptepunt wordt hierbij omgebogen tot een nieuwe kans en uitdaging: er is een toegang gecreëerd tot God (10,19). Voor de actualisatie van vandaag is het de uitdaging te ontdekken wat in onze tijd de elementen uit de traditie zijn die hoop geven, en mensen voorhouden: er is een alternatief!
Een God van beloften
De God in wie joden en christenen geloven is een God van beloften: Hij zal er zijn voor het volk, Hij belooft een talrijk nageslacht, een land, een blijvend koning- en priesterschap, Hij belooft dat er in hun midden profeten zullen opstaan, dat de kinderloze vrouw kinderen zal krijgen… Elke belofte die in vervulling gaat, versterkt de hoop dat eens de andere beloften ook waar zullen worden. De auteur van Lucas-Handelingen maakt hiervan handig literair gebruik om telkens waar hij beloften gedeeltelijk in vervulling ziet gaan, nieuwe beloften te vermelden en zo de dynamiek van de beweging rond Jezus te schetsen. Maar het werkt wellicht ook omgekeerd: elke belofte waarvan de vervulling uitblijft, kan tot wanhoop leiden. Wie lijdt, wie vervolgd wordt, wie zijn bezittingen kwijtraakt (vgl. Hebreeën 10,32-34) staat ver af van de voorspoed die toegezegd wordt aan wie zich van ganser harte tot God keert (Deuteronomium 30,9-10).
Die beloften doet, is betrouwbaar
Met Gods beloften kan men elkaar toch nog moed inspreken. Zo vermeldt de Hebreeënbrief uitdrukkelijk dat ook ‘vandaag’ de belofte om binnen te gaan in Gods rust nog geldt (Hebreeën 4,1-11). De belofte aan Abraham van zegen en een groot nageslacht is in vervulling gegaan. Hiervoor heeft God zelf zich garant gesteld, met belofte én eed. Hierdoor is het voor God onmogelijk geworden om tegen die belofte in te gaan, is de redenering (6,13-18). God staat zelf immers borg voor zijn betrouwbaarheid. Zo reikt de hoop tot achter het voorhangsel in het heiligdom waarin Jezus ons is voorgegaan (6,19-20). De eed ‘Jij bent priester voor eeuwig op de wijze van Melchisedek’ (Psalm 110,4 = Heb. 7,17) wordt op Jezus toegepast en in verband gebracht met de toezegging van het nieuwe verbond (Jer. 31,31-34 = Hebreeën 8,8-12), waar Jezus zelf borg voor staat (Hebreeën 7,22). Het is dan ook logisch dat joodse christenen elkaar aansporen om vast te houden aan hun hoop, want de God die deze beloften doet is betrouwbaar (10,23). Door vast te houden aan die hoop, zullen ze ook de vervulling van de belofte rond de dag die komt ervaren, dat de rechtvaardige door geloof zal leven (10,36-39). Daarom moeten gelovigen het vertrouwen bewaren en daden stellen die bij dit geloof passen.
Toegang tot Gods aanwezigheid
In tegenwoordigheid van God komen, dat is het doel dat de joodse christenen voor ogen zouden moeten hebben. Het is immers Gods bedoeling vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden (Hebreeën 2,10). Volharding en vasthouden aan de hoop is nodig om dit doel te bereiken. Het lijden is hierbij een beproeving. Christus heeft zelf ook het lijden doorstaan, waardoor Hij anderen kan leiden en helpen die eveneens beproefd worden (2,18; 4,15). Bovendien heeft Christus de rol van hogepriester zoals Melchisedek. Deze bemiddelende rol laat toe dat wie tot God naderen, barmhartigheid en bevrijding vinden (4,16; 7,25).
Het voorhangsel doorbroken
Om de nadering van het volk tot God uit te drukken, gebruikt de auteur het beeld van het heiligdom, waar een voorhangsel de toegang tot Gods presentie afgrenst. Alleen de hogepriester mag achter dit voorhangsel komen, om verzoening te brengen tussen God en het volk. De tempel in Jeruzalem is in werkelijkheid vernietigd. Dit historische dieptepunt buigt de auteur om tot een kans: het nieuwe verbond is nu aangebroken. Het waarachtige heiligdom is niet een tempel uit steen, maar daar waar God zelf aanwezig is (Hebreeën 9,24). Daar is Christus binnengegaan. Het lijden en de dood die Hij heeft doorstaan komt allen ten goede, dankzij God (2,9). Christus kiest ervoor Gods wil te doen, tot in de dood. Deze trouw-aan-God-tot-in-de-dood breekt door het voorhangsel heen en baant zo de weg voor anderen.
Vandaag nog in het paradijs
Een gelijkaardige visie ligt wellicht achter de passage uit het lijdensverhaal bij Lucas. Het beeld van de gekruisigde Jezus, met het opschrift ‘Koning der Joden’ is een dieptepunt. Is deze man van beloften nu helemaal mislukt? Hij kan zichzelf niet eens redden, hoe kan Hij dan anderen bevrijden? Maar het vaste geloof van de ‘goede’ moordenaar suggereert iets anders: ondanks de schijnbare mislukking zal Jezus toch nog in het Rijk Gods komen (Lucas 23,42). Jezus zegt hem toe dat dit ‘vandaag’ nog zal aanbreken. Het voorhangsel in de tempel scheurt (23,45). Het dieptepunt wordt een kans: Jezus’ Geest in Gods hand, en de centurio erkent Jezus als een rechtvaardige.
Bij Hebreeën 10:19-25 en Lucas 23:38-47 of Lucas 23:44-47