Menu

None

Hoe worden de doden opgewekt? Op zoek naar de contouren van het opstandingsbestaan.

In zijn boek Hoe worden de doden opgewekt? Op zoek naar de contouren van het opstandingsbestaan gaat Harmen de Vries op een zeer grondige wijze na hoe de Bijbel spreekt over het opstandingsleven. In het christendom is veelal geleerd dat bij het sterven het lichaam weliswaar vergaat, maar de ziel eeuwig voortleeft bij God. De Vries laat zien dat de Bijbel heel anders over Gods toekomst spreekt. Er is wel sprake van een voortbestaan bij God na de dood, maar het uiteindelijke accent ligt elders: zoals de opstanding van Christus het centrale gegeven is van de nieuwtestamentische verkondiging, zo is het opstandingslichaam in een getransformeerde schepping de centrale boodschap van de nieuwtestamentische toekomstverwachting. In dit boek wordt de aard, de hoedanigheid van dat opstandingslichaam besproken.
Met een akribische nauwkeurigheid en bijzonder goed onderbouwd bespreekt De Vries de gegevens in het OT (hfst.1), in de intertestamentaire tijd (hfst.2) en het NT (hfst.3-4). In het OT zijn enerzijds passages waar sprake is van hoop op een blijvende geborgenheid bij God, ook na de dood (bv. Ps.17, 49, 73), anderzijds passages waar sprake is van een opstanding aan gene zijde van de dood (Jesaja; Daniël). In de intertestamentaire tijd vinden we een breed scala van verwachtingen: geen toekomstverwachting, een definitieve geborgenheid bij God na het sterven, ten derde een tweetrapsverwachting, namelijk een tijdelijke zielsgeborgenheid bij de Heer gevolgd door een opstanding van de doden en tot slot een verwachting van een wederopstanding aan het einde der tijden zonder dat er sprake is van een voorafgaande gelukzaligheid. De derde optie is van belang, omdat we deze zgn. tweefasenstructuur ook in het NT tegenkomen (zowel bij Jezus en Paulus, als bij Lucas en in de Johanneïsche geschriften). Interessant is ook de bespreking van het opstandingslichaam van Jezus voor Zijn hemelvaart en Zijn hemelse lichaam na de hemelvaart. In het verlengde hiervan bespreekt De Vries de continuïteit en discontinuïteit van onze aardse existentie en het verwachte opstandingslichaam. De conclusie is dat het beslist anders zal zijn dan het huidige lichaam, maar toch ook herkenbaar. Met N.T. Wright spreekt De Vries over een transfysieke lichamelijkheid.
In het laatste hoofdstuk (hfst.5) stelt De Vries belangrijke hermeneutische vragen aan de orde. Hoe moeten wij in de 21e eeuw met een geheel ander wereldbeeld de gegevens van de apostelen verstaan?
De materiële hoedanigheid van het opstandingslichaam maakt De Vries inzichtelijk aan de hand van het hogerdimensionaal ruimtemodel, waarin de drie ons bekende dimensies overstegen worden. (302vv) Zowel exegetisch als theologisch en hermeneutisch heeft de auteur een bijzonder waardevolle prestatie geleverd. Het enige wat ik miste was een bespreking van de opstanding ten oordeel. Waarom moeten zij die veroordeeld worden eerst een opstandingslichaam ontvangen?
Het boek sluit af met enkele ethische en pastorale implicaties. Het opstandingslichaam staat niet los van het heden. Het opstandingsleven realiseert zich hier en nu waar mensen in verbondenheid met Christus tot nieuwe mensen met een nieuwe levenswandel worden. (322) En er is een grote troost: Herkenning van geliefden mag in het opstandingsbestaan waarschijnlijk geacht worden. (pg.328)
Het is een tijd geleden dat ik een Nederlandstalig boek met zoveel instemming en belangstelling heb gelezen. Van harte aanbevolen.

Met dank aan drs. Gijs van den Brink, redacteur van Bijbelcommentaar De Studiebijbel, die ons toestemming gaf deze recensie te plaatsen.

Wellicht ook interessant

Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
None

Interview: “Ik wil een eerlijk gesprek over de doodswens”

Mensen die niet meer willen leven, krijgen niet zomaar euthanasie. Er zijn strenge eisen waaraan moet worden voldaan, voordat het eigen leven bewust gestopt kan worden. Maar als een euthanasieverzoek wordt afgewezen, is de wens om te sterven vaak niet verdwenen. Soms kiezen mensen dan voor ‘de autonome dood’, een zelfgeorganiseerd levenseinde. Hoe is dit voor nabestaanden? Krina Huisman deed er onderzoek naar en schreef het boek Nabestaan. Leven na de autonome dood. Redacteur Maartje Amelink ging met haar in gesprek.

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

Nieuwe boeken