Het ware vasten
Aswoensdag (Jesaja 58:1-10 en Matteüs 6:1-6.16-21)
Teksten over vasten en verootmoediging staan centraal bij het begin van de Veertigdagentijd. Dat mag wel programmatisch genoemd worden voor deze periode. Het gaat hierbij vooral om de vraag hoe de mens zich moet verhouden tegenover God. Niet manipulatief, maar met een oprechte en deemoedige houding. De achterliggende intentie bij de praktijk van het vasten of bidden is van doorslaggevend belang. Met welke bedoelingen gedraagt iemand zich als een religieus persoon, en welke innerlijke motieven spelen een rol?
In de geschiedenis van het Godsvolk heeft de praktijk van het vasten aan betekenis gewonnen in en na de periode van de Babylonische ballingschap. De tempel was dan wel verwoest, maar dat maakte het vasten nog niet onmogelijk of zinloos – integendeel. Er kwam een bezinningsproces op gang over de vraag hoe de mens na het wegvallen van de tempel toch met God in het reine kon komen. Er wordt verteld dat rabbi Jochanan ben Zakkai (ca. 30-90 n.Chr.) op zekere dag Jeruzalem verliet, vergezeld van zijn leerling rabbi Joshua. Toen hij de ruïnes van de verwoeste tempel aanschouwde, riep Joshua uit: ‘Wee over ons, want de plaats waar alle onrecht dat Israël bedreef werd vergeven, is verwoest.’ Rabbi Jochanan antwoordde: ‘Wees niet verdrietig, mijn zoon, want we hebben een mogelijkheid tot vergeving die minstens zo goed is. Dat zijn de werken van barmhartigheid, zoals de Schrift zegt: ‘Want Ik verlang barmhartigheid en geen brandoffers’’ (Hosea 6:6).
Jom Kippoer
De joodse traditie kent het vasten op Jom Kippoer (Grote Verzoendag), alsmede enkele andere vastendagen die verband houden met de herinnering aan verschillende rampen, zoals de inname en de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs en de verwoesting van de Tweede Tempel door de Romeinen. Jezus stelt niet de gewoonte van het vasten ter discussie (vgl. ook Matteüs 9:14-15), maar wel bepaalde motieven die hierbij een rol kunnen spelen. Evenals eerder in de Bergrede laat Jezus zich hier kritisch uit over door Hem waargenomen praktijken. Het pleidooi van Jezus voor een houding van waarachtigheid bij het geven van ‘aalmoezen’ (Gr.: eleèmosunè – 6:1-4), bij het bidden en bij het vasten, heeft reeds oude papieren bij het profetische verzet tegen elke vorm van werkgerechtigheid (vgl. Jesaja 58:3).
Gerechtigheid praktiseren
De Bergrede vormt het brede kader waarvan de evangelielezing deel uitmaakt. De lezing vormt een logisch vervolg op de voorafgaande passage, de zogeheten antithesen (5:21-48), waarin Jezus in gesprek lijkt te zijn met de farizees-rabbijnse traditie over de interpretatie van bepaalde teksten uit de mondelinge en schriftelijke Tora. Ging het hierbij primair om een uiteenzetting over de aard van de gerechtigheid (Gr.: diakaiosunè, in de tegenstelling van 5:20 met 6:1), nu komt het praktiseren van de gerechtigheid aan de orde. Afgezien van de tekst van het Onze Vader (6:9-13; vgl. Lucas 11:2-4) – in uitgebreide vorm (6:7-15) weggelaten in de lezing voor deze dag – gaat het bij deze perikoop om Sondergut van Matteüs dat dus niet bij de andere evangelisten is terug te vinden. Overigens wordt met de gedachte aan een beloning (6:1) een verband gelegd met de slotpassage van het voorafgaande hoofdstuk (m.n. ‘loon’ in 5:46).
Vervolgens komt het praktiseren van de gerechtigheid in de vorm van drie facetten of aspecten ter sprake: het geven van aalmoezen als een religieuze plicht tegenover de naaste (6:2-4), het gebed als een religieuze plicht tegenover God (6:5-6), en het vasten als een religieuze plicht tegenover de eigen persoon (6:16-18). De behandeling van deze drie facetten of thema’s geeft qua opbouw een identiek verloop te zien, waardoor men de stukjes bijna kan beschouwen als drie gelijkmatige strofen van een gedicht. Elke strofe bestaat zo uit negen regels die steeds met elkaar corresponderen. Eerst wordt een bepaalde religieuze gedraging benoemd en vervolgens komt in klare taal de tegenstelling aan het licht tussen een verkeerde en een juiste opvatting van deze gedraging. Het zou wat betreft de keuze van de drie genoemde thema’s heel goed ook kunnen gaan om een algemeen aanvaard inzicht, getuige bijvoorbeeld ook de formulering in Tobit 12:8-9, en de bekende uitspraak van rabbi Simon de Vrome in het Misjna-tractaat Pirkè Avoth (Spreuken der Vaderen 1:2): ‘Op drie principes berust de wereld. Op de Tora, op de dienst voor God en op menslievende diensten’ (vert. Jitschak Dasberg).
Niet geveinsd, maar oprecht
Voor Jezus is het een uitgemaakte zaak dat gerechtigheid ook gedáán moet worden. In de rest van de Bergrede krijgt dit ook de volle aandacht. Dat doen van gerechtigheid mocht echter niet gebeuren om daarmee op te vallen bij de mensen, zoals in bepaalde kringen blijkbaar het geval was. Daar richt de polemiek van Jezus zich tegen met de kwalificatie (Gr.:) hupokritès (6:2.5.16 – ‘huichelaar’, ‘schijnheilige’), een woord dat oorspronkelijk ‘acteur’ of ‘toneelspeler’ betekende. Het duidt dus op mensen die met een masker op een rol spelen. Het woord ‘farizeeër’ komt in 6:1-18 niet voor, en daarom is het maar zeer de vraag of Jezus zich hier richt tegen een specifiek af te bakenen groepering. In het algemeen kan men stellen dat het Hem gaat om een houding of attitude die aangetroffen kan worden bij ieder mens. Zij die hier door Jezus onder kritiek gesteld worden, treden op voor het publiek en maken van hun gedrag op straat en in de synagoge een ware vertoning, een heuse ‘show’. Ze doen het voor het oog van de mensen en zijn in wezen uit op de eer die alleen aan God toekomt (Psalmen 115:1a: ‘niet aan ons’ – Hebr.: lo lanoe, vandaar de zegswijze ‘lou loene’). Met de bijval van hun toeschouwers hebben ze hun beloning ruimschoots ontvangen, maar van God ontvangen ze in het geheel niets. Niet het uiterlijk vertoon, maar de ware innerlijke houding is voor Jezus doorslaggevend.
Deze exegese is opgesteld door Harry Tacken.