Menu

Premium

III D Praktijken

Cultuur

Good practice

Bestudeer het volgende preekfragment van Paul Tillich. Het is de opmaat van het slot van een preek over de betekenis van genade waarin Tillich na uitleg op verschillende niveaus toewerkt naar de ervaring van genade en de actualisering van geloof.

Do we know what it means to be struck by grace? It does not mean that we suddenly believe that God exists, or that Jesus is the Saviour, or that the Bible contains the truth. To believe that something is, is almost contrary to the meaning of grace. Furthermore, grace does not mean simply that we are making progress in our moral self-control, in our fight against special faults, and in our relationships to men and to society. Moral progress may be a fruit of grace; but it is not grace itself, and it can even prevent us from receiving grace. For there is too often a graceless acceptance of Christian doctrines and a graceless battle against the structures of evil in our personalities. Such a graceless relation to God may lead us by necessity either to arrogance or to despair. It would be better to refuse God and the Christ and the Bible than to accept them without grace. For if we accept without grace, we do so in the state of separation, and can only succeed in deepening the separation. We cannot transform our lives, unless we allow them to be transformed by that stroke of grace. It happens; or it does not happen. And certainly it does not happen if we try to force it upon ourselves, just as it shall not happen so long as we think, in our self-complacency, that we have no need of it. Grace strikes us when we are in great pain and restlessness. It strikes us when we walk through the dark valley of a meaningless and empty life. It strikes us when we feel that our separation is deeper than usual, because we have violated another life, a life which we loved, or from which we were estranged. It strikes us when our disgust for our own being, our indifference, our weakness, our hostility, and our lack of direction and composure have become intolerable to us. It strikes us when, year after year, the longed-for perfection of life does not appear, when the old compulsions reign within us as they have for decades, when despair destroys all joy and courage. Sometimes at that moment a wave of light breaks into our darkness, and it is as though a voice were saying: ’You are accepted. You are accepted, accepted by that which is greater than you, and the name of which you do not know. Do not ask for the name now; perhaps you will find it later. Do not try to do anything now; perhaps later you will do much. Do not seek for anything; do not perform anything; do not intend anything. Simply accept the fact that you are accepted!’ If that happens to us, we experience grace. After such an experience we may not be better than before, and we may not believe more than before. But everything is transformed. In that moment, grace conquers sin, and reconciliation bridges the gulf of estrangement. And nothing is demanded of this experience, no religious or moral or intellectual presupposition, nothing but acceptance.

Uit: Paul Tillich, ‘You are accepted’, in: Thomas G. Long and Cornelius Plantinga Jr. (eds.), A Chorus of Witnesses, Model Sermons for Today’s Preacher. Grand Rapids: William B. Eerdmans Publishing Company, 1994, 99-100.

Oefening

Bezoek een kerkdienst en interview na afloop een kerkganger over zijn/haar luisterervaring. Geef van te voren aan dat het niet gaat om een zo exact mogelijke weergave, maar om de ervaring van het beluisterde. Stel open vragen, zoals: wat hebt u gehoord? En vraag door naar de ‘sub-tekst’ door te vragen naar de gedachten die men onwillekeurig daarbij kreeg. Schrijf het interview in steekwoorden uit en analyseer of er sprake is van de fasen van het horen die Pleizier beschrijft en waar dat zich hecht aan de tekst.

Reflectie

Homileten beschrijven de taak van de prediking ook wel als het ‘hoorbaar maken van gemarginaliseerde stemmen’. Bedenk of je het hiermee eens bent en waar en hoe dit zich in jouw context verhoudt tot de taak van de prediking als gemeenteopbouw.

Theologie

Good practice

Preekfragment naar aanleiding van Genesis 21:1-21. Gehouden najaar 2015, tijdens de vluchtelingencrisis.

Toen zei zij tegen Abraham: ‘Jaag deze slavin en haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet met mijn zoon, met Izak, erven’. Een tijdje later zien we een moeder en haar zoontje dolen in de woestijn, en op een kwaad moment horen we de zacht klagende toon van de stervende, uitgeputte jongen.

‘Jaag haar weg!’ Ik weet niet hoe het bij u is, maar ik hoor zo’n woord toch wel anders dan ik ze wellicht in andere tijden zou gehoord hebben. Jaag haar weg, eruit zij, die slavin met haar zoon. Ze hoort niet bij ons, ze is een Egyptische, een slavin.

(…)

En daar gaan de twee, de woestijn in. Daar dwalen ze rond, verdwaald, de richting kwijt, en dan ben je verloren, in de woestijn. Daar liggen en zitten ze. (…) Een drama. Het beeld van twee verdwaalde ontheemden, vluchtelingen. Hagar en Ismaël. De jongen stervend onder een struik. De moeder op afstand om zijn gekerm niet te hoeven horen, maar wel om hem nog te kunnen zien, zodat ze de wilde dieren kan wegjaren die zullen opduiken zodra de jongen dood is. De bijbelschrijver vertelt het zo dat je het voor je ziet, zoals de foto’s en tv-beelden van deze zomer het verhaal talloze malen vertelt. Hier eindigt het verhaal van een familie waarin foute keuzen werden gemaakt, waarin twee mensen, Abraham en Saraï, foute keuzen maakten. En dan stapelt kwaad zich op kwaad. Als een keten. Houden we dat wel vast en het kan geen kwaad dat ook te verbinden met heel concrete dingen in eigen leven of in concrete familieverbanden: zo’n keten van kwaad op kwaad en ruzie op ruzie kan zich soms wel een paar geslachten voortslepen. En het begon ergens toen iemand, u misschien wel, een wissel verkeerd omzette. En zo gaat het vaak tussen families, tussen volken, tussen landen: ergens werden wissels verkeerd omgezet en de geweldsspiraal begon, steeds weer oude rekeningen vereffenend, en dan weer omgekeerd.

Zo mag je ernaar kijken, en het betrekken op wat zich in uw familie afspeelde, of afspeelt??

Zo mag je ook kijken naar wat zich afspeelt in Europa, mensen op de vlucht voor oorlogen, vaak ontketend door oude rekeningen die vereffend moesten worden, meenden machtige mannen, en ook vrouwen. Zij d’r uit of zij d’r onder. En daar ligt de jongen onder de struik, het dode kind op het strand, de duizenden in tenten de winter in.

Dat Ismaël onder de struik ligt te sterven – het was háár voorstel, van Saraï, en Abraham had ermee ingestemd. ‘Ongerechtigheid van de vaderen wordt wel bezocht aan de kinderen, tot in een volgend geslacht of zelfs een geslacht daarna.’ We zien het gebeuren.

(…)

Het was háár voorstel, van Saraï, en Abraham stemde ermee in. Ismaël werd geboren, zoon van Abraham, broer van Izak. Twee volken uit Abraham. Het kan toch niet anders, gemeente, dan dat ook u met mij vandaag de dag zulke teksten met bijzondere aandacht leest. Nu de Islam niet een ver van ons bed show is, maar een religie dichtbij.

(…)

Er voltrekt zich hier een andere geschiedenis door al die ellende heen: Abraham, de vader van alle gelovigen, hij legt brood en water op de schouder van Hagar en Ismaël, het kind, zijn nageslacht, en zendt haar weg, op de weg die zij moet gaan. Zo verdwijnt Ismaël uit het zicht van Abraham. Hij verdwijnt uit het zicht van Abraham en van de bijbelschrijver. Ja – we komen Ismaël nog één keer tegen, jaren later, wanneer Abraham sterft. Dan zien we hem samen met Izak Abraham begraven. Dat vind ik zo’n ontroerend moment: Izak en Ismaël begraven samen hun vader. Ze horen bij elkaar. (…) Ismaël loopt de Bijbel uit, maar God gaat met hem mee.

Eigenlijk prachtig, toch, en uitnodigend, om zo te kijken, naar de zonen van Ismaël, die nu weer dichtbij komen, zij die zich zonen en dochters van Ismaël noemen, moslims.

(…)

We leven in bijzondere en ook verwarrende tijden.

We zien de gevolgen van verkeerde keuzen van lang geleden. Ook verkeerde keuzen van de christelijke heersers in de landen waar nu de vluchtelingen vandaan komen. Verkeerde heersers op de tronen, vaak met steun van het westen. En er liggen wat kinderen onder de struiken in de woestijn, of drijven op het water rond, of zwerven door Europa. Kunnen zij het helpen?

En door dat alles heen komen verhalen als vanmiddag, en ze doen een beroep op ons, kinderen van Abraham, om Christus wil.

De vraag ook om ze te ontvangen, met water en brood, en hun gekerm te horen, en hun te zeggen waar levend water is. Bij hun God die de onze is, in Christus Jezus.

We zien hoe de prediker hier in de homiletische driehoek van tekst-hoorders-prediker in de actuele context komt tot een lezing op vier niveaus:

– Contextuele lezing van deze verhalen van Abraham/Sara.

– De lezing van de wording van twee volken en hun verhoudingen.

– De lange schaduw van de geschiedenis tekent zich af.

– De verhouding tussen islam, jodendom en christendom tekent zich af. De tweede lezing in de liturgie is Galaten 4:21-31.

Met het oog op een verdere reflectie op de preek:

– Welke theologische beslissingen zijn hier genomen ten aanzien van de lezing van het Oude Testament? Betrek daarbij hoofdstuk II.B en het beeld van de sleutelbos bij Rein Bos.

– Verhouding tussen Oude en Nieuwe Testament: hoe komt Jezus Christus ter sprake?

Oefening

Bereid een schets voor met het oog op een preek voor de kerkdienst voor de komende zondag over Openbaring 3:14-21 (de brief aan Laodicea) en maak een opzet voor een preek over deze tekst met de structuur van

– focus en function;

– scopus en explicatie;

– narratio en plot.

Reflectie

Reflecteer op de volgende stelling: ‘De apologetische functie (werking) van de prediking is dezelfde als de missionaire functie van de prediking.’

Spiritualiteit

Good practice

Een citaat uit een preek van Bernardus Smytegelt: ‘In ’t byzonder een waar Christen, die spreekt en hoort gaerne van Christus. Weest gy my, zeggen ze, de grootste, de liefste Predicant. Die Predicant zal blyven, als alle de andere, die my hier lief zijn, weg zullen wezen. Weest gy myn Priester: laat ik myn harte in uwen schoot mogen ontlasten. Weest gy myn Koning, om my te regeren en te beschermen. Laat ik uw onderdaan zyn’.

Geciteerd in Jan Hoek, Tedere Majesteit. Omgang met God in gereformeerde spiritualiteit. Zoetermeer: Boekencentrum, 2015, 87.

Dit citaat is een voorbeeld van focus op de innerlijke beleving waar de identificatie van het woord van de predikant met het Woord van Christus plaatsvindt.

Oefening

Schrijf het plot voor een narratieve preek vanuit het perspectief van de oudste broer uit de gelijkenis van Lucas 15:12-32.

Reflectie

Becommentarieer onderstaande passage uit Luthers De vrijheid van een christen. Waar wordt het in onze tijd en cultuur spannend als het gaat om de vrijheid van de voorganger?

Om echter de ongeleerden (want alleen zùlken begeer ik te dienen) een weg te wijzen die gemakkelijk te bewandelen is, laat ik deze twee stellingen voorafgaan, die handelen over de vrijheid en de gebondenheid van de geest.

Een christen is een zeer vrije heer over alle dingen, aan niemand onderworpen; een christen is een zeer dienstvaardige knecht van allen, onderworpen aan allen.

M. Luther, (vert. dr. C.N. Impeta, Ingeleid door prof. dr. W.J. Kooiman), De vrijheid van een christen. Drie geschriften van Maarten Luther. , Kampen: J.H. Kok N.V., 1959, Middelburg: Stichting De Gihonbron, 2012, 102.

Terugkerend tot datgene waarmee we begonnen zijn, meen ik dat het uit wat gezegd is, duidelijk is geworden, dat het niet voldoende is noch ook christelijk indien we de werken, het leven en de woorden van Christus prediken slechts in geschiedkundige zin, als alleen maar historische gebeurtenissen, welke te kennen ons voldoende zou zijn om tot een voorbeeld te dienen daarvan hoe we ons leven zouden moeten inrichten – op welk een wijze zij, die nu nog de besten zijn, Hem prediken; veel minder nog dat we van Hem geheel en al zouden mogen zwijgen en men menselijke wetten en verordeningen van Vaders in de plaats van Hem zou mogen onderwijzen. Verder zijn er niet weinigen die op zulk een wijze Christus prediken en hun zienswijze omtrent Hem voordragen, dat zij de affecten, de gevoelens van mensen in beweging brengen opdat ze met Christus medelijden zullen hebben en verontwaardigd zullen zijn over de handelwijze van de Joden en andere kinderachtige en verwijfde onzinnigheden van datzelfde soort. Maar het betaamt dat Hij met dit doel gepredikt wordt, dat het geloof in Hem wordt opgewekt, opdat Hij maar niet alleen Christus zij, maar opdat Hij dit moge zijn voor u en voor mij, en datgene in ons worde ingewerkt wat van Hem wordt getuigd en wat Hijzelf wordt genoemd [wat in zijn Naam ligt opgesloten]. Dit geloof nu wordt geboren en onderhouden dááruit, dat van Christus gepredikt wordt waarom Hij in de wereld is gekomen, wat Hij aangebracht en geschonken heeft, welke de praktijk moet zijn van het Hem aannemen en welk nut dit brengt en welke vrucht het draagt. Dit gebeurt daar, waar de christelijke vrijheid op de juiste wijze geleerd wordt; de vrijheid die we als gift van Hem bezitten, en op welke wijze wij en alle christenen koningen en priesters en in welk opzicht wij heer over alle dingen zijn en mogen vertrouwen dat al wat we doen Gode welbehaaglijk en aangenaam is, zoals ik dat tot hiertoe heb uitééngezet.

Idem, 112.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken