Ik zal er zijn
Om te laten uitbeelden. Personages: MOZES, SCHAPEN, STRUIK, STEM.
MOZES loopt door de woestijn, een herdersstok in zijn hand. Om hem heen lopen de SCHAPEN. Hé, wat ziet hij daar? In de felle zon trekt iets nóg fellers zijn aandacht. Voorzichtig komt hij dichterbij. Daar staat een STRUIK in brand! Oef, gevaarlijk met deze woestijndroogte. MOZES aarzelt, zal hij zijn mantel eroverheen gooien om het vuur te doven?
Plotseling zet hij grote ogen op: wat ziet hij nou? De STRUIK staat in brand, maar verbrandt zelf niet! Dat bestaat niet. De SCHAPEN zijn hem gevolgd, maar MOZES drukt ze een eindje achteruit. ‘Vort, weg jullie, niet bij het vuur!’ En terwijl de schapen achterblijven, loopt MOZES langzaam naar de vreemd brandende STRUIK toe.
Dan klinkt een STEM: ‘Mozes! Kom niet dichterbij! Doe je sandalen uit, dit is heilige grond! Ik ben de God van je vader, van Abraham, Isaak en Jakob. Ik heb een opdracht voor je.’
MOZES trilt ervan. Hij knielt neer, en luistert.
De STEM gaat verder: ‘Jij moet de Israëlieten uit Egypte halen. Ze zitten daar gevangen, en Ik wil dat ze bevrijd worden.’
MOZES springt op en roept: ‘O, dat durf ik niet, ik weet niet eens wat ik tegen de Farao van Egypte moet zeggen.’
En de STEM zegt: ‘Ik help je, wees gerust. Zeg tegen de Farao: Mijn God heeft mij gestuurd.’
Maar MOZES wordt helemaal zenuwachtig, hij wil liever gewoon herder blijven. ‘Wat moet ik dan zeggen, als ze vragen hoe U heet?’
En de STEM zegt: ‘Mijn naam is IK-ZAL-ER-ZIJN.’
Maar MOZES schudt zijn hoofd, hij durft nog steeds niet…
Vraag
Wat denken jullie, krijgt God hem zover? En hoe?
Durven jullie weleens iets niet? En wat helpt dan?
Bij Exodus 3:1-15