Hoe moet het?
Verhaal
Tobias baalt. Weer een één voor dictee. Hij kán het gewoon niet. Hij vindt er niks meer aan op school. Altijd die ellendige cijfers. Thuis is het veel fijner. Na schooltijd kun je voetballen en tafeltennissen. En thuis op de computer zitten leuke spelletjes. Op school is het zo belachelijk saai. En altijd maar weer moet je er dingen doen die je niet kunt.
‘Zo, jij kijkt ook niet erg vrolijk,’ zegt Joshua tegen Tobias in de gang.
‘Zou jij ook niet zijn als je een weer een één voor dictee had,’ moppert Tobias, terwijl hij zijn jas aantrekt.
‘Een één? Hoe kan dat nou?’ vraagt Joshua. ‘Je bent niet dyslectisch. Had je wel geleerd?’
‘Nee, als ik thuiskom, wil ik toch niet meer aan school denken!’ zegt Tobias.
‘Waarom niet? Zo erg is dat nou toch ook weer niet? Zullen we vanmiddag samen huiswerk maken?’ vraagt Joshua.
Als ze die middag samen dicteewoorden voor de volgende dag oefenen, moet Tobias toegeven dat dat inderdaad niet zo erg is. En zijn vader heeft een grappige manier bedacht om tussendoor te kunnen tafeltennissen: telkens na tien woorden zonder fouten een game-tot-de-elf. Vreemd, opeens maakt Tobias bijna geen fouten meer. Zo is leren voor school nog best leuk!
Toelichting
De link met de inhoud van 2 Koningen 4,1-7 loopt hier over de zin: ‘Wat hebt u nog in huis?’ Het wonder van de profeet is als wonder niet gemakkelijk naar een kinderverhaal te vertalen, maar naar mijn idee schuilt dat wonder in de wijze waarop Elisa de weduwe weer op gang krijgt. Zo krijgt Joshua Tobias weer aan het werk.