Menu

Premium

III B Theologie – De claim van de tekst

Kunnen we daar van spreken: van de claim van de tekst, of zelfs van dé claim van de tekst? Is dat niet denken uit een oud paradigma, wat ‘na Derrida’ niet meer kan?

Vgl. Phil Snider, Preaching After God, Derrida, Caputo and the Language of Postmodern Homiletics. Eugene (Oregon): Cascade Books, 2012 en René van der Rijst, De uitzaaiing van het Woord.

Anders gezegd: is niet het uiterste dat we kunnen zeggen dat we ons laten betrekken in een doorgaand hermeneutisch proces van interpretatie? Dat is ons te weinig: het wezen van de prediking is juist dat de tekst tot een claim wordt. Dat de hoorder in het geding betrokken wordt waarvan de tekst zelf getuigenis is.

Ricoeur helpt ons hierbij door met twee woorden te spreken over de tekst. De tekst van de Bijbel heeft een sturende potentie en zij heeft een storend potentieel. Zij wijst een richting. Dat is het gelijk in de leeswijzer van Luther voor de prediking over het Oude Testament: ‘Was Christum treibet.’ Daarnaast heeft de tekst van de Bijbel een storend potentieel. Gerd Theissen spreekt van het ‘semantische Störungspotential’ van de tekst.

Die potentie om ons in ons tekstverstaan ook te storen, te onderbreken, uit het zadel te wippen, is de bijbeltekst eigen. Ze is eruit ontstaan. De teksten zijn ontstaan uit een geding, een trauma zelfs en hebben daarom de potentie om de lezer/hoorder opnieuw in een crisis te brengen.

De kanon van de Schrift is ons gegeven als de ruimte en de begrenzing van de kerk. Om vervolgens in die spanning van het sturende en het storende van de tekst te zoeken naar en in te zoomen op de claim van de tekst. Wat wil de tekst in deze situatie ons zeggen, sturend en storend?

Zie ook Albrecht Grözinger, Homiletik, 145-154.

Het ordenen van de stof

Het gaat bij het ordenen van de stof om het vinden en formuleren van wat in déze preek gezegd moet worden en wat we hopen dat de hoorders ervan meenemen, eraan hebben of ermee kunnen. Wat is de claim van de tekst, het geding van de preek, het belang voor mijn leven en de vreugde van de aanvaarding van wat ons gezegd wordt? De homiletische theorie reikt daarvoor drie instrumenten of modellen aan, als hulpmiddelen bij het ordenen van de stof: focus en function, verhaallijn en plot, en scopus en explicatie.

Focus en function

Een veelgebruikt instrument om in het hermeneutisch voorbereidingsproces te gaan ordenen, keuzen te maken en weg te leggen wat van de verzamelde stof niet ter zake is, is het formuleren van focus en function van de preek.

De focus is het centrale, leidende thema van de preek, waaromheen de verzamelde stof geordend wordt en we keuzen maken waardoor de preek een eenheid wordt. De focus vat in toegespitste zin samen wat de boodschap is die de tekst hier en nu voor deze hoorders wil ontvouwen, verwoorden en betuigen. De focus is het vervolg van de zin:

Ik wil op grond van mijn exegese van de tekst voor deze hoorders, in hun context, in deze dienst zeggen… (het ‘wat’, de inhoud).

De focus moet voor de hoorder overtuigend opkomen uit de tekst en de exegese ervan. De focus is het sturend of leidend thema van de preek, en de preek is de nadere ontvouwing van de focus.

De function is het beoogde doel dat we met de preek willen bereiken, de werking van de preek waardoor de preek voor de hoorder relevant wordt. De function maakt duidelijk wat er in de preek op het spel staat voor deze hoorders in hun context vanuit deze tekst in deze dienst. De function maakt duidelijk en voelbaar dat de tekst iets met de hoorder wil, en wat zij wil. De function is de invulling van het vervolg van de formulering van de focus:

Ik wil op grond van mijn exegese van de tekst, voor deze hoorders, in hun context, in deze dienst zeggen… (het ‘wat’, de inhoud), met als doel dat de hoorders… (het ‘waartoe’, het verhoopte doel of effect, en dus de function).

Het kan belangrijk zijn om tussen het formuleren van de focus en de function een anticiperende tussenstap te bedenken, waarbij de prediker zich afvraagt wat de eerste reactie van de hoorders op de vanuit de tekst geformuleerde focus zal zijn, zodat deze veronderstelde reactie meegenomen wordt in het formuleren van een function. Wanneer bijvoorbeeld de focus mogelijk controverse oproept, (bijvoorbeeld een oproep tot bekering) dan is het goed dat de prediker zich deze weerstand realiseert en die adresseert omdat er anders een blokkade ontstaat waardoor de hoorder zeker niet meegaat in het proces van het actualiseren van geloof. Deze tussenstap kan men als volgt omschrijven:

Ik wil zeggen dat… (focus) en de hoorders zullen zich hiertoe verhouden als… (anticipatie), waarmee ik rekening houd om te komen tot… (formulering van function).

Focus en function moeten beide opkomen uit het verstaansproces binnen de homiletische driehoek, zoals in hoofdstuk II uitgewerkt. Zij moeten aan elkaar gerelateerd zijn, zodat de beoogde function opkomt uit de geformuleerde focus. En focus en function moeten helder, eenvoudig en eenduidig zijn.

Vgl. Thomas G. Long, The Witness of preaching, 99-116.

Voorbeeld

Voor de kerkdienst op Weeszondag, de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren, is het bijbelgedeelte Johannes 14 vers 18-31, met als kerntekst het woord van Jezus: ‘Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. Ik kom weer naar jullie toe’ (vers 18).

Focus: Op grond van de tekst wil ik op deze zondag na Hemelvaart en voor Pinksteren, de Weeszondag, tot de hoorders, die in hun leven als gelovigen in deze wereld dat gevoel van verweesdheid, dat gevoel dat God zo verborgen is, zullen herkennen (=anticipatie), zeggen:

Niet wij worden op pad gestuurd om in deze wereld ‘in de geest van Jezus verder te leven’ en ‘vast te houden wat Hij heeft gezegd en gedaan’, maar Hij is door zijn Geest bij ons om ons telkens opnieuw te vervullen van wijsheid, inspiratie en vertrouwen om met vreugde in zijn vrede te leven. We leven in een god-loze wereld onder de belofte van het komende Pinksterfeest: Ik ben bij jullie alle dagen.

In het kort: Jezus verzekert ons van zijn presentie ook na zijn heengaan.

Function: Ik hoop met mijn preek te bereiken dat de gemeente gesterkt in het geloof de kerk verlaat, in het besef dat de vrede die Jezus nalaat geen opdracht is die wij moeten waarmaken, maar een werkelijkheid waaruit wij kunnen en mogen leven.

Plot en narratio (verhaallijn)

Niet altijd lenen het tekstgedeelte en/of de verzamelde gegevens zich voor een ordening met behulp van focus en function. We kunnen denken aan meer narratieve gedeelten, verhalende gedeelten uit de Thora en uit de profetische geschiedschrijving, Jozua tot II Koningen, en aan de verhalen uit de Evangeliën en Handelingen, of de gelijkenissen van Jezus.

Het kan ook dat de eigen voorkeur van de prediker meer uitgaat naar narratieve prediking. De preek kan dan analogisch de verhaallijn van het tekstgedeelte volgen, maar dat hoeft niet. De preek kan het bijbelverhaal ook van achter naar voren lezen, of het langs de lijn van de tegenspraak aanvliegen. Dat hangt samen met de keuze van het plot. Dat is een tweede instrument bij het ordenen van de verzamelde gegevens.

Wil een narratieve preek meer of – beter gezegd – iets anders zijn dan het nog eens navertellen van het bijbelverhaal, dan moet het voorbereidingsproces leiden tot de formulering van een of hét plot van het tekstgedeelte voor het verhaal, de preek. Het plot is bepalend voor de verhaallijn of de narratio, en de daaruit volgende ordening en schifting van de stof.

Het is de beweging van de New Homiletics die hier een grote bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de homiletiek. Vgl. Eugene Lowry, The homiletical plot. The Sermon as Narrative Art Form. Louisville: Westminster John Knox Press, 2001, passim.

Het plot is zelf meestal de vrucht van de spanningsverhouding tussen bijbelverhaal en levensverhaal van hoorders, of tussen geschiedenis van heil en werkelijkheid vol onheil, of tussen ervaringen van mensen (toen) met God en leven nu als gelovige in een wereld etsi deus non daretur. Het plot maakt dat de preek spannend wordt en niet slechts voorspelbaar het verhaal volgt.

Voorbeeld

Voor de kerkdienst op de zondag na Pasen staat op het rooster: Lucas 24 vers 14vv, het verhaal van de twee leerlingen op weg naar Emmaüs. Het gedeelte leent zich voor een narratief getoonzette preek.

Plot: ‘Ons einde is Gods begin.’ De opgestane Heer leidt ons gaandeweg bij de uitleg van de Schriften tot die ontdekking – ‘we hoeven niet verder te leven met een vergissing, maar even in de Hoop’ – en Hij bevestigt die ontdekking telkens bij de Maaltijd.

