Menu

Premium

Hooglied

INLEIDING

Dit onvergelijkelijke bijbelboek bezingt op hoge toon de liefdesspanningen en liefdesperikelen, de liefdesvreugde en liefdesovergave. Aan de oud-oosterse flora en fauna, kunst en cultuur worden kleurrijke beelden ontleend om het hoogste liefdeslied te zingen. Geschilderd wordt hoe geliefde en liefste, man en vrouw, bruidegom en bruid elkaar zoeken, elkaar bewonderen, naar elkaar verlangen en elkaar vinden. Een mooier voorbeeld van het grote geheimenis van de (huwelijks)liefde tussen man en vrouw (Ef.5:32) kent de Bijbel niet.

Naam en auteur

Het bijbelboek luidt in het Hebr. ‘lied der liederen’, wat betekent ‘het allermooiste/schoonste lied’ (vgl. 1 Kon.4: 32 – Salomo dichtte 1005 liederen). Luthers vertaling ‘Hooglied’ is ingeburgerd. Het auteurschap wordt toegekend aan Salomo (1:1). Velen zijn echter van mening dat de reden voor deze toekenning niet zozeer van historische – alswel van literaire aard is. Het gebeurde vaker, dat men geschriften toeschreef aan beroemde personen. In dit geval: aan Salomo, als dé dichter bij uitstek. De inhoud van het boek maakt het minder aannemelijk, dat koning Salomo zélf in strikt historische zin de auteur zou zijn (zie bv. 8:11, 12 waar de bruidegom zijn wijngaard, de bruid, stelt tegenover de wijngaard, de harem, van koning Salomo). Als deze mening juist is, is de oorspronkelijke auteur dus onbekend. De mogelijkheid blijft daarbij open, dat in Hoogl. materiaal verwerkt is, dat oorspronkelijk wél van de hand van Salomo is.

Tijd en plaats van ontstaan

Ondanks verschillende pogingen heeft men tot nu toe geen harde argumenten kunnen vinden om Hoogl. aan een bepaalde tijd toe te schrijven. Meestal wordt Hoogl. nogal laat gedateerd (na de babylonische ballingschap), maar dit laat zich niet bewijzen. Ook het voorkomen van enkele aramese woorden, en wellicht een grieks woord, zegt niet veel, omdat weinig vaststaat van de datering van de verschillende taai-invloeden. Als plaats van ontstaan wordt door sommigen uiteraard Jeruzalem genoemd; ook dit is echter geen uitgemaakte zaak.

Literaire vorm en opbouw

a. liefdeslyriek en parallellen

Literair gezien mag Hoogl. getypeerd worden als een prachtig stuk liefdespoëzie. Verschillende vormen worden gebruikt: vraag en antwoord, beurtzang, beschrijvingslied, droombeeld, danslied, enz. Het ene beeld volgt na het andere; met name de ontwakende – en bloeiende natuur vormt het decor en levert het vergelijkingsmateriaal. Alle zintuigen worden opgeroepen en ingeschakeld om iets te verstaan van het liefdesgeheimenis (geur, smaak, kleur, enz.). Van belang is, zich in te leven in de ‘sfeer’ die veel beelden bewust willen opwekken. De taal van de liefde heeft meermalen een dubbele bodem. Ook in de wereld rondom Israel werd de liefdespoëzie veel beoefend; allerlei parallellen zijn ontdekt. Dit geldt voor de babylonische literatuur (met name de cultische poëzie) en nog meer voor de egyptische literatuur. Verwantschap betekent echter nog geen afhankelijkheid of ontlening.

b. personen en figuren

Het Hooglied kent twee personen: geliefde en liefste, bruidegom en bruid. In dit commentaar worden de personen gemakshalve ‘bruid’ en ‘bruidegom’ genoemd; weliswaar is niet overal de achtergrond van huwelijk en bruiloft even duidelijk, maar in geen geval bezingt Hoogl. liefde en liefdesovergave lós van het huwelijk (vgl. 1:4, het publieke ‘voeren naar de vertrekken’; 3: 6vv, de bruiloftsstoet; 6:13vv, de bruiloftsdans; de aanspraak ‘bruid’; enz.). De bruidegom is de koning (1: 4,12; 3:6vv; 6:12) en de bruid, hoewel van eenvoudige komaf (1:6), de koningin (6:8,9; 6:13vv). Gaat het over historische personen, of krijgen bruid en bruidegom de ról van Sulammit en Salomo? Nog heden ten dage worden in het Jodendom bruid en bruidegom geëerd als koningin en koning. Zie verder onder uitleg en betekenis. Naast de personen van bruid en bruidegom spelen verschillende figuren een (soms wisselende) rol: 1. de dochters van Jeruzalem/Sion, die kritisch/jaloers toezien (1: 5,6), de bruid aanhoren en antwoorden (bv. 3:5), de bruidegom bewonderen (3:11), meezoeken (6:1) 2. de broers van de bruid, die als voogd hard tegen haar zijn (1:6) en op haar passen (8:8,9) 3. de moeder van de bruid, die het paar welgezind is (3:4; 8:2) 4. de wachters van de stad, die de bruid aantreffen (3:3) en haar mishandelen (5:7)

c. motieven en rollen

Verschillende motieven hebben in Hoogl. een belangrijke plaats. Te noemen zijn de volgende: het voeren in het vertrek (1:4; 2:4; 3:4; 8:2), het zoeken en vinden (1:7,8; 3:lvv; 5:lw; 6:1), de lokroep (2:13vv; 4:8vv; 7:llw; 8: 13,14), het wijndrinken (1;4; 2:4; 5.T; 7:9; 8:2), het bezwijmen van liefde (2:5; 5:8).

De twee hoofdpersonen treden op in verschillende rollen: de herdersrol (1:7,8; 2:16; 6:13), de wijngaardeniersrol (1:6; 2:15; 7:12; 8:11,12), de tuiniersrol (4:12v; 5:1; 6: 2,3; 6:11). Moet hieraan toegevoegd de koningsrol (1:4; 1:12; 3:6vv; 6:8,9, 6.12vv)?

d. compositie

Onderwerp van veel discussie vormt de opbouw van Hoogl. Er zijn in hoofdzaak twee meningen: 1. Hoogl. bestaat uit een verzameling losse liefdes- en bruiloftsliederen en 2. Hoogl. kent een strakke eenheid, qua opbouw en voortgang. Nu valt het echter op, dat er enerzijds terdege een gemeenschappelijkheid is van stijl en taalgebruik, beelden en motieven (zie ook de sleutelwoorden en de vele herhalingen), maar dat het anderzijds erg moeilijk is een voortgaande gedachtenlijn te ontdekken. Hoogl. maakt zeer sterk de indruk van één hand te zijn, maar een eenvoudige indeling is niet te geven. Het ene beeldrijke gedeelte volgt op het andere, sluit erbij aan, vult het aan, wordt weer herhaald. Alleen al de opbouw van Hoogl. suggereert zo de golfslag der liefde.

Uitleg en betekenis

Hooglied is wel getypeerd als het allermoeilijkste bijbelboek. De geschiedenis van de uitleg laat een bonte variëteit zien. Enkele hoofdlijnen van uitleg kunnen worden onderscheiden: 1. De letterlijke/naturalistische uitleg –het Hooghed moet verstaan worden naar wat het letterlijk zegt; dus als een liefdeslied van een man en een vrouw die elkaar beminnen. Er zijn berichten over de bruiloftsgebruiken onder de syrische boerenbevolking, die verrassend en verhelderend licht werpen op Hoogl. (oa. het gebruik om bruidegom en bruid ‘koning en koningin’ te noemen). 2. De allegorische uitleg – het Hooglied bezingt tot in détails de liefde tussen God en Zijn verbondsvolk (de joodse exegese) of de liefde tussen Christus en Zijn bruid, de kerk (de christelijke exegese). Het is op grond van deze uitleg, dat in het Jodendom Hooglied gelezen wordt bij het paschafeest en wel op de 8e dag; het behoorde tot de zg. ‘megilloth’ = feestrollen. Hooglied zou vele toespelingen op de exodus en het gebeuren bij de Sinaï bevatten. 3. De typologische uitleg –in het Hooglied zijn allerlei ‘typische’ personen en situaties, dwz. ze zijn een afschaduwing van Christus en de liefde van Christus en Zijn gemeente (of Christus en de persoonlijke gelovige). 4. De dramatische uitleg – het Hooglied verhaalt de zege van de pure, natuurlijke liefde tussen een herder en Sulammit; koning Salomo die Su-lammit tegen haar wil in zijn paleis voerde, moet haar weer laten gaan omdat ze toch van de herder blijft houden (de zgn. herdershypothese). 5. De cultisch-mythische uitleg – het Hooglied bezingt in cultisch-mythische taal de godenliefde (met name de vegetatiegoden). Parallellen worden gezien in de literatuur van de Tammuz-Istar mythe en de Osiris-Isis mythe.

Tegen elk van deze vormen van uitleg zijn wel bezwaren in te brengen (zeker tegen de laatste twee), het minst echter tegen de létterlijke verklaring, die waarschijnlijk ook de oudste papieren heeft. Wellicht werd het Hooglied, of delen daarvan tijdens een bruiloftsfeest gezongen (vgl. Jer. 16:9). Dit wil echter niet zeggen, dat de typologische -of zelfs ook de allegorische verklaring van het Hooglied geen recht van spreken heeft. De taal van de liefde is in het O.T. bij uitstek geschikt om de verbondsverhouding tussenGod en Zijn volk te verwoorden (vgl. bv. Hos. 1-3, Jes. 5). En bovendien is het getuigenis van het Jodendom en van de kerk der eeuwen van gewicht – tot aan de 18e eeuw was de allegorische verklaring van Hooglied overheersend. Uitgaande van de letterlijke betekenis, zullen meditatie en prediking lijnen mogen doortrekken. Tegen het klankbord van de héle Schrift heeft Hooglied een diepe en wondermooie resonantie. In déze liefde tussen bruid en bruidegom, verlangend, gloedvol, warm en zichzelf wegschenkend, komt iets uit- en licht iets óp van de liefde van dé Bruidegom en Zijn bruid Ef. 5:32; Op. 19:7; 21:2,9; 22:17. De betekenis van Hooglied ligt vooral in de wijze, waarop de liefdesverhouding tussen bruid en bruidegom wordt getekend. In een wereld, waarin het sexuele verabsoluteerd werd en in het religieuze getrokken, was- en is het Hooglied een verademing. Zowel voor een (religieuze of materialistische) overwaardering van de sexualiteit als voor een (ascetische) onderwaardering, daarvan bevat Hooglied een impliciete waarschuwing. De liefde in volle overgave is een geschenk van de Schepper, dat ontvangen mag worden in gehoorzame afhankelijkheid van Hem. En in die liefde is een afspiegeling te zien van Christus’ liefde voor Zijn gemeente.

Indeling van het boek

Opschrift 1:1, Een koninklijk lied.

Eerste deel 1:2-2:7

Het verlangen der liefde 1:2-4

Zwart doch bekoorlijk 1:5-6

Vraag- en antwoordspel 1:7-8

Mijn liefste – mijn geliefde! 1:9-17

Bloemrijk en smakelijk 2:1-3

Onder de banier der liefde 2:4-7

Tweede deel 2:8-3:5

Liefdeslied in de lente 2:8-14

Respons op het lentelied 2:15-17

Droom van zoeken en vinden 3:1-5

Derde deel 3:6-8:14

De bruiloftsstoet ingehaald 3:6-11

Volmaakte schoonheid 4:1-7

Kom bij mij 4:8

In de ban van de bruid 4:9-11

Mijn hof, jouw lof 4:12-5:1

Droombeeld en nachtmerrie 5:2-8

Een kunstwerk te midden der leliën 5:9-6:3

Schoon en imponerend 6:4-7

Uniek en imponerend 6:8-10

In de hof 6:11-12

Betoverde ogen 6:13-7:5

Klimmen, plukken en drinken – de vrucht der liefde 7:6-13

Broer en zus in het huis van moeder 8:1-4

Hartezegel voor geen goud te koop 8:5-7

Toen enthans 8:8-10

Duizend en één 8:11-12

Bruid en bruidegom 8:13-14

VERKLARING

Een koninklijk lied 1:1

Het opschrift van Hoogl. kent het auteurschap aan Salomo toe; de vertaling ‘op’, ‘over’ of ‘aangaande’ Salomo is mogelijk maar minder juist. Zie verder de inleiding.

Eerste deel 1:2-2:7

Het verlangen der liefde 1:2-4

In deze strofe staat de liefde van- en voor de bruidegom centraal. De bruid is aan het woord. Zijn liefde wordt vergeleken met wijn en olie (smaak en geur zijn in de liefde belangrijk!). Zalving met olie was onderdeel van een goede lichaamsverzorging. De jonge meisjes roemen samen met de bruid de bruidegom en hebben hem lief (anonieme tussenfiguren, zie de inleiding). De bruidegom wordt verzocht om een rendez-vous, waaraan hij beantwoordt: hij voert haar naar zijn vertrekken/zijn paleis. Zó minnenswaard is de bruidegom, dat terecht allen hem liefhebben en prijzen. Vs 3 bevat een woordspeling: ‘als uitgegoten olie (smn) is uw naam (sm)’, vgl. Pred. 7:1.

Zwart doch bekoorlijk 1:5-6

De bruid stelt zichzelf aan de hofdames voor. Als teken van schoonheid gold de blankheid of roodheid van kleur (vgl. 5:10 en Klaagl. 4:7vv.). De bruid is van eenvoudige komaf, een wijngaardenierster. Ze had een harde jeugd, ze moest de wijngaarden bewaken – soms in de felle zon. Daarom kon ze haar eigen wijngaard (figuurlijk: zichzelf – vgl. 3:15; 4:12; 8:12) niet bewaken. De hofdames uit de grote stad konden zorgvuldig voor de blanke teint van hun huid zorgen, zij niet. Vs.5 – zwart (dat is: door de zon gebruind, het Hebr. heeft geen woord voor ‘donkerbruin’) is de bruid, maar ze is bekoorlijk gebleven. De tentdoeken zijn bruinzwart van kleur (Kedar=een be-doeienenstam in de syrisch-arabische woestijn vgl. Gen. 25:13). Als tenten van Kedar is zij, maar tevens als de schitterende gordijnen van Salomo’s huis. De lezing ‘Salomo’ is onzeker; wellicht is ‘Salma’ beter. De salmeeërs waren eveneens een arabische nomadenstam. De tegenstelling tussen zongebruinde bedoeïenenmeisjes en blanke stadsmeisjes komt in de arabische liefdespoëzie nu nog voor.

Vraag-en-antwoordspel 1:7,8

De bruid-herderin verzoekt om een nieuw rendez-vous met de bruidegom-herder. De middagtijd, als de kudde rust, is een geschikte gelegenheid. De bruid vraagt om antwoord; ze wil niet als een ‘gesluierde’ zijn bij de andere herders. Het verhullen van het gezicht is naast teken van rouw ook teken van schaamte (Jer. 14:3v; Mi. 3:7). Vgl. ook Gen.38:14 – de bruid wil niet in een beschamende situatie komen. Een andere verklaring is: als een ‘zwervende’. Wordt vs 8 door de jonge meisjes gesproken? Beter: door de bruidegom, die zegt: je hoeft niet te vragen en te zoeken, volg slechts de sporen, en weid daar je geiten (maw.: daar zullen we elkaar ontmoeten en elkaar liefhebben).

Mijn liefste – mijn geliefde! 1:9-17

Drie strofen van elk drie verzen. In de eerste strofe bezingt de bruidegom de schoonheid van de bruid en belooft haar mooie sieraden vs 9. Voor ‘Egypte’ vgl. 1 Kon.l0:28vv. De farao gold als de rijkste koning met de mooiste paarden. De schoonheid van het paard, behangen met sieraden, past de bruidegom toe op de bruid, vs 10. De wangen van de bruid tussen de oor- en hoofdsieraden, en haar hals omringd met snoeren zijn stralend mooi; haar sieraden herinneren aan de kostbare hoofdstellen van de egyptische paarden.

Vs 11 – maar nóg mooier sieraden zal de bruid ontvangen. De bruid antwoordt met een lied over welriekende specerijen en geurende bloemen – zó is haar geliefde voor haar. In de tweede strofe (vss 12-14) kan bij vs 12 ‘aan zijn tafel’ – gedacht worden aan tafelgemeenschap, maar ook aan omgang in het algemeen (zolang hij ‘om mij heen’ is). Haar hele wezen en liefde omgeeft hem, zoals nardus zijn geur verspreidt. Vs 13- bij bijzondere gelegenheden plachten vrouwen een bundeltje vloeibare of verharde myrrhe op de borst te dragen. De tegenwoordigheid van de bruidegom, die zijn hoofd tussen haar borsten legt, is voor de bruid als myrrhe, of als de sterk riekende bloei van de henna-struik. Engedi, een oase ten westen van de Dode Zee, was bekend om de groei van henna. De beelden vloeien hier ineen: heerlijke geur (henna, vgl. vs 3) – geitenbron ( = engedi, vgl. 2:8) -wijngaarden (vgl. vs 6). In de derde strofe (vss 15-17) kijken liefste en geliefde elkaar ahw. in de ogen. Wat een duivenogen! Punt van vergelijking is de stralende- of lonkende blik (vgl. 4:1-7, en Jes.3:16) Vs 16 – de bruid antwoordt in echo, en haar gedachten gaan als vanzelf naar het één-zijn met de bruidegom. Ze zingt van hun (bruids)bed; buiten is boven dat bed een bedekking met groene takken en bladeren (beeld van de ontmoeting in de tuin) en binnen is boven dat bed een plafond van prachtig hout (beeld van de ontmoeting in het paleis). Vgl. 1 Kon.7:2,7; 9:11.

Bloemrijk en smakelijk 2:1-3

Twee liederen van bewondering. De bruid is bescheiden: ze is als een voorjaarsbloem, die met duizenden andere de vlakte van Saron, de kustvlakte ten zuiden van de Karmel, bedekt. De bruidegom spitst dit beeld complimenterend toe: de bruid is niet maar ‘een’ doch dé lelie. Niet één naast vele andere, maar een lelie temidden van distelen – zo valt zij op temidden van de meisjes! De bruid weerkaatst de lof, en vergelijkt haar bruidegom met een appelboom onder de andere bomen des wouds. Haar geliefde valt óók op! Hij is als een boom, die anders dan de andere bomen des wouds, schaduw én vrucht geeft. Daarnaar gaat het verlangen van de bruid uit.

Onder de banier der liefde 2:4-7

In deze verzen klinkt de liefdesovergave door. Vs 4 ‘wijnhuis’ – een aparte feestzaal in een voornaam huis (vgl. Esther 7:8) of pok een vrijstaand klein huis, ingericht voor wijndrinken (vgl. Jer. 16:8 en Pred. 7:2). Door een teken (‘vaan’) wordt naar buiten duidelijk gemaakt, dat er feest gevierd wordt. Het ‘vaandel’ van dit ‘wijnhuis’ heet ‘liefde’. Vs 5 bedwelmd door de liefdesovergave, roept de bruid om versterkingsmiddelen (die zelf ookweer liefdessymbolen zijn, vgl. 2:3; 7:9 en 8:5). Zij is liefdesziek, bedwelmd door- en verlangend naar de liefde. Vs 6 tekent de liefdesovergave. Vs 7, als keervers (3: 5; 8:14, cf. 5:8), roept de dochters van Jeruzalem op om niet op kunstmatige maar op spontane wijze de liefdesweg te bewandelen. Opwekken en storen/prikkelen van de liefde mag eerst dan, wanneer de liefde zelf eraantoe is. Het vers heeft de vorm van een bezweringsformule (‘gazellen en hinden des velds’, vgl.: 2:9, 17; 8; 14).

Tweede deel 2:8-3:5

Liefdeslied in de lente 2:8-14

In haar ouderlijk huis (‘onze’ muur, vs 9) hoort de bruid met gespitste liefdesoren haar geliefde komen, gracieus als een gazel of een hertejong (vgl. vs 7). Zoals een nieuwsgierig hert dat doet, zo kijkt hij door de vensters. Hij lokt haar met een liefdeslied naar buiten, tot 2 maal toe (vss 10 en 13). Hij heeft de lente in het hoofd: de tijd van regen en kou is voorbij (winter-regentijd), nieuw leven kondigt zich aan, knoppen botten uit, een tijd van zingen voor mens en vogel (vs 12). Bloei en groei alom; tot de lente behoren lied (vs 12) en liefde. Vs 14 – de bruid in haar huis is nog onbereikbaar zoals een stille duif in een ontoegankelijke rotskloof. Maar hij verlangt naar haar, met één vleugelslag kan zij bij hem zijn. Let op het chiasme in vs 14.

Respons op het lentelied 2:15-17

De bruid antwoordt op de lokroep van de bruidegom. Vs 15 – de vosjes brengen schade aan in de wijngaard, ze moeten gevangen worden, vgl. Neh.4:3; Ez.l3:4.

Een beveiligingsmaatregel dus. Met welke zin? ‘Wijngaard’ heeft een symbolische betekenis (vgl. 1:6,14; 2:13; 8:11,12). De ‘wijngaarden’ van bruid en bruidegom staan in bloei, dat is: hun liefde bloeit. Alles wat die ontluikende liefde in de weg kan staan moet weggenomen worden (de vossen gevangen). Of: allen die kunnen hinderen (mededingers, jonge mannen). Vs 16 bezingt de wederzijdse band. De bruidegom/herder weidt de kudde op in de lente met bloemen bezwaaide velden. Vs 17 – de bruid spreekt uit, dat na het gedane werk, tegen de tijd dat de westenwind ‘s avonds wat koelte brengt en bij het zakken der zon de schaduwen langer worden, de bruidegom/herder bij haar zal komen. En dat hij dat snel zal doen, als de gazel. Vs 17, de gekloofde bergen – onduidelijk; waarschijnlijk een aanduiding van aromatisch geurende bergen (Hebr. Bether-bergen, vgl. 4:6 en 8:14, waar in dezelfde constructie sprake is van ‘myrrheberg’ en ‘balsem/wierookheuvel’). Vs 17 is zo een uitnodiging tot de liefdesovergave.

Droom van zoeken en vinden 3:1-5

Vgl.5:2-7. Na de avond (2:17) komt de nacht: de bruid droomt. De beelden blijven vaag (een droom!). Centraal is de thematiek zoeken-vinden. In haar droom verlangt de bruid naar een rendez-vous. Verschillende stereotiepe vormen van de liefdeslyriek worden hier gebruikt: scheiding van geliefden, stads wachters, huis van de moeder, vereniging. In haar droom zoekt de bruid in de stad. Een antwoord van de stadswachters (belast met de nachtelijke surveillance) wacht zij niet af. Zij vindt plotseling haar beminde en laat hem niet meer los. Na het hoogtepunt in het huis van de moeder volgt weer de bezwering (vs 5). Ook in 8:2,4 volgt na het rendez-vous de bezwering. Blijkbaar een vaste volgorde?

Derde deel 3:6-8:4

De bruiloftsstoet ingehaald 3:6-11

Dit gedeelte handelt over de bruidegom Salomo die in zijn draagstoel de bruid haalt en ‘s nachts terugkeert naar Jeruzalem. Vss. 9 en 10 zijn een nadere uitleg van vs 7. Merkwaardig blijft, dat de bruid niet genoemd wordt. De dichter zelf is in dit gedeelte aan het woord. Vs 7 – de draagkoets komt ‘uit de woestijn’, dat is uit het vrije veld van buiten de stad. De rook van de verbrande wierook (vgl. Lev.16:13 en Ez.8:16) is het eerst te zien. Heerlijke geuren omgeven de stoet. Vs 7 – een geoefend escorte van 60 man beschermt de draagstoel. Vs 8 – zij waken tegen ‘de verschrikking van de nacht’ – te denken is aan een overval of aan kwaad in het algemeen. Vs 10, ‘draagkoets’ is hapax legomenon. Sommigen vertalen met ‘troonhuis’. De draagkoets bestaat uit cederhout, edelmetaal en purper. ‘Een bekleding van liefdesgeschenken’: problematisch. Wellicht is beter: ‘Ebbehout’, en ‘afkomstig van de dochters van Jeruzalem’ te trekken bij vs 11. De koning, die men met recht liefheeft (1:3,4), wordt bejubeld door de vrouwelijke bruiloftsgasten bij zijn binnenkomst. Vs 11, vgl. Jes.61:10.

Volmaakte schoonheid 4:1-7

De buit/bruid is binnen (3:6-11), en de bruidegom bezingt haar schoonheid. Begin- en eind van het lied zijn gelijk. Dit is het eerste van de vier zgn. beschrijvingsliederen, die een gedetailleerde en prijzende beschrijving van de verschillende lichaamsdelen van de geliefde geven (de andere drie: 6:4-7; 7:1-6; 5:10-16). Vs 1 – zoals de bruidegom een kroon draagt (3:11), zo de bruid een sluier. Vgl. 1:15. Het zwarte haar wordt vergeleken met een dichte kudde donkerkleurige geiten, die van een glooiende heuvelrug afdaalt en zo een golvende beweging maakt. Gilead in het Overjordaanse was een vruchtbaar land, geschikt voor veeteelt. Vs 2 een tegenstelling tot de zwarte haren vormen de witte tanden, naast de kudde zwarte geiten van vs 1 daarom de kudde witte schapen van vs 2. Vs 2a tekent de blankheid, vs 2b de regelmaat van het gebit (tweeling: onder en boven ontbreekt geen tand). Vs 3 – het volgende kleurcontrast is het rood van de lippen tegenover het wit van de tanden. Dat de lippen smal zijn, maakt de mond nog lieflijker. Waarschijnlijk moet bij de vergelijking van de slapen met een gespleten granaatappel gedacht worden aan de wijze, waarop de sluier werd gedragen: de slaap ten dele bedekt, dus een zichtbare, kleurige helft en een bedekte, donkere helft -wat doet denken aan het verschil in kleur tussen binnenste en buitenste van een gespleten granaatappel. Vs 4 -zowel mannen als vrouwen droegen soms kolliers die uit wel tien rijen snoeren konden bestaan, met aan die snoeren hoekige of ronde plaatjes. Dit doet denken aan de schilden die aan de muur van de Davidstoren (verder onbekend) hangen. Vgl. Ez. 27:11. Vs 5 – de borsten worden vergeleken met een tweeling-jong van de gazelle (vgl.7:3). Punt van vergelijking is het aanvallige, bekoorlijke van de gazelle. Vs 5b en 6 worden toegevoegd, zoals 2:16 en 2:17 bij elkaar horen. De ‘myrrheberg’ en de ‘wierookheuvel’ zijn aanduiding van de bedwelmende liefdesovergave. Vss 5-6 vormt zo een lyrische beschrijving van het liefdesverlangen en het liefdesgeluk. Vs 7 vat samen: een volmaakte schoonheid.

Kom bij mij! 4:8

Na 4:1-7 volgt een aantal gedichten met het sleutelwoord ‘Libanon’ (8, 9-11, 12-5.T). ‘Libanon’ sluit aan bij ‘wierookheuvel’ (Hebr. lebonah) van vs 6. Ook het tweemaal in vs 9 gebruikte ‘gij hebt mij betoverd’ (Hebr. libbabti-nu) herinnert aan ‘Libanon’.

Was in 4.T-7 sprake van een wonderland der liefde, myrrheberg en wierookheuvel, in 4:8 volgt de tegenpool: het bedreigende, gevaarlijke gebergte in het noorden, de Libanon en de Antilibanon (Amana, Senir en Hermon zijn delen van de Antilibanon) met zijn wilde natuur en roofdieren. De bruidegom roept de bruid daarvandaan, liever de myrrheberg (vs 6) dan de berg der panters (vs 8). Zo is vs 8 een oproep om moeiten en gevaren achter zich te laten en zich te vermeien in de huwelijksliefde.

In de ban van de bruid 4:9-11

Wat een diepe indruk maakt de bruid! De combinatie zuster-bruid komt ook in de egyptische liefdeslyriek voor. De bruid heeft de bruidegom betoverd door haar blik; door één blik uit haar ogen oefent zij macht over hem uit. Zoals zij over hem zong (1:2,3) zo zingt hij over haar (4:10). Haar liefde, in termen van smaak en geur uitgedrukt, is overweldigend. Vs 11a: gedacht worden aan de schone stem ofwel aan de kus (vgl. 1:2!). De geur van de Libanon is de geur van cederhout (vgl. Hos. 14:7).

Mijn hofl, jouw lof 4:12-5:1

De bruidegom vergelijkt de bruid met een schitterende, exotische tuin. De genoemde planten en specerijen waren grotendeels import-produkten. Een utopische fantasie-tuin, een paradijs: mooier, geuriger, heerlijker het niet. En zó is de bruid. Een tuin had gewoonlijk ook een bron. Het geheel was ommuurd, de bron verzegeld. Zó was de bruid in haar maagdelijke pracht; onbereikbaar voor anderen. In vs 16 spreekt de bruid, die de winden (vgl. Jes. 43:6) uitnodigt de geuren uit haar te doen waaien. De noordenwind brengt koelte; de zuidenwind brengt warmte. Ze nodigt haar geliefde; haar (vs 16a) is zijn (vs 16b). Een onverbloemde uitnodiging tot de liefde: de tuin gaat open. De uitnodiging wordt aangenomen (5:1). Het slot van 5:1 is een tussen-woord van de dichter, die het liefdespaar aanmoedigt de liefdesvruchten en de liefdeswijn te eten en te drinken, en lief-desdronken te worden (cf.2:4-6). Een andere mening zegt dat hier een oproep wordt gedaan aan ‘vrienden’, (de bruiloftsgasten), di. aan derden, om zó ook de liefde te (be)proeven.

Droombeeld en nachtmerrie 5:2-8

Aan de liefdesdroom worden twee gedeelten gekoppeld, nl. een lovende beschrijving van de bruidegom (5:10-16) en een verklaring van liefdesovergave (6:2-3), beide ingeleid door een vraag van de ‘dochters’ (5:9 en 6.T). Het

zoeken-vinden-motief vormt de verbinding (5:6,8; 6:1). Vs 2 – in de droom hoort de bruid het kloppen van de bruidegom (vgl. 3:1-5 en 2:8vv). De bruidegom overstelpt haar met ‘lieve woordjes’. ‘Vol dauw’: in het O.T. heeft ‘dauw’ vaak de bijbetekenis van zegen, rijkdom, overvloed, mildheid. Vs 3- het antwoord lijkt moeilijk: het is teveel moeite. De bruid ligt al op bed, na zich de voeten gewassen te hebben (men liep blootsvoets of in sandalen). Vs 4 – het antwoord ontmoedigt niet; hij steekt zijn hand door de opening (een kijkgat? een opening om licht door te laten?) om zijn verzoek kracht bij te zetten. Dit gebaar doet haar weerstand wegsmelten. Vs 5 – als de bruid gaat opendoen zijn het geen stugge, afkeurende handen, maar van myrrhe druipende handen die de grendel weghalen (heeft de bruidegom een kruik met myrre over de grendel uitgegoten?). Vs 6 – maar de geliefde is weg. Had ze nu maar sneller gereageerd. Want in feite bezwijmde ze van liefde toen hij sprak. Vs 7 – de stadswachters behandelen haar nu als een hoer; ze rukken haar sluier/omslagdoek van het hoofd – een hoer mocht niet met bedekt hoofd omgaan. De bezwering sluit de droom af; de dochters moeten de vurige liefdesverklaring aan de bruidegom overbrengen.

Een kunstwerk temidden der leliën 5:9-6:3

Willen de dochters de bruidegom vinden, dan moeten ze wel weten hoe hij eruit ziet; vss 10-16 zijn omschrijving én signalement. 5:10-16 is het enige beschrijvingslied door de bruid op de bruidegom – de schoonheid van de bruid wordt nu eenmaal vaker bezongen.

Vs 10 begint met een algemene indruk: wit en rood als beeld van gezondheid (vgl. Klaagl.4:7). De beschrijving gaat van boven naar beneden. Vs 11 – ‘goud’ ziet óf op de roodbruine kleur van het zongebruind gezicht, of meer in het algemeen op de koninklijke waardigheid. Vs12 – ook zijn ogen zijn als duiven (vgl. 1:15 en 4:1). Vs13 – de wangen en baard worden beschreven op het punt van de geur. De lippen zijn rood als leliën (naast de kleur speelt de liefdessymboliek weer mee, cf.6:2-3), die druipen van myrrhe, zoals de lippen van de bruid van ho-ningzeem (4:11). Zijn armen en lichaam zijn kunstwerken. Tarsisstenen: lapislazuli. De tarsissteen komt ook voor in de borstlap van de Hogepriester; de kleur is blauw (turkoois). De benen zijn krachtig en sierlijk gebouwd. Dan gaat de blik van de bruid nog eens over het geheel: zijn aanzien is majesteitelijk en groots, gelijk de Libanon. En zijn kus is héérlijk. Zó is hij – de trots klinkt in vs 16 door. Hij steekt in meer dan één opzicht boven anderen uit (9,10, vgl.2:3). Opvallend is hoe vaak het koninklijk goud als vergelijking dient.

Het antwoord op de vraag van de meisjes 6:1 (vgl. 1:7) was te verwachten, de bruidegom was immers afgedaald naar zijn hof, zijn bruid (5:1). 6:2-3 sluit aan bij 4:12-5: 1. De bruidegom heeft werkzaamheden in zijn hof, maar de bruid is zélf een lelie (6:2 , vgl.2:1,2). De vrouwen hoeven niet mee te zoeken! De bruidegom is tuinman en herder; zijn hof is de bruid, het leliënveld waar hij weidt is zijn liefste. Vgl.2:16.

Schoon en imponerend 6:4-7

Het derde beschrijvingslied heeft veel gemeen met het eerste (4:1-7). Het gelaat wordt beschreven. De vergelijkingen voor haar, tanden en slapen zijn die van 4:1-7. Weer begint het lied met een uitspraak over het geheel. Haar schoonheid wordt vergeleken met de koningssteden Tirsa en Jeruzalem. Tirsa was de koningsstad van het 10-stammenrijk, vóórdat Omri Samaria bouwde. Over de schoonheid van Jeruzalem vgl. Klaagl.2:15, Ps.48:3, Ps. 122, Op.21:2 (Jeruzalem als bruid!). De bruid is mooi en imponerend, geducht. De diepe indruk van de liefdesopwinding vergelijkt de bruidegom met een gevoel van schrik, geïmponeerd-zijn. Vs 4 slot is problematisch – gaat het om een slagorde die met vliegend vaandel oprukt, om een fata morgana of om indrukwekkende hemellichamen? Vs 5 – de ogen verwarren en bedwingen.

Uniek en imponerend 6:8-10

In dit trotse lied bezingt de bruidegom de liefde voor zijn éne, enige, unieke bruid tegen de achtergrond van de oosterse harem. De bruid is de éne, die de gunst van de koning heeft verworven. Veel vrouwen zijn er in de harem, behalve de koninginnen nog twee andere groepen, maar zij is uniek. Uniek voor de bruidegom, zoals zij de enige dochter van haar moeder was. Dat moeten zelfs de haremvrouwen toegeven. Vs 10, vgl. slot vs 4.

In de hof 6:11-12

Deze verzen worden de moeilijkste van Hooglied genoemd. Een enigszins plausibele verklaring is, dat in vs 11 de bruidegom spreekt, die als tuinman naar zijn hof afdaalt (dubbele bodem). Vóór de beide liederen van bewondering (vss 4-7 en 8-10) had de bruid al gezegd dat hij naar de hof afdaalde (vs 2-3, vgl.4:16-5:1). De bloei en de bloesems (vgl.2:12,13) van de hof vormen de entourage voor de liefdesontmoeting (in vss 2,3 vermeld, hier verondersteld). De liefdesontmoeting vindt plaats. De bruid ontmoet daarmee niet slechts een herder (1:7; 2:16; 6:3) en een tuinman (5:1; 6:2,11) maar ook een koning (1:4,12; 3:6-11; 7:5). En deze koning zet haar naast zich op de vorstelijke wagens (3:7). Ze wordt een vorstendochter, door wie de koning gevangen is (7:5). Te denken is hier aan de koningsprocessie. Geen wonder, dat de bruid, van oorsprong eenvoudig, ‘zichzelf niet kent’.

Betoverde ogen 6:13-7:5

Het vierde en laatste beschrijvingslied. Vs 13 is de inleiding: de oproep om om te keren. Waarschijnlijk is hier aan een bruiloftsdans te denken. Laten de ogen zich verlustigen in de betoverende pracht van de bruid! De vraag ‘Wat wilt gij… zien?’ is een rhetorische vraag, die plaats inruimt voor het lied (vgl. 5:9 voor 5:10-16). ‘Sulammiti-sche’ – een goede verklaring is, in deze naam het vrouwelijk pendant van Salomo te zien (de Salomo’sche), met de vokalisatie van ‘sunamitische’ (de schone Abisag uit Sunem als type van schoonheid, vgl. IKon.1:3,4). ‘Mahanaim’ – een plaatsnaam? In dat geval ligt het in Gad, ten O. van de Jordaan.

In 7:1-5 gaat de beschrijving van onder naar boven (in 5: 10-16 andersom). De beelden zijn optisch; gehoor, geur en smaak ontbreken. Vs 1 – de voeten/voetpassen zijn bekoorlijk. De blik gaat omhoog naar de welvingen van de heupen. Vs 2 – ook in de egyptische beeldende kunst wordt de navel geprofileerd in de vorm van een bekken, een schaal. ‘Tarwehoop’ ziet én op de ronde vorm én op de gele kleur. Vaker wordt een mooie huidskleur vergeleken met de kleur van tarwe. ‘Omzoomd met leliën’: is ornament van liefdes-lyriek, en ziet niet op een concretum (de schaamharen). Met het woord ‘leliën’ komt de associatie met de liefde weer boven (vgl. 2:1,2,16, enz.). Voor vs 3 en vs 4 vgl. resp. 4:5 en 4:4. Vs 4, ‘ivoren’, alleen bekend bij kunstwerken (1 Kon.22:38, Am.3:15, Ps.45:9) – het punt van vergelijking is de kleur, of de gladheid. Hesbon is de oude amoritische koningsstad vgl. Num.21:25. Blijkbaar waren daar bij de poort Bath-Rabbim twee vijvers, wat bij stadspoorten vaak het geval was. De ogen van de bruid zijn als de glans van de waterspiegel. ‘Toren van de Libanon’ – uitkijktoren of bergtop, die uitziet op Damascus. Vs 5 – majestueus en opvallend is de Karmel, die oprijst uit het vlakke landschap tussen de zee en de vlakte van Jizreël – zó is de bruid. Slot vs 5: het beeld, dat de koning ‘gevangen’ is door de glanzende haren (purper!) van de bruid, óf: ‘lokken’ moet vertaald worden met ‘weversstangen’, en ‘koning’ bij ‘purper’ getrokken worden – ‘uw haardos is als koningspurper (weefdraad) tussen het weefgetouw’. Heeft ‘purper’ net als ‘goud’, ‘gazelle’ en ‘lelie’ de gevoelswaarde van ‘liefde’?

Klimmen, plukken en drinken – de vrucht der liefde 7:6-13

Stem en tegenstem klinken (vs 6 – de liefde is kostelijk, zo zingt de bruidegom. Vs 7 hij zingt over de gedaante van zijn bruid, en vergelijkt die met palm en dadeltros-sen. Het verlangen komt in hem op, die te bezitten. Het beeld verschuift: haar borsten zijn als druiven, de geur van haar adem als appels (vgl.2:5, 8:5), haar verhemelte als de wijn (1:2; 2:4; 4:10; 5:1). Beeld, geur, smaak – hoe begeerlijk is de bruid. Vs 9 – het laatste woord neemt de bruid op: ja, als wijn ben ik, die hem naar de lippen vloeit. Ze is trots dat hij haar zó begeert. Vss 11-12 vormen een hartelijke uitnodiging tot de liefde, vgl. 2:10vv en 6:11 w. Het is lente, liefdeslente. Alom bloei en groei. Een tijd van jeugdige kracht, nieuw leven, schoonheid en overgave. Temidden van geuren en kleuren zal het gebeuren. Vs 13 is wat duister; wat aan anderen is ontzegd, is voor de bruidegom opgespaard. ‘Liefdesappelen’ -vruchten van de alruin, golden als in bijzondere mate liefde-stimulerend, vgl. Gen.30:14vv. De kostelijkste vruchten liggen voor het grijpen, jonge en oude vruchten, een veelheid van vruchten.

Broer en zus in het huis van moeder 8:1-4

De bruid spreekt hier de wens uit, dat ze even natuurlijk en direct met de bruidegom om zou kunnen gaan, als zus en broer eri public. Geen openbare schande, geen praatjes, als ze elkaar dan zouden kussen. Geen geheime afspraakjes, maar openheid. Dan zou ze hem gelijk naar moeders huis brengen en hem daar bedwelmend en overweldigend te drinken geven. Voor het drinken van wijn of vruchtensappen als beeld van liefdesgenot, vgl. 2:3,4; 4:11; 5:1; 7:9; Spr.5:15 w. De liefdesovergave volgt in vs 3, met aan het slot het keervers. Driemaal in Hooglied volgt het keervers op een gedeelte, dat sprak over ‘in het huis brengen’ en over de liefdesovergave (vgl.3:7 en 3:5).

Hartezegel voor geen goud te koop 8:5-7

Voor vs 5 vgl. 3:6-11. De bruid is ahw. voor de liefde geboren (‘onder de appelboom’ – suggestief beeld, vgl.3: 3,5 en 7:8).

Vs 6 – uit de slaap onder de appelboom gewekt, wenst de bruid maar één ding: als een zegelring voor de bruidegom te zijn, gedragen of om de vinger (arm = hand:vinger, vgl. Gen.41:42) of aan een snoer op de borst, dicht bij het hart, vgl. Gen.38:18. Een zegelring: persoonlijk eigendom, kostbaar en onafscheidelijk. Zij zingt over de liefde (zoals hij in 7:6): geweldig sterk, de liefde laat de mens niet meer los evenmin als het dodenrijk (de hades) de doden; verterend als vuur, in hitte en gloed, niet te blussen en van zó onschatbare waarde dat alleen de gedächte al, als zou de liefde te koop zijn, smadelijk afgewezen wordt.

Vs 6 ‘een vuurgloed des HEREN’ – drie interpretaties zijn gegeven: a. de liefde is als de bliksem b. de liefde is een vlam, door God zelf aangestoken c. de liefde is een gewéldig vuur (‘des HEREN’ is een superlatief); alleen hier in Hooglied de naam HERE en dan nog in de archaïsche vorm: Yah.

Toen en thans 8:8-10

De broers van de bruid spelen een belangrijke rol bij de huwelijksonderhandelingen, vgl. Gen.24:50,55; 34:11). Toen de bruid nog jong was (‘geen borsten’, vs 8) hadden de bezorgde broers bij zichzelf overlegd: wordt ze een muur, maw. weert ze de toegang aan allen, die een oogje op haar laten vallen, af, dan zullen we haar eren (‘zilveren tinne bouwen’). Maar wordt ze een deur, maw. is de toegang tot haar gemakkelijk, wordt ze lichtzinnig, dan zullen we daar een stokje voor steken (tijdig grendels op die deur). Thans, jaren later, spreekt de bruid met trots, vs 10: ik héb me in reinheid bewaard, ik was geen deur maar een muur. En wel een goed beveiligde muur met torens (vs 8 geen borsten, vs 10 borsten als torens). Maar tegen de liefde, sterk als de dood (vs 6) is deze muur thans niet meer bestand: de bruid heeft gekapitu-leerd.

Duizenden één 8:11-12

Vgl. 1:6 en 6:8-10. Salomo heeft een ‘wijngaard’ van hoge waarde: een harem vol schone vrouwen.Baäl-Ha-mon is niet gelokaliseerd, is misschien een aanduiding voor Jeruzalem. Tegenover die van Salomo zet de bruidegom zijn ‘wijngaard’, de schoonheid en bekoorlijkheid van zijn bruid. Hij benijdt Salomo niet; voor zijn part mag Salomo de pachtsom van zijn wijngaard nog met een vijfde verhogen. De bruidegom houdt zijn ‘wijngaard’ liever onder eigen beheer – zijn liefste is voor geen goud te koop (vgl.vs 7).

Bruid en bruidegom 8:13-14

Liefkozend wordt de bruid aangesproken als ‘bewoonster der tuinen’ (het tuin-motief). De bruidegom vraagt haar stem te horen, en wel ten overstaan van de vrienden. Opdat het wereldkundig zij van wie zij houdt! Wat wil hij horen? Een liefdesuitnodiging. En die volgt dan ook (vgl.2:14,17; 4:6). En zo eindigt het Hooglied: in gracieuze spoed en totale liefdesovergave naar de ‘bergen vol balsemkrutd’ (beeld van het rijke geluk dat wacht), waar bruid en bruidegom één zijn. Daar wordt de liefde opgewekt en geprikkeld, zoals het haar behaagt. Het Hooglied eindigt zoals de Bijbel eindigt: met een roep om de komst van de Bruidegom.

Wellicht ook interessant

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken