Huichelaar
Geloofstaal & cultuurtaal
Huichelen in de betekenis van ‘je anders voordoen dan je bent’ staat in de geloofstaal voor het nastreven van uiterlijke godsdienstigheid zonder enige innerlijke overtuiging. De huichelaar staat tegenover de gelovige. Niet het gedrag van de huichelaar wordt afgewezen, maar zijn onoprechtheid. De huichelaarstreeft slechts naar menselijke roem. In het oordeel zal God de huichelarij echter doorzien en veroordelen (Mat. 24:51).
In zijn prediking wijst Jezus de huichelachtigheid aan van vele joodse leiders, in het bijzonder die van de Farizeeën. In de context van Jezus’ optreden betreft het mensen van wie je het niet zou verwachten. Daarom moet Jezus’ kritiek op de huichelaars voor elke gelovige een voortdurende zorg in het zelfonderzoek zijn.
De woorden ‘huichelaar’ en ‘huichelen’ hebben evenals in de geloofstaal in onze cultuur een negatieve betekenis. Iemand die huichelt, doet zich anders en beter voor dan hij is. Een synoniem voor ‘huichelaar’ is ‘hypocriet.’ Dit synoniem is hier van belang omdat ‘huichelaar’ ook vaak een vertaling is van het oorspronkelijk Griekse woord ‘hupokritès.’
Het woord ‘hypocriet’ werd lange tijd gebruikt binnen de wereld van het theater voor het spelen van een bepaalde rol. Daaruit ontwikkelde zich later de betekenis van ‘huichelaar’. Het Hellenistische (dat wil zeggen: Griekstalige) jodendom rond het begin van onze jaartelling nam het woord ‘hypocriet’ vooral in deze tweede, negatieve betekenis over. In de Septuagint wordt ‘hypocriet’ in Job 34:30 en 36:13 als vertaling van chaneef gebruikt (zie verder onder ‘woorden’). Maar in de deuterocanonieke boeken krijgt ‘huichelaar’ pas de betekenis zoals wij die uit het Nieuwe Testament kennen. Zie bijvoorbeeld 2 Makkabeeën 5:25: ‘Die schurk hield zich, in Jeruzalem aangekomen, onder het mom van vredelievendheid in tot de heilige sabbatdag’ (NBG-vertaling van 1995, zie verder Sir. 1:29, 32:15 en 33:2 en 2 Mak. 6:24-25).
Woorden
In de NBG-51 wordt het woord ‘huichelaar’ of een afgeleide daarvan maar drie keer in het Oude Testament gebruikt: Psalm 26:4 (‘huichelaar’), Jesaja 1:13 (‘huichelachtig’) en Daniel 11:34 (‘huichelachtigheid’). De hieraan ten grondslag liggende Hebreeuwse stamwoorden zijn ‘alam (in Ps. 26:4), sjav (Jes. 1:13: ‘huichelachtige offers’) en chalaq (in Dan. 11:34). De vertaling van deze woorden op de genoemde plaatsen met ‘huichelaar’ of ‘huichelachtig’ is nogal willekeurig. Zo wordt het woord dat in Daniël 11:34 vertaald wordt met ‘in huichelachtigheid’ in vers 21 vertaald met ‘door slinkse streken.’
In de SV is ‘huichelaar’ en ‘huichelachtig’ de vertaling van een Hebreeuws woord van de stam chanaf. Moderne vertalingen geven dit woord vaak weer met ‘goddeloze’ of ‘goddeloosheid’.
De GNB gebruikt vier keer het woord ‘huichelaar’ (Job 13:16; Ps. 26:4 en 41:7 en Spreuken 10:18). In Spreuken 10:18 staat in het Hebreeuws sjiftee-sjaker. Deze laatste woordcombinatie komt meer voor in het Oude Testament. In Psalm 31:19 en Spreuken 12:22 vertaalt de GNB deze combinatie met ‘leugenaar.’
De analyse van de vertalingen maakt duidelijk dat er in het bijbelse Hebreeuws geen vast begrip voor het verschijnsel ‘huichelen’ bestaat.
In het Nieuwe Testament heeft de NBG-51 ‘huichelaar’ als vertaling van het Griekse hupokritès, ‘huichelen’ van hupokrinesthai en ‘huichelarij’ van hupokrisis. De SV gebruikt het woord ‘huichelen’ in het Nieuwe Testament nergens, maar vertaalt met respectievelijk ‘geveinsde’, ‘veinzen’ en geveinsdheid’.
De GNB is iets minder consequent. Meestal gebruikt deze vertaling voor bovengenoemde Griekse woorden ‘huichelaar’, respectievelijk ‘huichelen.’ In enkele gevallen vertaalt ze met ‘schijnheilig’ (Mat. 6:2, 5 en 1 Tim. 4:2).
Betekenis in context
Oude Testament
Het Oude Testament kent geen woord dat altijd met ‘huichelen’ vertaald kan worden. De woorden die hier relevant zijn worden wel vertaald met ‘goddeloos’, ‘waardeloos’, ‘bedrieglijk’, ‘verderfelijk’, ‘huichelachtig’, ‘vals’, ‘glibberig’ of ‘slinks’. Duidelijk is dat bij deze woorden de keus voor de vertaling van ‘huichelaar’ ingegeven wordt door de context. Om dit te verduidelijken, volgen hieronder de zes passages waarin de NBG-51 en/of de GNB het woord ‘huichelaar’ in hun vertaling gebruiken.
In Job 13 antwoordt Job zijn vrienden. Hij wil zich tegen God zelf verdedigen. Vers 16 luidt dan in deGNB: ‘Dat alleen al pleit voor mij, een huichelaar zou dat niet durven’. Ook de SV heeft hier ‘huichelaar’. De context dwingt hier echter niet tot deze vertaling. Het alternatief is ‘de goddeloze’ (NBG-51, Willibrord). In Psalm 26 betuigt de dichter van het lied zijn onschuld. In de verzen 4 en 5 doet hij dat door zich te distantiëren van allen die slechte bedoelingen hebben. Voor deze mensen gebruikt hij vier woorden. In de verschillende vertalingen zijn deze woorden als volgt vertaald: (zie schema hieronder)
Het is duidelijk dat ‘huichelaars’ in slecht gezelschap verkeren. Maar wat precies deze ‘huichelaars’ tot huichelaars maakt, kan op grond van deze psalm niet worden besloten. Psalm 41 is een lied over God die de vijanden niet laat triomferen over de ik-persoon. De ik-persoon is ziek en zijn vijanden komen hem opzoeken. Over hen wordt dan in vers 7 gezegd: ‘Ze komen mij opzoeken, die huichelaars, en spreken mooie woorden. Maar eenmaal buiten zeggen zij wat ze denken’ (GNB). De Willibrord is iets scherper: ‘En komt er al iemand kijken, dan is zijn medelijden vals; zijn hart vergaart slecht nieuws; eenmaal buiten brengt hij de roddel op straat’.
Spreuken 10:18 is een redelijk op zichzelf staande spreuk: ‘Wie iemand heimelijk haat, is een huichelaar’ (GNB). De vertaling ‘huichelaar’ is ingegeven door het woord ‘heimelijk’. Een alternatief is ‘leugenachtig’ (Willibrord).
Het gedeelte Jesaja 1:10-17 gaat over het offeren van het volk Israël aan God terwijl het doorgaat met het doen van onrecht. Met betrekking tot die offers zegt vers 13: ‘Gaat niet voort met huichelachtige offers te brengen’ (NBG-51). Omdat niet de offers huichelen maar de mensen die ze brengen, lijkt de vertaling ‘nutteloos’ (Willibrord en GNB) of ‘vergeefs’ (SV) hier beter.
In Daniël 11 wordt beschreven hoe de koning van het Noorden de tempel in Jeruzalem ontwijdt. De Godgetrouwen bieden weerstand maar worden zwaar vervolgd. Een klein aantal mensen biedt hun hulp, maar ‘dan zullen velen zich in huichelachtigheid bij hen aansluiten’ (vs. 34, NBG-51). De vertaling ‘slinks’ (GNB) is hier een goed alternatief.
|
SV |
NBG-51 |
Willibrord |
GNB |
|
– ijdele lieden |
– valsaards |
– bedriegers |
– misdadigers |
|
– bedekte lieden |
– huichelaars |
– huichelaars |
– huichelaars |
|
– boosdoeners |
– boosdoeners |
– bozen |
– bedriegers |
|
– goddeloze |
– goddelozen |
– schurken |
– mensen zonder God |
Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament komt ‘huichelarij’ maar drie keer voor buiten de evangeliën: Galaten 2:13, 1 Timoteüs 4:2 en 1 Petrus 2:1. In de brief aan de Galaten betreft het de huichelarij van Kefas (Petrus), de overige joden uit Antiochië en zelfs Barnabas. Zij hadden altijd gezamenlijk met de heidenen gegeten, maar na de komst van volgelingen van Jakobus krabbelden zij terug en aten apart. Paulus benoemt dit als huichelarij.
In 1 Timoteüs 4:2 wordt huichelarij genoemd als reden voor geloofsafval. Daarom waarschuwt 1 Petrus 2:1 ook voor huichelarij. Huichelarij is hier één van de vele kwaden: kwaadwilligheid/slechtheid, bedrog, afgunst, kwaadsprekerij/laster.
In de evangeliën is een waarschuwing voor huichelarij te vinden in Lucas 6:42 en Matte-üs 7:5. De hoorders van de gelijkenis van de balk en de splinter worden hier huichelaars genoemd. Bij dit gebruik van huichelaar als appèl op de hoorder/lezer sluiten Lucas 12:56 en 13:15 aan.
Daarnaast worden in de drie synoptische evangeliën de Farizeeën en schriftgeleerden huichelaars genoemd. We vinden deze aanduiding bij Marcus, het oudste ons als geheel schriftelijk overgeleverde evangelie (7:6). Ook Lucas verbindt huichelarij eenmaal met de Farizeeën (12:1). Bij Matteüs zijn de huichelaars bijna altijd de Farizeeën en schriftgeleerden (15:7; 23:13 en verder, vgl. 6:2 en verder). Een uitzondering is te vinden bij de vraag over het recht van belasting in 22:18. Daar zijn de Farizeeën en Herodianen samen de huichelaars.
De negatieve houding van Matteüs tegenover de Farizeeën hangt waarschijnlijk samen met de hoge waardering van Gods wil als absoluut gebod. De Farizeeën maken zich er veel te gemakkelijk van af. Zie 5:20: ‘Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan’. Hier gaat het niet meer om de dubbele moraal van de Farizeeën, maar om hun onwil zich volledig aan God over te geven.
Kern
De huichelaar wordt in de Bijbel negatief gewaardeerd. In het Oude Testament is de huichelaar één van de kwaadwilligen. In het Nieuwe Testament heeft de huichelaar een specifieker gezicht. De huichelaar tracht het geloof in Jezus Christus te ontkrachten. Hij doet dat door de werkelijke verdienste van Christus te ontkennen (Galaten). Huichelarij is ook een verschijnsel van de eindtijd (1 Timoteüs en 1 Petrus).
Alleen bij Matteüs krijgt het begrip huichelaar een echt theologische betekenis. De huichelaar corrumpeert Gods gebod en maakt het ondergeschikt aan de eigen menselijke belangen. Hier gaat het om een zonde waar de kerk en de gelovige van alle tijden mee te strijden hebben.
Verwijzing
Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: leugen.