De verhaallijn van de preek loopt via de volgende episodes:

– ‘Het is over en uit’: weg uit Jeruzalem naar Emmaüs.

– Verder moeten leven met een vergissing: wat zij samen bespraken.

– Verborgene die bij ons is door Woord en Geest: de Opgestane is bij hen, op verborgen wijze.

– De Pastor komt ons tegemoet.

– Ons einde is Gods begin: het plot.

– Een openbaring: was ons hart niet brandende in ons?

– Hem ontvangen in je huis? of: Het moment voorbij laten gaan?: zij drongen bij Hem aan.

– De Maaltijd van de Heer als begin van de weg terug van Emmaüs naar Jeruzalem: om daar Pinksteren te vieren.

Scopus en explicatie/applicatie

Er is nog een derde instrument om de stof te ordenen met het oog op een heldere preek. Het is een instrument met heel oude homiletische papieren. Dat is de scopus-methode, en de daaraan ontleende en daarmee ook gegeven explicatorische prediking. Volgens deze preekmethode leidt het voorwerk tot de bepaling van de B/boodschap van de tekst. Die formuleert de prediker in de scopus. De preek is dan de heldere ontvouwing van de scopus, de explicatie, vaak met het oog op een heldere structuur aan de hand van een drietal punten. Daarna volgt de applicatie, de toepassing. Dat kan een toepassing per punt van de preek zijn, of de afsluiting na de ontvouwing van de drie punten.

Retorisch is dit een heldere methode, beproefd bij met name didactische prediking, de leerdienst, en ook bij kerygmatische prediking. Dus vooral bij op overtuiging en onderwijzing gerichte preken is het een probate methode. Bij andere functies van de preek – zie onder hierover nader – ‘werkt’ de methode alleen wanneer de prediker feitelijk narratieve elementen invlecht in de op zichzelf wat lerende, dogmatische preken, vooral in de toepassing, de applicatie. Voor de hoorder wordt het vaak dan ook pas echt spannend.

Het karikaturale beeld van de preek van drie punten en de toepassing, waarbij de hoorders bij de drie punten in slaap sukkelden, maar na de tussenzang, bij de toepassing wakker waren, is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Vaak waren/zijn de applicatieve gedeelten van scopus-preken meer narratief van aard. En dat luistert anders.

Een belangrijke – zij het vaak impliciete – vooronderstelling bij de scopus-prediking (die juist bij de focus en function prediking en de narratieve prediking is losgelaten), is dat de tekst altijd één betekenis heeft. Het gaat er dan om die in een goede exegese en met een goede bijbels-theologische doordenking te vinden. Nieuwere ontwikkelingen in het verstaan van teksten en in het communiceren van tekstinhouden, leren dat het tekstpotentieel van met name godsdienstige teksten veel groter is dan in één scopus te vangen is.

Zie voor dit alles A. Grözinger, Homiletik, 140-144. Grözinger sluit aan bij een bondige uitspraak van Gerd Theissen, op grond van inzichten uit de taalwetenschappen ten aanzien van ‘verstaan van teksten’ als een gebeuren op meerdere lagen tussen tekst, verteller en hoorder (Rezeptions-Ästhetik): ‘Die Suche nach der una sanctio interpretatio ist vorbei’.

Toch blijft staan dat de scopus-methode – met name bij leerdiensten en thematische diensten – ook nu een bruikbaar instrument is voor een heldere ordening van de stof.

Dat geldt in het bijzonder voor de catechismusprediking. Bij veel zondagsafdelingen reiken vraag en antwoord zelf al de structuur aan voor een heldere preek. En door het perlocutie-karakter van de antwoorden is het leerboek ook op de levenspraktijk van de gelovige gericht. Een exemplarisch voorbeeld is zondag 17 over de betekenis (het ‘nut’: what is in it for me?) van de opstanding van Christus.

Voorbeeld

Vraag 45: Welk nut heeft de opstanding van Christus voor ons?

Antwoord: Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons in de gerechtigheid te doen delen, die Hij door zijn dood voor ons verworven had. Ten tweede worden ook wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde is voor ons de opstanding van Christus een betrouwbaar onderpand van onze eigen opstanding in heerlijkheid.

Scopus: De opwekking van Christus uit de dood en zijn overwinning op de dood is het fundament van ons leven, geeft richting aan ons leven en betekent gegronde hoop voor na dit leven.

Explicatie:

1. Ik ben met Christus opgewekt;

2. Tot een nieuw leven door en in zijn Geest;

3. Dat leven kan niet meer stuk, maar is ‘eeuwig leven’.

Applicatie: Als kerkganger word ik geraakt en aangesproken door nood en dood in de wereld. Zelf ervaar ik ook de kwetsbaarheid van mijn bestaan. Dat Christus is opgestaan is niet een werkelijkheid buiten mij om, maar een werkelijkheid waarin ik deel en die mij bevrijdt van een verlammend besef van dood en vergeefsheid. Dat ervaar ik bijvoorbeeld bij het zien van de brandende paaskaars in de kerk: symbool van het licht dat overwint. Dat zingen we onszelf te binnen in de lofzang tot God.

Schets

Wanneer focus en function geformuleerd zijn, of plot en verhaallijn helder zijn, of scopus en punten op papier staan, zijn de ingrediënten klaar voor de bredere uitwerking van de schets. Elk van de drie ordeningsmodellen vraagt om een bepaalde opbouw, taal en stijl. Zo is bij een narratieve preek het plot leidend. De vertellijn zal daardoor bepaald worden, en het karakter van een verkenning hebben, de hoorder nieuwsgierig maken, en hem of haar zo steeds dichterbij het geheimenis van de boodschap brengen. Hier past de dialogische stijl van de homilie het beste bij. Daartegenover vraagt de preek volgens het schema van scopus en explicatie om de argumentatieve opbouw en stijl van het betoog van de leraar. De uitwerking hiervan volgt in hoofdstuk IV.

Maar het is goed om de ordeningsfase af te sluiten met een summiere schets van de gang van de preek. Ook bij het ordenen van het materiaal en de keuze van het ordeningsmodel voor de preek moet je alvast bedacht zijn op de consequenties van een en ander voor het taaleigene van de preek. Preekvoorbereiding is inzoomen en focussen, en zo anticiperen op wat komt en komen moet.

Wat bewerkt de preek?

Wat ons bij de ordeningsfase ook kan helpen, is stilstaan bij het effect van preken op hoorders. Of beter gezegd: de verschillen in effect op hoorders van verschillende typen preken. Dat laat zich makkelijk inzien. De prediker anticipeert op dit effect door de keuze van een type prediking.

De aanzegging van de heraut sorteert een andere uitwerking bij de hoorders dan de homilie of dialogische preek van de prediker-gesprekspartner. En dat is ook de bedoeling. De roep van de heraut beoogt dat mensen zichtbaar en hoorbaar reageren op de boodschap dat de Koning eraan komt, dat er een goede boodschap is, of dat er onheil aankomt, tenzij…!

De homilie van de voorganger-pastor gaat de dialoog aan met zijn hoorders, verwoordt hun vragen, geeft ruimte aan hun klachten. Daar gebeurt weer iets anders dan bij de leraar, die onderwijs geeft. Die verwacht weer een andere aandacht en ontvankelijkheid dan de heraut. Zoals het effect van de getuige – die heel persoonlijk verwoordt wat hij of zij zelf uit het Woord van God heeft ontvangen en waar hij of zij uit leeft – ook weer anders is. Hoorders zijn geraakt, ontroerd, reageren bewogen, voelen zich bemoedigd.

Een paranetische leerdienst ten slotte, waarin morele vragen aan de orde komen, beoogt weer een ander effect. Het kan zijn dat hoorders aan het denken gezet zijn, of in actie komen.

Dit alles spreekt vanzelf. We zien het in de Bijbel zelf volop gebeuren.

Een profetische tekst is geen Psalm, en een wijsheidstekst is iets anders dan een tekst uit de Thora over zorg voor wees en weduwe. Zoals de lezing van een perikoop uit Job een ander effect heeft dan de lezing van een passage uit het boek Ezra of Nehemia. Die hebben een andere uitwerking op de hoorders/lezers, en dat is ook de bedoeling.

De verschillende genres in de Bijbel vragen dus om verschillende typen preken. En zij beogen verschillende uitwerkingen. We kunnen ook spreken van preekdoel, of –functie. Maar dat suggereert al gauw een soort maakbaarheid. We denken hier vanuit de uitwerking van de prediking bij de hoorder. Het is helpend dat de prediker bij de voorbereiding zich daarvan bewust is. Dan kan en moet hij in de ordening bewust toewerken naar en inzoomen op de uitwerking die de gevonden inhoud bij de hoorders beoogt. In die zin gaat het ook om het preekdoel. In de homiletische theorie onderscheiden we er vier.

Prediking als heilsbemiddeling

De uitwerking van de preek kan zijn dat ik als hoorder in de ruimte van bevrijding, vergeving en hoop wordt gezet. Kortom: van heil. De uitwerking kan ook zijn dat ik als hoorder in de engte kom van mijn nood, schuld, besef van traagheid en ongeloof. Ook dat kan een heilzame werking krijgen, zoals de onheilsprofetieën bij de profeten gericht zijn op behoud van het volk van God.

Deze uitwerking van de preek, de bemiddeling van het heil

Andere, staande uitdrukkingen voor hetzelfde zijn o.a.: bediening van de verzoening, of: prediking van zonde en genade, of: Christusprediking, of: verkondiging van de vreemde vrijspraak; of: verkondiging van het Koninkrijk Gods.

is het eerste – en onterecht vaak gezien als het belangrijkste of zelfs enige – beoogde doel van de preek in de traditie van de protestantse kerkdienst. Heilsbemiddeling is wel heel centraal op grond van de visie van de Reformatie op het werk van de Heilige Geest in de realisering van het heil. God openbaart zich door Woord en Geest. De prediking is de derde gestalte van het Woord: Christus, heilige Schrift en prediking. De prediking van het Woord, en in toegespitste zin de verkondiging van het evangelie is daarmee cruciaal als bemiddeling van het heil. Vanouds staat de preek in de protestantse opvatting van de kerkdienst in het teken van deze bemiddeling of realisering van het heil.

Zie ook Ciska Stark, Proeven van de preek, 196-198.

Prediking is in deze optiek verkondiging van grote blijdschap, van verzoening, vergeving en bevrijding, van de genade die roemt tegen het oordeel. Prediking als heilsbemiddeling leidt meestal als vanzelf tot de preek als kerygma. De preek is aanspraak. Aanspraak die aanraking beoogt.

Vgl. H. de Leede, in Maarten den Dulk, Gerben van Manen, en Gea Smit, Verlegen om een goed woord. Onderweg met Gerrit de Kruijf. Zoetermeer: Boekencentrum, 2013, 47vv.

De nadruk ligt op het scheppende W/woord, dat in de prediking harten wil raken zodat die zich openen.

Zie voor dit alles vooral hoofdstuk I.

Naast de preek als kerygma, past hier ook de preek als marturia, getuigenis. De preek gaat daar in de praktijk vaak naadloos in over. De voorganger is immers getuige: als de heraut op het plein in het midden van de stad, maar ook als de getuige voor de rechtbank, als mens midden in de samenleving die als getuige een goed woord van vergeving of vertroosting of vermaning spreekt in het één-op-één-gesprek.

De preek als bemiddeling van heil – en dus de verkondiging van verlossing van onheil – is diep verankerd in de Bijbel zelf. We vinden haar bij de profeten en in de praktijk van de apostelen en evangelisten. Voor alle tijden is een goed woord van de andere kant nodig dat ons met gezag zegt hoe de werkelijkheid is, van Godswege. In het Woord van vergeving en verzoening, dat tot mij komt in de vreemde vrijspraak door het woord van Jezus: ‘Ik veroordeel u niet!’ (naar: Johannes 8: 1-8). Maar ook in het Woord dat tot mij komt in de aanklacht, vanwege mijn traagheid, of in de oproep tot omkeer tot gerechtigheid en navolging.

Prediking als inwijding

Een tweede uitwerking van de prediking is dat hoorders ingewijd worden in de geheimenissen van het leven met God, van het leven in de navolging van Christus en de volharding der heiligen. We kunnen dit met vele andere woorden aanduiden: het leven van geloof, hoop en liefde; het leven van de gedoopte in een weg van mortificatio en vivificatio; het leven in de strijd van de Geest tegen het vlees; het leven van wachten, bidden en doen wat recht is, et cetera. Hoe christelijke spiritualiteit werkt, leren wij niet als een theorie, maar door beoefening. Zij wordt ons eigen door inwijding. En bij een goede preek kunnen hoorders dat ervaren. Dat is het wezen van bevindelijke prediking.

De preek krijgt hier als vanzelf het karakter van de homilie, de getuigende dialoog. De stijl is vaak bijna die van de conversatie, het gesprek en dus pastoraal van toonzetting. De prediker gaat met de hoorder op weg, als een gids die zelf voorop gaat. De prediker weet de weg naar binnen en naar boven, en wijdt daarin in, door vrijmoedig voor te gaan en steeds achterom te kijken of de ander, de hoorder, volgt, c.q. het nog volgen kan.

De preek als inwijding in het leven van het geloof is eveneens diep geworteld in de Schriften. We denken aan de Psalmen, de wijsheidsliteratuur, het Evangelie naar Johannes

Exemplarisch daarvoor is wel het gesprek van Jezus met Nicodemus in Johannes 3:1-21. Stap voor stap wijdt Jezus Nicodemus in, en komt deze van de nacht (vers 1) in het licht (vers 21).

, passages uit de Nieuwtestamentische Brieven. Al die stemmen van verlangen en gemis, van vreugde en lijden, van nabijheid van God en van geestelijke verlating, van rouwklacht en feestkleed, van zoeken, gevonden worden en vinden, van niet-zien en toch zien, vragen om prediking die hoorders inwijden in het geloof als levensbeweging.

Prediking als geloofsonderricht

De derde vaak uitdrukkelijk beoogde en soms niet bewust bedoelde, maar door de hoorder ervaren uitwerking van de prediking is het geloofsonderricht. Met name de gereformeerde Reformatie heeft van meet af aan grote nadruk gelegd op de onderwijzende functie van de prediking. Dat kon moeilijk anders, gezien haar schriftopvatting; gezien het grote belang van de rechte kennis van God met het oog op het persoonlijk heil; gezien de strijd tegen de onkunde en het bijgeloof; gezien de betekenis van de geloofsverdediging tegen ketterij. De gemeente moest bewerktuigd worden om staande te blijven in het geloof. En in staat te zijn het geloof te verantwoorden naar anderen toe.

Ook speelde een rol dat – zeker bij de aanvang van de Reformatie, en zeker in de nevenstromen ervan in de vrije kerken – de gemeente ‘eigenaar’ was van de prediking. De preek en de daarmee gegeven toegang tot het leren van de gemeente vanuit de Schriften, was niet voorbehouden aan het bijzondere ambt, dat wil zeggen: de dominee (alleen). Dit inzicht is in de mainstreamkerken van de Reformatie later op de achtergrond geraakt, maar in de nevenstromen van de Reformatie – bij de doopsgezinden, de baptisten en in de kerken van Afscheiding en Doleantie – uitdrukkelijk bewaard en gecultiveerd.

In elk geval is er in de Reformatie van meet af aan een rijke traditie van de preek als geloofsonderricht, en daarmee met de didactische functie van de prediking.

Zie Ciska Stark, Proeven van de preek, 11-12 en hoofdstuk 15.

We denken daarbij uiteraard aan de leerdiensten in de middagdiensten, aan de prediking van de Catechismus, en aan het doorpreken van hele bijbelboeken volgens de lectio continua.

Het lerende element van de prediking gaat rechtstreeks terug op de praktijk van de vroegchristelijke gemeente. De gelovigen volhardden in het onderwijs van de apostelen. Hun opdracht was de volken tot leerlingen te maken, hen te dopen en hen te onderwijzen in alles wat Jezus hen geboden had. De volgelingen van Jezus heten niet voor niets leerlingen, die in een voortdurende wisselwerking verkeerden met hun Meester. Paulus ten slotte stelt Timotheüs aan om vanuit de Schriften te onderwijzen en te weerleggen, et cetera.

Prediking als geloofsverantwoording

Een vierde – en in de regel bewust gekozen – doel of functie van de prediking is de geloofsverantwoording. Zij is nauw verwant met de prediking als geloofsonderricht. Toch behandelen we haar apart, omdat het in de laatste jaren leidt tot een eigen vorm van prediking, die velen aanspreekt. In de Angelsaksische en de Amerikaanse context ontwikkelde zich een nieuwe vorm van wat we kunnen noemen ‘apologetische prediking’.

Het gaat om prediking met de doelstelling en de toonzetting van wat de apostel Petrus in zijn rondzendbrief noemt: ‘Altijd bereid tot verantwoording aan ieder die ons rekenschap vraagt van de hoop die in ons is, met zachtmoedigheid en eerbied.’

1 Petr. 3:15.

Het (kleine, maar toch saillante) verschil met het traditionele beeld van de preek als geloofsonderricht is dat deze apologetische prediking nieuwe stijl zich tegelijk richt op het toerusten van de gemeente in haar gesprek met niet-christenen, en op het daadwerkelijke getuigende gesprek met de zoekers in de kerkdienst, belangstellende niet-gelovigen.

Deze prediking richt zich erop aan te tonen dat geloven in God geen onzin is, maar rationeel te verantwoorden, en heilzaam voor menselijk (samen-)leven. In een missionaire context leeft bij een nieuwe generatie theologen, en intellectuele actieve christenen een sterke drive voor een zelfbewust, helder gearticuleerd christendom, dat zich ook in het intellectuele debat in de samenleving mengt.

Zie voor een goed inzicht in de opvatting van christelijke presentie in de postmoderne cultuur: Tim Keller. Centrum Kerk, het evangelie midden in je stad. Nederlandse vertaling en redactie door Stefan Paas. Franeker: Van Wijnen, 2014.

Hun theologische bronnen vinden zij bij nieuwtestamentici als N.T. Wright en diens publicaties over de opstanding,

N.T. Wright, The resurrection of the Son of God. Minneapolis: Fortress Press, 2003.

bij systematisch en praktisch theologen die zich verwant weten met de neo-orthodoxie van theologen als Alistair McGrath, en postliberale theologen als Lindbeck, Frei en Hauerwas. Kenmerkend voor deze theologen is dat zij orthodox christelijk geloven verbinden met enerzijds de resultaten van nieuw bijbels-theologisch onderzoek en anderzijds een serieus gesprek met postmoderne filosofen over de verwerking van de omslag die de Verlichting betekend heeft. Wat deze voor velen inspirerende theologie-beoefening ook kenmerkt, is dat zij een eigen weg zoekt ten opzichte van enerzijds relativisme en anderzijds fundamentalisme.

Naast de al geciteerde uitspraak in de Petrusbrief, kan deze prediking zich beroepen op een belangrijke missionaire praktijk in het boek Handelingen. We lezen daar van Paulus dat hij ‘dialogiseerde’ met de Joden in de synagoge om aan de hand van de Schriften aan te tonen dat het in Jezus van Nazareth gaat om de Messias van Israël. En hij gaat een vergelijkbare dialoog aan met de Grieken, wijsgeren en het gewone volk, op de Areopagus en in de diversiteit van Korinthe.

Zie I Kor. 9.

Belang van diversiteit

De Schriften van Oude en Nieuwe Testament zelf, de levens- en geloofsvragen van de hoorders, de context van de hoorders en van de kerk, het belang van zoekers: dat alles vraagt van de prediker zich al in deze fase van de voorbereiding bewust te zijn van de bovengenoemde diversiteit van uitwerkingen van de preek bij de hoorders. De tekst is uiteraard leidend, maar gaandeweg het ordenen en focussen tekent zich af welke kant het op kan gaan. Daarin kan de prediker ook sturen. Niet altijd zal prediking bijvoorbeeld heilsbemiddeling beogen, zoiets zou een eenzijdige tekstuitleg in de hand werken. Hetzelfde geldt voor preken die altijd gericht zijn op toerusting of geloofsonderricht. Er is meer diversiteit, in de Bijbel en in het leven.

Op deze manier doen wij recht aan een vaak geuit adagium dat het niet alleen gaat om sola scriptura, maar ook om tota scriptura. Dit is een belangrijk reformatorisch adagium waarvan bijvoorbeeld de doorgaande lezing van de Bijbel in het gezin en in de zondagse prediking een weerspiegeling is. Overigens is de in delen van diezelfde reformatorische kerken zeer geliefde ‘vrije tekstkeuze’ een signaal dat het met dat principe van de gehele Schrift ook wel wat meevalt. Vgl. P.J. Verbaan, ‘Om de eenheid van de prediking’, in: Kontekstueel, jaargang 28 (2013), nr. 2: ‘Onderzoek heeft uitgewezen dat de zogenaamde “vrije tekstkeuze” in de praktijk betekent dat de prediker, ook waar het tota scriptura met de mond wordt beleden, beperkt kiest, voornamelijk uit de bijbelboeken Genesis, de Psalmen, Jesaja, de evangeliën en uit een enkele apostolische brief. Al met al uit nog geen 40 procent van de hoofdstukken in de Bijbel.’

Diversiteit van prediking als bemiddeling van heil, inwijding in het leven met God, geloofsonderricht of geloofsverantwoording brengt onmiskenbaar ook diversiteit in liturgie met zich mee, of vraagt om die diversiteit. Heilsverkondiging en het spanningsveld van heil en onheil, van oordeel en vrijspraak vraagt andere taal en andere metaforen in liederen en gebeden, dan een op inwijding gerichte homilie. Het is goed om zich daarvan ook bewust te zijn in deze fase van ordening: welke liederen en gebedsteksten vallen mij in?

Een ander aandachtspunt in verband met deze vereiste diversiteit is de systematisch-theologische vraag waar de thematiek van de preek zich in de geloofsleer afspeelt. Anders gezegd: als ik goed luister naar mijn focus en function of mijn scopus: in welke locus van de dogmatiek begeven we ons dan met deze boodschap? In de locus van de schepping of de voorzienigheid? In de locus van de verzoening, de heiliging, of de eschatologie?

Het kan helpen – en confronterend zijn – om deze vraag geregeld te stellen. Mogelijk blijkt dat wij met onze preken vaak in dezelfde locus van de geloofsleer, of in dezelfde thematiek van het geloofsleven ons bevinden. Dat kan ook alles te maken hebben met onze eigen biografie, of ons eigen levensthema. De hoorders vormen echter een grote diversiteit van leefwerelden, culturen, biografieën en hebben recht op onze meerstemmigheid. Dat vereist oefening.

De geloofsleer is zo divers als het geleefde leven zelf, en omgekeerd.

Ten slotte: wanneer is genoeg genoeg?

Wanneer ben je zover dat je de focus kunt formuleren? Wanneer heb je genoeg voorwerk gedaan en geordend zodat je het plot en de verhaallijn voor de preek helder hebt? Daar is weinig over te zeggen. We kunnen alleen een aantal hulpmiddelen aanreiken:

1. Hebben we helder wat de boodschap van de tekst was voor de eerste hoorder/lezer: Israël of de vroegchristelijke gemeente. Wat wilde de tekst bewerken en in welke context?

2. Hebben we helder in welk geding de tekst de eerste hoorders – Israël, de gemeente – voerde? Met andere woorden: wat stond op het spel? Hoe komen in de boodschap (van de tekst) voor de eerste hoorders heil en onheil, Gods oordeel en vrijspraak, in beeld?

3. Waar raakt het geding van de tekst de spanningsvelden van geloven en leven, van vreugde en verdriet, van heil en onheil, in het leven van de christelijke gemeente en van de christen in de samenleving nú?

4. We preken in en voor de christelijke gemeente in een specifieke context, en met het oog op het leven van die gemeente in haar cultuur en samenleving. Dat is dus een gekwalificeerd ‘adres’. Het maakt nogal wat uit of wij preken voor de christelijke gemeente in een geseculariseerde westerse samenleving, of voor de gemeente in een door en door religieuze collectivistische samenleving als Indonesië of Afrika beneden de Sahara. Brueggemann definieert de gemeente voor wie wij preken als exiles, ballingen.

Walter Brueggemann, Cadences of Home. Preaching among exiles, Louisville, 1997. Zie ook hoofdstuk II noot 46.

Stoppels spreekt over de gemeente vanuit het discipelschap.

S. Stoppels, Oefenruimte. Gemeente en parochie als gemeenschap van leerlingen. Zoetermeer: Boekencentrum, 2013.

Paas spreekt over de kerk als een gemeenschap van vreemdelingen en priesters in deze niet- of anders-godsdienstige wereld.

Stefan Paas, Vreemdelingen en priesters. Christelijke missie in een post-christelijke omgeving. Zoetermeer Boekencentrum, 2015. Paas ontleent dit beeld aan de Eerste Petrusbrief, met name I Petrus 2:9,10. De figuren van Daniël en Esther in het Oude Testament, Joden in de ballingschap, die in afwisselend goede en slechte tijden hun identiteit moesten bewaren en onderhouden als vreemdelingen in een vreemd land, én die daar ook een betekenisvol leven leidden: priesters die voorbede deden voor de stad en goede dingen deden voor het land van hun vreemdelingschap.

Met Bonhoeffer kunnen wij onze hoorders zien als gelovigen in de aanvechting van het leven met God in een wereld zonder God, soms minstens zo sprakeloos in het gelaat van de god-loosheid van het bestaan.

Vgl. ook hoofdstuk II noot 81.

5. Waar het steeds om gaat, is de vraag waar de gevonden boodschap of aanspraak de hoorders raakt, in een vergelijkbaar geding.

6. Waar wil de boodschap van de tekst de hoorders ‘brengen’ coram Deo? Met andere woorden: tot welk van de vier mogelijke uitwerkingen of preekdoelen of functies van de preek leidt al het voorwerk, het gesprek van de tekst met de hoorders, het geding met de hoorders vanuit de boodschap, en de zich aftekenende focus ons? Wordt de preek echt een bediening van het heil, en de oproep tot bekering van een heilloze weg? Krijgt de preek dus een kerygmatische toonzetting? Of tekent zich een boodschap af die meer vraagt om de preek als inwijding, de dialogische homilie?

7. Tot slot: kan ik in een paar zinnen zeggen wat de boodschap van de tekst is en wat mij daarin treft, aanspreekt, waarvoor ik God dank in deze boodschap en waar deze boodschap mij zelf in het geding brengt? Met andere woorden: waar ik mij als prediker zelf moet bekeren, en moet laten wegroepen naar een nieuw land?

Zo rijpt het moment dat ik als prediker kan schrijven:

Op grond van mijn exegese van de tekst, wil ik, voor deze hoorders, in hun context, in deze dienst, in het kader van deze zondag, zeggen: ……………………………… en ik hoop daarmee te bereiken dat de gemeente/de hoorders: ………………………………

Of: Dit is mijn plot met bijbehorende verhaallijn en ik werk het uit in de volgende episodes.

Of: Dit is mijn scopus en de bijbehorende explicatie, mijn drie punten, en dit wordt de toepassing of applicatie.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken