Menu

Premium

Het zwarte schaapje

Bij Matteüs 26,31-35

Lara is een klein zwart lammetje. Ze woont in een kudde in Israël. Dat is een droog land, dus de kudde is voortdurend op zoek naar groen gras om lekker te eten. Soms moeten ze een heel eind over rotsen lopen voor ze weer een lekker mals, groen hapje vinden, en fris water om te drinken. Gelukkig is er een herder die voor ze zorgt. Die houdt ze bij elkaar en wijst ze de weg.

Maar op een dag zegt de herder dat hij een tijdje weggaat. Hij belooft ze plechtig dat hij weer terugkomt. En dan zullen ze weer op zoek gaan naar groene weiden en heldere watertjes, samen met alle leuke, trouwe schapen.

‘Ha,’ mekkeren sommige schapen, ‘dat ben jij dus niet, Lara. Jij bent stom.’ Andere schapen roepen naar de herder dat hij niet weg mag gaan en dat ze met hem mee willen. Weer andere schapen halen hun schouders op. Nou, dan toch geen herder, wat maakt het uit?

Wat zou jij doen als je Lara was?

De hele kudde is onrustig en ook Lara is helemaal in de war. Zelfs haar krullen schieten ervan in de klit. Hoe moet dat nou? Moet ze wachten of weggaan? En wie zijn de leuke schapen en wie niet?

De herder vertrekt. ‘Denk aan wat ik beloofd heb,’ zegt hij nog. Sommige schapen lopen achter hem aan. Maar ze komen al snel weer terug, want de herder loopt te hard. Andere schapen gaan zelf op pad. ‘We zoeken wel een andere herder,’ blaten ze. ‘Ik vond deze toch al niks,’ en: ‘We vinden zelf wel gras, hoor.’

Lara besluit te wachten. Ze gelooft in haar eigen herder. Hij komt vast terug en dan komt alles weer goed. Dan vinden ze weer lekkere groene weiden en heldere beekjes en dan zijn ze met allemaal leuke, trouwe schapen bij elkaar. Ze legt haar kop op haar voorpoten, zucht eens diep en wacht af.

Het is niet makkelijk, maar ze weet het zeker: wat de herder belooft, dat doet hij ook!

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken