I want to be in that number
Allerheiligen (Jesaja 60,1-11.17-22, Openbaring 7,2-4.9-17 en Matteüs 5,1-12)
Allerheiligen is een groepsfoto van de heiligen. De kerkelijke kalender brengt ze afzonderlijk voor het voetlicht in al hun verscheidenheid. Heiligheid is immers niet de grote gelijkmaker, zoals we vaak vrezen. Integendeel, heiligheid maakt mensen juist tot echte persoonlijkheden. Maar vandaag bezien we het geheel: de ‘wolk van getuigen’ (Heb. 12,1 – NBG51), de ‘onafzienbare menigte’ (Op. 7,9), de ‘algemene vergadering’ (Heb. 12,23 – SV).
We doen dat vanuit een oogpunt van volledigheid: ook niet officieel heilig verklaarden horen erbij! Maar vooral wil Allerheiligen in ons een heilig verlangen wakker roepen: O Lord, I want to be in that number. (Jammer dat dit lied soms te profaan wordt uitgevoerd.) Het is menselijk om ergens bij te willen horen. De vraag is alleen: waarbij? Bij de meerderheid van dit moment?
Bij degenen die door de reclame als gelukkig worden aangeprezen? Bij de mensen die in jouw omgeving de toon aangeven? Je kunt je ook oriënteren op een ander gezelschap: de heiligen die leven bij God. Vandaag vieren we dat zij geen ‘mensen van voorbij’ zijn, maar met God leven en regeren. Door hen te gedenken en te vragen om voorbede, worden wij ons steeds sterker van hun levende realiteit bewust. Het wordt zo steeds aantrekkelijker om bij that number te horen, en steeds onbelangrijker om in de smaak te vallen bij de meerderheid die nu toevallig op aarde rondloopt.
Gelukkig
‘Gelukkig’ (Gr.: makarios), zo klinkt het negenmaal in Matteüs 5,3-11. Het gaat hier niet om geluk in een platte zin, als ‘je lekker voelen’. (Een shot heroïne, een koopkick of porno leiden niet tot geluk. Zelfs roem, kennis en gezondheid doen dat uiteindelijk niet.) Het geluk waarover Jezus spreekt, ligt grotendeels in de toekomst. Zij zúllen, heet het steeds. In slechts twee van de negen zaligsprekingen gaat het om het heden: voor hen is het Koninkrijk (resp. de eerste en de achtste). Iemand gaf het woord ‘gelukkig’ als volgt weer: ‘op de goede weg’. Op weg naar je ware bestemming, op weg naar God. Zo word je ‘nu en hiernamaals gelukkig’, zoals de oude Schoolkatechismus het verwoordde.
Het is duidelijk dat met de negen zaligsprekingen niet negen afzonderlijke groepen bedoeld zijn, maar steeds dezelfde groep. Hoe zou het ook anders kunnen? Bestaan er onbarmhartige vredestichters? Of armen van geest die niet hongeren naar gerechtigheid? Of nederige mensen die een hart vol onreinheid in zich omdragen? Zoals de ene vrucht van de Geest negen partjes heeft (Gal. 5,22), zo heeft heiligheid hier negen zijden, die de een na de ander Christus zelf weerspiegelen. Het is één samenhangend geheel, dat in ieder van Gods kinderen weer anders samengesteld is.
In de zaligsprekingen tekent het kruis zich af. Waarom kunnen we eigenlijk niet heilig zijn zonder pijn te lijden, zonder kruis? Waarom brengt heiligheid treurnis, honger en vervolging met zich mee? Waarom heeft de heilige als taak barmhartigheid te bewijzen en vrede te stichten – vaak ten koste van zichzelf? Dat heeft alles te maken met de staat van deze wereld. In deze wereld moet geluk wel iets paradoxaals zijn. Wie zich hier prima ‘gelukkig’ voelt, mist uiteindelijk zijn bestemming: God. En dat is zeer ongelukkig. Omgekeerd: wie in eenheid met God leeft, komt op gespannen voet met deze wereld te staan. Hij ondergaat ‘de grote verdrukking’ (Op. 7,14) en beleeft de ‘dagen van zijn rouw’ (Jes. 60,20).
Wee u…
In de paralleltekst van Lucas 6,20-26 worden de zaligsprekingen geflankeerd door uitroepen van ‘wee u’. We zouden dat bij wijze van oefening ook bij de Bergrede in Matteüs kunnen doen. (1) Wee degenen wier geest zich rijk rekent met eigen kunnen, want zij hebben geen idee van Gods Koninkrijk. (2) Wee degenen die het verdriet verdringen, want zij zullen de troost mislopen. (3) Wee de harden van hart, want hun erfenis zal ruzie en afgunst zijn. (4) Wee degenen die zich vullen met werelds voedsel, want zij zullen altijd leegte voelen.
(5) Wee degenen die harteloos doorleven, want zij zullen onbarmhartig beoordeeld worden. (6) Wee degenen die onreinheid in hun hart koesteren, want zij zullen het zicht op God verliezen. (7) Wee degenen die onvrede zaaien, want zij zullen duivelse mensen genoemd worden. (8) Wee degenen die de wereld als vriend herkent, want zij behoren blijkbaar niet tot dat andere Koninkrijk.
Omwille van Christus
De laatste zaligspreking is in de tweede persoon gesteld: ‘Gelukkig bent u…’ Nu komt het echt dichtbij. Tegelijk komt ook de spreker zelf expliciet aan het woord: ‘omwille van Mij’. Het roept de gewetensvraag op: volg ik U op zo’n manier na, dat ik word uitgescholden of vervolgd of van kwaad beticht? Hoe kan het dat ik altijd met rust gelaten word? Is deze wereld zoveel christelijker geworden, of ben ik zelf zo werelds geworden? De heiligen hebben allemaal druk en verdachtmaking ondervonden. Ook degenen die in een zogenaamd christelijke wereld leefden.
Athanasius (295-373) bracht decennia in ballingschap door. Thomas Becket (1118-1170) werd door handlangers van de koning vermoord in zijn kerk. Jeanne d’Arc (1412-1431) werd door een kerkelijke rechtbank ter dood veroordeeld. Allemaal werden ze in het nauw gedreven. Allemaal beleden ze Christus. Ze leefden voor hun grote Liefde, die blijkbaar al die moeite en tegenslag ruimschoots waard was.
Als je geestelijk in het gezelschap van de heiligen komt, ga je je eigen leven bevragen. Waarom ben ik zo kleinzerig? Waarom zo gehecht aan allerlei kinderachtig comfort? Waarom zo angstig bezig met mijn zelfontplooiing? Blijf ik zo niet juist in mezelf gekeerd? Hoe jaloersmakend is eigenlijk het leven van de heiligen. Zij wisten waarvoor ze leefden, en niets kreeg hen klein, zij bloeiden werkelijk open in de liefde Gods. Zij waren en zijn gelukkig. O Lord, I want to be in that number.
Deze exegese is opgesteld door Wouter van Voorst.