Menu

Premium

Jeremia

INLEIDING

1.Enige opmerkingen vooraf

1.1. In deze beknopte commentaar wordt uitgegaan van de NBG-vertaling, doch wanneer de gegeven verklaring dit onvermijdelijk maakt, werd in een beperkt aantal gevallen daarvan afgeweken. De aard van deze commentaar brengt met zich, dat de schrijver andere correcties in de vertaling, die naar zijn mening gewenst zouden zijn, niet heeft vermeld. In de meeste bijbelvertalingen ontbreekt een verantwoording van de vertalers, zodat de lezer niet kan nagaan, wanneer zij een bewuste keus maakten uit meerdere vertaalmogelijkheden of bij een zeer moeilijke passage naar de betekenis moesten gissen. Hoewel de Kanttekeningen bij de Statenvertaling in veel opzichten verouderd zijn, kunnen zij ook de huidige lezer nog hulp bieden wanneer men dergelijke keuzemogelijkheden ed. op het spoor wil komen. Destijds werden de vertalers blijkbaar nog niet gehinderd door de later ontstane gewoonte, aan de lezer meer zekerheid te willen bieden dan de vertaler zelf heeft.

De indeling in perikopen en de opschriften daarvan zijn eveneens aan de NBG-vertaling ontleend. Doch daarin werden herhaaldelijk wijzigingen aangebracht, wanneer dit met het oog op de gekozen uitleg noodzakelijk werd geacht.

1.2 Het gebruik van de Godsnaam, die in vertalingen als HERE wordt weergegeven, wordt zoveel mogelijk vermeden. De heilige Naam wordt meestal aangeduid met het woord God, behalve in citaten o.d. De keus voor deze aanduiding van Gods Naam heeft ten doel, een te veelvuldig gebruik daarvan in de commentaar te vermijden.

1.3 Herhaaldelijk wordt gewezen op het onderscheid tussen gedeelten in prozavorm en in poëtische stijl. Dit verschil is niet alleen uit stilistisch oogpunt van belang, doch heeft ook inhoudelijke betekenis, zoals uit de gegeven toelichtingen blijkt. Want op grond daarvan kan dikwijls worden vastgesteld, waar een profetische uitspraak begint of eindigt, en waar een nieuw gedeelte, dat soms toelichtend van aard is, begint. In de NBG-vertaling is dit stijlverschil voor de lezer niet gemakkelijk waarneembaar, omdat het daarin niet tot uitdrukking werd gebracht in de bladspiegel. In de gebruikelijke wetenschappelijke uitgaven van de hebreeuwse bijbeltekst is dit wel het geval. Het daar gemaakte onderscheid werd in sommige nieuwere vertalingen overgenomen, ook in de opmaak van de bladspiegel. Zulk een indeling bevordert de overzichtelijkheid van de tekst en het verstaan daarvan. Een tekst, die men ondergaat als poëzie, wordt immers anders gelezen dan proza. Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat ook het bijbelse proza een kunstvorm is, die veel aandacht vraagt van hoorder en lezer. Enige nieuwere vertalingen, waarin het genoemde verschil zichtbaar is, zijn: de New English Bible (1970) en de Willibrord Vertaling (1975). Ook in de zgn. Groot Nieuws Bijbel (1983) is dit het geval, doch deze uitgave kan men nauwelijks nog een vertaling noemen.

In deze verklaring worden veel verwijzingen gegeven naar overeenkomstige passages en uitdrukkingen, met name in het boek Jeremia. De bedoeling hiervan is, de tekst zoveel mogelijk uit zichzelf te verstaan. Verwijzingen naar andere bijbelboeken worden slechts gegeven, wanneer deze voor het verstaan van de tekst onontbeerlijk werden geacht. Voor verdergaande studie raadplege men een goede concordantie, want deze is een onmisbaar hulpmiddel voor ieder, die diepere bijbelse samenhangen op het spoor wil komen.

2.Indeling van het boek

De inhoud van het boek kan als volgt worden ingedeeld.

Inleiding tot de verzamelingen van Jeremia’s profetieën (hst. 1).

Verzameling van profetieën uit de tijd van Josia (hstt. 26).

Verzameling van profetieën uit de tijd van Jojakim en Zedekia (hstt. 7-25).

Verzameling van gemengde inhoud (hstt. 26-35).

Memoires van Baruch (hstt. 36-45).

Verzameling van profetieën tegen de volken (hstt. 4651).

Aanhangsel (hst. 52).

Binnen deze hoofddelen zijn grotere samenhangende eenheden aanwijsbaar. Enkele voorbeelden daarvan zijn de volgende. In deel III is een thematische samenhang aanwijsbaar in 21:11-23:40 en in hst. 25. Deel IV bestaat uit drie hoofddelen, tw. hstt. 26-29, 30-33 en 34- deel VI hebben de hoofdstukken 50 en 51 een geheel eigen karakter. In de verklaring wordt, waar nodig, in korte inleidende opmerkingen gewezen op de aard en de specifieke inhoud van dergelijke grotere of kleinere eenheden. De bedoeling van zulke toelichtende opmerkingen is, daarmee te voorkomen dat aan betekenisvoll,e.samen-hangen voorbij wordt gezien en de aandacht zich uitsluitend richt op een enkel vers of een korte passage. Doch om te vermijden dat een gedetailleerde schematische indeling de aandacht van de lezer zou afleiden van de tekst zelf, wordt afgezien van een poging, hier zulk een systematische, niet aan de tekst zelf ontleende onderverdeling aan te brengen.

In dit verband kan er echter op worden gewezen, dat sommige grotere teksteenheden herkenbaar zijn aan inleidingsformules, zoals het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam, resp. hetgeen als woord des HEREN tot Jeremia kwam, en dergelijke zinswendingen, waaraan soms een datering wordt toegevoegd. Daarentegen worden kortere, incidentele profetische uitspraken dikwijls met andere formules ingeleid, zoals bv. De HERE zei tot mij aldus…. Het is de schrijver van deze commentaar nog niet gelukt, in het gebruik van dergelijke inleidingsformules op overtuigende wijze een systeem op te sporen. Daarom wordt hier niet gepoogd, een systematische tekstindeling op de vorm van deze formules te baseren, hoewel zulk een aan de tekst ontleende indeling misschien mogelijk is.

3.Het ontstaan van het boek

Meer dan bij enig ander bijbelboek kunnen wij uit het boek Jeremia te weten komen, hoe het ontstond en welke stadia het doorliep voor het ons in de huidige vorm bereikte. Dit hebben wij te danken aan het feit, dat enige desbetreffende gebeurtenissen in het boek zelf worden vermeld, met name in hst. 36. Bovendien komen er veel gegevens over de profetische activiteiten van Jeremia in voor, waarbij regeringsjaren van judese koningen worden vermeld. Tevens kan op grond van de inhoud een beperkt aantal passages worden geplaatst in de periode na de ondergang van Jeruzalem in 586 n.Chr. Ook kunnen enige gegevens over de ontstaansgeschiedenis van het boek worden ontleend aan een vergelijking van de hebreeuwse tekst met de griekse vertaling, de Septuaginta. Jeremia’s optreden als profeet begon in het voorjaar van 626 v.Chr. Uit hst. 36 blijkt, dat hij in 605 v.Chr. zijn tot dusver uitgesproken profetieën dicteerde aan Baruch, die als zijn secretaris optrad. Nadat de aldus ontstane ‘oer-rol’ door koning Jojakim in stukken was gesneden en verbrand, dicteerde de profeet de tekst opnieuw aan Baruch. Maar deze tweede rol was uitvoeriger, want nog vele dergelijke woorden werden daaraan toegevoegd (36: 32). Deze rol had betrekking op de eerste drieëntwintig jaar van Jeremia’s profetische optreden; zie de toelichting bij 25:3. Daarna zette de profeet zijn werk nog ongeveer twintig jaar voort, dwz. van 605 tot na de val van Jeruzalem in 586 v.Chr., zoals oa. uit 41:16 – 43:7 blijkt. Hieruit kan worden afgeleid, dat de tweede rol later werd aangevuld met profetieën uit de latere periode van zijn werkzaamheid. In deze later toegevoegde gedeelten wordt, evenals in de voorafgaande, dikwijls over Jeremia gesproken in de eerste persoon. Zij zijn dus eveneens rechtstreeks van de profeet afkomstig en werden waarschijnlijk door hem ook aan Baruch gedicteerd. Maar in sommige gedeelten wordt in de derde persoon over Jeremia gesproken. Dit is met name het geval in de zgn. ‘Memoires van Baruch’ (hstt. 36-45), doch het verschijnsel is ook elders in het boek waarneembaar. Op grond hiervan wordt aangenomen, dat Baruch een belangrijke rol vervulde bij het ontstaan van het boek in zijn latere vorm. Zie de opmerking bij hst. 45.

Daarmee was echter het groeiproces van het boek nog niet voltooid. Want er werden ook enige passages in opgenomen, die betrekking hebben op latere gebeurtenissen. Zie de toelichtingen bij 31:38-40 en 52:31-34. Het is mogelijk, dat ook hst. 33 geheel of ten dele later werd toegevoegd. Zie over het geheel eigen karakter van 50:1-51:58 de toelichting aldaar. Hst. 52 is afkomstig uit dezelfde bron als 2 Kon. 24:18 – 25:30. Gezien het feit dat de in 52:31 vermelde gebeurtenis plaats vond in 562 v.Chr., kan de eindredactie van het boek niet vóór dat jaar zijn geschied. Uit de andere genoemde toevoegingen kan worden afgeleid, dat de eindredactie later geschiedde, waarschijnlijk in Jeruzalem (zie 50:5 hierheen, dwz. naar Sion/Jeruzalem).

In het boek komt een aantal doublures voor, dwz. passages die tweemaal in het boek werden opgenomen. In de verklaring worden deze genoemd en wordt in enkele gevallen een vermoeden uitgesproken betreffende het ontstaan van zulk een doublure. Zie de toelichting bij 10:1216. Het is niet uitgesloten, dat er twee versies van het boek in omloop zijn geweest, tw. een kortere versie, waarop de Septuaginta berust, en een langere die in de hebreeuwse tekst werd overgeleverd. In de kortere versie kwamen de profetieën tegen de volken, die in de hebreeuwse tekst in hstt. 46-51 werden opgenomen, maar in feite een vervolg zijn op hstt. 25:15-38, op een andere plaats voor. Daarin stonden zij nl. direct na hst. een iets andere volgorde. Zie de inleidende opmerkingen bij hst. de commentaar wordt slechts enkele malen een in de Septuaginta voorkomende vertaling vermeld, wanneer kennisname daarvan voor het verstaan van de hebreeuwse tekst van belang kan worden geacht. De verklaring gaat uit van de hebreeuwse tekst in de vorm, waarin ons deze uiteindelijk bereikte, want dit is voor ons de gezaghebbende tekst. Enige hoofdlijnen uit de ontstaansgeschiedenis daarvan werden hierboven geschetst, omdat deze kunnen leiden tot opheldering van de samenhang tussen gegevens, die in het boek zelf op verschillende plaatsen voorkomen, en van de historische achtergrond, waartegen bepaalde passages moeten worden gezien. Een voorbeeld daarvan vindt men in de toelichtingen bij 7:1-16 en 26:1-24. Ook elders zijn voorbeelden daarvan te vinden. Hieruit blijkt, dat enige kennis van de ontstaansgeschiedenis van het boek van belang is voor de uitlegging daarvan.

4.De profeet Jeremia

Bijbelse profetische geschriften hebben niet als doelstelling, de biografie van een profeet te beschrijven. Daarom wordt daarin de aandacht niet gericht op de persoon van de profeet, maar op het door hem verkondigde woord. Gegevens over Jeremia, die in het boek zijdelings worden vermeld, geven ons echter enig inzicht in zijn levensloop. Hij was afkomstig uit een priestergeslacht dat in Ana-toth, ongeveer ten N. van Jeruzalem, woonde. Reeds op jeugdige leeftijd werd hij tot profeet geroepen. Zie over zijn naam, afkomst en woonplaats: de gegevens, vermeld bij 1:1-3. Hij trad ruim veertig jaar lang op als profeet, tw. van 626 v.Chr. tot na de val van Jeruzalem in 586 v.Chr. Zijn laatste, in het boek vermelde profetische optreden vond plaats in Egypte (zie 43:6-44:30). Wat er daarna met hem gebeurde is niet bekend. Het behoorde tot zijn opdracht, zo onverzettelijk te zijn als een versterkte stad, een ijzeren zuil en een koperenmuur (1:18). Op Gods bevel moest hij zijn boodschap ook illustreren door zijn ongewone, eenzame levenswijze, want hij moest ongehuwd blijven en zich onttrekken aan het gebruikelijke sociale verkeer, zoals het betonen van meeleven bij sterfgevallen of uitingen van vreugde bij bruiloften (16:1-9).

Hij begon zijn profetisch optreden tijdens de regering van koning Josia. Uit 22:15-17 kan worden afgeleid, dat hij veel van deze koning verwachtte. Daaruit blijkt tevens, dat de zgn. cultusreformatie, die Josia doorvoerde (zie 2 Kon. 23; 2 Kron. 34), ook verregaande gevolgen had voor het herstel van de juiste sociale verhoudingen. In 609 v.Chr. sneuvelde Josia echter bij Megiddo in een slag tegen het leger van farao Necho. In 22:10 wordt een toespeling gemaakt op een klaagzang over zijn dood. Dit zal de reden zijn, waarom in 2 Kron. 35:25 ‘een klaagzang op Josia’ aan Jeremia wordt toegeschreven. Ondanks de genoemde cultusreformatie bleven resten van vroegere afgodische praktijken bestaan en reeds tijdens het leven van Josia moest Jeremia daartegen waarschuwen. Tijdens de opvolgers van Josia herleefden vele van deze vroegere praktijken en het was Jeremia’s taak, deze terugval in vroegere afgoderij en daarmee verbonden zonden, zowel op cultisch als op sociaal terrein, fel te veroordelen en het volk tot omkeer te roepen. Dit leidde tot vele conflicten met de koningen van Juda en hun aanhang, zowel in leidinggevende kringen als onder de rest van het volk. In opdracht van God moest hij hen allen oproepen tot onderwerping aan Babel, dat sedert omstreeks 605 (zie toelichting bij 46:2) een invloedrijke macht bleek te zijn. De weigering, aan deze profetische vermaningen gehoor te geven, leidde in 597 v.Chr. tot de val van Jeruzalem, waar sedertdien een door de Babyloniërs aangestelde vazalvorst regeerde, en tot de deportatie van veel Judeeërs (zie o.a. 52:28). Daarna spitsten zich de conflicten tussen Jeremia en de koning met zijn aanhang hoe langer hoe meer toe. Het gevolg hiervan was, dat Jeremia herhaaldelijk in levensgevaar verkeerde en tijdens het laatste deel van de belegering van Jeruzalem gevangen werd gehouden. Pas na de ondergang van de stad in 586 v.Chr. werd hij op bevel van de Babyloniërs vrijgelaten.

De vervulling van zijn profetische opdracht is Jeremia zeer zwaar gevallen. Dit blijkt niet slechts uit de bezwaren, die hij tegen zijn roeping inbracht (1:6), maar ook uit de passages, die men pleegt aan te duiden als ‘de belijdenissen van Jeremia’; hiertoe behoren o.a.: 11:18-22; 12:1-6; 15:10-21; 17:12-18; 18:18-23; 20:7-18. Het meest aangrijpende deel hiervan is waarschijnlijk wel de huiveringwekkende zelfvervloeking in 20:14- verband met de levensloop van de profeet kan ook worden gewezen op de opmerkingen over ‘profetie metterdaad’ in de toelichting bij 13:1-11. Daaruit blijkt, hoe sterk de profeet persoonlijk betrokken was bij het vervullen van de hem opgedragen taak, zowel wat de vele onheilsdreigingen als wat de heilsverwachting betreft. De profetische handelingen, die de door hem verkondigde boodschap op voor ieder waarneembare wijze tot uitdrukking brachten, verrichtte hij echter niet op eigen initiatief maar in Gods opdracht. Dat hij slechts namens zijn Opdrachtgever profetisch kon spreken of handelen, wordt aangeduid met de inleidingsformules in de berichten over zijn profetische uitspraken en symbolische handelingen. Uit 42:7 kan worden afgeleid, dat hij niet zo maar over het openbaringswoord kon beschikken, doch er telkens op moest wachten. In tegenstelling tot andere profetische boeken wordt echter nergens in het boek Jeremia vermeld, dat de Geest des HEREN over hem kwam. Herhaaldelijk wordt gezegd, dat het woord des HEREN tot hem kwam of dat de HERE tot hem sprak. Hoe dit geschiedde, wordt niet vermeld. Opmerkelijk is, dat hij de opdracht ontving, profetieën op te schrijven en te bundelen. Over dit deel van zijn profetische werkzaamheden ontvangen wij in Jeremia meer informatie dan in andere bijbelboeken; zie bovenstaande paragraaf over het ontstaan van het boek.

5.Historische achtergrond van het boek

In de verklaring wordt, voorzover dit nodig is, de historische achtergrond van de in het boek vermelde gebeurtenissen of profetische uitspraken toegelicht. Daarom kan hier worden volstaan met een kort overzicht. Tijdens Jeremia’s leven regeerden achtereenvolgens vijf koningen over Juda. Zij worden hier vermeld met hun regeringsjaren volgens de meest gebruikelijke chronologie. Weliswaar bestaan er over deze chronologie enige verschillen van mening, doch deze doen hier niet ter zake. Josia regeerde van 639 tot 609 v.Chr. Nadat het verval van het assyrische rijk was ingetreden, kon hij delen van het vroegere tienstammenrijk, dat door Assyrië was onderworpen (val van Samaria in 722 v.Chr.), annexeren. Na een voorspoedige regeringsperiode van ruim dertig jaar sneuvelde hij in een slag tegen farao Necho. Zijn zoon Sallum (troonnaam: Joahaz) regeerde slechts drie maanden. Hij werd door de genoemde farao afgezet en naar Egypte gedeporteerd. Necho stelde een andere zoon van Josia tot koning van Juda aan, tw. Eljakim, die de troonnaam Jojakim aannam. Deze regeerde van 609/8 tot 598/7. Hij stierf tijdens het beleg van Jeruzalem dat in 597 v.Chr. eindigde met de inname van de stad door de Babyloniërs en de deportatie van een grote groep Judeeërs (vgl. 52:28). Tot de gedeporteerden behoorden ook Jojachin/Jechonja/Chonja, die zijn vader Jojakim in 597 opvolgde, doch slechts drie maanden regeerde (zie 22:20-30; 52:31-34). Als vazalvorst stelden de Babyloniërs een derde zoon van Josia tot koning aan, t.w. Mattanja, die de troonnaam Zedekia aannam. Wegens zijn opstand tegen Babel werd hij na de tweede inname van Jeruzalem in 586 v.Chr. in opdracht van Nebukadnezar zwaar gestraft (zie 39:5-7). Tevens vond opnieuw een deportatie van Judeeërs plaats (vgl. 52:29).

Uit al deze gebeurtenissen kan worden afgeleid, dat er na de dood van Josia in feite een einde was gekomen aan de zelfstandigheid van het koninkrijk Juda. Weliswaar duurde het na zijn dood nog drieëntwintig jaar-voor dit koninkrijk uiteindelijk onderging, maar gedurende al deze jaren was het onderworpen aan een van de grote machten in het Oude Nabije Oosten. Eerst aan Egypte en na de overwinning van Nebukadnezar op de Egyptenaren in de slag bij Karkemis (zie 46:2) aan Babylonië. Uit het boek Jeremia blijkt dat vragen over de verhouding tot de grote mogendheden van destijds van grote betekenis waren voor het binnenlands beleid in Juda. Geheel in tegenstelling tot de door Jeremia verkondigde boodschap, waarin op onderwerping aan Babel werd aangedrongen, poogde Juda, zich in samenwerking met bondgenoten tegen de macht van Babel te verzetten. Zelfs na de inname van Jeruzalem in 586 kwam dit verzet nog tot uiting in de moord op de door de Babyloniërs aangestelde gouverneur van Juda, Gedalja (zie 40:7 – 41:15). In 582 v.Chr. vond nogmaals een deportatie van Judeeërs naar Babel plaats (zie 52:30).

6.De prediking van het boek

Het is niet de bedoeling van de volgende opmerkingen, de boodschap van het gehele boek Jeremia kort samen te vatten. Een poging, zulk een samenvatting te geven, zou kunnen worden opgevat als een nutteloze, vermetele bezigheid, die het lezen van het boek zelf meer hindert dan bevordert. Hier gaat het er slechts om, de lezer opmerkzaam te maken op enige hoofdelementen in Jeremia’s prediking. Deze worden reeds aangeduid in het eerste hoofdstuk, dat als een inleiding op het gehele boek kan worden beschouwd. In dat inleidende hoofdstuk horen wij reeds de kenmerkende thema’s, die telkens terugkeren in de latere hoofdstukken. Kernachtig wordt de inhoud van Jeremia’s prediking samengevat in de hem bij zijn roeping gegeven opdracht: Ik stel u heden over de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten, 1:10. Hiermee wordt tevens aangeduid, dat hij profeet is voor de Judeeërs en voor vele andere volken. In dit eerste hoofdstuk wordt ook reeds de vijand uit het Noorden genoemd (1:14). Daarin wordt tevens gewezen op Gods waakzaamheid over Zijn woord (1:12) en op de daarmee verband houdende, aan de profeet opgedragen onverzettelijkheid (1:18).

De aan Jeremia gegeven opdracht bracht met zich, dat hij vele onheilsdreigingen moest uitspreken, doch niet als een onherroepelijke aankondiging van de toekomstige ondergang, maar als oproepen tot omkeer. Zie de paragraaf over ‘Het karakter van bijbelse profetie’ in de verklaring op 7:1-15 en de toelichting bij 9:10-22. De aard van deze profetie steekt scherp af tegen die van de ‘heilsprofeten’. Zie de toelichting bij 14:10-16 en vergelijk het optreden van de in hst. 28 genoemde Hananja en de boodschap van de in 29:8, 9, 21-23 genoemde profeten. De door Jeremia zo fel veroordeelde zonden, die begaan werden door de koningen, hun aanhang en het gehele volk, betroffen ontrouw aan de HERE en verbonds-breuk. Deze uitte zich in afgoderij, die telkens fel wordt gehekeld, in sociaal onrecht en in misbruik van de cultus (zie oa. de toelichtingen bij 7:21-28; 17:19-27; 22:13-19; 34:8-22). Ontrouw aan de ordeningen van Gods verbond en daarmee samenhangende ontrouw ten opzichte van volksgenoten had verregaande gevolgen. Want deze leidde ook tot schending van de door de koning afgelegde vazalleneed en de weigering, zich aan Babel te onderwerpen (zie oa. 34:1-7).

Tot Jeremia’s taak behoorde ook heilsprediking (‘bouwen en planten’, 1:10), doch deze was van geheel andere aard dan de voorzeggingen van de bovengenoemde ‘heilsprofeten’. Want het toekomstige heil wordt niet, zoals bij de laatstgenoemden, toegeschreven aan op zeer korte termijn te verwachten veranderingen in de internationale politiek, maar aan het ingrijpen van Hem, die ondanks de ontrouw van Zijn volk trouw blijft aan Zijn verbond (zie oa. de toelichtingen bij 25:11 b-14 en 30:131:40). In het gehele boek gaat het om het herstel van een levenswijze, waarin trouw aan dit verbond zowel in godsdienstig als maatschappelijk opzicht tot uitdrukking wordt gebracht. Daarom mag men in een inleiding tot het boek Jeremia niet beweren, dat de profeet ‘het moet opnemen tegen de gevestigde orde van zijn tijd’. Deze bewering in de zgn. Groot Nieuws Bijbel (1983, blz. 876) berust meer op eigentijdse ideologische vooringenomenheid dan op nauwkeurig lezen van het boek zelf.

In de commentaar worden soms in het kort of zijdelings onderwerpen ter sprake gebracht, die van belang zijn bij het lezen van het gehele boek. Daartoe behoren oa. de volgende uitdrukkingen, zinswendingen e.d. Inleidingsformules zoals: Zie, de dagen komen… (zie bij 23:7-8) en: In het laatst der dagen (zie bij 23:20 en 48:47). De verbondsformule Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn (zie bij 7:23). Kenmerkende uitdrukkingen als krenken (zie bij 7:18 en 11:17) en verstoktheid (zie bij 13:10) en dergelijke. Gezien het karakter van deze verklaring werd er echter van afgezien, te verwijzen naar desbetreffende detailstudies en samenvattende naslagwerken.

7.De werkingsgeschiedenis van het boek

In deze commentaar wordt het boek zo veel mogelijk uit zichzelf uitgelegd, maar soms wordt daarin verwezen naar de doorwerking ervan in latere bijbelse literatuur. Dit geschiedt echter slechts sporadisch, om te vermijden dat de aandacht wordt afgeleid van het boek zelf naar de invloed die het later uitoefende. Met andere woorden: hierin wordt het boek niet telkens in de rede gevallen met ongeduldige vragen over vervulling van de profetie e.d. Dat het boek Jeremia reeds in een vroeg stadium gezag verwief, kan zowel in het boek zelf als in toespelingen daarop in andere boeken van het O.T. worden waargenomen. In het boek zelf is dit waarneembaar in passages, waarin herinterpretaties van vroegere uitspraken voorkomen; zie daarover o.a. de inleidende opmerkingen bij 30:1-31:40 en de toelichting bij 33:1-26. Tevens blijkt dit in het feit, dat tijdens het groeiproces van de tekst aan het boek enige passages werden toegevoegd, zoals bv. 31: 38-40 en hst. 52. Binnen het O.T, worden waarschijnlijk toespelingen op uitspraken van Jeremia gemaakt in Zach. 1:12; 3:8; 6:12; 7:5. Dit is zeker het geval in Dan. 9:2 en 2 Kron. 36:21. Enige voorbeelden van doorwerking in het N.T., waaruit het aan het boek Jeremia toegekende gezag blijkt, worden in de verklaring genoemd. Zie de inleidende opmerkingen bij 30.1-31:40 over het nieuwe verbond, bij 31:15-17 over Rachels klacht en aan het eind van de inleiding bij 50.1-51:58 overBabels ondergang. Er zijn echter in het N.T. veel meer toespelingen op de tekst van Jeremia dan de hier genoemde. Het aantal rechtstreekse citaten is daarin echter minder talrijk dan die uit het boek Jesaja.

VERKLARING

Inleiding tot de verzamelingen van Jeremia’s profetieën 1:1-19

Dit hoofdstuk heeft een inleidend karakter. Zie de toelichting aan het einde daarvan.

Opschrift 1:1-3

De naam Jeremia betekent ‘de HERE grondvest’ of ‘de HERE verheft’. Deze naam kwam in Oud-Israël vaker voor. Behalve de profeet worden in het O.T. o.a. de volgende dragers van deze naam vermeld: 1. de schoonvader van Josia en grootvader van Joahaz en Zedekia (2 Kon. 23:31; 24:18; Jer. 52:1); 2. een Rechabiet (35:3); 3. een familiehoofd in de stam Manasse (1 Kron. 5:24); 4. een priester ten tijde van Nehemia (Neh. 10:2; 12:1, 12, 34). De naam van Jeremia’s vader, Hilkia, dwz. ‘de HERE is mijn deel’, is een typische priesternaam; zie de toelichting bij 10:16. Anatoth in het land van Benjamin lag ongeveer ten N. van Jeruzalem, dat in het grensgebied tussen Juda en Benjamin gelegen was. Sedert lange tijd woonde in Anatoth een priestergeslacht; zie 1 Kon. 2:26. Uit 32:6-8 kan worden afgeleid, dat de familie van Jeremia daar grondbezit had. Uit Ezra 2:23 en Neh. 7:27 blijkt, dat de Babyloniërs bewoners van Anatoth deporteerden, die na de ballingschap daarheen terugkeerden. Het daar genoemde aantal (128 man) duidt er op, dat het geen klein dorpje was. Dit blijkt ook uit het feit, dat daar bij opgravingen resten van een stadsmuur werden gevonden.

Tijdens Jeremia’s optreden als profeet regeerden achtereenvolgens vijf koningen over Juda, tw. Josia, Joahaz, Jojakim, Jojachin en Zedekia. Van dit vijftal worden er hier slechts drie genoemd, omdat Joahaz en Jojachin een zeer korte regeringsperiode hadden. Zij worden in het boek echter wel vermeld; zie 22:10-12 en 20-30. Josia regeerde van 639-609 v.Chr., zodat zijn dertiende regeringsjaar in 627/6 viel. In dat jaar vond de roeping van Jeremia plaats (vgl. 25:3), waarschijnlijk in het vroege voorjaar van 626, gezien het feit dat in 1:1 lw een bloeiende amandeltwijg wordt genoemd. De wegvoering van Jeruzalem in de vijfde maand wordt ook genoemd in 52:12; hiermee is de zomer van 586 bedoeld. Dit betekent, dat in deze inleiding op het boek een veertigjarige periode van Jeremia’s profetische werkzaamheid wordt aangenomen. Uit 41:16 – 43:13 blijkt echter, dat hij ook na ‘de wegvoering van Jeruzalem’ nog enige tijd als profeet optrad. Het opschrift dekt dus niet de gehele periode van zijn werkzaamheid. Misschien mag daaruit worden afgeleid, dat het opschrift betrekking heeft op een bundeling van zijn profetieën, die minder omvatte dan het huidige boek Jeremia. Het zou dan betrekking hebben op: a) dit inleidende hoofdstuk; b) hstt. 2-6; c) hstt. 7-25 en de bij 25:15-38 aansluitende verzameling van profetieën tegen de volken, zoals deze voorkomt in hstt. 4649; d) hstt. 26-35; e) een deel van de memoires van Baruch, tw. hstt. 36-39:14 (resp. 18). Of op de hoofdinhoud van deze verzamelingen, aangezien rekening moet worden gehouden met enige latere toevoegingen.

Het opschrift bestaat eigenlijk uit twee delen, tw. vss lw en vs de NBG zijn deze beide delen verbonden met de woorden: en verder ten tijde van, maar dit is niet meer dan een verlegenheidsoplossing, waarmee gepoogd werd, een oneffenheid in de tekst weg te werken. Letterlijk vertaald staat er: ‘en (het) geschiedde in de dagen van’ enz. Het woordje ‘het’ grijpt hier terug op het in vs 2 genoemde ‘woord des HEREN’. Uit dit dubbele opschrift kan worden afgeleid, dat de schrijver zich er van bewust was, dat het boek uit meerdere verzamelingen van Jeremia’s profetieën bestaat.

De roeping van Jeremia 1:4-19

Dat de vss 4-19 een eenheid vormen, is duidelijk uit de inleidende formule: het woord des HEREN nu kwam tot mij in vs 4. Eerst in 2:1 komt deze inleidingsformule nogmaals voor. Toch kan men in deze perikoop enige kleinere eenheden onderscheiden, tw. 5-10, 11 en 12, 13-16 en 17-19.

5-10. Deze vss beschrijven de roeping van Jeremia tot profeet. God heeft hem reeds vóór zijn geboorte tot profeet bestemd, niet alleen voor zijn eigen volk, maar tevens ‘voor de volken’. Het aan hem door God te geven woord betreft de volken en de koninkrijken (vgl. 25:1538; hstt. 46-51). De nog zeer jonge Jeremia wil zich hiertegen verzetten met het argument ik kan niet spreken, want ik ben jong, dwz. hij is nog niet geschoold in het taalgebruik en de wijze van optreden van een profeet. De tegenwerping van Jeremia wordt ingeleid met de woorden: Ach, Here HERE; dit is een inleidende gebedsformule, die ook elders voorkomt (4:10; 14:13; 32:17) in een klacht of smeekgebed waarin de spreker protesteert tegen iets wat God hem opdraagt. Het protest wordt echter door God afgewezen; Hij maakt duidelijk, dat Hij zelf Zijn woorden in de mond van Zijn profeet legt, hoe jong en onervaren deze ook is.

Jeremia’s opdracht is een tweevoudige, want deze betreft zowel de verkondiging van gericht en ondergang als die van genade en herbouw. De in vs 10 gebruikte werkwoorden, die Jeremia’s profetische taak omschrijven, zijn aan de landbouw en de woningbouw ontleend. De nadruk valt echter meer op de dreigende ondergang, aangekondigd met vier werkwoorden, dan op het herstel, dat met twee werkwoorden aangeduid wordt, inl. § 6. Dit blijkt ook uit de inhoud van het boek Jeremia; het aantal onheilsprofetieën is veel groter dan het aantal heilsprofe-tieën. Hieruit mag niet worden afgeleid, dat het het doel van de profetie zou zijn, de ondergang te bewerkstelligen. Integendeel, de oordeelsaankondigingen zijn oproepen tot omkeer. Dit wordt duidelijk uit andere gedeelten van het boek, waarin dezelfde woorden worden gebruikt (zie 18:7-10; 24:6; 31:28; 42:10; 45:4). Zie ook bij 7:1-15 de opmerkingen over het karakter van bijbelse profetie. 11,12. Hier en elders (1:13; 18.T-6; 24:lvv) wordt verhaald, dat Jeremia een Godswoord verneemt, terwijl hij naar iets staat te kijken, wat ieder in het dagelijks leven kan waarnemen: een amandeltwijg, een overkokende pot, ed. De samenhang tussen de door Jeremia waargenomen amandeltwijg en het daarop volgende Godswoord ligt in dit geval in een woordspeling. Omdat de amandel reeds vroeg in het jaar begint te bloeien, zelfs nog voor de bladeren uitlopen, heet deze boom in het Hebreeuws: ‘de wakkere’, ‘de wakende’. Daarom kan de amandeltwijg, die Jeremia ziet, een heenwijzing worden voor de waakzaamheid van God over Zijn woord. Zie over deze waakzaamheid: 31:28; 44:27; Dan. 9:14. Zie voor andere woordspelingen: 6:1; 13:7 en de opmerking bij 20:3.

13-16. Jeremia ziet een kookpot op het vuur staan. De pot staat scheef en kookt naar één kant over; de hoge kant staat op het noorden, de lage kant op het zuiden. De hete, schuimende vloeistof, die aan de zuidelijke kant overvloeit, komt dus ‘uit het noorden’. Dit tafereeltje uit het dagelijkse leven wordt aanleiding tot het ontvangen van een Godswoord. Tegen ieders verwachting in zal voor Juda en Jeruzalem het onheil uit het noorden komen. In die tijd was Egypte de sterkste mogendheid in het Nabije Oosten. Assyrië, dat bijna honderd jaar eerder (vgl. de datering in 1:2) de ondergang van het noordelijke tienstammenrijk Israel had veroorzaakt en vele andere volken had onderworpen, was zijn macht kwijt en telde internationaal nog nauwelijks mee. Het rijk van Babel, dat korte tijd later grote macht en invloed zou verwerven, was nog maar in opkomst op dit moment. Velen in Juda beschouwden Egypte als de eigenlijke grote bedreiging, resp. als een veiligheidsgarantie tegen eventuele nieuwe machten uit het noorden. Gebeurtenissen, die pas ongeveer zeventien jaar na de roeping van Jeremia plaats vonden (roeping omstreeks 626; dood van koning Josia en aanstelling van een vazalkoning door Egypte in 609; vgl. 22:10v), schenen zulk een visie op de internationale politieke situatie te rechtvaardigen. Maar God maakt aan Jeremia duidelijk, dat het geheel anders zal toegaan dan menselijke berekening zou kunnen doen vermoeden. Want niet uit het zuiden maar uit het noorden dreigt het gevaar. Een machtige vijand uit het noorden zal door God worden gebruikt om Juda te tuchtigen. De reden daarvoor wordt in vs. 16 duidelijk genoemd. De afgodendienst, die in Juda en Jeruzalem bedreven wordt (zie o.a. hst. 7, 10, 11) en het daarmee samenhangende immorele gedrag, zullen onheil brengen over stad en land. Althans, indien men weigert, zich aan de HERE te onderwerpen en gehoor te geven aan het woord van Zijn profeet. Want de onheilsdreigingen zijn geen onvoorwaardelijke aankondigingen van komend onheil, maar oproepen tot bekering (vgl. de opmerkingen bij 7: 1-15).

Wat hier over het uit het noorden dreigende onheil wordt gezegd, heeft een inleidend karakter. Zie 4:5 – 6:30; 10: 22; 13:20; 25:9; 46:20 (tegen Egypte); 47:2 (tegen de Filistijnen); 50:3, 9 (tenslotte richt zich ook tegen Babel een andere vijand uit het noorden). Uit de genoemde gedeelten blijkt, dat ‘de vijand uit het noorden’ een van de belangrijke thema’s is in Jeremia’s prediking en dat daaronder niet altijd dezelfde macht uit het noorden, resp. het noord-oosten wordt verstaan. Het is mogelijk, dat op de achtergrond een nevengedachte meespeelt, tw. de ongunstige betekenis van ‘het noorden’. Wanneer, men zich oriënteerde, dwz. met het gezicht naar het oosten ging staan, lag het zuiden rechts en het noorden links. De rechterzijde werd als de gunstige, de linker als de ongunstige, bedreigende beschouwd. Het Hebreeuws gebruikt voor ‘het noorden’ en voor ‘links’ hetzelfde woord, evenals verscheidene andere talen dit doen. Een dergelijke betekenisontwikkeling komt vaker voor; vgl. bv. het woord ‘sinister’, dat oorspronkelijk oa. het noorden aanduidde.

17-19. Tegen alle verzet en tegenspraak in zal Jeremia telkens weer het hem door God te openbaren Woord moeten verkondigen. Het verzet zal vooral uit de kringen van leidinggevende personen komen. Hier en elders worden de verantwoordelijke gezagsdragers genoemd: de koning, de vorsten, de priesters (elders dikwijls: de priesters en de profeten) en de landedelen (dat is hier de betekenis van de uitdrukking ‘het volk des lands’). In het boek lezen wij herhaaldelijk over de listen en lagen, die personen uit de genoemde kringen tegen Jeremia legden. Maar zij zullen hem niet tot zwijgen kunnen brengen, wat zij ook tegen hem ondernemen. De aandachtige lezer vindt hier toespellingen op gebeurtenissen in het leven van Jeremia, die in het boek uitvoerig zullen worden beschreven. Daarom kan gezegd worden dat – gezien vanuit de structuur van het gehele boek – dit hoofdstuk een inleidend karakter heeft.

Verzameling van profetieën uit de tijd van Josia 2:1-6:30

De trouweloze echtgenote 2:1-3:5

Het samenvattende opschrift van deze perikoop werd ontleend aan NBG. Uit de inleidende formules in 2:1 en 3:6 kan worden afgeleid, waar dit gedeelte begint en waar het eindigt. Het kan dus als een samenhangende literaire eenheid worden beschouwd. Maar daarbij ligt een moeilijkheid in het begin van 3:1. NBG heeft daar weliswaar ‘Het Woord des HEREN kwam tot mij’, maar plaatst deze woorden tussen vierkante haken, om daarmee aan te geven dat zij naar de mening van de vertalers niet tot de oorspronkelijke tekst behoren. De hebreeuwse tekst heeft daar echter slechts één woord, dat een inleidingsformule is voor een citaat of voor de directe rede. Meestal wordt dit weergegeven met ‘zeggende’, of het wordt vervangen door een dubbele punt, gevolgd door een aanhalingsteken. De SV loste de moeilijkheid op met de vertaling: ‘Men zegt’; dwz. men vatte 3:1 op als weergave van een spreekwoordelijke uitdrukking. De SV volgde hierin een tekstinterpretatie, die reeds voorkomt in enige oude vertalingen, bv in de Vulgata. Deze interpretatie maakt het mogelijk, de gehele perikoop als een samenhangende eenheid op te vatten. Andere verklaarders schrappen het eerste woord van 3:1 of vullen het aan tot een volledige inleidende formule, zodat men dan 3:15 als een zelfstandige eenheid kan beschouwen. Wij nemen echter aan, dat het gehele gedeelte onderlinge samenhang vertoont. Dit wil echter niet zeggen, dat alle onderdelen daarvan uit een en dezelfde profetische ‘rede’ afkomstig zijn. Kleinere eenheden binnen dit gedeelte, soms herkenbaar aan inleidende of afsluitende formules, zijn: 2:1-3, 4-19, 20-28, 29-37 en 3:1-5. 1-3.

De wijze waarop de profeet zijn verkondigende taak moet uitoefenen wordt omschreven in vs 2a: Ga, predik ten aanhoren van Jeruzalem. Letterlijk vertaald luidt deopdracht: Ga, roep in de oren van Jeruzalem. Dit wil zeggen dat de profeet moet rondgaan in de stad en daar met luide stem herhaaldelijk de in vss 2b en 3 beschreven boodschap moet uitroepen. Vs 2b bezingt in de vorm van een kort minnelied de liefde tussen God en Zijn volk. De verbondsrelatie tussen die beiden wordt hier, zoals zo dikwijls in het O.T., als liefdevolle huwelijksrelatie voorgesteld. In die relatie is de bruid het zeer bijzondere eigendom van haar man. Zij is ‘geheiligd’, dwz. alleen bestemd voor haar man, zoals de eerstelingen van de oogst ‘geheiligd’ zijn en alleen door cultische reine priesters mogen worden genoten (zie Lev. 22.T-16; Deut. 26:1-11; vgl. ook Lev. 5:15 over het schuldoffer).

4-19. De profetische uitroep in vss 2v wekt de verwachting, dat het volk de liefdesrelatie tot God met huwelijkstrouw en wederliefde zal beantwoorden. Maar het tegendeel blijkt het geval te zijn; Gods verbondstrouw wordt met ontrouw beantwoord. De profeet spreekt het gehele volk aan, zowel de bewoners van Juda als die van het noordelijke gedeelte van het land, waar zich tot de val van Samaria in 722 v.Chr. het koninkrijk Israel bevond. Jeremia is profeet voor het gehele volk en herhaaldelijk spreekt hij ook tot ‘Israël’, dwz. het vroegere tien-stammenrijk. Hoewel uit dat gebied velen naar Assyrië werden gedeporteerd, was het in Jeremia’s tijd geen onbewoond land. Integendeel, er woonden nog steeds Israëlieten temidden van mensen uit andere volken, die daarheen werden gebracht door de Assyriers (vgl. 2 Kon. 17). Bovendien had koning Josia, in wiens regeringstijd Jeremia als profeet begon op te treden, zijn machtsgebied uitgebreid door annexatie van een deel van het vroegere koninkrijk Israel (vgl. 2 Kon. 23:15-20). Hij kon dit doen omdat de macht van Assyrië tanende was. Uit 41: 4v kunnen wij afleiden dat deze annexatie er toe leidde, dat zelfs uit Sichern, Silo en Samaria pelgrims naar Jeruzalem kwamen. De vroegere heiligdommen in Dan en Bethel speelden dus in die tijd geen rol meer. Zo is het te verklaren, waarom Jeremia het huis van Jakob en alle geslachten van het huis van Israel kon aanspreken (vs 54; vgl. 2:26; 3:18, 20; 5:11, 15; 9:25; 10:1; hst. 30v).

Jeremia’s profetische uitspraken hebben hier de vorm van een ‘twist’, dwz. een voorbereidend stadium van een rechtszaak. Als er een conflict was tussen twee partijen, dat niet in onderling overleg kon worden geregeld, ging men een ‘twist’ aan. Daarbij werd ten overstaan van getuigen door de eisende partij duidelijk uitgesproken, waarover het geschil ging. De bedoeling van de ‘twist’ was, het geschil tot een oplossing te brengen. Indien dit dan nog niet gelukte, volgde een rechtsgeding met bindende rechterlijke uitspraak. Ten onrechte heeft NBG in vs 9 tweemaal ‘rechtsgeding’; dit moet zijn twist (vgl. SV), waarbij dit woord de hierboven aangegeven betekenis heeft. Als getuigen worden in vs 11 ‘de hemelen’ genoemd (vgl. Jes. 1:2 ‘hemel en aarde’, en Micha 6:2 ‘bergen’ en ‘grondvesten der aarde’; ook daar gaat het over een ‘twist’).

God, die er over klaagt dat het volk Hem ontrouw geworden is, is de eisende partij in deze ‘twist’. Zijn trouw, die zo duidelijk blijkt uit Zijn daden bij de uittocht uit Egypte, de doortocht door de woestijn en de intocht in het goede, door Hem gegeven land, werd beantwoord met ontrouw. Daaraan maakten zich allen schuldig: priesters, herders (dwz. de koning en andere leiders van het volk), profeten (hier waarschijnlijk tempelpersoneel dat een profetische functie uitoefende) en het gehele volk. Vgl. hierbij de opsomming van leidinggevende personen, die in Jeremia herhaaldelijk voorkomt (bv. in 1: 18; 4:9). De houding van al deze mensen steekt scherp af tegen hetgeen men onder andere volken kan waarnemen. Noch in het westen, waar de Kittiërs (bewoners van Cyprus) in hun verre ‘kustlanden’ wonen, noch in het oosten (Kedar = woongebied van arabische stammen; vgl. 49:28) ruilen volken hun god in voor een andere. Maar Israel deed dit wel; het gaf zijn Eer, dwz. de Erenswaar-dige, prijs voor iets wat nutteloos is (vgl. Ps. 106:20). In een waterarm gebied zal niemand zo dwaas zijn, een bron met stromend water in de steek te laten en in plaats daarvan regenputten vol barsten en scheuren te graven. Maar die dwaze ruil werd wel begaan; het is een dubbele dwaasheid (twee boze daden, vs 13). Men had toch kunnen weten, dat God de enige, blijvende bron van levend water is (vgl. Ps. 36:10). Wegens deze trouweloosheid werd het noordelijke rijk ten prooi gegeven aan zijn assyrische vijanden; de bruid werd tot een rechteloze slavin. En het zuidelijke rijk, Juda, wordt bedreigd door Egypte. Dit wordt hier aangeduid met Nof=Memphis, de oude hoofdstad van Egypte, en met Tachpanches, een vesting in de oostelijke Nijldelta. Vgl. 43:7, 8v; 44.T; 46: 14; in de structuur van het boek wordt in 2:10 voor de aandachtige lezer en de goede verstaander reeds vooruitgegrepen op wat in hstt. 43, 44 en 46 zal worden vermeld. De leiders van de bufferstaat Juda/Israel, gelegen tussen twee grote mogendheden, resp. een grote en een opkomende mogendheid, probeerden afwisselend hun heil te vinden in een bondgenootschap met de zuidelijke of de noordelijke macht (vs 17v). Zie bij 1:13-16. Maar dit zoeken naar en vertrouwen op anderen is een uiting van afval van God en een symptoom van innerlijk verval (vs 19). Met het oog op de samenhang met 3:6vv, waar Israel ‘Afkerigheid’ wordt genoemd, moet in 2:19 in plaats van ‘afdwaling’, zoals NBG heeft, gelezen worden: afkerigheden.

20-28. Thans wordt uitvoeriger gesproken over de afgoderij, waarvan het volk in het voorafgaande werd beschuldigd, en over de gevolgen daarvan. De afgoderij wordt bedreven door ontuchtige verering van vruchtbaarheidsgoden op heuveltoppen en onder groene bomen, die als symbolen van vruchtbaarheid golden (vgl. 3: 6, 13; 17:2). Het volk wordt vergeleken met een weerbarstige os, die het juk van zich werpt (vgl. Hos. 4:16). Van Gods bruid (2:2) had Hij een heel ander gedrag mogen verwachten, evenals van een edele wijnstok een goede opbrengst mag worden verwacht (vgl. Jes. 5:1-4; Ps. 80: 9-12). Maar de afgoderij zit zo diep ingevreten in het volk, dat geen enkel reinigingsmiddel meer baat. Als Gods op ontrouw betrapte bruid zou willen ontkennen, heeft dat geen enkele zin, want haar afgodische gedrag is zo opvallend als dat van een bronstige kameelmerrie (vss 23v; het hier genoemde dal is het Dal Hinnom; zie 7:298:3). De ontrouwe vrouw holt zo hard achter haar minnaars aan, dat zij er haar schoenen bij verslijt en er dorst van krijgt; wij zouden zeggen: zij loopt zich het vuur uit de sloffen (vs 25; vgl. Spr. 7:llv). Op verwijten antwoordt zij: Praten heeft geen zin, want ik blijf toch doerwat ik wil (vs 25b). De afgoderij en de zinloosheid daarvan worden nogmaals beschreven in vss 26-28. Slechts wanneer in tijden van nood blijkt, hoe heilloos de afgodendienst is, is men bereid, God weer aan te roepen. Maar dan wil Hij niet luisteren, want Hij wil niet beschouwd worden als een tijdelijke noodhulp in Israels religieuze huishouding. Evenals in 1:17-19 worden de verantwoordelijke leidende personen genoemd in vs 26.

29-37. De verwijtende vraag van het volk wordt door God met scherpe tegenvragen en beschuldigingen beantwoord. De ‘twist’ die Hij met Zijn volk houdt (zie 2:419) wordt voortgezet met de door het volk gestelde vraag: Waarom twist Gij met mij? (vs 29; hier anders opgevat dan in NBG). Hij beantwoordt dit verwijt door te wijzen op de afval, die door allen bedreven wordt (vgl. 2: 8). Tuchtiging heeft niet tot omkeer geleid, maar heeft het volk er zelfs toe gebracht, door God gezonden profeten (hier niet de ‘tempelprofeten’, zoals in 2:8) te doden (vgl. 2. Kon. 21:16). Zowel uit de tegenverwijten als uit de levenshouding van het volk blijkt, dat het de bruidstijd (vgl. 2:2v).) vergeten is. De afgoderij (‘minnarijen’, vs 33; vgl. 23:25) heeft geleid tot zulk een mate van immoreel gedrag, dat zelfs een mensenleven gering geschat wordt. Aan de kleren van de daarvoor verantwoordelijke personen zijn nog de vlekken te zien van het door hen vergoten bloed van onschuldigen. Zou het volk dan nog durven beweren, dat het geen schuld op zich geladen heeft? De ‘twist’, die God met Zijn volk voert, zal door Hem worden voortgezet in een rechtsgeding (vs 35; vgl. bij 2:4-19). Hulp van buitenaf zal niet baten; vroeger niet de hulp van Assyrië, thans niet die van Egypte. Daarheen gezonden boden, die in een benarde situatie om hulp gingen vragen, zullen in grote verslagenheid terugkeren (met uw handen op uw hoofd, vs 37, vgl. 2 Sam. 13:19).

3:1-5. Omdat het volk de verbondsrelatie met God, die in 2:2v als huwelijksrelatie wordt voorgesteld, door voortdurende ontrouw geschonden heeft, mag het niet tot Hem terugkeren. Evenmin als een verstoten vrouw tot haar vroegere echtgenoot mag terugkeren (vgl. Deut. 24: 1-4). Het volk heeft zich ‘verontreinigd’ (zie 2:23) door zich in te laten met allerlei afgodische praktijken; het heeft zich gedragen als een hoer, die zich aan voorbijgaande reizigers aanbiedt (zie Ez. 16:24v en vgl. het gedrag van Tamar, Gen. 38:14 v). Als straf zond God grote droogte. Dit wil zeggen, dat het volk wordt gestraft door middel van de zonde, die het beging. Als men meent, dat de vruchtbaarheid van het land van de verering van natuurgoden afhankelijk is, zal men merken, dat deze goden niets kunnen. Wat voor offers men hun ook brengt (vgl. 14:1-15:21), regen kunnen zij niet geven. Daarom bleef de normale winterregen uit en ook de late regen, die in het voorjaar valt, liet op zich wachten. Maar de straf bracht het volk niet tot echte, diepgaande omkeer, doch slechts tot een vluchtige verandering. Eerst riep men de vruchtbaarheidsgoden aan als ‘vader’ en ‘moeder’ (2: 27), maar wanneer deze geen hulp blijken te bieden en de grond uitdroogt, zodat het te velde staande gewas verdort, doet men alsof men tot de HERE terugkeert door Hem als Vader aan te roepen (vgl. 3:19) en zich op de huwelijksrelatie met Hem te beroepen (vs 4: ‘vertrouwde mijner jeugd’; vgl. Spr. 2:17). Men kan dan wel pogen, zich op Gods trouwbelofte te beroepen (vgl. 3:12; Ps.103:9), maar zulk een beroep op Hem baat niet, wanneer men in het doen van het kwade, dwz. in ontrouw aan Hem, blijft volharden.

Israel de afkerige en Juda de trouweloze 3:6-4:4

Verscheidene gedeelten van het boek Jeremia hebben in de inleidingsformule een verwijzing naar de tijd, waarin zij werden uitgesproken. Dit betekent uiteraard niet, dat zij te zelfder tijd in hun uiteindelijke vorm werden opgeschreven; vgl. hst. 3:6 is de datering erg ruim, want koning Josia regeerde van 640/39 tot 609 v.Chr. Wanneer zulk een ruime datering wordt genoemd, kan men pogen, uit het tekstverband een nadere datering af te leiden. De roeping van Jeremia vond plaats in 626 (zie 1:2) en Josia’s ‘reformatie’ in 622/21 (vgl. 2 Kon. 22v). Gezien de inhoud van dit gedeelte is het waarschijnlijk mogelijk, het in de tijd van genoemde reformatie of kort daarna te dateren. De oproep in 4:1-4 zou dan betekenen, dat niet alleen een terugkeer tot de enige geoorloofde cultus, te weten die in de tempel te Jeruzalem, wordt geëist. Dit gebeurde immers reeds tijdens de reformatie van Josia. Maar dit alleen is niet voldoende, want hartgrondige omkeer en levensverandering zijn nodig (vgl. 3: 10). De perikoop bestaat uit de volgende kleinere eenheden: 3:6-15; 3:16-18; 3:19-4:4.

6-15. Evenals in het voorafgaande (zie bij 2:4-19) richt Jeremia zich zowel tot Israel als tot Juda. De afgodische levenshouding van beiden wordt gekarakteriseerd met bijnamen; Israel wordt ‘Afkerigheid’ genoemd en Juda ‘Trouweloze’. Reeds in 2:19 werd over de ‘afkerigheden’ van het volk gesproken; zie toelichting aldaar. Hier wordt het woord een bijnaam voor Israel, dat herhaaldelijk tot bekering werd geroepen (vs 7), maar tenslotte wegens hardnekkige ontrouw, van God een scheidbrief ontving (vs 8; vgl. Deut. 24:1; Jes. 50:1) en door Assyrië werd overmeesterd. Ondanks dit waarschuwende voorbeeld bleef Gods echtgenote Juda volharden in haar ontrouw, waarmee zij het land, dat God haar had toebedeeld, ontwijdde (vgl. 3.T). Zij deed dit door haar verering van stenen en houten afgoden en de daarmee samenhangende vormen van afgodendienst (vs 9; vgl. 2:27). Slechts in schijn bekeerde het zich tijdens Josia’s reformatie (vs 10).

Het gedrag van de zusters Israel en Juda wordt met elkaar vergeleken en deze vergelijking valt uit ten gunste van Israel. Want in vergelijking met Juda heeft Israel zich minder schuldig gemaakt (vs 11). Daarom wordt ondanks de straf die over het noordelijke rijk Israel gekomen is, de aldaar nog overgebleven rest van de bevolking (vgl. bij 2:4-19) nogmaals opgeroepen tot omkeer (vss 12v). Sommige uitleggers betrekken deze woorden op de israelitische ballingen in Assyrië (vgl. hst. 30v), maar met uitzondering van vs 18 geeft de tekst daartoe geen aanleiding. De ‘afkerige kinderen’ (vs 14), dwz. de rest van de bevolking in het vroegere Tienstammenrijk, worden tot omkeer geroepen. Want God wil ondanks hun vroegere ontrouw de verbondsrelatie nog steeds laten gelden (vs 14), ook al zal dit slechts effect hebben voor een minderheid (vgl. het ‘overblijfsel’, de ‘rest’ in het boek Jesaja; o.a. in 10:20-27). Zij moeten echter weten, dat hun toekomst niet gezocht moet worden in een eventueel herstelvan het ondergegane noordelijke rijk, doch in Sion (vs15) , waar God Hem welgevallige ‘herders’, dwz. leidslieden zal doen optreden (vgl. 1 Sam. 13:14;Ez. 34). Uit41: 5 kan worden afgeleid, dat er inderdaad in het gebied van het vroegere noordelijke rijk mensen waren, die Jeremia’s boodschap ter harte namen. Wij vinden daar immers een bericht over tachtig mensen uit dit gebied, die op weg waren naar Jeruzalem; blijkbaar erkenden zij Jeruzalem als de plaats, waar het enige legitieme heiligdom was gevestigd.

16-18. De vss 16-18 dateren waarschijnlijk uit een latere tijd van Jeremia’s leven; misschien kunnen deze aan de laatste periode van zijn profetisch optreden in Juda worden toegeschreven. Deze verzen zijn een belofte van een heilstijd, die vier kenmerken zal dragen. Het eerste is een grote vruchtbaarheid van het volk; uit de weinigen, die in vs 14 genoemd werden, ontstaat weer een volk. Het tweede is het geheel nieuwe karakter van Jeruzalem: de Ark van het Verbond zal niet meer de speciale plaats zijn waar God troont (vgl. 1 Kron. 28:2; Ps. 99:5; 132:7; Klaagl. 2:1), maar de hele stad wordt Zijn troon. Later werkt deze verwachting door in apokalyptische literatuur; vgl. bv. Op. 21:12. Het derde kenmerk van de heilstijd is, dat de volken hun afgoden zullen verlaten en zich tot Jeruzalem zullen wenden om daar aan de cultus deel te nemen (vgl. Jes. 2:2-4; Mi. 4:1-4; Zach. 2:11). En het vierde kenmerk is het herstel van de eenheid tussen Juda en Israel (vgl. 50:2vv; Jes. 11:13; Mi. 5:2; Ez. 37: 15-28; uit Ezra 6:17 blijkt, dat de teruggekeerden zich als vertegenwoordigers van geheel Israel beschouwen).

Enkele details vragen nadere toelichting. Formuleringen als in die dagen (vss 16,18) en te dien tijde (vs 17) komen dikwijls voor in passages, waarin een toekomstverwachting wordt uitgesproken. Soms heeft de formule ‘te dien dage’ betrekking op de nabije toekomst (vgl. 4:9), evenals de formule ‘te dien tijde’ (vgl. 4:11). Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt (vs 16) is waarschijnlijk een toespeling op Gen. 2:28. De woorden over de Ark (vs

16) zijn misschien een toespeling op de verwoesting van de tempel in 586 v.Chr. en op de ondergang van vroegere, concurrerende arken in heiligdommen in het noordelijk rijk. De breuk, die Jerobeam in de eenheid van de cultus veroorzaakte (vgl. 1 Kon. 12:25-32), zal in de komende, hernieuwde eenheid van Israel en Juda niet meer bestaan en alle ‘surrogaat-heiligdommen’ zullen verdwijnen. Alleen Jeruzalem zal Gods troon zijn (vgl. 14:21; 1 Sam. 4:4, 2 Sam. 6:2; Ez. 48:35). Noorderland(vs 18): in 1:13vv werd reeds over de ook voor Juda uit het noorden komende vijand gesproken. In een nog verder profetisch verschiet ligt de terugkeer, waarover het in dit vers gaat. 3:19 – 4:4. Dit gedeelte is een gesprek tussen God en Zijn volk. Het begint met een klacht van God over de ontrouw van het volk (vss 19v). Daarop volgt de reactie van Israel (21-25), die door God wordt beantwoord (4:1, 2). Het gesprek wordt afgesloten met een tot Juda gerichte oproep tot radicale bekering (4:3, 4). In de klacht wordt herinnerd aan de adoptie van Israel door God en aan de gave van het land. De reactie daarop is het tot zichzelf inkeren van het volk, juist op die plaatsen waar de afkeer het grootst is geweest (vs 31; de heuvels met groene bomen, genoemd in 2:20, zijn kale heuvels geworden). In vs24 is ‘schande’ aanduiding van de baäldienst, maar in vs25 betekent het woord: schaamte. Israel is dag en nacht gehuld in een kleed van schaamte, een boetekleed, dat haar als een deken bedekt. De afgodische ‘gruwelen’ (4: 1; vgl. 7:30; 13:27; 16:18; 32:34; Jes. 66:3; Dan. 9:27; 11: 31; 12:11; Hos. 9:10) moeten worden weggeruimd en moeten plaats maken voor oprechte dienst van God. Dit zal leiden tot een geheel nieuwe relatie tot de volken (vgl. 3:17). Nadat Israel met inkeer en berouw heeft geantwoord op Gods klacht, wordt Juda opgeroepen tot radicale omkeer. Wie op een verwilderde akker een nieuw begin wil maken, kan er niet mee volstaan, de grond hier en daar een beetje om te spitten en daarna reeds te zaaien. Want dan komt het onkruid toch weer op. Daarom moet de akker eerst geheel braak worden gelegd (vs 3; vgl. Hos. 10:12). Zo grondig moet ook de bekering zijn. Met een andere beeldspraak: Juda moet niet alleen aan het lichaam maar vooral aan het hart besneden worden (vgl. 9:26; Deut. 10:16; 30:6. Zie ook 6:10). De bedreiging in vs 4b wordt herhaald in 21:12; vgl. ook 4:8.

Het onheil uit het noorden 4:5 – 6:30

Het thema dat reeds in 1:13-16 klonk (zie de toelichting) wordt nu uitvoeriger behandeld. Het gedeelte bestaat uit een reeks profetische uitspraken, die weliswaar alle betrekking hebben op de komst van het onheil uit het noorden, doch niet alle onder dezelfde omstandigheden werden uitgesproken. Ter wille van de overzichtelijkheid brengen wij in dit gedeelte een hoofdindeling en een nadere onderverdeling aan; laatstgenoemde komt ongeveer overeen met de alinea-indeling in NBG. Hoofdindeling:

a. het dreigende onheil wordt aangekondigd in 4:5-31;

b. waarom dit onheil zal komen wordt gezegd in 5.T-31;

c. de verwoestende gevolgen daarvan worden beschreven in 6:1-30.

Ook voor Juda komt de vijand uit het noorden 4:5-31

5-8.Wanneer de ‘twist’ die God met Zijn volk voert (zie bij 2:4-19) niet tot echte bekering leidt (zie 4:3, 4), zal Gods gerechtelijk oordeel worden uitgesproken en voltrokken. Er zal een machtige vijand (‘verderver’, vgl. 22: 7) uit het noorden komen en ondanks de gebruikelijke militaire waarschuwingssignalen (vgl. 6.T; 51:27; Jes. 18: 3; Ez. 33.T-6) en verdedigingsmaatregelen zal Juda onder de voet worden gelopen, leder die het gevaar ziet, moet een rouwklacht (vgl. Gen. 37:34) aanheffen over de dreigende ondergang.

9-18. Evenals in 2:8, 26 en elders in het boek worden de verantwoordelijke leidinggevende personen genoemd. Misleid door de prediking van heilsprofeten (vgl. 6:14; 8: 11; 23:17; 28:1-17), wijten zij het dreigende onheil aan de door hen veronderstelde onbetrouwbaarheid van het profetische woord, waarvoor zij God verantwoordelijk willen stellen. Zie over de inleidende woorden ‘Ach, Here HERE’ de opmerking bij 1:6. Het antwoord op dit verwijt luidt: er komt onheil aansnellen als een hete zandstorm. Men was gewoon, het gedorste koren te wannen in de wind, zodat het omhoog geschudde kaf door de wind werd verstrooid (vgl. 13:24; Ps. 1:4). Maar bij de hier (vs llv) genoemde woestijnwind (‘sirocco’, resp. ‘chamsien’) is dat onmogelijk. Het beeld van de stormwind wordt gebruikt om het onstuimig oprukkende vijandelijke leger aan te duiden. Omdat de verzengende werking van de woestijnwind spreekwoordelijk is (vgl. Ps. 103:15, 16; Jes. 40:7), wordt hier tevens gezinspeeld op de verwoestingen, die dat leger zal aanrichten. Verdediging daartegen zal niet baten. Het enige wat deze bedreiging nog zal kunnen afwenden is bekering (vs 14). Het onheil wordt reeds geboodschapt uit de noordelijke grensvesting Dan (in het N.O. van Galilea) en het gebergte van Efraïm in het gebied van Samaria. Onstuitbaar dringt de vijand door tot Juda, dat dit onheil aan zichzelf te wijten heeft (vs 18).

19-22. Panische angst overvalt Jeremia als hij op profetische wijze ziet, welk onheil op komst is. Hij schreeuwt het uit van angst, want hij hoort reeds het strijdrumoer en ziet reeds de verwoesting. ‘Signaal’ en ‘bazuingeschal’ :vgl. 4:5, vs 22 is God aan het woord; Hij verwijt het volk zijn onwil om Hem te kennen en te erkennen (vgl. 5:20). Vgl. bij vs 19: het begin van 23:9.

23-29. Visionair ziet de profeet de gevolgen van de verwoestingen, aangericht door de aanstormende vijand. Het is alsof de schepping ongedaan gemaakt wordt en de oerchaos terugkeert. Dit wordt gezegd met gebruikmaking van woorden, die in het scheppingsverhaal voorkomen (vss 23vv; vgl. Gen. 1). Aan de woorden van de profeet voegt God de Zijne toe; het land zal een woestenij worden (vgl. 2:15), de bewoners zullen op de vlucht slaan voor de ruiters en boogschutters van de vijandelijke strijdwagens (vss 27-29) en een veilig heenkomen zoeken op moeilijk toegankelijke plaatsen (vgl. Ri. 6:2; 1 Sam. 13:6; Jes. 2:19, 21).

30, 31. Ondanks het dreigende onheil poogt Juda zich mooi te maken, precies zoals eens koningin Izebel dit deed in een tijd van grote nood (vgl. 2 Kon. 9:30). Maar deze opschik is volslagen nutteloos. Want de profeet hoort het opgedirkte Juda schreeuwen als een vrouw in barensnood. Zo zal Juda het uitschreeuwen als de moordende vijand komt.

Waarom het onheil zal komen 5:1-31

Dit opschrift werd ontleend aan 5:19; vgl. 9:12v. 1-9. Als men in Jeruzalem op zoek gaat naar iemand, die zich houdt aan de voorschriften en rechtsbepalingen van het verbond met God, is die speurtocht tevergeefs. Voor een goede verstaander wordt hiermee gezegd, dat Jeruzalem nog slechter is dan Sodom en Gomorra (vgl. Gen. 18:16-33; Jes. 1:10). Men gebruikt weliswaar de heilige Naam nog in eden (vgl. 4:2), maar houdt geen rekening met Gods aanwezigheid. Zijn straffen hielpen niet; integendeel, zij leidden tot steeds verdergaande verharding (vgl. Jes. 50:7). Van mensen, die erg hard moeten werken voor hun dagelijks brood, zou men nog kunnen zeggen: hun wangedrag berust op onkunde, want zij waren nooit in de gelegenheid, de voorschriften betreffende ‘de weg des HEREN’ te leren kennen (vgl. 2 Kon. 21:22; Ps. 25:9). Maar van ‘de groten’ (dwz. vooraanstaanden), die daartoe wel de gelegenheid hadden, zou men iets anders mogen verwachten. En juist zij zijn het, die willens en wetens het juk van Gods geboden van zich schudden (vgl. 2:20). Daarom zal de vijand hen overvallen als een verscheurend dier. De ouders zweren weliswaar nog voor de schijn bij de heilige Naam (vs 2), maar hun kinderen zweren openlijk bij de afgoden (vs 7). De dienst van deze niet-goden wordt nogmaals vergeleken met hoererij (vgl. 3:2, 6vv) en overspel. De straf voor deze ontrouw is op handen.

10-14. Het volk wordt vergeleken met een wijnberg, dwz. een terrasvormig aangelegde wijngaard, die door de vijand zo .grondig zal worden uitgesnoeid, dat er nog slechts een kleine rest van overblijft (vgl. 4:27; 5:18). Zowel Israel als Juda zijn trouweloos (vgl. 3:6-4:4). Zij loochenen Gods aanwezigheid (vgl. Ps. 10:4; 14:1; 115:2; Sef. 1:12) en daarom willen zij Zijn onheilsdreigingen niet ter harte nemen. Zijn profeten beschouwen zij als windbuilen en ijdele zwetsers. Maar zij zullen merken dat Gods woord in de mond van Jeremia tot een vuur wordt, waarvan de vlammen verterend naar hen uitslaan (vgl. 20:9; 23:29). Zoals dit vaker in dit boek het geval is, vindt er binnen een en hetzelfde vers (vs 14) een persoonswisseling plaats; eerst wordt het volk aangesproken, daarna de profeet (vgl. vs 19).

15-19. De aanstormende vijand wordt nader beschreven. De talen van genabuurde volken, zoals Moab, Edom ed., kon men in Juda wel verstaan, want de verwantschap van deze talen met het Hebreeuws was groot. Maar de spraak van de komende vijand zal men niet kunnen verstaan, want hij komt van ver (vgl. Jes. 33:19). Ook daarom is hij angstaanjagend. Trefzeker zijn zijn boogschutters, verwoestend is zijn oorlogstactiek. Als het volk vraagt: ‘waarom doet God, die toch ‘onze God’ is, ons dit aan?’, luidt het antwoord: ‘omdat gij Hem niet als ‘uw God’ hebt gediend, maar in plaats van Hem vreemde goden vereert. Daarom zult ge naar het land van die vreemden worden weggevoerd’. Hier en elders in dit boek treffen wij een gedachtengang aan, die ook in andere delen van de Bijbel voorkomt, tw. de straf op de zonde bestaat uit de gevolgen daarvan; zonde en straf zijn el-kaars tegenhanger. In dit geval: wie ‘vreemd gaat’ in de relatie tot God (vgl. 3:6-10) en vreemde goden dient, zal uiteindelijk in den vreemde moeten gaan. Zie bij vs 18 de verzen 4:27 en 5:10.

20-25. Opnieuw worden zowel de nog bestaande resten van Israel als Juda aangesproken (vgl. 3:6-4:4). De hun verweten ‘dwaasheid’ is geen gebrek aan intellect, maar aan gehoorzame kennis van God (vgl. 4:22; Ps. 14.T). Wat in Ps. 115:5, 6 van de afgoden wordt gezegd, nl. zij hebben ogen die niets zien en oren die niets horen, geldt hier van het volk. Wie niet-goden vereert, wordt op den duur even blind en doof als zij (vgl. Jes. 6:10). Zelfs de zee, die behalve in Israel óók in de godsdienst van genabuurde volken als een bedreigende goddelijke macht werd beschouwd, respecteert de door God Zelf gestelde begrenzing (vgl. Gen. l:9v). Maar Israel en Juda, hier verachtelijk aangeduid als dit volk, doen dat niet. Zij weigeren Hem te dienen, die Heer is van regen en goede oogst, omdat zij deze toeschrijven aan de door hen vereerde natuurgoden (vgl. 2:20; 3:3, 6, 9).

26-31. De afgoderij leidt tot sociale misstanden en uit-buiterij. Men verrijkt zichzelf ten koste van de sociaal zwakken, wezen en armen en maakt hen rechteloos (vgl. 7:6; 34:8-22; vgl. Ps. 72:12-14 over de taak van de koning in het rechtsbestel). Leugenprofeten en priesters, dwz. het tempelpersoneel (vgl. 2:8; 20:6; 29:9), maken zich aan die uitbuiting schuldig, hoewel juist zij Gods wet, die zulke rechtelozen in bescherming neemt, zoudenmoeten kennen. De komende straf is het refrein van dit hoofdstuk (vs 29 is gelijk aan vs 9), dat eindigt met een dreigende vraag, die in het volgende hst. wordt beantwoord.

Het verwoestende onheil komt over Jeruzalem en het gehele land 6:1-30

1- 4:5v worden de Judeeërs opgeroepen, tijdens het dreigende oorlogsgevaar te vluchten naar de vestingsteden en naar Jeruzalem. Nu blijkt echter, dat deze geen afdoende bescherming kunnen bieden. In de vestingsteden, die rondom Jeruzalem lagen en een verdedigings-ring om de stad vormden, moeten ook noodsignalen worden gegeven (vgl. 34:7). Hoorbare signalen werden gegeven met een hoorn, zichtbare met rook overdag en vuur bij nacht (vgl. 4:5v). Jeruzalem, gelegen op de grens van Juda en Benjamin, is geen veilige plaats meer om heen te vluchten. Tekoa, een vestingstadje . ten Z. van Jeruzalem (vgl. Am. 1:1), zal een echt ‘tekóa’ blijken te zijn; de hebreeuwse tekst heeft hier een woordspeling, die uitgaat van de betekenis van het werkwoord dat ‘op de hoorn blazen’ betekent. Deze woordspeling is in het Nederlands moeilijk weer te geven, maar klinkt ongeveer als: blaast de hoorn in Hoorn. De ligging van Beth-Kerem is niet met zekerheid aan te geven. Misschien lag het ongeveer . ten W. van Jeruzalem (thans En-Ké-rem) of in de richting van Bethlehem (nl. op de heuveltop, waar later het Herodion werd gebouwd).

De vertaling van vs 2 is onzeker. Misschien is de betekenis: ‘ge zijt als een frisse weideplaats, dochter van Sion’. Deze woorden zijn dan sarcastisch bedoeld om vs te leiden. Het vijandelijke leger, dat een beleg om de stad zal slaan, wordt vergeleken met een kudde schapen, geleid door herders. Deze ‘herders’, dwz. bevelvoerende officieren, bepalen de taktiek, stellen de slagorden op en geven hun bevelen. Eerst verricht het vijandige leger de godsdienstige handelingen, die in die tijd bij oorlogsvoering behoorden. Pas op het middaguur, als de verdedigers van de belegerde stad vermoeid zijn door de middaghitte, rukt de vijand op, bereid om tot de nachtelijke uren door te vechten. Eerst heeft hij alle bomen rondom de stad geveld, waarschijnlijk om een beter schootsveld te hebben voor de boogschutters (vgl. het verbod in Deut. 20:19v). Van stenen en aarde werd een tegen de stadsmuur schuin omhooglopende belegeringswal aangelegd om de bestorming van de stad mogelijk te maken. De verzen 3-6 wekken de indruk, dat de inname van de stad snel verloopt, doch dat wordt hier niet bedoeld. Er wordt een aantal krijgshandelingen beschreven, die typerend zijn voor de wijze van oorlogsvoering destijds. Een beleg was meestal vrij langdurig, zoals uit enige voorbeelden blijkt. Het beleg van Samaria, dat in 722 door de Assyriers werd ingenomen, duurde drie jaar (2 Kon. 17: 5), en dat van Jeruzalem ruim anderhalf jaar (vgl. 39:2; 52:4v). Opvallend is het gebruik van de Godsnaam HERE der heerscharen in vs 6. Gewoonlijk wordt deze Naam gebruikt om daarmee aan te duiden, dat Hij Zijn volk beschermt. Maar hier gebruikt Hij vijandige ‘heerscharen’ om Jeruzalem te straffen. De reden daarvoor wordt in vss 6b en 7 duidelijk aangegeven. Uit vs 8 blijkt, dat de profeet geen onafwendbare ondergang aankondigt, maar een tuchtiging die tot omkeer moet leiden. Zie in verband hiermee onze opmerkingen bij 7:1-15.

9-15. Na de val van Samaria en de ondergang van het Tienstammenrijk Israel in 722 v.Chr. kon nog een rest van de bevolking in het land blijven wonen. Later kwamen sommige delen van het vroegere noordelijke rijk onder gezag van koning Josia van Juda (639-609 v.Chr.). Wanneer dit overblijfsel van Israel meent veilig te zijn en het door Jeremia aangekondigde onheil te kunnen ontgaan, moet het thans vernemen dat de vijand onder hen een ‘nalezing’ zal houden. Zoals een wijngaardenier tijdens de naoogst de wijnranken afzoekt om in te zamelen wat bij de eerste druivenoogst nog is blijven hangen, omdat het nog niet rijp was, zo zal de vijand het doen onder de nog resterende bevolking van Israel. Deze uitleg van vs 9 wordt naar onze mening bevestigd door de betekenis, die het woord overblijfsel in Jeremia dikwijls heeft; vgl. het ‘overblijfsel van Juda’, genoemd in 40:11, 15; 42:15, 19; 43:5; 44:12, 14, 28.

Profetische waarschuwingen hebben tot dusver niet tot omkeer geleid, want het oor van de hoorders is onbesneden (vgl. 4:4) en daarom geven zij geen gehoor aan het profetische woord. Daarom zal over allen het oordeel komen. Zeer beeldend noemt de profeet de diverse leeftijdsgroepen onder het volk. Evenals in Ex. 20:17 wordt in vs 12 het woord ‘huis’ gebruikt om het boerengezin daarmee aan te duiden. De ongehoorzaamheid wordt bij allen gevonden, ‘van klein tot groot’, dwz. onder alle bevolkingsklassen, van laag tot hoog (vgl. 8:10; 31:34; 42: 1, 8; 44:12). Het slechtst gedragen zich degenen, van wie men beter zou mogen verwachten: profeet en priester (vgl. 2:8; 8:10). De profeten gedragen zich als kwakzalvers met hun voortdurend gepraat over vrede en welstand (vgl. het optreden van Hananja, hst. 28). Daarom zal het onheil vooral hen treffen; zij zullen struikelen en ten val komen over hun eigen profetische mooipraterij. De verzen 6:12-15 worden herhaald in 8:10b-12. Zie de toelichting bij 10:12-16.

16-21. Het volk wordt opnieuw opgeroepen, de door God vanouds gegeven en gewezen goede weg te gaan, maar weigert dit te doen (vgl. vs 19 Mijn woorden, Mijn wet, dwz. onderwijs, leer). Als waarschuwende hoornsignalen vanuit een wachttoren heeft Hij het manende woord van door Hem gezonden profeten doen klinken (vgl. Ez. 3:17; Am. 3:6), maar het volk bleef weigeren te luisteren. Daarom wordt nu de volkenwereld samen met de hele volksvergadering van Israel en Juda opgeroepen, het door God gevelde vonnis te vernemen. Pogingen, de voltrekking van dit vonnis te ontgaan door offers en daarmee verbonden vroomheidsbetuigingen in de tempel, zullen geen baat brengen (vgl. 7:1-15). In vs 20 wordt gezinspeeld op enige cultische gebruiken. Wierook, aangevoerd uit Scheba in Z.W. Arabië, werd bij reukoffers ed. gebruikt (zie Ex. 30:34; Lev. 2:1, 15). Kalmoes, een aromatische rietplant, werd gebruikt bij de bereiding van de heilige zalfolie (zie Ex. 30:23; uit Jes. 43:24 en Hoogl. 4:14 kan worden afgeleid, dat kalmoes kostbaar was, en uit Ez. 27:19 dat het uit een veraf gelegen streek werd geïmporteerd). Evenmin als deze, in offers verwerkte specerijen, brengen brandoffers en zondoffers baat (vgl. Mi. 6:6-8). De bedoeling van Jeremia is niet, de gehele tempeldienst als waardeloos en overbodig af te schilderen, evenmin als hij dit in hstt. 7 en 26 wil doen. Hij wilduidelijk maken, dat een vlucht in traditionele godsdienstige praktijken geen bescherming kan bieden tegen het dreigende onheil (vgl. 7:21-28).

22-26. Het uit het noorden dreigende onheil wordt nogmaals beschreven (vgl. l:4v; 4:6 ; 6.T; 25:9). De militaire macht van de vijand en zijn krijgstactiek is zo overweldigend, dat ieder die daarover iets verneemt de schrik om het hart slaat. Want de vijand veroorzaakt een schrik van rondom, dwz. een panische angst (vgl. 20:3v, 10; 46: 5; 49:5, 29; Ps. 31:14). Daarom wordt het volk, dat door dit onheil zal worden getroffen, afgeschilderd als een treurende vrouw die een rouwklacht bedrijft. Zie over het gebruik van as oid. bij het uiten van een rouwklacht: Joz. 7:6; 1 Sam. 4:12; 2 Sam. 1:2; 13:19; 15:32; Job 2:12.

27-30. De profeet wordt vergeleken met een keurmeester of zilversmid, die edel metaal onderzoekt in een smeltkroes. Daarbij jaagt hij het vuur aan met een blaasbalg. De toetsing leidt tot een teleurstellend resultaat, want hoe heter het vuur wordt, des te meer slakken en afval komen bovendrijven. Daarom wordt het zilver verworpen, dwz. afgekeurd. Zo zal het ook het volk vergaan; wanneer God hen keurt, krijgt Hij alleen maar weerbarstige ongehoorzaamheid te zien. Daarom worden zij door Hem afgekeurd. Vgl. 9:7. Zie ook Ez. 22:18vv.

Verzameling van profetieën uit de tijd van Jojakim en Zedekia 7:1-25:38

De tempelprediking 7:1-15

Om dit gedeelte goed te kunnen begrijpen moeten wij het vergelijken met hst. 26, dat eveneens gaat over de tempelprediking, genoemd in hst. 7, maar daaraan nadere informatie toevoegt en ons laat zien, tot welke gevolgen dit openlijk optreden in de tempel leidde. Vergelijking van de beide, onderling samenhangende gedeelten geeft ons inzicht in zaken die voor de aandachtige lezer van de Bijbel van groot belang zijn. Wij noemen de volgende punten: 1. de historische achtergrond van 7:1-15; 2. de inhoud van dit gedeelte; 3. het karakter van bijbelse profetie. Slechts de belangrijkste aspecten van de hier genoemde punten zullen worden besproken.

De historische achtergrond

Dank zij de datering in 26:1 weten wij, dat het in hst. 7 en 26 verhaalde optreden van Jeremia plaats vond in het begin van de regering van Jojakim, die van 608 tot 598/7 v.Chr. regeerde. De historische omstandigheden waren als volgt. In 609 was de laatste zelfstandige koning van Juda, Josia, na een voorspoedige regeringsperiode van eenendertig jaar, gesneuveld in de slag bij Megiddo tegen farao Necho. Hiermee kwam er een einde aan de zelfstandigheid van het koninkrijk Juda. Van 609 tot aan de ondergang van Jeruzalem in 586 was het onderworpen aan de grote mogendheden van destijds; eerst aan Egypte en van 597 af aan Babel. Na de dood van Josia werd zijn drieëntwintigjarige zoon Sallum, die de troonnaam Joahaz aannam, tot koning gekozen door ‘het volk des lands’, dwz. de landedelen (vgl. 1:18 en zie 2 Kon. 23:30; 2 Kron. 36:1). Maar reeds drie maanden later werd hij door farao Necho gevangen genomen en enige tijd later naar Egypte gedeporteerd (vgl. 22:10-22; 2 Kon. 23:3034). In zijn plaats stelde Necho een andere zoon van Josia, de vijfentwintigjarige Eljakim, die de troonnaam Jojakim aannam, tot koning aan. Bovendien legde de farao aan Juda een zware schatting op, die door de nieuwe koning op het volk werd verhaald (2 Kon. 23:25). In dat rampjaar 609/8 neemt in Juda de belangstelling voor het ‘nationale’ heiligsom te Jeruzalem toe. Na de cultusreformatie van Josia in 622 (vgl. 2 Kon. 23) was dit het enige legitieme heiligdom geworden. Uit de voorafgaande hoofdstukken van Jeremia kan worden afgeleid, dat het Josia niet is gelukt, de afgodendienst in Juda geheel uit te roeien. Desondanks blijkt, dat de Judeeërs aan de tempel in Jeruzalem grote waarde hechten. In deze tijd van nood, verlies van zelfstandigheid en voortgaande bedreiging door een oppermachtige vijand, meent men in de tempeldienst veiligheid en beschutting te kunnen vinden (vgl. 6:20). In die historische situatie vindt Jeremia’s tempelprediking plaats, waarover hstt. 7 en 26 berichten.

De inhoud

De profeet treedt op in de tempelpoort, dwz. de poort tussen de voorhof en de tempelhof. Daar was veel ruimte, zodat er veel mensen, die de tempel kwamen bezoeken, bijeen konden komen. Op die plaats horen zij de priester Jeremia (vgl. 1:1) profetisch protesteren tegen hun oppervlakkige dienst van God. Onder het uitroepen van een formule, waarin driemaal hetzelfde wordt gezegd (vs 4; vgl. 22:29; Jes. 6:3; Ez. 21:27), wijzen zij op de tempelgebouwen. Daarbij gebruiken zij voor ‘tempel’ een nogal plechtig woord. Maar de profeet verkondigt hun, dat de tempel (dit huis, vs. lOv) geen garantie biedt voor veiligheid en voor onbedreigd blijven wonen in het land Juda (‘deze plaats’, vss 3, 6, 7, 14, 20; vgl. 40:2; 42: 18). Als het volk (gans Juda, vs 2) zijn zondige levenswandel niet verandert, zal de tempel ondergaan, zoals eens het heiligdom te Silo onderging (Joz. 18:1; Ri. 19: 31; 21:18; 1 Sam. l:3;4:3vv; Ps. 78:60). De door de profeet gehekelde zonden zijn sociaal onrecht en afgoderij. Het sociale onrecht wordt begaan door onderdrukking van mensen, die niemand hebben om voor hun rechten op te komen (‘vreemdeling, wees en weduwe’, vs 6). Vgl. 5:26-31; Ex. 22:21-24; Lev. 19:33; Deut. 24:17-22; 27:19; Ps. 94:6; Jes. 1:17; en als tegenstelling de rechtspraak van koning Josia, vemeld in 22:15v, en die van de messiaanse koning, bezongen in Ps. 72:12vv. De in vs 9 genoemde afgoderij komt herhaaldelijk in het boek Jeremia ter sprake (zie oa. 3:6-4:4; 7:16-20, 30v). In vs 9 wordt een toespeling gemaakt op enige van de Tien Geboden, maar de volgorde is een andere dan in Ex. 20 en Deut. 5. Met wegwerpen (vs 15) is bedoeld: wegzenden, nl. in ballingschap.

Het karakter van bijbelse profetie

De wijze waarop 7:13-15 geformuleerd is, zou de indruk kunnen wekken dat Jeremia hier onvoorwaardelijk de verwoesting van de tempel en de komende ballingschap van de Judeeërs aankondigt. Dergelijke profetische uitspraken worden dikwijls zo opgevat, vooral door diegenen, die profetie beschouwen als ‘voorzegging’ van toekomstige gebeurtenissen. Bij het lezen van profetische woorden maken zij dan in feite dezelfde fout, die de door Jeremia gehekelde tempelbezoekers maakten. Dezen namen aan, dat de offers ‘automatisch’ verzoening,veiligheid en bescherming garandeerden, geheel afgezien van de levensstijl van de offeraar. Eenzelfde gedachten-gang beïnvloedt soms lezers van profetische uitspraken; zij schrijven deze een onvoorwaardelijke, ‘automatische’ vervulling toe. Het profetische woord is volgens hen een onvoorwaardelijke aankondiging van gebeurtenissen, die in de nabije of in een verre toekomst zullen plaats vinden. Profetie wordt dan opgevat als voorspelling en niet als een waarschuwende oproep tot bekering en radicale verandering van de levensstijl, kortom: als een oproep tot gehoorzaamheid aan de HERE. Wanneer wij echter dit gedeelte vergelijken met hst. 26 blijkt dat het profetisch optreden van Jeremia, waarover het in beide gevallen gaat, gevolgen heeft die niet in het eerste maar wel in het tweede gedeelte worden meegedeeld. De tempelprediking veroorzaakte een scherp conflict tussen Jeremia en het volk, met name de priesters en profeten. Een conflict dat zo hoog opliep, dat het tot de terechtstelling van de profeet had kunnen leiden. Maar enkele leidinggevende familiehoofden (26:17) weten dit te voorkomen met een beroep op een voorbeeld van profetisch optreden in de tijd van koning Hizkia, dwz. ongeveer honderd jaar eerder. Het gevolg is, dat Jeremia door Ahikam, een hoge functionaris aan het hof, in bescherming wordt genomen (26:24). Het volk, dat zo verontwaardigd is over de prediking van Jeremia, krijgt nog de gelegenheid, de profetische waarschuwing ter harte te nemen. Wij wezen er reeds op, dat deze profetie en de daarmee samenhangende gebeurtenissen plaats vonden in het jaar 609. Het duurde nog twaalf jaar voor in 597 Jeruzalem onderworpen werd door de Babyloniërs, en nog ruim tweeëntwintig jaar voor het door hen in 586 werd verwoest omdat Juda tegen Babel in opstand was gekomen. Gedurende al deze jaren trad Jeremia als profeet op en voortdurend bleef hij het volk manen tot bekering. Uit dit alles blijkt dat het profetische woord, dat in 7:1315 wordt overgeleverd, wel een zeer ernstige waarschuwing is, maar geen onvoorwaardelijke ‘voorzegging’ van naderend onheil doch een oproep tot bekering. Juist omdat God waakt over Zijn woord (vgl. 1:11), bereikt Hij daarmee wat Hem behaagt (vgl. Jes. 55:llv). Dit is niet hetzelfde als wat mensen menen, aan de hand van dit woord te kunnen ‘voorspellen’. Want Hem behaagt niet de dood en de ondergang, maar de bekering en het leven (vgl. Ez. 33:11). Zie ook de toelichting bij 9:10-22. Met dit karakter van bijbelse profetie hangt ook het volgende samen. Wanneer de waarschuwende prediking van de profeet niet tot bekering leidt, maar tot verharding en dus beantwoord wordt met bewuste, hardnekkige ongehoorzaamheid en afval, krijgt deze prediking het karakter van een onheilsdreiging; zie 7:16-20; 19:15; vgl. Jes. 6:9vv.

De verering van de ‘hemelkoningin’ 7:16-20

De hebreeuwse tekst heeft hier in het woord, dat met koningin vertaald wordt, een afwijkende vocalisatie. Op grond daarvan plaatsen wij het woord hemelkoningin tussen aanhalingstekens. Overeenkomstig de bedoeling van de hebreeuwse vocalisatie geven wij daarmee aan, dat het gaat om een ‘zogenaamde koningin’. Indien het volk zich niet bekeert tot de dienst van God, maar de niet-goden blijft vereren, komt er een moment waarop het oordeel onherroepelijk is. Dan mag de profeet zelfs niet meer voor het volk bidden (vgl. 11:14; 14:11). Van de hardnekkigheid, waarmee door hele gezinnen afgodendienst wordt bedreven, wordt hier een voorbeeld gegeven. Het betreft de verering van de ‘hemelkoningin’, dwz. van de avondster Astarte, resp. Isjtar (vergelijkbaar met Venus). Deze verering, die destijds in het Nabije Oosten zeer verbreid was, werd door koning Manasse (698-642 v.Chr.) ook in Jeruzalem ingevoerd (vgl. 2 Kon. 21:1-7). De dienst van deze godin had kennelijk het volk zo diepgaand beïnvloed, dat zelfs de cultusreformatie van koning Josia (vgl. 2 Kon. 23; 2 Kron. 34) deze niet geheel had kunnen uitroeien. Na zijn dood was deze blijkbaar weer in zwang gekomen in Juda. Zelfs de Judeeërs, die na de ondergang van Jeruzalem en na de moord op Gedalja naar Egypte vluchtten, bleven daar de ‘hemelkoningin’ vereren, zoals uit 44:1-30 blijkt. Op grond van de desbetreffende passages in hstt. 7 en 44 kunnen wij ons een beeld vormen van de wijze, waarop de godin werd vereerd. Men offerde haar een speciaal soort broodkoeken, gebakken in de vorm van de avondster (vgl. 44:19) en bracht haar plengoffers. Uit 19:13 en 32:29 kan waarschijnlijk worden afgeleid, dat de offerhandelingen op de daken van de huizen verricht werden; van daaruit had men een goed uitzicht op de nachtelijke hemel, waaraan de avondster verscheen. De mensen menen, met deze verering van hun ‘koningin’ God te krenken, dwz. te verongelijken in Zijn verbondsrelatie met hen. Maar in feite ‘krenken’ zij zichzelf, want zij zullen ondervinden dat de afgodendienst uiteindelijk zal leiden tot de ondergang van Juda (‘deze plaats’, vgl. 7:6, 7, 14; 42:18) en tot ballingschap (vgl. 5:19; 19:13). Het woord ‘krenken’ wordt in dit boek herhaaldelijk in de genoemde betekenis gebruikt; zie 8:19; 11:17; 25:6, 7; 32:29, 30, 32; 44:3, 8. Zowel in Jeremia als elders in het O.T. komt het woord voor in een tekstverband, waarin de afgodendienst wordt gehekeld. Zie bij vs 16: Jer. 11:14; 14:11.

Geen offers! 7:21-28

Het in NBG aangebrachte en hier door ons overgenomen opschrift zou de indruk kunnen wekken, dat in deze perikoop in principe de gehele offerdienst, die in de tempel te Jeruzalem plaats vond, wordt afgewezen en als volslagen waardeloos wordt beschouwd. Dit is echter niet de bedoeling van deze passage, evenmin als dit in andere gedeelten van Jeremia het geval is (vgl.6:16-21). Toch hebben in het verleden veel bijbelverklaarders gemeend, zulk een radicale afwijzing van de offerdienst in deze en dergelijke teksten te kunnen lezen. Sommigen verbonden daaraan zelfs de conclusie, dat de profeten een offerloze cultus als de enige legitieme vorm van Godsverering beschouwden en dat de offervoorschriften, die in de Pentateuch voorkomen, pas later zijn ontstaan. Op grond daarvan kwam men tot een hypothetische reconstructie van de godsdienstgeschiedenis van Oud-Israel, die zeer verregaande gevolgen had voor de beschrijving van de literatuurgeschiedenis van de klassieke hebreeuwse literatuur, dwz. het Oude Testament. Men veronderstelde, dat de godsdienst van Oud-Israel oorspronkelijk een ‘profetisch-ethisch’ karakter had en dat deze pas in een late stadium ‘wettisch-cultisch’ zou zijn geworden. Lang«, tijd heeft een dergelijk vooringenomen gezichtspunt, zijhet dan in diverse toonaarden en variaties, de exegese van het O.T. beïnvloed. Thans zien velen echter in, dat zulk een theorie berust op filosofisch-ideologische vooringenomenheid en een evolutionistisch denkpatroon, waarin bijbelse passages als ‘bewijzen’ worden ingepast. Wanneer wij echter de betreffende passages aandachtig en onbevooroordeeld lezen, blijken zij geen enkele grond te bieden voor de genoemde theorie. Zie ook de opmerkingen bij 17:19-27.

Een eigentijdse onderzoeker heeft aangetoond, dat in vs 22 een stijlfiguur voorkomt, die niet betekent, dat daar de gehele offerdienst in principe wordt afgewezen. In deze stijlfiguur gaat het niet om een absolute tegenstelling in de zin van: niet dit… maar dat… Bedoeld is een ander soort tegenstelling te maken, nl. in de zin van: niet zozeer het eerstgenoemde, maar vooral het volgende… Daarmee wordt benadrukt, dat de offerdienst een middel moet zijn, waarmee de gehoorzaamheid aan God tot uitdrukking wordt gebracht. Het ‘horen naar Zijn stem’, de gehoorzaamheid aan Zijn bevelen, is de eigenlijke dienst van God. Wanneer deze gehoorzaamheid ontbreekt, heeft de hele tempeldienst geen enkele betekenis. Want offers werken niet automatisch, doch willen uitdrukking geven aan de juiste gezindheid van het hart (vgl. 4:4; 7:8-11; 24:7; 31:33; 32:40). Wanneer die gezindheid en de daarmee overeenstemmende levenswandel ontbreekt, luidt het oordeel: weg met die offers!

Er waren verschillende soorten offers; zie Lev. 1-7, waar oa. genoemd worden: brandoffer, spijsoffer, vredeoffer, zondoffer en schuldoffer. Brandoffers werden op het altaar verbrand; van slachtoffers ed. ontvingen de priesters een deel en met sommige offers konden de offeraars een offermaaltijd aanrichten. Met een toespeling daarop wordt hier gezegd: als men niet-goden blijft vereren en goddeloos blijft leven, zijn al die offers zinloos. Voeg dan die brandoffers maar bij de slachtoffers en eet alles zelf maar op! (vs 21). Want het gaat de HERE niet zozeer om offers maar om gehoorzaamheid. In gehoorzame levenswandel moet het verbond met Hem tot uitdrukking worden gebracht. Zoals zo dikwijls in het O.T. wordt ook hier de verbondsrelatie omschreven met de woorden: Ik uw God, gij Mijn volk (vs 23; vgl. de toelichting bij 11:4 en zie 24:7; 30:22; 31:1, 33; 32:38; vgl. de verbondsformules in Gen. 17:7, 8; Ex. 6:6; 20:1; 29: 45; Lev. 26:12; Deut. 7:6; 29:13). De bij deze relatie behorende gehoorzame levenswandel wordt aangeduid als het begaan van een door God voorgeschreven weg (vgl. 6:16; 18:15 ed). Om Zijn volk op die weg te houden zond Hij telkens weer profeten. Zo zendt Hij nu Jeremia, maar het volk wil geen gehoor geven aan zijn prediking. Het poogt weg te vluchten in de offerdienst (vgl. 7:4) en maakt deze daardoor tot een aanfluiting.

Moorddal 7:29-8:3

De diverse gedeelten, waaruit hst. 7 is opgebouwd, dateren waarschijnlijk niet alle uit dezelfde periode van Jeremia’s optreden. Toch is daarin een volgorde aanwijsbaar, al is deze niet van chronologische maar van inhoudelijke aard. De bedoeling van deze volgorde is, duidelijk te maken dat het van kwaad tot erger gaat met Juda. Eerst wordt beschreven, dat er in een tijd van nationale crisis en bedreiging door een grote wereldmacht vertrouwen wordt gesteld op de tempel als zodanig (7:1-15). Dan wordt een bepaalde vorm van afgoderij gehekeld (7:1620). Vervolgens wordt het vertrouwen op de ‘automatische’ werking van de offerdienst veroordeeld (7:21-28). En tenslotte wordt het dieptepunt van godsdienstig en moreel verval aan de kaak gesteld (7:29-8:3). Dit dieptepunt is een eigenwillige, levensbedreigende en moorddadige vorm van ‘eredienst’, waarin de Judeeërs het liefste wat zij hebben in een zinloze offerhandeling vernietigen. Want daarbij brengen zij hun kinderen ten offer.

Natuurlijk veroorzaken zulke offerhandelingen aan de ouders diep verdriet, zodat zij rouw bedrijven (vgl. 16:6; Job 1:20; Jes. 15:2; Mi. 1:16). Maar niet daarover moeten zij een rouwklacht aanheffen, doch over zichzelf, omdat zij door deze zinloze offerdienst Gods toorn over zich uitroepen (vs 20). Niet alleen hebben zij hun ‘gruwelen’, dwz. hun afgodsbeelden (vgl. 4:1) zelfs in de tempel geplaatst (vs 30; vgl. 7:10; Ez. 8). Maar bovendien hebben zij in een dal vlak bij Jeruzalem een offerhoogte gebouwd, waarop zij hun kinderen offeren (vs 31; vgl. 19: 5; Ex. 16:20vv; 20:26; Mi. 6:7). Tijdens zijn reformatie had koning Josia reeds gepoogd, dergelijke – blijkbaar diep ingewortelde – offerpraktijken uit te roeien (vgl. 2 Kon. 23:10), maar kennelijk heeft ook in dit opzicht zijn reformatie niet tot een blijvend resultaat geleid (vgl. 7: 16-20). Want tijdens de regering van zijn opvolger Jojakim (zie bij 7:1-15) moet Jeremia op felle wijze deze opnieuw ingevoerde vorm van ‘eredienst’ veroordelen (vgl. 19:1-13).

Uit de bovengenoemde bijbelplaatsen, waarin de kinderoffers worden vermeld, kan worden afgeleid dat de Judeeërs deze offers als dienst aan God bedoelden. Men beschouwde Hem als een ‘Melech’, dwz. koning of heerser, die een veeleisende despoot was en zulke offers eiste. Dat deze door Hem afgewezen worden, is duidelijk uit oa. Gen. 22 en Ex. 13:11-15. De overleveraars van de hebreeuwse bijbeltekst hebben met hun vocalisatie ‘Mo-lech’ of ‘Moloch’ willen aangeven, dat het beoefenen van zulk een ‘eredienst’ een schandelijk en gruwelijk misverstand van Gods bedoelingen is; het is een ‘schande’ (vgl. ‘schandgod’ in 11:13). Deze ‘Moloch’ wordt weliswaar hier niet genoemd, maar wel in 32:35 en 2 Kon. 23:10. Ook de in de hebreeuwse bijbeltekst bewust aangebrachte vocalisatie van het woord Tofeth (vs 32) wijst in deze richting. Zowel in Molech/Moloch als in Tofeth werd de vocalisatie overgenomen van het hebreeuwse woord voor ‘schande’. Het dal Tofeth heette eigenlijk Tafeth, dwz. vuuroven, maar kreeg later bovengenoemde vocalisatie. Deze twee voorbeelden van door latere generaties aangebrachte interpretatie door middel van andere klinkers maken ons duidelijk, dat latere geslachten van bijbellezers deze en dergelijke passages zijn gaan verstaan als waarschuwingen tegen de meest verderfelijke vormen van godsdienstig verval. Dit heeft er ook toe geleid dat ‘het dal van Hinnom’ (vgl. vs 32) later tot de vuilnisbelt van Jeruzalem werd. Daar werd het vuil verbrand in een vuur, dat dag en nacht bleef branden, zodat in latere eeuwen ‘het dal van Hinnom’ tot een symbolische aanduiding werd voor ondergang en eeuwig verderf (het ‘Gehenna’ in latere joodse geschriften en het N.T.).

In 8:1-3 is reeds het begin van deze betekenisontwikkeling waarneembaar. De graven van koningen en andere vooraanstaanden bevonden zich in een dal naast de heuvels waarop Jeruzalem was gebouwd, niet ver van het dal Hinnom. Hier wordt gezegd, dat hun beenderen uit de graven zullen worden gehaald en op de mestvaalt zullen worden geworpen. Tijdens hun leven dienden deze mensen zo graag de zon, de maan en de sterren (vgl. 7:16-20). Welnu, deze ‘goden’ zullen de aanblik kunnen genieten van de op de mestvaalt geworpen geraamten van hun vereerders (vgl. 25:33). Hieraan wordt toegevoegd, dat mensen die meenden hun kinderen te moeten offeren, hoewel God dat nooit geboden heeft (zie 19:5; Mi. 6:7, 8), de dood zullen verkiezen boven het leven (vs 8). Zelfs al zijn zij in tijden van nood naar het veilig geachte buitenland gevlucht (vgl. hst. 42v) of door de vijand daarheen gedeporteerd. Jeruzalem en de steden van Juda zullen zo geruïneerd worden, dat er geen enkele vreugde-uiting meer zal worden gehoord (7:34; vgl. 16:9; 25:10; 33: 11).

Zonde en gericht 8:4-9:26

Dat dit gedeelte binnen het geheel van het boek Jeremia een samenhangende literaire eenheid is, kan worden afgeleid uit de slotformule in 8:3, het begin van 8:4 en de inleidingsformule in 10:1. Maar het is moeilijk, de inhoud van de gehele perikoop met een korte titel te karakteriseren. Het opschrift in NBG, dat wij hier overnemen, is slechts een poging, enkele hoofdelementen van dit gedeelte aan te duiden.

4-13. De aanklacht, die in het voorafgaande reeds dikwijls klonk, wordt herhaald. Wie valt, staat weer op (vgl. onze uitdrukking: ‘met vallen en opstaan’); wie de verkeerde kant opgaat, kan omkeren en teruggaan (vgl. onze uitdrukking: ‘op zijn schreden terugkeren’). Maar voor Juda en Jeruzalem geldt deze spreekwoordelijke wijsheid niet. Zij gedragen zich als mensen, die het zondigen tot hun beroep maken (vgl. 3:6-4:4) en hollen maar door op de eenmaal ingeslagen weg. Trekvogels kennen de seizoenen en weten wanneer zij terug moeten naar hun land van oorsprong, maar Gods volk niet. Zij maken van Gods wet, Zijn onderwijs, een karikatuur en het echte profetische woord wijzen zij af. Daarom zullen zij zwaar worden gestraft. De verzen 8:10b-12 zijn een herhaling van 6:12-15. Er zijn enige kleine tekstverschillen tussen beide passages, die echter inhoudelijk niet van wezenlijk belang zijn; maar wel werpen deze verschillen enig licht op de tekstgeschiedenis van dit boek. Een ander voorbeeld van zulk een doublure vinden wij in 10:12-16.

14-17. Op de hernieuwde aanklacht volgt de bedreiging met straf; de allesverwoestende vijand zal komen. De plattelandsbevolking, die naar de vestingsteden vlucht, zal zelfs daar niet meer veilig zijn (vgl. 4:5vv; 6:25). De populaire heilsprofeten kondigen wel voortdurend blijvende welstand en vrede aan (vgl. 6:14; 8:11; 28.T-17; 37: 17), maar de hoop daarop is tevergeefs (vgl. 14:19). De vijand uit het noorden (vgl. 1:13-16; 4:5-6:30), die hier beschreven wordt als een volk van ruiters, komt aanstormen vanuit de noordelijke grensstad Dan (vgl. 4:15). Tegen die vijand zal men zich niet afdoende kunnen verdedigen, zelfs niet in vestingsteden. De vijand wordt vergeleken met gifslangen, waartegen geen enkele vorm van bezwering helpt (vgl. Num. 21:4-9; Pred. 10:11).

18-22. De voorafgaande profetische schildering van het dreigende onheil grijpt de profeet zo aan, dat hij uitbreekt in een jammerklacht (vgl. 4:19v). Van alle kanten hoort hij de angstkreten van het volk, wanneer het onheil losbreekt. Heeft God Zijn volk verstoten? Het antwoord luidt: zij hebben Mij gekrenkt met hun afgoderij (zie bij 7:18v; 11:17). Daarom moet het volk klagen over de oogst, die door de vijand werd verwoest (vgl. vs 16). Het volk zal door die vijand dodelijk worden gewond. De profeet is daarover ontzet, want tegen die dodelijke wond helpt geen enkel geneesmiddel. Zelfs niet de beroemde balsem uit Gilead. Gilead, ten O. van het Meer van Galilea, was bekend wegens de daar geproduceerde geneeskrachtige balsem, vervaardigd uit hars. Deze balsem werd vauit Gilead geëxporteerd; vgl. 46:11; Gen. 37: 25; 43:11; Ez. 27:17.

2:1. De voorafgaande jammerklacht van de profeet wordt hier tot een noodschreeuw. Want voor hem is het aangekondigde onheil reeds werkelijkheid. Daarom is hij zo troosteloos als de in 31:15 genoemde stammoeder Rachel. Vgl. 4:19; Jes. 22:4.

2-9. Deze verzen beschrijven de gevolgen van het godsdienstig verval, dat in de voorafgaande hoofdstukken zo fel werd gehekeld. Het verval is zo groot, dat de profeet zou willen wegvluchten naar de onherbergzame woestijn, waar slechts hier en daar langs een karavaanweg een nachtverblijf is te vinden. Sommige uitleggers beschouwen vs 2 als een uitroep van God, doch deze opvatting lijkt ons onjuist. Wel is het mogelijk, dat de profeet zich hier en elders vereenzelvigt met zijn Opdrachtgever, evenals hij zich in zijn jammerklachten over het onheil dikwijls vereenzelvigt met zijn volk, dat door God zo zwaar gestraft wordt wegens hardnekkige verbonds-breuk. De afval van God leidt tot diep zedelijk verval, die tot uiting komt in velerlei vormen van bedrog, kwaadsprekerij en machtsmisbruik. Voorbeelden daarvan vinden wij oa. in 5:26-31; 7:6; 11:18-12:6; 34?8-22; 38:1-6; 42:5v in vergelijking met 43:2. De uitdrukking een troep trouwelozen (vs 2) is bewust dubbelzinnig; hier wordt de hebreeuwse benaming van een feestelijke godsdienstige samenkomst gebruikt in verachtelijke zin, waardoor de vertaling ‘troep’ mogelijk wordt. De diepste oorzaak van het verval is de weigering, God te kennen en te erkennen (vs 3). In vs 4 wordt met aartsbedrieger een toespeling gemaakt op de naam Jacob; vgl. Gen. 27: 36; Hos. 12:4. Zie bij Ik smelt en toets hen (vs 7) de opmerkingen bij 6:27-30.

10-22. De jammerklachten over de dreigende ondergang (8:18-22; 9:1) nemen hier de vorm aan van treurzang en dodenklacht. In enige voorafgaande gedeelten zagen wij reeds, dat voor de profeet het door hem aangekondigde onheil reeds werkelijkheid is. Daarom moet men wat in 9:10-22 en dergelijke passages gezegd wordt, niet lezen als een beschrijving van een reeds bestaande toestand van verwoesting. Zij geven de profetische visie weer, waarin de onheilsdreiging samenvalt met de verwerkelijking daarvan. Het gaat om een profetische ‘schouw’ van het woord, waarin woord en werkelijkheid samenvallen. Dit wil zeggen, dat dergelijke gedeelten geen historische informatie bieden, maar profetische uitingen zijn in de boven bedoelde zin. Zie ook onze opmerkingen bij 7:1-15 over het karakter van bijbelse profetie.

De terrasvormige hellingen, waarop wijnbouw en tuinbouw werden beoefend, verwilderen en de vruchtbare oases (dreven), waar het vee weidde, liggen verlaten. Want de bewoners zijn weggevlucht (vgl. 4:29) en daarom zijn er geen dieren meer. Het vee werd door de vluchtelingen meegenomen en zelfs de vogels vinden niets meer te eten en vluchten ergens anders heen.

Alles wordt doods en verlaten. Niet alleen het platteland wordt een woestenij, ook de steden worden onbewoonbare puinhopen (vgl. 10:22). Dat dit – profetisch gesproken – de toekomst is, verstaat slechts de wijze, die geschoold is in het profetische woord. Dit wordt in vss poëtische vorm gezegd. Zie ivm. vs 11 (jakhalzen) de toelichting bij 10:22.

Na de poëzie in vss 10-12 volgt in vss 13-16 een prozagedeelte, waarna van vs 17 af de poëtische vorm terugkeert. Het prozagedeelte is een soort toelichting, waarin wordt gezegd waarom het zo zal gaan en hoe erg het zal worden. Alsem (vs 15) is een aanduiding voor bittere bladen en knoppen van diverse giftige planten; het wordt soms genoemd in de woordverbinding ‘gal en alsem’ en soms in combinatie met vergif (vgl. Deut. 29:18; Jer. 23: 15; Klaagl. 3:15, 19; Spr. 5:4).

In het poëtische gedeelte, vss 17-22, wordt de komst van klaagvrouwen, die een dodenklacht aanheffen, geschilderd. Deze vrouwen waren geschoold in het uiten van rouwklachten, die gepaard gingen met luid geween en veel misbaar. Maar er moet zoveel geklaagd worden over de ondergang van Sion en over allen die daarbij omkomen, dat er klaagvrouwen te weinig zijn. Daarom moeten zij hun dochters en buurvrouwen leren, hoe er geklaagd moet worden. In de verzen 21v staat het klaaglied, dat zij moeten leren. De dreiging is duidelijk: er zullen zoveel mensen omkomen, dat er niemand overblijft die hen kan begraven.

23-26. De juiste levenswijze hangt samen met de ware wijsheid, die hier nader wordt omschreven, nadat in vs 12 daarop reeds een toespeling is gemaakt. Wijsheid is kennis van God en Zijn daden. Tegenover drie door mensen gezochte en geroemde dingen, tw. wijsheid, kracht en rijkdom, worden drie daden van de HERE gesteld: verbondstrouw (dit is een betere vertaling dan ‘goedertierenheid’), recht en gerechtigheid. Hoewel dit hier niet uitdrukkelijk wordt gezegd, is het duidelijk dat een toespeling wordt gemaakt op de levenswandel van de Judeeërs, die daardoor wordt gekenmerkt dat zij van hun kant deze verbondstrouw niet beantwoorden met dienovereenkomstige daden (vgl. 7:5, 6; 5:26-31). In niets onderscheiden zij zich van de genabuurde volken. Aan de besnijdenis, het teken van het verbond, kan men geen enkel voorrecht ontlenen. Want zonder kennis van God en de wijsheid die daaruit voortvloeit, een wijsheid blijkende uit dienovereenkomstige levenswandel, is men niet meer dan een besneden heiden. In deze zin moeten wij vss 25vv verstaan. Tot beter begrip wordt hier een iets gewijzigde vertaling gegeven: ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik bezoeking zal doen over allen, die aan de voorhuid besneden zijn; over Egypte en over Juda en over Edom en over de Ammonieten en over Moab en over alle aan de slapen kaalgeschorenen, die in de woestijn wonen. Want al (deze) volken (gelden voor Mij als) onbesnedenen, maar het gehele huis van Juda (geldt voor Mij als) onbesneden van hart’. Hier wordt over de besnijdenis even radicaal gesproken als in 7:21-28 over de offerdienst. Wie meent, zich goddeloos te mogen gedragen en zich dan te kunnen verschuilen achter oude godsdienstige gewoonten en voorschriften, maakt de dienst van God tot een aanfluiting. Zonder verbondsgehoorzaamheid aan Hem en Zijn geboden stelt besnijdenis niets voor; veel andere volken kennen immers ook de besnijdenis. Van de Egyptenaren is dit ook uit andere bronnen bekend, maar over de godsdienstige gewoonten van de andere hier genoemde volken hebben wij tot dusver niet voldoende informatie om te kunnen beoordelen, of zij destijds al of niet een besnijdenis kenden. Arabische stammen, die zich het haar aan de slapen wegscheren, worden ook elders in Jeremia genoemd (zie 25:23; 49:32). Eveneens komt de besnijdenis van het hart, resp. het oor, in dit boek enige malen ter sprake (zie 4:4; 6:10; vgl. Deut. 10:16; 30:6). De bedoeling van de verzen 25vv schijnt te zijn: als men niet aan het hart besneden is, maakt het niets uit of men aan de voorhuid besneden is of aan de slapen kaalgeschoren (hoewel het laatstgenoemde aan Israel werd verboden; zie Lev. 19:27; daar gaat het echter over rouwgebrui-ken).

God en de afgoden 10:1-16

Het uit NBG overgenomen opschrift wekt de indruk, dat dit gedeelte een samenhangende eenheid is. Dit is echter niet het geval, want in deze perikoop kan men enige kleinere eenheden onderscheiden, waarvan de onderlinge samenhang niet geheel duidelijk is. Bovendien zijn er oa. in vss 3, 5, 7 en 8 enige vertaalmoeilijkheden. Vers 1 is gericht tot het ‘huis van Israël’, dwz. het noordelijke koninkrijk Israel. Doch Jeremia trad op van + 625 -+ 586 v.Chr. en het noordelijke rijk was ondergegaan met de inname van Samaria in 722 v.Chr. door de Assyriers. Desondanks richt Jeremia, die ongeveer honderd jaar na deze ondergang optrad, herhaaldelijk het woord tot het ‘huis van Israël’. Zie de toelichting bij 2:4. Daar wordt aangenomen, dat Jeremia zich richt tot de rest van de bevolking, die nog in het gebied van het vroegere Tienstammenrijk was blijven wonen. Misschien is dat hier de bedoeling. Het is echter ook mogelijk, dat het in dit geval gaat om een vermaning, gericht tot de ballingen in Assyrië. Het is niet ondenkbaar, dat Jeremia aan hen een brief schreef, zoals hij dat later deed aan de ballingen uit Juda in Babel (zie 29:1-23). De inhoud van de tot hen gerichte vermaning wordt weergegeven in vss 1-10.

10:1- Mesopotamië was de verering van hemellichamen zeer verbreid. Bovendien kende men daar godsdienstige plechtigheden, waarbij de godenbeelden in feestelijke optochten, dwz. processies, door de straten werden gedragen (vgl. Jes. 45:20 en als tegenstelling Jes. 46:3v). Tegen zulke vormen van afgodendienst waarschuwt de profeet. Aan deze waarschuwing worden in de vss 6, 7 en 10 uitspraken over God toegevoegd, die ontleend zijn aan liturgische lofprijzingen. Als priester (vgl. 1:1) kende Jeremia de offerdienst in Jeruzalem goed, zodat hij met de tempelliturgie zeer vertrouwd was. De wijze waarop de heidense processies en de godenbeelden ineen soort hekeldicht belachelijk worden gemaakt, doet ons denken aan Ps. 115:4-8; 135:15-18; Jes. 40:20; 41:7, 23v; 44:9-20; Dan. 5:23. De liturgische formules herinneren ons aan Ps. 22:29; 47:8v; 86:8,10; 96:10 en dergelijke passages.

De hierboven genoemde vertaalmoeilijkheden zijn de volgende. Handelwijze (vs 3) is een vrije weergave van een woord, dat ‘inzettingen’ betekent, waarmee hier de afgoderij is bedoeld. Vogelverschrikker (vs 5) is weliswaar de betekenis, die aan het betreffende woord wordt gegeven in enige hebreeuwse woordenboeken, maar de vertaling is onzeker. Onder al hun koningen (vs 7) is een vrije weergave van de letterlijke betekenis: ‘in hun gehele koninkrijk’. Nietswaardige vermaning (vs 8) is een onzekere vertaling van een woord, waarvan de betekenis niet duidelijk is. Tarsis (vs 9) wordt herhaaldelijk in het O.T. genoemd (oa. in 1 Kon. 10:22; Ps. 72:10; Jes. 2:16; 23:1, 6; 66:19; Ez. 27:12; Jona T.3), maar de ligging van deze havenstad is niet met zekerheid aan te geven. Misschien is daarmee Tartessos in Spanje bedoeld. Ufaz (vs 9) is misschien een schrijffout voor Ofir (zie oa. 1 Kon. 9:28). Maar het is ook mogelijk, dat hier geen plaatsnaam bedoeld is doch een bijzonder soort goud, dat uit het reeds genoemde Tarsis werd aangevoerd.

11. Dit vers werd in NBG tussen gedachtenstreepjes geplaatst, maar omdat in die vertaling voetnoten ontbreken is voor de lezer niet duidelijk, waarom dit gedaan werd. De SV plaatste het vers tussen haken en gaf de reden daarvoor aan in een Kanttekening. Het in het Aramees geschreven vers is de enige aramese passage in het gehele boek Jeremia. Het is een in ritmische vorm gestelde verwensing van de afgoden, die op een later tijdstip aan de tekst van Jeremia werd toegevoegd. Wanneer die latere toevoeging in de tekst werd opgenomen, is niet bekend. Doch dit moet zijn gebeurd vóór de 2de eeuw v.Chr., want de Septuaginta, de griekse vertaling die omstreeks die tijd ontstond, kent deze toevoeging reeds. Daar komt deze echter op een andere plaats voor, nl. na vs 5.

12-16. Deze verzen komen eveneens voor in 51:15-19. Dergelijke doublures komen in het boek Jeremia vaker voor, soms met interessante tekstvarianten. Als voorbeelden van doublures noemen wij: 6:12-15 en 8:10b-12; 11:20 en 20:12; 15:13-14 en 17:3-4; 16:14-15 en 23:7-8; 52:1-34 en 2 Kon. 24:18-25:30; zie ook de toelichting bij 16:14, 15. Bekende voorbeelden van doublures in andere boeken van het O.T. zijn: het danklied in Ps. 18, dat overeenstemt met 2 Sam. 22; en Ezra l:2vv, waarin een gedeelte van 2 Kron. 36:22vv wordt herhaald. Wat de tekstvarianten betreft, kan het volgende worden opgemerkt. Soms zijn de doublures letterlijk gelijk, soms komen er tekstverschillen in voor, die voor de tekstgeschiedenis van het O.T. van groot belang zijn, doch waarop in deze commentaar niet kan worden ingegaan. Behalve voor de tekstgeschiedenis zijn dergelijke passages ook van belang voor de literatuurgeschiedenis van het O.T., doch ook daaraan kan hier geen aandacht worden gegeven.

Op welke plaats in het boek Jeremia de vss 12-16 oorspronkelijk hebben gestaan, is moeilijk te beoordelen. Wij hebben echter de indruk, dat zij beter passen in de samenhang van hst. 10 dan in die van hst. 51. Hoe dit ook zij, de inhoud van deze verzen wordt goed weergegeven met het opschrift boven de perikoop: ‘God en de afgoden’. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt geeft dit opschrift weliswaar niet de inhoud van de gehele perikoop weer, maar het is wel een goede samenvatting van deze verzen.

In een loflied wordt Gods scheppingsmacht bezongen, die in volstrekte tegenstelling staat tot de onmacht van door mensen gemaakte godenbeelden, die in feite niet-goden zijn. De uitdrukkingJakobs deel (vs 16) is dubbelzinnig. Het is mogelijk dat hiermee bedoeld is: het aan Jakob = Israel toebedeelde land; het staat dan parallel met de stam zijner erfenis, dwz. de stam aan wie Hij zijn erfenis toebedeelde. Maar het tekstverband vraagt hier om een andere betekenis, nl. ‘de HERE, die Jakobs deel is, is niet als deze (door mensen gemaakte goden); Hij is de Formeerder van alles’. Het aanwijzend voornaamwoord ‘deze’ wordt hier in verachtelijke zin gebruikt, zoals dit vaker in het Hebreeuws het geval is. In huidig Nederlands zou men het woord Formeerder kunnen weergeven met Boetseerder. Het gebruik van het woord ‘deel’ ter aanduiding van God komt vaker voor; vgl. de betekenis van de naam Hilkia (1:1) en teksten waarin sprake is van het priesterlijke ‘erfdeel’ (Num. 18:20; Deut. 10:9 ed.). Men kan hierbij ook denken aan bijbelplaatsen, waarin iemand de HERE zijn ‘deel’ noemt (Ps. 16:5; 73: 26; 142:6; Klaagl. 3:24).

Zwaar geslagen 10:17-25

De bewoners van Juda, schuilend in hun belegerde vestingsteden, worden opgeroepen hun bagage te pakken met het oog op de komende deportatie. Want in tegenstelling tot vroegere belegeringen, die eindigden in plundering en schatplichtigheid (vgl. 2 Kon. 14:14; 16:4; 18: 13vv), zal ditmaal de onderwerping aan de vijand worden gevolgd door deportatie. Thans heeft God de bevolking van Juda in de benauwing van een belegering gebracht met de bedoeling, dat de vijand de inwoners van ingenomen vestingsteden als gevonden voorwerpen zal behandelen. Namens het volk antwoordt de profeet met een klacht, waarin hij zich met het volk vereenzelvigt, zoals hij dat in zijn jammerklachten vaker doet. Hij voelt zich als een vereenzaamde, door rovers overvallen nomade, wiens tent vernield is en die niemand meer over heeft om die tent weer bewoonbaar te maken. Het beeld van de tent leidt tot het noemen van herders. Daarmee worden zowel hier als elders in dit boek de vooraanstaande, leidinggevende personen aangeduid. Verstard van angst (vgl. 4:1-9) hoort de profeet het geraas van de uit het noorden aanstormende vijand (vgl. 1:14; 4:5-6:30). Hij zal Juda verwoesten en het maken tot een ruïne, waarin jakhalzen ronddolen. Deze beeldspraak wordt vaak gebruikt om de uitzichtloze en griezelige verlatenheid van puinhopen aan te duiden. Misschien speelt in deze beeldspraak ook het naargeestige gejank, dat deze dieren maken, mee. Tevens kan men daarbij denken aan het feit, dat zij aaseters zijn. Kortom, zij zijn het ‘inbegrip’ van verwoesting en ondergang. Vgl. 9:11; 49:33; 51:37; Jes. 13:22; 34:13; 35:7; 43:20.

De vss 24 en 25 zijn een smeekgebed, dat in vs 23 ingeleid wordt met een schuldbelijdenis. Vgl. Ps. 37:23; Spr. 16: 9. Namens het volk smeekt de profeet om Godsrechtvaardige, reddende recht. Zij die Hem niet kennen zijn slechts uit op vernietiging en ondergang van Zijn volk en niet – zoals Hij – op tuchtiging en behoud. ‘Jakob’ is hier een toespeling op het noordelijke rijk dat door de Assyriers werd verwoest. Het gebed om vergelding komt enigszins overeen met de gebeden in 18:19-23 en 20:11-13.

De verbondsbreuk 11:1-14

In deze perikoop horen wij de echo’s van veel andere passages uit het O.T., waarin immers het verbond tussen de HERE en Zijn volk een van de meest kenmerkende elementen is. Vergelijking met de oude literatuur van het Nabije Oosten heeft er toe geleid, dat men thans dikwijls de rechtsvorm van de verbondssluiting en de daarbij gebruikte formules in verband brengt met oud-oosterse va-zallenverdragen, die door een heerser aan een volk werden opgelegd. In verscheidene opzichten zijn de overeenkomsten duidelijk, hoewel de inhoud van Gods verbond met Zijn volk uniek is, omdat Hij uniek is. De inhoud van het verbond is de wederzijdse, met een eed bekrachtigde verplichting, omschreven met de woorden: Ik ben uw God, gij zijt Mijn volk (zie vs 4; vgl. de toelichting bij 7:23 en de daar genoemde parallelle plaatsen). Hierbij behoort een bindende belofte van bescherming en weldaden; deze belofte wordt gegeven door degene, die het verbond oplegt (zie vs 5 en vgl. oa. Ex. 3:8, 17; 13:5; Deut. 6:3). Zowel uit het O.T. als uit genoemde vazallen-verdragen blijkt, dat bedreiging met een vervloeking een wezenlijk onderdeel van zulk een verbond is (vgl. de toelichting bij 34:8-22). Deze bedreiging wordt uitgesproken door degene, die het initiatief neemt tot de verbondssluiting, en moet met een eed worden beantwoord door degenen, aan wie het verbond wordt opgelegd. In dit geval luidt de eed ‘amen’ (vs 5; vgl. Deut. 27:11-26; Num. 5: 21vv). In vs 4 wordt een verband gelegd tussen de verbondssluiting en de uitleiding uit Egypte (vgl. Ex. 20:2; Deut. 5:6). Met een toespeling op de zware onderdrukking, die het voorgeslacht daar onderging, wordt Egypte vergeleken met een ijzeroven (zie Deut: 4:20; 1 Kon. 8: 51). Ten aanhoren van het volk moet Jeremia onderdelen van de verbondsformules herhalen en de verbondseed in het openbaar opnieuw bekrachtigen. Voor ieder, die horen kan, is het dan duidelijk, waarom het onheil zal komen; verbondsbreuk blijft immers niet ongestraft. Wie het verbond breekt en hulp zoekt bij anderen, aan die anderen gehoorzaamheid schenkt en hen dient, kan weten wat hem te wachten staat. Laten de Judeeërs in de noodsituatie, die zij over zich brengen, maar hulp gaan zoeken bij de niet-goden, die zij zo graag vereren. Evenals in andere gedeelten, waarin de hardnekkige afgodendienst wordt gehekeld, wordt ook hier gezegd, dat voorbede door de profeet geen zin heeft (vgl.7:16; 14:11) wanneer zij niet radicaal breken met hun ontrouw aan het verbond, dat God met hen sloot.

De geblakerde olijfboom 11:15-17

Vers 15 is onduidelijk en een deel ervan is onvertaalbaar. Misschien behoort het nog bij het voorafgaande en betekent het: wat heeft een verbondsbrekend volk nog in de tempel te zoeken? Het is ook mogelijk, dat het vers een protest is tegen het bijgelovige misbruik van de tempeldienst, waaraan men een magische, ‘automatische’ werking toeschreef (vgl. 7:21-28). De verzen 16 en 17 behoren weliswaar bij elkaar, maar vs 16 bestaat uit enige dichtregels en vs 17 biedt in prozavorm een toelichting daarbij. De vergelijking van een persoon of een volk met een olijfboom komt ook voor in Ps. 52:10; 128:3 en Hos. 14:7. Indien vs 16 een citaat is uit een gedicht – wat door sommigen wordt vermoed -, is het mogelijk dat daarin een toespeling op de tempel voorkwam, vergelijkbaar met Ps. 52:10. In dat geval zou de samenhang met vs 15 liggen in de uitdrukking Mijn huis. Dat God zijn volk in het land plant wordt oa. ook in Ps. 80:9 gezegd, maar daar wordt het volk met een wijnstok vergeleken. Het is mogelijk, dat hier het beeld van de olijfboom wordt gekozen omdat deze altijd groen blijft (vgl. ‘groen’ in Ps. 52:10; 92:15).

Bij 7:18 werd er reeds op gewezen, dat het woord ‘krenken’ (zie vs 17) typerend is voor het taalgebruik van Jeremia, doch ook elders in het O.T. voorkomt. Het wordt gebruikt, wanneer de verbondsbreuk wordt gehekeld, die het volk beging door het dienen van vreemde goden. Ook in de context van dit vers is dit het geval; zie 11:1-14.

Het leven van de profeet bedreigd 11:18-12:6

Om dit gedeelte goed te kunnen begrijpen moet men enige aandacht besteden aan de opbouw ervan. De verzen 18 en 19 (proza) zijn inleiding tot en tevens samenvatting van de gehele perikoop. Vers 20 (poëzie) is een reactie daarop van de profeet. De verzen 21-23 (proza) delen mee, wat Jeremia in zijn woonplaats Anatoth zal overkomen (vgl. 1:1, 32:6v). In 12:1-4 (poëzie) beklaagt hij zich daarover bij God, door Wie deze klacht in 12:5 (poëzie) wordt beantwoord. De perikoop wordt in 12:6 (proza) afgesloten met een samenvattende waarschuwing, die verband houdt met wat in 11:18 en 19 gezegd wordt. De reactie van de profeet in 11:20 komt ook voor in 20:12; vgl. de opmerking over doublures bij 10:12-16. Misschien is deze reactie een vaststaande formule, waarmee men een ‘twist’ (zie bij 2:4-19) aan God als rechter voorlegt. Daarbij beroept men zich op Zijn kennis van het innerlijke, verborgen wezen van de mensen (‘hart en nieren’; vgl. 17:10; 20:12; Ps. 7:10; 26:2). Het slot van vs 20 kan beter worden vertaald met: ‘want aan U heb ik mijn twistzaak voorgelegd’. De samenhang met juridische procedures zoals die destijds plaats vonden, wordt dan duidelijker tot uitdrukking gebracht. Zie bij 11:23 in het jaar van hun bezoeking: 23:12; 48:44; en vgl. ‘de tijd hunner bezoeking’ in 36:21; 50:27. Misschien werd de uitdrukking ontleend aan taalgebruik betreffende jaarlijkse inspecties, die namens de koning werden gehouden.

In zijn klacht (12:1-4) beroept de profeet zich op Gods gerechtigheid en rechtvaardigheid. Deze klacht heeft de vorm van een ‘onschuldsbetuiging’ zoals die destijds in het juridische taalgebruik voorkwam; wij vinden daarvan meer voorbeelden in het O.T.; zie oa. Ps. 18:21-24. Zie ivm. vee en gevogelte is verdwenen (12:4) de opmerking bij 9:10. Hij zal ons einde (dwz. ondergang) niet zien (vs 4) is dubbelzinnig. De woorden kunnen betekenen: de profeet zal ons einde niet meer meemaken, maarvóór die tijd zelf omkomen. Of de betekenis is: onze door de profeet aangekondigde ondergang komt niet. In Gods antwoord op Jeremia’s klacht zegt Hij, dat het nog veel erger zal worden dan het op dat moment in Anatoth al is. Als hij al achterblijft in een gewone wedstrijd in hardlopen, wat zal hij dan kunnen presteren als hij een wedren met paarden moet aangaan? Als hij reeds bang wordt in de gecultiveerde omgeving van zijn familiewoonplaats Anatoth, hoe zal hij zich dan gedragen in het wild opgroeiende struikgewas langs de Jordaan, waar destijds nog wilde dieren huisden? (vgl. 49:19; 50:44; Zach. 11:3). Met andere woorden: wat de inwoners van Anatoth hem willen aandoen is nog maar kinderspel in vergelijking met wat hem in Jeruzalem te wachten staats

Juda en de naburige volken 12:7-17

Deze perikoop bestaat uit twee delen, nl. vss 7-13 en vss 14-17. Met uitzondering van vs 12b is het eerste gedeelte poëzie, terwijl het tweede de vorm van proza heeft. Ook in dit geval hangt dit verschil samen met de inhoud van de beide gedeelten. Het eerste deel is een klacht van God over de verwoesting van Juda door naburige volken. Waarschijnlijk gaat het om invallen, vergelijkbaar met die waarover in 2 Kon. 24:2 wordt bericht. De daar genoemde ‘benden’ zijn roversbenden van nomadenstammen, die van tijd tot tijd invallen deden in gecultiveerde gebieden. In de literatuur van het oude en het latere Nabije Oosten worden dergelijke rooftochten herhaaldelijk genoemd. Mijn huis (vs 7) is hier niet de tempel maar het land Kanaän; vgl. de betekenis van ‘plaats’ in 7:3, 6, 7, 14, 20 en elders, en ‘huis’ in Hos. 8:1, 9:15. Haten (vs 8) betekent hier: verstoten; vgl. Deut. 24:3 en 2 Sam. 13:5, waar NBG de betekenis van het woord weergeeft met ‘een afkeer krijgen van’. In vs 9 zijn de woorden een bontgevederde vogel niet meer dan een poging tot vertaling van een onbegrijpelijk woord. De samenhang is echter wel duidelijk: de ‘roofvogels’ zijn de roversbenden, die vanuit naburig gebied Juda overvallen. Daarom heeft het woord ‘herders’ (vs 10), dat elders in dit boek dikwijls in overdrachtelijke zin gebruikt wordt voor koningen, leidslieden ed., hier een letterlijke betekenis. Gena-buurde nomadenstammen, die op rooftocht zijn, vallen met hun kudden het cultuurland binnen. Nadat zij alles wat zij te pakken kunnen krijgen hebben geroofd, jagen zij hun kudden over de akkers, zodat alles plat getrapt wordt. Vgl. bij Mijn wijngaard: 2:21; Jes. 5:1-4; Ps 80: 9-12.

Vers 12b (proza; in de derde persoon) is een toevoeging bij het voorafgaande (poëzie; in de eerste persoon). In tegenstelling tot de veelbelovende, lichtvaardige uitspraken van heilsprofeten (zie oa. 4:10; 6:14; 8:11; 23:17), heeft niemand vrede en blijvende welstand (vs 12). In vs 13 kunnen wij een stijlfiguur waarnemen, die dikwijls in het O.T. voorkomt, tw. een persoonswisseling. Met ‘zij’ zijn niet de in het voorafgaande genoemde verwoesters bedoeld, maar de inwoners van Juda, die eveneens in het voorafgaande aangeduid worden.

De verzen 14-17 spreken over de straf, die de genabuurde stammen, oa. wegens hun invallen in Juda, zal treffen; vgl. de profetieën tegen de volken in 25:15-38 en hst. 46vv. De wortel van het kwaad is echter niet hun roofzucht e.d. maar hun afgoderij, die – evenals die vanJuda – voor eens en voor altijd zal moeten verdwijnen. Zweren bij Mijn naam (vs 16) is: uitsluitend Mij dienen en gehoorzamen; vgl. 4:2; Jes. 45:23; 65:16.

De linnen lendendoek 13:1-11
a. Profetie metterdaad

Dit gedeelte betreft een voorbeeld van wat wel genoemd wordt ‘profetie metterdaad’, dwz. profetisch optreden door het verrichten van een symbolische handeling. De betekenis van zulk een handeling wordt slechts duidelijk voor wie werkelijk zien wil en wordt pas achteraf toegelicht (vs 11). Want slechts de opmerkzame toeschouwer en aandachtige toehoorder verneemt de prediking van zulk een symbolische handeling, die voor iedereen zichtbaar is. In zulke handelingen van ‘profetie metterdaad’ wordt de voor ieder waarneembare werkelijkheid zo doorgelicht, dat de door God bedoelde betekenis van deze werkelijkheid aan het licht komt. Doch alleen de goede verstaander begrijpt dit, want de meeste mensen lopen er schouderophalend aan voorbij, omdat zij ziende blind en horende doof zijn en de symbolische daad van de profeet als iets onzinnigs beschouwen. Daarom is een dergelijke profetische daad en het daarbij behorende woord tegelijkertijd zowel onthullend als verbergend van aard. Vgl. Jes. 6:9, 10; 32:3. In het N.T. wordt genoemde tekst uit Jesaja in verband gebracht met de bedoeling van ‘gelijkenissen’. Die gaan weliswaar niet gepaard met het verrichten van een symbolische handeling, maar vertellen daarover. Pas achteraf wordt het vertelde toegelicht. Daarin ligt de overeenkomst met de profetische, symbolische handelingen, die in het O.T. worden beschreven. Dat is de bedoeling van de citaten uit Jes. 6:9v in Mat. 13:13vv; Mar. 4:10vv; Luc. 8:9v en Hand. 28: 26v. Symbolische handelingen worden oa. genoemd in Jer. 19:1-13; hst. 28; hst. 32; 43:9. Ook het eenzame leven van de profeet zelf heeft zulk een symbolische functie; zie 16:1-13 en vgl. Hos. l:2v.

b. De inhoud van deze perikoop

In dit geval ligt de betekenis van de symbolische handeling niet alleen in de functie van het bij deze handeling gebruikte kledingstuk, maar ook in de naam van de plaats waar dit kledingstuk wordt verborgen. De hier beschreven handeling wordt niet verricht met een ‘gordel’, zoals NBG vertaalt, maar met een lendendoek, die niet om het middel (vss 1, 2, 4, 11) maar om de lendenen wordt gedragen. De doek is van linnen, dwz. van een materiaal dat het lichaam koel houdt; misschien is de vermelding van dit materiaal hier tevens bedoeld als aanduiding van de priesterstand, waartoe Jeremia behoort (vgl. l.T; Ex. 39:27vv; Lev. 16:4). Hij moet deze doek verbergen in een rotsspleet bij de Perath, naar alle waarschijnlijkheid hier bedoeld als de naam van een bergbeek, ongeveer ten N.O. van Anatoth. Doch ieder die horen wil, hoort daarin tevens de naam van de rivier Eufraat. Voor een goede verstaander is de boodschap duidelijk; zoals het gaat met dit onmisbare kledingstuk – een priesterlijke lendendoek -, zo zal het Juda vergaan. De doek moet wegrotten bij de bergbeek Perath en wordt na verloop van tijd weer te voorschijn gehaald; hij is een waardeloos vod geworden. Zo zal het ook met de mensen uit Juda gaan als de vijand uit het noorden (vgl. oa. 4:5-6:30) komt en de bevolking van Juda naar het land bij de Eufraat deporteert. Alles waarop Juda trots is (in vs 9 moet ipv. ‘glorie’ worden vertaald ‘trots’, vgl. 48:29) gaat de ondergang tegemoet en wordt zo waardeloos als een vod. De reden daarvoor is, dat het volk, ondanks alle profetische waarschuwingen, blijft volharden in afgoderij. En dan te bedenken, dat Israel en Juda voor de HERE even onmisbaar zijn als een lendendoek voor een mens! (vs 11). Maar… zij wilden niet luisteren. Het woord verstoktheid (vs 10) is typerend voor het taalgebruik van Jeremia; zie 3:17; 7:24; 9:14; 11:8; 16:12; 18: 12; 23:17; vlg. Deut. 29:19; Ps. 81:13.

De wijnkruiken 13:12-14

Hoewel dit niet uitdrukkelijk wordt vermeld, gaat het waarschijnlijk ook hier om een profetische, symbolische handeling. Het verband met het voorafgaande gedeelte geeft aanleiding tot deze opvatting. Indien deze zienswijze juist is, kunnen wij deze verzen in verband brengen met andere gedeelten, waarin over het stuk slaan van (wijn-)kruiken wordt gesproken. Daarom geven wij deze verzen het opschrift ‘de wijnkruiken’. Het opschrift in NBG benadrukt de gedachte, dat de kruiken gevuld zijn, maar in vs 14 wordt ook een toespeling gemaakt op het kapot slaan van deze kruiken. In dit geval gaat het om grote voorraadkruiken; het verbrijzelen daarvan is ook in 48:12 beeld voor ondergang (vgl. 30:14 en zie ook 22: 28). Behalve grote voorraadkruiken kende men ook kleine, gemakkelijk draagbare kruiken voor dagelijks gebruik (zie 14:3). In 19:1, 10 wordt een symbolische handeling genoemd, die verricht wordt met zulk een kleine kruik. In vs 13 is dronken worden van wijn een beeld voor de uitwerking van Gods toorn op mensen; vgl. 25: 15vv, 27; 51:7; Jes. 51:17, 21; 63:6. De bedreiging van het koninklijk huis, die wij in vs 13 aantreffen, wordt voortgezet in 13:18. Daaruit blijkt de samenhang tussen dit gedeelte en het volgende.

Laatste waarschuwingen 13:15-27

Met het opschrift is bedoeld, dat deze woorden werden gesproken in een situatie, waarin grote delen van Juda reeds in handen van de vijand uit het noorden zijn gevallen. De profeet treedt op als een heraut, die het dreigende onheil aankondigt aan Jeruzalem en met name aan de koning en zijn naaste omgeving. Zij worden ertoe opgeroepen, voor de nacht invalt – dwz. voor ook over hen het onheil onherroepelijk losbreekt – God eer te bewijzen. Hiermee is bedoeld: schuld belijden aan Hem, wiens eer door hun afgodisch gedrag is aangetast, Hem alleen dienen en dus radicaal breken met elke vorm van afgodenverering (vgl. 2:11; Joz. 7:19; Jes. 42:8; 48:11).

Gebiedster (vs 18) is de titel van de koningin-moeder, resp. van de moeder van de kroonprins (vgl. 29:2; 1 Kon. 11:19; 2 Kon. 10:13). De steden van het zuiden (vs 19) zijn de zuidelijke vestingsteden in de Negev; zij zijn door belegeraars ingesloten en niemand kan te hulp komen om het beleg te breken. Juda wordt ontvolkt, dwz. de bevolking wordt gedeporteerd. De vijand uit het noorden (vs 20) werd reeds herhaaldelijk genoemd; zie 1:13-16; 4: 5-31. Het volk van Juda wordt hier kudde genoemd; deze uitdrukking komt overeen met de benaming ‘herder’, die dikwijls voor de koning wordt gebruikt (oa. 3: 15; 10:21; 23:1; 25:34v). Minnaars (vs 21): vgl. 4:30. Het beeld van de weeën, die een zwangere vrouw onverwachts overvallen (vs 21), komt ook voor in 4:31; 6:24; 49:24; 50:43.

Het ‘optillen van de slippen’ (vs 22) is een toespeling op krijgsgevangenschap; mannelijke krijgsgevangenen werden dikwijls naakt op transport gesteld (zie Jes. 20:4; Ez. 16:37; 23:29). Tevens vinden wij daarin een voorbeeld van de veel voorkomende gedachte ‘leer om leer’: de vergelding vindt plaats op de manier, waarop de overtreding werd begaan en met gebruikmaking van dezelfde middelen . Zie de opmerking bij 5:19 en vgl. 16:13. Wie zich bij ontuchtige afgodische handelingen ontbloot (vgl. 3:6-4: 4) zal voor straf ontbloot worden. Verstrooien als kaf, wegstuivend in de woestijnwind (vs 24): deze beeldspraak is ontleend aan de gewoonte, koren te wannen in de wind op een hooggelegen plek (vgl. 4:11; 15:7; 51:2). De in vs 27 opnieuw aan de kaak gestelde afgoderij werd dikwijls bedreven op heuvels (vgl. 2:20; 17:2).

Naar aanleiding van een grote droogte 14:1-15:21

Dit gedeelte bestaat uit een aantal kleinere eenheden. Een indeling in poëzie en prozastukken is ook in dit geval bevorderlijk voor het begrijpend lezen van deze perikoop. Poëtische gedeelten zijn: 14:2-9, 17-22; 15:2b, onderscheid daarvan zijn 14.T, 10-16 en 15:1, 2a, 3, de verhaalstijl van het bijbelse proza geschreven. Vers 14:1 is een opschrift, vergelijkbaar met 46:1; 47:1; 49:34 en ten dele ook met 46:13.

2- deze verzen wordt een droogte beschreven, die zo groot is dat de spaarbekkens (bakken, vs 3) van de waterleiding bij Jeruzalem leeg zijn en zelfs de in het wild levende dieren geen water meer kunnen vinden. Bedienden (geringen, vs 3), die er op uit gestuurd worden om water te zoeken, en landbouwers, die hun totaal verdroogde akkers voor zich zien, trekken als teken van verdriet en schaamte hun opperkleed over het hoofd (bedekken het hoofd; vgl. 2 Sam. 15:30). De hele bevolking trekt een rouwgewaad aan en breekt uit in klaaggeschrei (vs 2).

7-9. Het klaaggeschrei neemt de vorm aan van een boetegebed, waarschijnlijk uitgesproken op een wegens de grote droogte uitgeroepen boete- en vastendag (vgl. vs 12; 1 Sam. 7:6; Joël2:12v; Jes. 58:3-7). Doe het om Uws naams wil (vs 7) betekent: doe iets, dwz. verricht een reddende daad, terwille van Uw naam, dat is: Uw reputatie (vgl. Ps. 23:3; 25:11; 31:4; 79:9; 106:8; 109:21; 143:11; Jes. 48:9; Jer. 14:21; Ez. 20:9, 14, 22, 44). De betekenis van deze zo dikwijls voorkomende uitdrukking wordt in de SV prachtig omschreven in een ‘kanttekening’ bij dit vers. Omdat de formulering zo indrukwekkend is, nemen wij hier voor een keer zulk een kanttekening over. ‘Staan onze zonden u in de weg, dat gij ons geen weldadigheid kunt bewijzen, zo neem en vind de oorzaak in uzelf en doe het om uws dierbaren naams wil, opdat uw ondoorgrondelijke barmhartigheid en lankmoedigheid bij de vromen geroemd en uw naam van (= door) de vijanden niet gelasterd worde’. Vgl. bijHope Israels (vs 8): 17:13; 50:7.

10-16. Het prozagedeelte herhaalt, dat het boètegebed door God wordt afgewezen (vgl. 7:16; 11:14; 14:11). Het zal nog veel erger worden dan het al is, want behalvehonger dreigt ook nog het oorlogszwaard. Jeremia blijft echter bij de HERE aandringen en poogt het volk te verontschuldigen; de mensen werden misleid door ‘profeten’. Maar nogmaals wordt nadrukkelijk gezegd, dat die oppervlakkige heilsvoorzeggers leugenprofeten zijn, met wie God niets te maken wil hebben. Het volk, dat naar zulke lieden luistert, gaat de ondergang tegemoet. Zie over de populaire heilsprofeten: 4:9v; 5:13, 31; 6:13; 8: 10; 23:9-32; 28:1-17; 37:19.

17-22. De afwijzing van het boetegebed wordt door God opnieuw onder de aandacht van de profeet gebracht en dit geschiedt deze keer met een uitdrukkelijke opdracht erbij. Hij moet in het openbaar een jammerklacht uitroepen; de inhoud hiervan wordt vermeld in vss 17 en 18. Daarna breekt de profeet uit in een tot God gerichte klacht, waarin hij namens het volk spreekt (vs 19). Vervolgens spreekt hij opnieuw namens het volk een boetegebed uit (vss 20-22). De stijl van dit gedeelte doet ons denken aan het taalgebruik in andere boete- en smeekgebeden in het O.T. De gelegenheid ontbreekt, hier op alle parallelle plaatsen te wijzen; zie in de inleiding op het boek Jeremia de opmerking over het gebruik van een bijbeluitgave met uitvoerige opgave van parallelle plaatsen of van een concordantie. Hier wordt volstaan met het geven van enige korte toelichtingen, resp. verwijzigingen. Hoop (vs 19) betekent hier: men hoopt (vgl. 8:15). Verworpen (vs 19): zie de toelichting bij 6:30 en vgl. ‘versmaden’ in 4:30; zie ook 7:29; 31:37; 33:24, 26. Zie bij heerlijke troon (vs 21): 3:17; 17:12. Nietigheden der volken (vs 22): vgl. de ‘ijdelheden’, genoemd in 1 Kon. 16: 13, 2 Kon. 17:15 ed. en zie 1 Kon. 18:20-46. Hemel (vs 22) is waarschijnlijk een toespeling op de zgn. hemelkoningin, genoemd in 7:16-20 en 44:1-30.

1-9. Opnieuw wordt het boetegebed (14:20-22) door God in felle bewoordingen afgewezen. Hij voegt daaraan een zware bedreiging toe, tw. de vier korte dichtregels in vs 2b, die ook in 43:11 voorkomen. In de verzen 3 en 4 worden deze dichtregels in proza toegelicht. Mozes en Samuël worden in vs 1 als voorbidders genoemd; vgl. Ps. 99:6-8 en zie Ex. 17:11; 32:11; 33:12vv; Num. 14:13vv; 1 Sam. 7:9; 12:17. Bestemd ten dode (vs 2): het woord ‘dood’ is hier een toespeling op de pest; vgl. 14:12; 29:18; Ez. 6:12; 7:15. Geen enkele voorbede, hetzij van Jeremia of van iemand anders, zal baten, zolang het volk nog steeds dezelfde zonden bedrijft als koning Manasse (zie 2 Kon. 21 en 24:3v). Zijn zoon Josia bracht weliswaar een grondige reformatie tot stand (2 Kon. 23), maar uit verscheidene passages in het boek Jeremia blijkt, dat afgoderij in diverse vormen en daarmee verband houdende zonden bleven voortbestaan (zie oa. 3:8-10; 7:16-20). Daarom zal Juda zó zwaar worden gestraft, dat het in wijde omtrek tot een spreekwoordelijk beeld van vloek en ondergang zal worden (vgl. 24:9; 29:18; 34:17). In de gebruikte formulering wordt een toespeling gemaakt op teksten als Gen. 12:2; Jes. 19:24 ed., waarin in uitzicht wordt gesteld, dat Abraham en zijn nakomelingen onder de volken tot een spreekwoordelijk voorbeeld van zegen zullen worden. De genoemde teksten uit het boek Jeremia betekenen, dat de belofte omslaat in haar tegendeel. Eerst werd onder de volken gezegd: moge het je zo goed gaan als Abraham en zijn volk. Maar nu zal men onder de volken als verwensing de formule gebruiken: het zal je vergaan als Juda! Zulk een sarcastische omkering van een heilsbelofte vinden wij ook in vs 8. Aan Abraham werd beloofd, dat zijn nakomelingschap zo ontelbaar zou worden als zandkorrels aan het strand (Gen. 22:17). Maar nu wordt aan Juda in uitzicht gesteld, dat het aantal weduwen nog groter zal zijn. Vgl. voor zulk sarcasme 21:5, 8.

De bedreiging die in vs 2b voorkomt en in proza wordt toegelicht in vss 3 en 4, vindt in poëtische vorm haar nadere uitwerking in de verzen 5-9. Juda wordt vergeleken met een treurende, vereenzaamde vrouw, wier kinderen in de oorlog omkwamen. Niemand zal nog de moeite willen nemen, haar te bezoeken om rouwbeklag te komen doen. Opnieuw wordt gezegd, waarom haar dit zo zal vergaan en hoe onverhoeds dit zal gebeuren (vgl. 6:4: Ps. 91:6). Zelfs de moeder van een groot een gelukkig gezin, in vs 9 aangeduid met het symbolische getal van zeven kinderen (vgl. 1 Sam. 2:5), zal alleen achterblijven en haar verdriet niet te boven kunnen komen. En wat er dan uiteindelijk, na alle honger en pest tijdens de belegering, nog van de bevolking overgebleven is, zal door de vijand worden afgeslacht. Zie bij wannen (vs 7) de opmerkingen bij 4:11 en 13:24.

10-21. Na deze verschrikkelijke, aangstaanjagende onheilsdreigingen breekt de profeet uit in een noodschreeuw, waarin hij zijn geboorte vervloekt (vgl. 20:1418; Job 3:3-20). Hij beklaagt zich erover dat hij, die voortdurend als onheilsboodschapper moet optreden, door ieder wordt vervloekt. Uit 11:18-23 kan worden afgeleid, dat dit zelfs in zijn familiewoonplaats Anatoth het geval was. Het antwoord dat de profeet van God op deze noodschreeuw ontvangt (vss 11 en 12) is niet geheel duidelijk omdat hier de hebreeuwse tekst nauwelijks vertaalbaar is. Misschien is vs 12 een toespeling op 1:18, waar de profeet een ijzeren zuil en een koperen muur wordt genoemd (vgl. 15:20). Indien het juist is, hier deze verbinding met 1:18 te leggen, zou ‘ijzer uit het noorden’ opgevat kunnen worden als aanduiding van een bijzonder sterke kwaliteit ijzer. Op het antwoord van Go<^ wordt door de profeet gereageerd in vss 15-18. Daarop”” volgt in vss 19-21 opnieuw een antwoord van God. Het gesprek tussen de profeet en zijn Opdrachtgever wordt onderbroken door de verzen 13 en 14. Deze komen grotendeels overeen met 17:3-4, waar zij in het tekstverband beter op hun plaats zijn dan hier.

Het gebed om wraak in vs 15a doet ons denken aan Gods dreiging met Zijn wraak in 5:9, 29; 9:8; 46:10; 50:15. Jeremia, die herhaaldelijk zijn onschuld betuigt (oa. in vss 10 en 17), wordt door zijn tegenstanders belasterd. Maar daarmee belasteren zij in feite zijn Opdrachtgever (vs 15b; vgl. Ps. 69:10; 89:51 v; Klaagl. 3:61). Hij heeft immers niet zoals de leugenprofeten zijn boodschap zelf verzonnen, maar heeft in opdracht van God Zelf gesproken. Gods woorden heeft hij met graagte tot zich genomen, zoals een uitgehongerd mens wanneer hij iets eetbaars vindt (vgl. Ez. 2:8; 3:3). In een kring van uitgelaten mensen, die lachen over God en Zijn woord, heeft hij nooit gezeten. Daarom is hij een eenzaam man gebleven (vs 17; vgl. 16:1-9 en Ps. 1:1; Klaagl. 3:28). Hoewel hij weet, dat hij door God Zelf tot zulk een levenswijze geroepen en afgezonderd is (vs 16 Uw naam is over mij uitgeroepen, vgl. 7:10; zie ook ‘geheiligd’, dwz. afgezonderd, in 1:5), beklaagt hij zich bitter daarover en maakt hij zijn Opdrachtgever een godslasterlijk verwijt. Hij beschuldigt Hem er van, zo onbetrouwbaar te zijn als een bergbeek; die in de hete zomer uitdroogt (zie Job 6:15-20; Mi. 1:14 en vgl. de in Ps. 126-4 genoemde beken in de Negev).,Hierop volgt in de verzen 15:19-21 Gods antwoord, waarin de profeet wordt terechtgewezen. Slechts indien hij zich weer dienovereenkomstig zal gedragen, mag hij nog langer Gods dienaar zijn en ‘Zijn mond’ zijn, dwz. namens Hem als gezant optreden (Vgl. 1:9; Ex. 4:16). Vgl. bij vóór Mij staan: Deut. 10:8; 1 Kon. 17: 1; 18:15; Dan. 1:5. In NBG werd in de genoemde teksten de uitdrukking helaas niet gelijkluidend vertaald. De term is ontleend aan hofterminologie en betekent als die naar vóór de koning staan.

Ten ondergang gedoemd 16:1-17:18

Het opschrift in NBG, dat hier wordt overgenomen, is niet . meer dan een poging, een gemeenschappelijke hoofdgedachte te vinden in een gedeelte, waarin verschillende onderwerpen ter sprake komen.

Begin en einde van deze perikoop berusten op de inleidingsformules in 16:1 en 17:19. Wij delen deze perikoop in in de volgende kleinere eenheden: 16:1-13; 16:14 en 15; 16:16-18; 16:19-21; 17:1-4; 17:5-8; 17:9-11 en 17:1218.

1- deze verzen wordt het eenzame leven beschreven, dat Jeremia op Gods bevel moet leiden. Deze levenswijze berust niet op eigen vrije keus, maar is een vorm van wat wij bij 13:1-11 ‘profetie metterdaad’ noemden. In dit geval gaat het echter niet om een incidentele daad of om een handeling, die slechts enige tijd duurt, doch om een konsekwent volgehouden levenswijze. Een profeet heeft geen ‘persoonlijke levenssfeer’, waarin hij zelf beslissingen neemt, maar is een levende en bittere illustratie bij Gods relatie tot Zijn volk (vgl. Hos. 1-3). De zeer ongebruikelijke en juist daardoor zo opvallende levenswijze van Jeremia blijkt uit het feit dat hij ongehuwd blijft, hetgeen in die tijd zeer ongewoon was. Bovendien onttrekt hij zich aan het normale sociale verkeer, want bij een sterfgeval in zijn omgeving neemt hij geen deel aan het gebruikelijke rouwbeklag en als er in de buurt mensen gaan trouwen komt hij niet op de bruiloft. Natuurlijk leidt zulk ‘afwijkend gedrag’ tot allerlei vragen, die hem dan weer aanleiding geven tot het verkondigen van de onheilsboodschap die hij namens God moet brengen. Opnieuw wordt gedreigd met de komende straf (vgl. 15:12): pest, honger en zwaard, alsmede de komende ballingschap (vss 16-18). En weer wordt benadrukt, dat hiermee de hardnekkige afval van God en Zijn dienst wordt bestraft. In vs 6 worden rouwgebruiken genoemd die weliswaar volgens de Tora verboden zijn, maar desondanks toch in Oud-Israel werden uitgeoefend (zie Lev. 19:27v; Deut. 14:1; Jes. 22:12; Jer. 41:5; 48:37 (Moab); Ez. 7:18; Am. 8:10). Vgl. bij vs 12: Jer. 7:34 en zie over verstoktheid 13:10.

In vs 13 treffen wij weer de gedachte aan van ‘leer om leer’, waarop bij 13:22 werd gewezen.

14 en 15. Deze verzen onderbreken de samenhang tussen de onheilsdreigingen in vss 1-13 en vss 16-18. Zij zijn grotendeels gelijk aan 23:7-8. Het woord daarom, waarmeevs 14 begint, vraagt om een ander tekstverband dan waarin het hier staat. Op grond hiervan nemen wij aan, dat deze verzen uit 23:7-8 werden overgenomen en hier werden ingelast. De reden daarvoor kan een liturgische zijn geweest. Een zeer oud joods voorschrift voor de voorlezing van bijbelgedeelten bepaalt, dat een voor te lezen gedeelte niet mag eindigen met een ‘vloek’, maar beëindigd moet worden met een ‘zegen’. Deze regel wordt nog steeds toegepast, bv. wanneer het boek Klaagliederen wordt voorgelezen; na het laatste vers (5:22) dat zeer bedreigend klinkt, wordt het voorafgaande vers, dat een gebed om terugkeer is, herhaald. Misschien is ook de hier voorkomende doublure op deze wijze tot stand gekomen. Zie ook in de toelichting bij 10:12-16 onze opmerkingen over doublures. Er moet hier echter wel op gewezen worden, dat de verzen 14 en 15 reeds in de Septuaginta voorkomen. Dit duidt er op, dat zij reeds omstreeks de 2de eeuw v.Chr. als deel van de tekst werden beschouwd; zie ook de toelichting bij 52:31-34.

16-18. De verzen 16-18 zetten voort, wat in vs 13 wordt gezegd. Om het volk ‘weg te slingeren uit het land’ zendt God de vijand, die hen opjaagt uit alle schuilhoeken waar zij zich pogen te verbergen tegen Gods oordeel. Omdat zij zijn land door afgoderij hebben ontwijd, worden zij in dit land opgejaagd als wild en er uit weggevaagd.

19- tegenstelling tot het voorafgaande deel van dit hoofdstuk, dat in prozastijl werd geschreven, bestaan de verzen 19-21 uit poëzie. In een kort gebed (vs 19v) spreekt de profeet zijn verwachting uit, dat de volken hun afgodendienst zullen afzweren en zich tot de HERE zullen wenden (vgl. Jes. 45:23v). Dit gebed wordt door God met een belofte beantwoord (vs 21). Er is geen duidelijk aanwijsbare samenhang tussen deze verzen en de voorafgaande. Misschien ligt er echter toch een verhuld, associatief verband in een gedachtentegenstelling. Jeremia is niet alleen profeet voor zijn eigen volk maar ook voor andere volken (zie 1:10), tot wie hij ook zijn profetische woord moest richten (zie 25:15-38 en hst. 46-49). Als Juda onbekeerlijk zou blijken, blijft de profeet hopen op bekering van de andere volken.

Zie bij enkel leugen en nietigheid: 2:5; 5:7; 8:19; 14:22. Vers 20b komt overeen met enige woorden in 2:11. Naast onze mening vereist het tekstverband een iets andere vertaling van vs 21 dan wij in NBG aantreffen. Daarin wordt het vers opgevat als een hernieuwde bedreiging, gericht tot-Juda. In plaats van het dreigende laten gewaarworden geven wij de voorkeur aan de vertaling ‘onderrichten; doen kennen’. Wij vatten dit vers immers op als een belofte, waarmee God Jeremia’s gebed beantwoordt.

17:1-4. Deze verzen bestaan uit dichtregels, die slechts in vs 2 onderbroken worden door een kort stukje proza, dat als een toelichtende tussenopmerking beschouwd kan worden. Doch deze tussenopmerking is niet erg duidelijk. In het handelsverkeer schreef men destijds in Oud-Israel een schuldbekentenis met inkt op een potscherf. Maar in dit geval is de schuld van Juda zo groot, dat deze moet worden ingegrift in steen, op de manier waarop destijds inscripties werden aangebracht. De ‘tafels’, dwz. de gepolijste stenen, waarop in dit geval de onuitwisbare inscriptie wordt aangebracht, zijn de ‘stenen harten’ vande Judeeërs (vgl. Spr. 3:3; 7:3; Ez. 36:26). De onuitwisbaar geregistreerde schuld zal moeten worden betaald, doordat God hun alles wat zij hebben afneemt (vss 3-4, die grotendeels ook in 15:13v voorkomen, doch hier beter in het tekstverband passen).

5-8. Hierop volgt een passage over vloek en zegen. Degene, die in de benarde situatie op hulp van mensen vertrouwt, wordt vergeleken met een kale struik in de steppe, die zelfs niet meer uitloopt bij goed weer. Dit is een toespeling op het zoeken van hulp bij Egypte en andere, kleinere bondgenoten, in de hoop de uit het noorden aanrukkende vijand tot staan te kunnen brengen (vgl. Jes. 31:3; 36:6; Ez. 29:6v). Maar degene die op God vertrouwt en alleen van Hem hulp verwacht, is als een altijd groene en vruchtdragende boom, geplant aan het water (vgl. Ps. 1 enPs. 92:13-16).

9-11. De drie voorafgaande verzen, die ons doen denken aan de bijbelse wijsheidsliteratuur, worden voortgezet in vss 9-11, welk gedeelte eveneens het karakter van de genoemde literatuursoort heeft. Hoewel het gedeelte een zelfstandig onderdeel van het tekstgeheel is, ligt er een associatieve verbinding met vs 1, waarin immers over ‘het hart’ wordt gesproken. Zie over ‘hart en nieren’ de opmerking bij 11:20. De helft zijner dagen is de middelbare leeftijd (vgl. Ps. 55:24); hij bereikt slechts de helft van de gemiddelde menselijke leeftijd, en dan is het met hem afgelopen. De bedoeling van de tekst is: onrechtmatig verkregen goed gedijt niet. Wie zijn hoop op onrechtmatig verkregen rijkdom stelt, komt tenslotte bedrogen uit en staat voor zot (vgl. Ps. 49; Luc. 12:20v). Zijn einde (vs 11) is: het eind van zijn leven.

12-18. Dit gedeelte bestaat uit twee kleinere eenheden, tw. vss 12-13 en vss 14- NBG wordt vs 12 opgevat als een reeks aanspreektitels voor God, doch een dergelijke opsommig is in het O.T. niet gebruikelijk en zou bovendien aan de hier gebruikte woorden een betekenis toekennen die zij gewoonlijk niet hebben. Daarom vertalen wij als volgt: ‘Troon der heerlijkheid, van ouds verheven, is de plaats van ons heiligdom. De hoop van Israel is de Here. Alleen die U verlaten zullen beschaamd uitkomen, en zij die (van U) afwijken zullen in de aarde geschreven worden, omdat zij de bron van levend water verlieten, de HERE’. De tempel wordt hier aangeduid als troonzetel van Gods heerlijkheid, dwz. van zijn stralende glorie (vgl. 1 Kon. 8:10v; Ps. 80:2; 99:1; Jer. 14:21). Ook in 14:8 wordt God ‘de hoop van Israel’ genoemd. In de aarde worden geschreven betekent: aan de vergetelheid worden prijsgegeven (vgl. Ps. 69:29). Zie bij bron van levend water. 2:13; Ps. 36:9v.

De verzen 14-18 zijn een smeekgebed van de profeet, die lijdt onder de lasterpraat van zijn tegenstanders; zij bespotten hem en beweren dat het door hem aangekondigde onheil toch nooit komt. Het slot van vs 18 betekent: vergeld hun dubbel en dwars. Overeenkomstige gebeden om bestraffing van de vijanden komen voor in 11:20; 12: 3; 15:15; 18:21v; 20:12.

Sabbatsrust 17:19-27

Het poëtische gedeelte, dat in 1:19 begint en in 17:18 eindigt, wordt gevolgd door een lang stuk proza (17:19-20: 6), dat slechts in 18:13-17, 19-23 door poëtische passages wordt onderbroken. Het prozagedeelte begint met eenopdracht aan Jeremia betreffende het onderhouden van de sabbatsrust. In dit gedeelte vinden wij enige overeenkomsten met passages in 22:1-5, waar sociale misstanden worden gehekeld. Vgl. 17:19v met 22.Tv en 17:24, 25, 27 met 22:4v. In 22:1-5 wordt de cultus niet genoemd, terwijl daarentegen hier in 17:19-27 het verval van het maatschappelijk leven niet ter sprake komt. Toch is er, gezien bovengenoemde overeenkomsten, blijkbaar een verband tussen overtredingen op cultisch gebied en sociale misstanden. De neiging van sommige uitleggers, passages waarin cultische overtredingen worden veroordeeld, geringschattend te behandelen en alle nadruk te leggen op profetische veroordelingen van sociale misstanden, berust dan ook meer op vooringenomen standpunten dan op nauwkeurig lezen van de desbetreffende teksten. Zie ook de opmerkingen bij 7:21-28.

De inwoners van Juda en Jeruzalem worden opgeroepen, de sabbat te heiligen (vss 22, 24, 27; vgl. Ex. 20:8), dwz. een bijzonder karakter te geven, onderscheiden van gewone werkdagen, wijden. Zij moeten dit doen door op die dag zich ervan te onthouden, lasten door de stadspoorten naar binnen te brengen of hun huizen uit te dragen. Bedoeld is: om met die waren ruilhandel te drijven. Ook mogen zij op die dag hun gewone werkzaamheden niet verrichten. Over de wijze, waarop de sabbat destijds gevierd werd, is ons niet veel bekend, behalve dan dat er op die dag een extra brandoffer werd gebracht (zie Num. 28:9v). De profeet krijgt de opdracht het gehele volk, van hoog tot laag, te vermanen, de sabbatsrust in acht te nemen. Hij moet dit doen door deze vermaning met de daarbij behorende bedreiging met straf (vgl. Ex. 31:13; Num. 15:32-36), resp. belofte van zegen, uit te roepen in alle poorten van Jeruzalem. Met een kleine tekstwijziging lezen wij in vs 19 ‘Benjaminpoort’ ipv. de poort van de kinderen des volks. Jeremia moet beginnen, zijn boodschap uit te roepen in die poort, omdat die bij voorkeur werd gebruikt door de leden van het koninklijk huis (zie over deze poort: 20:2; 37:13; 38:7; Ez. 48:32; Zach. 14:10). Eerst moet de koning vermanend worden toegesproken, omdat hij verantwoordelijk is voor de handhaving van de rechtsorde. Daarna moet de profeet dezelfde vermaning uitroepen in alle andere poorten van Jeruzalem, waar alle Judeeërs de stad in en uit gaan. De ruimte bij een stadspoort werd destijds dikwijls gebruikt als plaats van samenkomst, zodat daar ook officiële proclamaties konden worden afgekondigd. Vers 26 beschrijft de geografie van Juda: noordelijk van Jeruzalem ligt Benjamin, ten westen daarvan de Laagte, rondom de stad het Gebergte en ten zuiden daarvan ligt de Negev, het Zuiderland. Vgl. bij vs 25: zitten op de troon van David: 13:13. Zie over de grote brand bij de ondergang van Jeruzalem in 586 v.Chr.: 39:8; en vgl. de bedreigingen in Am. 1, die echter onder andere historische omstandigheden werden uitgesproken.

Jeremia bij de pottenbakker 18:1-12

De NBG-vertaling heeft één opschrift boven 18:1-20:6. Hierdoor wordt de indruk gewekt, dat dit gedeelte één samenhangend geheel is. Dit is echter niet het geval, en daarom wordt hier een andere indeling gegeven, zodat de diverse onderdelen gemakkelijker herkenbaar zijn. Eerst wordt bericht dat de profeet naar de werkplaats van eenpottenbakker moet gaan. Om die werkplaats te bereiken, moet Jeremia ‘afdalen’ (vs 2), dwz. de stad uit gaan. De pottenbakker werkte blijkbaar buiten de stad op een plek, waar hij zijn grondstof voor het grijpen had. Omdat destijds aardewerken kruiken ed. dagelijkse gebruiksvoorwerpen waren, was hetgeen Jeremia in die werkplaats te zien kreeg een gewoon alledaags tafereeltje. Het is juist dit gewone, dit alledaagse, dat door het profetische woord zo ‘doorgelicht’ wordt, dat het een symbolische, verkondigende functie krijgt. Zie bij 13:111 de opmerkingen over ‘profetie metterdaad’. Zie over het werk van de pottenbakker ook: Jes. 29:16; 45:9; 64: 8; Rom. 9:21. In de profetie, die Jeremia door God in de mond wordt gelegd bij dit bezoek aan de pottenbakker, komen opnieuw de woorden uitrukken en afbreken, bouwen en planten voor, die zo kenmerkend zijn voor de aan Jeremia gegeven opdracht (zie 1:10). Bovendien blijkt opnieuw, dat het profetische woord niet alleen Juda geldt, maar ook andere volken en koninkrijken (vgl. 1:10; 25:15-38; hstt. 46-51). Doch hier spitst het zich toe op Juda en Jeruzalem, die opnieuw door de profeet tot bekering worden geroepen. Het woord verstoktheid (vs 12) is kenmerkend voor het taalgebruik van Jeremia; zie 3:17; 7:24; 9:13; 11:8; 13:10; 16:12; 23:17en vgl. Deut. 29:19; Ps. 81:13.

Het onnatuurlijke van Juda’s afvalligheid 18:13-17

In sommige natuurverschijnselen kan men een zekere regelmaat en wetmatigheid waarnemen (vgl. 8:7, waar dit van het gedrag van trekvogels wordt gezegd). God zou mogen verwachten, dat dit ook zou gelden voor de levenshouding van Zijn volk. Maar dit doet iets volslagen onnatuurlijks, wat zelfs onder de volken ongehoord is (vgl.2:10, 11). Het keert zich bewust en opzettelijk van Hem af. Daarom wendt Hij Zich af, en dat zal verschrikkelijke gevolgen met zich brengen. Oude paden (vs 15): vgl. 6:16. Zijn hoofd schudden (vs 16): ten teken van spot en leedvermaak; vgl. 2 Kon. 19:21; Job 16:4; Ps. 22: 8; 109:25; Jes. 37:22; Jer. 48:27; Klaagl. 2:15.

Een aanslag tegen Jeremia en zijn reactie daarop 18:18-23

De leiders van het volk (vgl. vs 11) beramen een aanslag tegen Jeremia, wiens onheilsprediking zij afwijzen (vgl. 20:10v). Zij doen dit, omdat zij menen te kunnen volstaan met de woorden van priesters, wijzen en ‘heilsprofeten’ (4:10; 6:14; 8:11; 23:17; 38:4). Zij proberen Jeremia monddood te maken door middel van een beschuldiging van valse profetie, welke beschuldiging uiteindelijk tot zijn ondergang moet leiden. Hoe moorddadig hun plan is, vernemen wij uit de vss 19-23, waarin de profeet (in poëtische vorm) aan God zijn nood klaagt en om bestraffing van zijn vervolgers bidt (vgl. 11:20; 12:3; 15:15; 17:18; 20:12). Zoals hij zich in zijn klachten vereenzelvigt met de nood van het volk, wanneer het om ontferming roept (vgl. 7:16; 11:14; 14:7-9), zo vereenzelvigt hij zich hier op profetische wijze met de heilige toorn van God (vgl. 17:18; Ps. 69:23-26; 109:1-20).

Verbrijzeling van een kruik in het Moorddal 19:1-13

Het dal Ben-Hinnom en de zich daar bevindende ‘vuuroven (Tofeth) kwamen reeds ter sprake in 7:19-8:3. Zie

de desbetreffende toelichting. Thans wordt bericht, hoe Jeremia in dat dal in het bijzijn van getuigen een waterkruik moet verbrijzelen. Zie bij 13:1-11 de opmerkingen over ‘profetie metterdaad’. Nadat de profeet op Gods bevel een waterkruik heeft gekocht, gaat hij met de in vss 1 en 10 genoemde getuigen naar het dal, waar kinderoffers werden gebracht. Op felle wijze veroordeelt hij opnieuw deze misdadige offerdienst en kondigt de daarop volgende bestraffing aan. Hij illustreert zijn profetische woorden met een profetische daad: in Gods naam verbrijzelt hij de kruik; zo zullen stad en land verbrijzeld worden. De offerdienst in het dal Hinnom ging gepaard met afgodische handelingen, die genoemd worden in vs 13; vgl. 7:16-20; 44: 1-30.

Jeremia predikt opnieuw in de tempel, wordt gevangen genomen en weer vrijgelaten 19:14-20:6

De felle onheilsdreiging, door Jeremia met woord en daad verkondigd in het ‘Moorddal’, wordt door hem in het openbaar herhaald en samengevat. Hij doet dit in de voorhof van de tempel (vgl. 7:2), een vergaderplaats waar velen uit het volk bijeenkwamen. De onheilsprediking, die in 7:1-5 (vgl. hst. 26) een oproep tot omkeer was, krijgt wegens de voortgaande hardnekkigheid van het volk thans het karakter van onheilsdreiging. De priester Pashur, nakomehng van Immer (vgl. 1 Kron. 24: 14) maakt als hoofdopziener van de tempel gebruik van zijn bevoegdheid, de orde te handhaven en laat de door hem als gevaarlijk beschouwde priester-profeet arresteren en geselen. Daarna laat hij hem in een blok, waarin openingen zijn voor armen en benen, vastklemmen. Vervolgens wordt Jeremia voor één nacht in een vertrek van de noordelijke tempelpoort, de Benjaminpoort, gevangen gezet (vgl. 37:13; 38:7). De volgende ochtend verkondigt de profeet, na zijn vrijlating door Pashur, aan deze de komende straf. Met behulp van een woordspeling (vgl. 1:11 v) geeft Jeremia de naam Pashur de betekenis ‘Schrik-van-rondom’, dwz. panische angst; vgl. 6:25. Babel zal Juda veroveren, onderwerpen, leeg plunderen en velen uit de bevolking, waaronder ook Pashur en de zijnen, deporteren. Vers 6b wekt de indruk, dat Pashur zelf valse profetie heeft bedreven, maar hier is waarschijnlijk bedoeld, dat hij als hoofdopziener van de tempel verantwoording draagt voor wat daar gebeurt. Hij heeft toegelaten, dat in de tempel valse profeten optraden (vgl. 14:14; 23:25v; 27:10, 14, 16; 29:9, 21), en dit had hij moeten verhinderen. Omdat hij dat niet deed, is hij schuldig aan ernstig verzuim van zijn ambtelijke plichten, en daardoor medeplichtig aan de in de tempel verkondigde leugens.

Jeremia’s zielestrijd 20:7-18

Dit in poëtische stijl geschreven gedeelte bestaat uit twee kleinere eenheden, vss 7-13 en vss 14-18, die echter geen inhoudelijke samenhang hebben. Waarschijnlijk zijn zij bij onderling verschillende gelegenheden ontstaan. Vss 713 maken duidelijk, hoe de overmacht van het Woord van God de profeet er toe bracht, in Zijn naam te spreken. Jeremia kon er zich niet aan onttrekken, hoe graag hij dat ook wilde. Hij werd door God overreed (vs 7), letterlijk: verleid; vgl. het bericht over Jeremia’s roeping in l:6vv. Hij onderging het Woord van God zó, dat hij erbijna aan ten onder ging. Pogingen, zijn profetische opdracht te ontgaan, mislukten hem, want telkens opnieuw werd hij door het Woord van God overweldigd. Het gevolg daarvan was, dat ook hem de smaad en verachting trof, die God van Zijn volk ondervond. Dit wordt in vs 10 verder uitgewerkt: met gemene lasterpraat poogde men, Jeremia’s profetisch optreden onmogelijk te maken (vgl. 18:18). Maar God stond hem strijdbaar ter zijde, zodat de plannen van de tegenstanders mislukten en zij zelf te schande werden. Vs 12; zie 11:20; de ‘rechtszaak’ is een ‘twist’, vgl. 2:4-19. Het vertrouwen op Gods hulp (vs 12) leidt tot het uitspreken van een lofprijzing (vs 13). De functie van de woorden schrik van rondom in vs 10 is niet geheel duidelijk; zie voor de betekenis: 6:25. Misschien is hier bedoeld dat panische angst de profeet overvalt bij het horen van de lasterlijke aantijgingen, die tegen hem worden ingebracht. Maar het is ook mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk, dat deze woorden hier betrekking hebben op een door zijn tegenstanders tegen Jeremia gerichte scheldpartij; wegens de inhoud van zijn onheilsboodschappen noemen zij hem ‘schrik-van-rond-om’ (vgl. Ps. 31:14).

De verzen 14-18 zijn een noodschreeuw, een felle klacht, waarin Jeremia zijn geboorte vervloekt. Vgl. 15:10v en Job 3:3-20. Zie bij vs 16: Gen. 19:1-29, en vgl. ivm. zonder dat het Hem berouwde 18:8-10 en Gen. 6:6. Dit gedeelte is een huiveringwekkende zelfvervloeking, waardoor ons duidelijk wordt, hoe zwaar het profetisch ambt voor Jeremia was. Het profetische woord wordt soms een ‘last’ genoemd (zie oa. 23:33-40); soms valt Jeremia deze last zo zwaar, dat hij er bijna onder bezwijkt.

Zedekia’s eerste gezantschap 21:1-10

Dit gedeelte heeft betrekking op de tijd van koning Zedekia. Afgezien van het opschrift van het boek (1:1-3), wordt zijn naam hier voor het eerst in Jeremia genoemd. Zedekia, die een vazal van Babylonië was (vgl. 2 Kon. 24:17), kwam in bondgenootschap met omringende volken (zie 27:3) en vooral met Egypte (zie 44:30) tegen Ba-bel in opstand, hoewel er sedert de inname van Jeruzalem in 597 v.Chr. reeds een vazallenverdrag met Babel van kracht was. Daarom trok de koning van Babel met zijn leger tegen hem op en belegerde Jeruzalem van het voorjaar van 588 tot de zomer van 586 (zie 39: lv). Deze belegering werd onderbroken toen Nebukadnezar de strijd aanbond met het leger van farao Hofra (vgl. 37:110). Kort voor het begin van de belegering zendt Zedekia zijn eerste ‘gezantschap’ naar Jeremia. Later zal hij dat nogmaals doen (zie 37:1-10); dat ‘tweede gezantschap’ wordt door de koning naar Jeremia gezonden in de tijd dat de Babyloniërs het beleg tijdelijk onderbroken hadden. Bij beide gelegenheden poogt Zedekia, de profeet aan zijn zijde te krijgen en hem er toe te brengen, bij God voorspraak te doen voor Jeruzalem en haar inwoners. Maar in beide gevallen verkondigt Jeremia de dreigende ondergang. De koning heeft immers de plechtige vazallen-eed geschonden en daarom zal de straf niet uitblijven (vgl. Ez. 17:11-19). De namen van de personen, die door de koning naar Jeremia worden gezonden, zijn Pashur en Zefanja. Pashur, de zoon van Malkia, wordt ook genoemd in 38:1; hij is een andere persoon dan Pashur, zoon van Immer, de in 20.Tw genoemde priester en hoofdopziener van de tempel. De vooraanstaande priester Zefanja, zoon van Maäseja, wordt ook vermeld in 29:25, 29; 37:3 en 52:24. Namens de koning dringen de beide afgezanten er bij Jeremia op aan, voorbede voor Jeruzalem te doen, maar de profeet kondigt opnieuw de dreigende ondergang aan. Via de gezanten richt hij zich eerst tot de koning en vervolgens tot het volk. Evenals in enkele andere van zijn profetieën gebruikt hij hier uitdrukkingen, die ook voorkomen in de verhalen over de uittocht uit Egypte (zie oa. Ex. 5:24; Deut. 4:34; 5:15 ed.). Gods uitgestrekte hand en sterke arm (vs 5) zullen zich echter ditmaal niet tegen de vijanden richten, maar tegen Jeruzalem. Bekende motieven uit de verkondiging van Gods bevrijdend handelen in het verleden worden hier omgekeerd en worden zo tot elementen van ge-richtsaankondiging (vgl. 15:1-9). Opnieuw worden de verdelgingsmiddelen genoemd, waarmee God Jeruzalem zal treffen (vgl. 14:18; 15:2; 38:2). De conclusie is: wie in de stad blijft, gaat zijn ondergang tegemoet, maar wie zich aan de Babyloniërs overgeeft zal het er levend afbrengen (vgl. 38:2v). Zie ivm. de in vs 8 genoemde twee ‘wegen’: Deut. 30:15, 19; Ps. 1:1, 6. Zijn leven zal hem ten buit zijn (vs 9): vgl. 38:2; 39:18; 45:5.

Profetieën over Juda’s koningen, profeten en priesters 21:11-23:40

In de perikopen, waaruit dit gedeelte bestaat, is een onderlinge samenhang aanwijsbaar. Deze samenhang is thematisch van aard, want de zes onderdelen die wij in dit gedeelte kunnen onderscheiden, hebben alle betrekking op de leiders van het volk, tw. de koningen, de profeten en de priesters. Na de profetische veroordelingen van ontrouwe koningen (‘herders’), die in historische volgorde worden genoemd, volgen heilsbeloften over een toekomstige rechtvaardige heerser. Hierbij sluit zich een veroordeling van ontrouwe profeten en priesters aan.

Over het koningshuis 21:11-22:9

Het koningshuis wordt opgeroepen tot bekering en – in geval van voortgaande ongehoorzaamheid – bedreigd met Gods gericht (vs 12b komt overeen met 4:4b). Dit gericht wordt aangezegd wegens moreel verderf, dat het gevolg is van ontrouw aan Gods verbond, en tot uitdrukking komt in afgoderij en het niet in bescherming nemen van verdrukten en rechtelozen. Zie de toelichting bij 17: 19-27, waarin gewezen wordt op een samenhang tussen cultische en maatschappelijke misstanden. Zie over dergelijke sociale misstanden ook: 5:26-31. Het dal, rots in de vlakte (vs 13) slaat op het dal Refaïm ten Z.W. van Jeruzalem, waar de koningen van Juda een buitenpaleis hadden (vgl. 22.13v), gelegen bij het huidige Ram at Rachel, waar opgravingen plaats vonden en resten van dit paleis aan het licht werden gebracht. Met woud (vs 14) is de troonzaal bedoeld, waarin veel cederhout was verwerkt. In 22:lw gaat het echter over het koninklijk paleis in Jeruzalem. De profeet moet daarheen ‘afdalen’ (vgl. 18:2), waarschijnlijk vanuit het iets hoger gelegen tempelgebied (vgl. 36:12). Het paleis wordt in vs 6 vergeleken met het bosrijke Gilead (zie 8:22; 46:11; 50:19) en met de Libanon, omdat ook in dit paleis veel cederhout was verwerkt (vgl. 1 Kon. 7:2; 10:17; 2 Kron. 9:16, 20).

De in vs 7 genoemdeverdervers zijn plunderaars (vgl. 1 Sam. 13:17). De hier gebruikte term ‘wijden’ is ontleend aan het taalgebruik betreffende de zgn. ‘heilige oorlog’, die met godsdienstige riten werd begonnen (zie oa. 6:4; 51:27, 28; Joël 3:9; Mi. 3:5, waar ipv. ‘uitroepen’ – zoals NBG heeft – gelezen moet worden: ‘heiligen’).

Over Sallum 22:10-12

Sallum, die de troonnaam Joahaz aannam, volgde in 609 v.Chr. zijn vader Josia op, nadat deze in de slag tegen farao Necho bij Megiddo gesneuveld was. Hij regeerde slechts drie maanden, werd door genoemde farao afgezet en naar Egypte gedeporteerd (vgl. 2 Kon. 23:30-34). De klaagzang over de dode, dwz. de gesneuvelde koning Josia, moet worden vervangen door een klaagzang over de gedeporteerde Sallum, want hij zal niet naar dit land, dwz. Juda terugkeren.

Over Jojakim 22:13-19

Na de deportatie van Sallum/Joahaz stelde farao Necho een andere vazalvorst aan, tw. een andere zoon van Josia, genaamd Eljakim. Deze nam de troonnaam Jojakim aan; hij regeerde van 609 tot 597 v.Chr. Tijdens zijn regering verbouwde en vergrootte hij het buitenpaleis, dat reeds in 21:13 werd genoemd (het buitenpaleis bij het huidige Ramat Rachel). Zie over zijn regering: 2 Kon. 23:34-24:7. Zijn gedrag wordt door Jeremia vergeleken met dat van zijn vader Josia. In tegenstelling tot laatstgenoemde misbruikte hij de rechtspraak en daardoor verrijkte hij zich ten koste van degenen, die bij hem recht zochten (vgl. 5:26-31). Daarom wacht hem een smadelijk einde. Over hem zal geen klaagzang worden aangeheven (vgl. 34:4v), maar zijn lijk zal zonder enig eerbetoon worden behandeld, zoals men dat doet met het kadaver van een ezel. Jojakim stierf in 597 tijdens de belegering van Jeruzalem door de Babyloniërs (vgl. 36:30).

Over Jojachin 22:20-30

Jojachin, die ook Chonja (22:24, 28; 37:1) of Jechonja (24:1; 27:20) werd genoemd, was een zoon van de in 22: 13-19 vermelde koning Jojakim. Hij regeerde slechts drie maanden en werd samen met zijn hofhouding en een deel van de bevolking door de Babyloniërs gedeporteerd, nadat dezen in 597 v.Chr. Jeruzalem haden ingenomen (vgl. 29:2 en zie 2 Kon. 24:8-17). Tot zijn dood bleef hij in Babel, waar zijn gevangenschap meer dan zevenendertig jaar duurde; zie 52:31-34. Na de deportatie van Jojachin stelden de Babyloniërs zijn oom, de derde zoon van Josia, tot koning aan. Dit was de in 21:1 w genoemde Zedekia, die oorspronkelijk Mattanja heette (vgl. 2 Kon. 24:17vv).

Uit de in vss 20-23 gebruikte hebreeuwse werkwoordsvormen blijkt, dat in die verzen een vrouw wordt aangesproken. Volgens sommigen is de ‘jonkvrouw Jeruzalem’ bedoeld; anderen nemen aan, dat de woorden betrekking hebben op de koningin-moeder (‘de gebiedster’; zie 13:18; 29:2). Tevergeefs zal zij hulp zoeken bij de Phoeniciërs in het noorden (de Libanon), bij grensvol-ken in het noord-oosten (de Basan) of bij degenen die de bergen in het noord-westen van Moab bewonen (Aba-rim; vgl. Num. 27:12; 33:47v; Deut. 32:49). In vs 23 is echter met Libanon de troonzaal in het koninklijk paleis bedoeld, waarin veel van de Libanon afkomstig cederhout was verwerkt (vgl. 22:6v).

In vss 24v wordt de jonge koning aangesproken. Zijn in vs 26 genoemde moeder is Nehusta, wier naam vermeld wordt in 2 Kon. 24:8. In vs 28 klaagt Jeremia over het lot, dat de achttienjarige Jojachin te wachten staat, die hier minachtend ‘deze man’ wordt genoemd. Hoewel hij in de ballingschap in Babel kinderen zal hebben (vgl. 1 Kron. 3:17v), zal hij als kinderloos gelden omdat geen van zijn nakomelingen wettig koning van Juda zal worden. Vgl. bij het driemaal herhaalde woord land (vs 29) de herhalingen in 7:4; Jes. 6:3; Ez. 21:27; de drievoudige herhaling is een bekrachtiging. In dit geval wordt daarmee de dreigende uitspraak over de ondergang van de dynastie bekrachtigd.

De rechtvaardige Spruit 23:1-8

Het bovenstaande opschrift, overgenomen uit NBG, is niet meer dan een poging, de inhoud van dit gedeelte kort samen te vatten. Want in feite bestaat het uit drie kleinere eenheden, nl. vss 1-4 (proza), vss 5-6 (poëzie) en vss 7-8 (proza), waarvan slechts het middengedeelte (vss 5-6) betrekking heeft op de rechtvaardige Spruit. In de inleiding bij 21:11-23:40 werd er reeds op gewezen, in welke grotere context dit gedeelte voorkomt. Het wordt voorafgegaan door veroordelingen van Juda’s koningen uit Jeremia’s tijd en gevolgd door gerichtsaankondigin-gen over profeten en priesters.

1-4. Opnieuw worden de koningen vergeleken met herders van Gods kudde (vgl. 2:8; 10:21; 25:34vv). Omdat zij de kudde uitgebuit hebben, worden zij gestraft. Hun ontrouw heeft ertoe geleid, dat de kudde verstrooid werd; dit is een toespeling op de deportaties na de val van Jeruzalem in 597 v.Chr. en de dreigende ondergang, aangekondigd in 21:1-10. God zal echter de schapen van Zijn verstrooide kudde weer bijeen brengen en over hen andere, betere herders aanstellen (vgl. 31:10).

5-6. Hierop volgt in vss 5v een messiaanse profetie, waarin het niet gaat over betere, toekomstige herders in het algemeen, doch over één Spruit, dwz. nakomeling, uit het huis van David. Waarschijnlijk wordt hier teruggegrepen op de belofte in 2 Sam. 7:16. Na alle voorafgaande oordeelsaankondigingen, in het bijzonder na de dreigende uitspraak in 22:30, lijkt het alsof er definitief een eind komt aan het huis van David. Het ziet er uit als een toekomstloze wortelstomp van een omgehakte boom (vgl. Jes. 11:1; Zach. 3:8; 6:12), temeer omdat de troonnaam van de laatste regerende koning, Zedekia, dwz. mijn gerechtigheid is de HERE, een groteske vergissing bleek te zijn. Dit is de enige conclusie, die Jeremia en zijn hoorders uit al zijn voorafgaande profetieën over de koningen van Juda zouden kunnen trekken. Toch mag hij de komst van een wettige, rechtvaardige koning aankondigen. Diens naam zal luiden ‘de HERE, onze gerechtigheid1 (vs 6), en deze naam kondigt zowel de wettigheid van de toekomstige koning als de aard van zijn regering aan. Met andere woorden: in plaats van Zedekia, met zijn pretentieuze naam, zal er een echte ‘Zedekia’ komen. Volgens 33:15v heeft de naam Me HERE, onze gerechtigheid’ ook betrekking op de stad, waarin die koning zal zetelen, en op het rijk, waarover hij zal regeren. Weliswaar zijn er in de aanduidingen van de toekomstigeSpruit kleine onderlinge verschillen (‘rechtvaardige Spruit’, resp. ‘Spruit der gerechtigheid’), maar de programmatische naam geldt zowel voor de koning als voor zijn rijk.

7-8. De verzen 7-8 komen grotendeels overeen met 16:1415, doch passen hier beter in het tekstverband. De inleidende formule Zie, de dagen komen, meestal gevolgd door de woorden ‘luidt het woord des HEREN’, komt herhaaldelijk in het boek Jeremia voor (7:32; 9:25; 16: 14; 19:6; 23:5, 7; 30:3; 31:27, 31, 38; 33:14; 48:12; 49:2; 51:47, 52). Ook in andere boeken van het O.T. treffen wij deze formule aan, oa. in 1 Sam. 2:31; 2 Kon. 20:17; Jes. 39:6; Am. 4:2; 8:11; 9:13. Uit een vergelijking van de betreffende plaatsen in het boek Jeremia, waarin de uitdrukking zo dikwijls voorkomt, kan worden afgeleid, dat de formule zowel op de nabije als op een latere toekomst betrekking kan hebben. Niet de nabije of verre toekomstigheid wordt er mee benadrukt, maar de betrouwbaarheid van de profetische verkondiging. In dit geval heeft deze verkondiging betrekking op de uittocht uit het Noorderland. In zijn onheilsdreigingen moest de profeet het noorden telkens weer afschilderen als een sinistere, bedreigende macht; zie de toelichting bij 1:13-16. Thans blijkt, dat deze macht niet meer is dan een middel in Gods hand. Wanneer Hij daarmee Zijn doel bereikt heeft, komt ook aan deze macht een einde (vgl. hstt. 50 en 51) en mogen de ballingen naar hun land terugkeren. Het thema ‘uitleiding en uittocht uit Egypte’, dat in vele toonaarden in de oudtestamentische verkondiging opklinkt, ondergaat hier een verrassende variatie. Want het wordt tot een thema voor de melodie, waarop de liederen van bevrijding uit de ballingschap zullen worden gezongen. Zie hstt. 30-34.

Over de profeten en hun opdracht 23:9-40

Zie over de samenhang: de inleidende opmerking bij 21: 11-23:40. In tegenstelling tot NBG voorzien wij de perikopen 23:9-32 en 23:33-40 van één gemeenschappelijk opschrift, waarmee het onderlinge verband wordt aangeduid. Er moet echter wel op worden gewezen, dat er binnen dit gedeelte een verschil in stijl is, want de verzen 924 zijn poëzie en het daarna volgende deel is proza.

Jeremia ervaart de hem ten deel vallende profetische taak als zó overweldigend, dat hij er door beneveld wordt (vgl. 4:19). Hij ziet, hoe de afgoderij (vs 10: echtbreuk; vgl. oa. 3:6-4:4) door God met droogte wordt bestraft (vgl. hstt. 14 en 15; dreven der steppe, vs 10, zijn weideplaatsen, vruchtbare oases, vgl. 9:10). De afgoderij wordt zelfs in de tempel bedreven door profeten en priesters, die zich daaraan schuldig maken (vgl. Ez. 8). Evenals in 3:6-4:4 worden afgoderij en valse profetie van de Jeruzalemse profeten vergeleken met die van hun vroegere collega’s.te Samaria. Zij zijn nog veel slechter dan dezen reeds waren en daarom worden zij vergeleken met Sodom en Gomorra (vgl. Jes. 1:10). Alsem en gij (vs 15): zie bij 8:14 en 9:15. Gij zult vrede hebben (vs 17): vgl. 4: 10; 6:14; 8:11. In het laatst der dagen (vs 20; vgl. 48:47 en 49:39) betekent: in de toekomst. De valse profeten beroepen zich op dromen (vss 25, 32), maar het is bedriegerij, die met het echte woord van God even weinig gemeen heeft als stro met koren (vs 28). Zie ook de afwijzing van valse profetie in 28:1-17 en dergelijke passages.

33- het bijbelse Hebreeuws komen twee gelijkluidende woorden voor, waarvan het ene de betekenis ‘last’ heeft en het andere gebruikt wordt ter aanduiding van een profetische uitspraak. In huidige bijbels-hebreeuwse woordenboeken worden deze twee gelijkklinkende woorden vart elkaar onderscheiden; bij het eerste wordt de betekenis ‘last’ vermeld en bij het tweede de betekenis ‘Godsspraak’. In navolging daarvan heeft NBG oa. in 2 Kon. 9:25; Jes. 15:1; 17:1; 19:1; 21:1, 11,13; 22:1; 23:1; 30:6; Nah. 1:1 de vertaling ‘Godsspraak’, waar de SV ‘last’ heeft. Met het oog op de woordspeling, die in vss 33vv voorkomt, handhaafde men echter hier – terecht! -de vertaling ‘last’. Als men aan Jeremia vraagt, of hij nog ‘een last’, dwz. Godsspraak, heeft, antwoordt hij: jullie zelf zijn die last en God zal deze afwerpen; mijn opdracht is geen ‘last’, maar het doorgeven van wat God te zeggen heeft. Hiermee worden de pretenties van degenen, die zich als profeten beschouwen en als zodanig optreden, met bijtende spot aan de kaak gesteld. Zij en al degenen die aan hun zwaarwichtige woorden geloof hechten zullen merken, hoe ‘lastig’ zij zijn als God deze ‘last’ van zich afschudt en hen wegslingert in de ondergang van de stad.

De twee korven vijgen 24:1-10

Nadat de Babyloniërs in 597 v.Chr. Jeruzalem hadden onderworpen, deporteerden zij koning Jojachin/Jechon-ja/Chonja en zijn hovelingen, samen met een deel van de bevolking, tw. de vorsten van Juda, de beoefenaars van belangrijke ambachten ed. (vgl. 22:20-30; 29:2; 2 Kon. 24:8-17). Jeremia bevond zich onder het bevolkingsdeel, dat niet werd gedeporteerd. Hoewel veel tempelschatten en kostbaar tempelgerei door de Babyloniërs werden meegenomen, werd de tempeldienst verder normaal uitgeoefend. Daartoe behoorde ook het aanbieden van tienden van de oogst (zie Lev. 27:30; Num. 18:24) en dus ook van de vijgenoogst. Als priester had Jeremia toegang tot dat deel van de tempel, waar de geheiligde gaven werden bewaard. Het spreekt vanzelf, dat als tienden alleen goede, gave vruchten mochten worden aangeboden. Maar wanneer Jeremia in de tempel vertoeft, maakt God hem opmerkzaam op twee korven vijgen, waarvan de ene uitstekende vijgen en de andere zeer slechte bevat. Evenals in 1:11 v en 13v wordt iets wat de profeet in het dagelijkse leven waarneemt aanleiding tot het ontvangen van een profetische openbaring (zie de opmerkingen bij 13:1-11). God maakt de profeet opmerkzaam op de diepere betekenis van wat hij ziet. De beide korven worden tot symbool voor de twee delen van Juda’s bevolking, nl. het gedeporteerde deel en het andere, dat nog in het land vertoeft. Als onder leiding van koning Zedekia en zijn aanhang, het laatstgenoemde deel meent dat zij en degenen die naar Egypte uitweken, beter zijn dan de in ballingschap naar Babel weggevoerden en dus ook een veel betere toekomst vóór zich hebben, moet de profeet hun duidelijk maken, hoe zeer zij zich vergissen. Voor de ballingen in Babel is er hoop, maar voor de anderen niet, want zij zijn als oneetbare vijgen (vgl. 29:17). De verzen 5-7 klinken als een preludium op de beloften van herstel in hstt. 30-33. Zie bij vs 6 ‘bouwen’ en ‘planten’:1:10; 18: 9; 31:28. De verzen 8-10 zijn een samenvatting van Jeremia’s gerichtsaankondigingen aan koning Zedekia en allen die hun heil zochten in een bondgenootschap met Egypte. Zij zullen hun straf niet kunnen ontlopen en daarom tot een spreekwoordelijk voorbeeld van vervloeking en ondergang worden (vgl. 25:18; 42:18; 44:8, 12, 22). Hier vinden wij weer een voorbeeld van profetisch sarcasme, tw. de omkering van een heilsbelofte in een onheilsdreiging. Eens werd aan Abraham beloofd, dat zijn naam tot een spreekwoordelijke zegenformule zou worden (Gen. 12:3), en thans wordt aan de bewoners van Jeruzalem in uitzicht gesteld, dat hun naam spreekwoordelijk zal worden wanneer er over vloek en ondergang wordt gesproken. Behalve de dreigende ballingschap worden hier opnieuw de drie verdelgingsmiddelen ‘zwaard, honger en pest’ genoemd (Vgl. 15:2; 21:7; 27:8; 29:17; 32:36; 42:17; 43:11).

Samenvatting van Jeremia’s profetische boodschap voor alle volken 25:1-38

De in NBG aangebrachte opschriften bij vss 1-14 (‘Nebu-kadrezar’) en vss 15-38 (‘De beker der gramschap’) dekken slechts een deel van de inhoud van dit hoofdstuk. Het bestaat uit een aantal kleinere eenheden, waarin veel zinswendingen voorkomen, die wij ook in voorafgaande of volgende gedeelten van dit bijbelboek vinden. Dit geldt met name voor de profetieën tegen de volken in vss 15-38, die in de hoofdstukken 46-51 veel uitvoeriger zijn. De Septuaginta heeft een andere indeling van Jeremia, vooral wat de profetieën tegen de volken betreft; bovendien worden daarin de volken in een andere volgorde genoemd. De gehele tekst van het boek Jeremia is in de genoemde griekse vertaling ongeveer één zesde deel korter dan de gezaghebbende hebreeuwse tekst. Aangezien deze vertaling omstreeks de tweede eeuw v.Chr. ontstond, kan men aannemen dat er destijds twee verschillende tekstoverleveringen van Jeremia bestonden, tw. een kortere, waarop de griekse vertaling berust, en een langere die in de gezaghebbende hebreeuwse tekst tot ons kwam. Voor een diepgaande analyse ontbreekt hier de gelegenheid; de geïnteresseerde lezer raadplege uitgebreidere commentaren. Wij volstaan hier met een korte toelichting bij enkele details en met het vermelden van enige parallelle plaatsen. In de alinea-indeling volgen wij NBG. Het hoofdstuk bestaat uit proza-gedeelten, die slechts in vss 30b-32 en 34-38 door poëzie worden onderbroken.

1-11a. De samenvatting begint met Jeremia’s boodschap voor Juda. Het vierde regeringsjaar van Jojakim, genoemd in vs 1, viel van de herfst van 605 tot de herfst van 604 v.Chr. In dit jaar vond de troonsbestijging plaats van Nebukadnezar, die van 605 tot 562 regeerde. Koning Josia, genoemd in vs 3, regeerde van 639 tot 609 v.Chr.; zijn dertiende regeringsjaar, dat eveneens genoemd wordt in 1:2, viel dus in 627/626. De drieëntwintig jaar van Jeremia’s profetisch optreden, genoemd in vs 3, beslaan dus de periode van 626 tot 605, waarbij het eerste en het laatste jaar meegeteld worden. De naam van de bovengenoemde babylonische heerser wordt in het boek Jeremia soms gespeld als Nebukadnezar en soms als Ne-bukadrezar. Dit hangt samen met de verschillende spellingen van deze naam in het Hebreeuws. De betekenis van de babylonische naam is: ‘Nebo, bescherm de oudste zoon’ (vgl. Jes. 46:1, waar de babylonischegodhead Nebo wordt genoemd). Krenken (vss 6, 7): zie de desbetreffende opmerkingen bij 7:18 en 11:17. Het noorden (vs 9): zie de opmerkingen bij 1:15. De uitdrukking mijn dienaar (vs 9) slaat op de taak, die God door Nebukadnezar laat vervullen; vgl. 27:6 en 43:10. NBG heeft twee verschillende vertalingen voor hetzelfde hebreeuwse woord, tw. ‘mijn dienaar’ en ‘mijn knecht’. Het is gewenst, overal te vertalen: ‘mijn knecht’, want dan kan de bijbellezer zelf verbanden leggen met andere bijbelteksten, waarin over Gods knecht wordt gesproken.

11b-14. De heerschappij van Babel zal slechts van beperkte duur zijn en niet langer duren dan een mensenleeftijd, dwz. zeventig jaar (vgl. 29:10 en zie Ps. 90:10). De periode van deze heerschappij kan men stellen van omstreeks de val van Ninevé in 612 v.Chr. tot 539 v.Chr., het jaar, waarin Babel door Cyrus werd veroverd (vgl. 2 Kron. 36:21; Dan. 9:2; Zach. 1:12; 7:5). In 2 Kron. 36:21 wordt deze profetie van Jeremia betrokken op sabbatsjaren. Wij zien daarin een voorbeeld van herinterpretatie door een auteur uit de tijd na de terugkeer uit de ballingschap. Ook Dan. 9:2 is waarschijnlijk zulk een voorbeeld van herinterpretatie, want daarin wordt de periode van zeventig jaar niet op de duur van de heerschappij van Babel betrokken, maar op de duur van de periode, waarin Jeruzalem verwoest was.

15-29. Reeds bij de roeping van Jeremia werd gezegd, dat hij tot profeet voor de volken werd aangesteld (zie 1: 6 en 10). In 25:13 wordt reeds gezinspeeld op zijn profetieën voor de volken. In dit gedeelte wordt dit nader uitgewerkt. Het goddelijke gericht, dat de profeet aan vele volken moet verkondigen, wordt vergeleken met een beker zware wijn, die hij hun te drinken moet geven (vgl. Ps. 75:9; Jes. 51:17). Gezien vanuit Jeruzalem als centrum worden volken in de verschillende windstreken genoemd. De volgorde komt ongeveer overeen met die in de hoofdstukken 46-51, waarin het oordeel over de volken veel uitvoeriger wordt beschreven.

Met het zwaard (vss 16 en 27) is Nebukadnezar bedoeld; vgl. 27:3- vs 18 zijn de woorden zoals heden het geval is een toevoeging uit de tijd na de val van Jeruzalem in 586 v.Chr. Gemengde bevolking (vs 20) heeft betrekking op de grensbewoners. In vs 20 is met Uz (vgl. Job 1: 1) waarschijnlijk een gebied ten Z. of tenZ.O. van Edom bedoeld; vgl. Klaagl. 4:21. In vs 20 wordt niet zonder meer Asdod genoemd maar het overschot van Asdod, omdat in Jeremia’s tijd deze fdistijnse stad niet veel meer betekende. Reeds in 711 v.Chr. was Asdod door de assyrische koning Sargon veroverd (vgl. Jes. 20:1) en later werd de stad tijdens diverse belegeringen grotendeels verwoest. Met Dedan, Tema en Buz, genoemd in vs 23, zijn arabische stammen bedoeld; vgl. Gen. 10:7; 25:3, 15; Job 32.2, 6. Allen, die zich het haar rondom wegscheren (vs 23): zie 9:26 en 49:32. Het in vs 25 genoemde Zimri is onbekend; gezien het tekstverband is misschien een arabische stam bedoeld (vgl. Zimran in Gen. 25:2). Elam (vs 25) lag ten Z.O. van Babylonië, en Medië (vs 25) ten N. daarvan (vgl. 51:11, 28). De naam Sesach in vs 26 en in 51:41 is een aanduiding van Babel; de naam kwam tot stand via een omzetting van de volgorde der letters in het hebreeuwse alfabet, evenals de naam ‘Hart-mijner-te-genstanders’ in 51:1. Dergelijke namen waren alleen begrijpelijk voor ingewijden, die dit soort geheimschriftkenden.De stad waarover Mijn naam is uitgeroepen (vs29) : vgl. 7:10v, 14, 30; 14:9; 15:16.

30-38. Vgl. bij vss 30 en 38: Am. 1:2. Druiventreders (vs30) : vgl. Jes. 63:2, 3. Rechtsgeding (vs 31): dwz. een ‘twist’; zie 2:4-19. Niet begraven worden (vs 33) gold als de ergste vorm van eerloosheid (vgl. 8:2). Zie voor het verbrijzelen van aardewerk, dat in vs 34 wordt genoemd: 19:lvv; Ps. 2:9.

Verzameling van gemengde inhoud 26:1-35:19

Dit hoofddeel van het boek Jeremia bestaat uit een aantal grotere, samenhangende eenheden, tw. hstt. 26-29, 30-33 en 34-35. De hoofdinhoud van deze grotere eenheden wordt beknopt omschreven bij het begin van de hoofdstukken 26, 30 en 34.

De strijd tussen ware en valse profetie 26:1-29:32

Met 26:1 begint een nieuw gedeelte van het boek. Daarin gaat het opnieuw over de aard van de ware profetie. Wie zich onderwerpt aan Gods gericht en zich bekeert, heeft toekomst. Maar wie zich gerust laat stellen door oppervlakkige vredesprofetieën en ten gevolge daarvan in het kwade blijft volharden, zal ten onder gaan. Dit is in dit gedeelte de hoofdgedachte, die in alle kleinere delen daarvan tot uitdrukking wordt gebracht.

De tempelprediking en haar gevolgen 26:1-24

Deze perikoop betreft de tempelprediking, die ook in 7: 1-15 wordt vermeld. Zie de daarbij gegeven toelichting. In de hier voorkomende versie worden enige bijzonderheden vermeld, die in 7:1-15 ontbreken. Tot die bijzonderheden behoort oa. de datering in 26:1; de betekenis daarvan wordt uitvoerig besproken in de genoemde toelichting. Nadat Jeremia er van was beschuldigd, de tempel met zijn onheilsprofetie te hebben ontwijd (vgl. 29: 27), moet hij zich voor de autoriteiten verantwoorden. De gang van zaken is als volgt. De priesters, de profeten en het ganse volk (vs 8) zijn zo verontwaardigd over wat zij als heiligschennis beschouwen, dat zij Jeremia grijpen en hem toeschreeuwen: Sterven moet gij. Er ontstaat dan een oploop (vs 9). Dit komt de vorsten van Juda, die zich in het naast de tempel gelegen koninklijk paleis bevinden, ter ore (vs 10). Zij begeven zich naar de tempel en nemen plaats bij de Nieuwe Poort (vgl. 36:10; 2 Kon. 15: 35) om daar in het openbaar hun bestuurlijke en rechterlijke taak uit te voeren.

De beschuldiging tegen Jeremia wordt uitgesproken door de priesters en de profeten (vs 11) ten overstaan van de vorsten en het volk. Tegenover de beide laatstgenoemde ‘standen’ legt Jeremia verantwoording af (vss 12-15). Op grond van deze verdediging concluderen de vorsten en het volk tot vrijspraak; de door de priesters en de profeten ingebrachte beschuldiging wordt afgewezen (vs 16). Onder het verzamelde volk bevinden zich ook de oudsten des lands (vs 17), dwz. de familiehoofden. Enigen van hen waren als getuigen ä décharge opgetreden. Zo kunnen wij het begin van vs 17 opvatten. Hun getuigenis wordt pas nä vs 16 vermeld, maar werd in feite gegeven vóór de in vs 16 genoemde uitspraak gedaan werd. In hun getuigenis noemen zij een precedent; zij herinneren aan het optreden van Micha, die in de tijd van koningHizkia (727-698 v.Chr.) – dus ongeveer honderd jaar eerder – zijn profetische woord ook tegen Jeruzalem en de tempel richtte (vs 18b is geen letterlijk citaat, maar komt inhoudelijk overeen met Mi. 3:12). Zij gebruiken dit precedent om er op te wijzen, dat de profetie van Micha tegen Jeruzalem en de tempel destijds niet leidde tot veroordeling van de profeet, maar tot bekering van koning en volk. Wij wijzen er nog op, dat weliswaar in vs 9 van een volksoploop wordt gesproken, maar dat onder het ganse volk, genoemd in vss 11, 12 en 16 een volksvergadering moet worden verstaan. Dit kan worden afgeleid uit de formulering het gehele verzamelde volk in vs 17. Bij nauwkeurig lezen blijkt dus, dat deze passage zijdelings enig licht werpt op de gebruiken bij de rechtspleging in de tijd van Jeremia.

Naar aanleiding van het precedent, genoemd in vss 18 en 19, wordt door de schrijver van het boek Jeremia in de verzen 20-23 een ander, tegengesteld geval vermeld. Dit betreft een tijdgenoot van Jeremia, die eveneens Gods oordeel over stad en land aanzegde; hij werd op last van koning Jojakim gedood. In vs 24 komt de schrijver terug op het verhaal over Jeremia. Uit het in vss 20-23 genoemde geval blijkt, in welk groot gevaar Jeremia zich bevond en hoe nodig de door Ahikam geboden bescherming, vermeld in vs 24, was. Ahikam was afkomstig uit een vooraanstaande familie; zijn vader Safan was ‘schrijver’, dwz. kanselier van de koninklijke kanselarij, tijdens de regering van Josia. Ahikams zoon Gedalja trad op als gouverneur van Juda na de ondergang van Jeruzalem in 586 v.Chr. (vgl. 39:14; 40:7vv; 2 Kon. 22:3, 8vv; 25:22).

Onderwerping aan Babel 27:1-22

Ook in dit hoofdstuk gaat het om de aard van de ware profetie. Zedekia (vs 1) werd in 597 v.Chr. door de Babyloniërs tot vazal-vorst aangesteld, nadat zij Jeruzalem hadden onderworpen en Jojachin/Jechonja (vs 20) hadden afgezet en gedeporteerd (zie 22:20-30). Zie over de datering in vs 1 de opmerking bij 28:1. Banden en jukken (vs 2) symboliseren de onderwerping aan Babel; vgl. hst. 28. De gezanten van de genabuurde volken, genoemd in vs 3, zijn vermoedelijk naar Jeruzalem gekomen, omdat koning Zedekia bondgenoten zocht in zijn verzet tegen Babel. Jeremia verricht zijn profetische taak, die ook op de volken betrekking heeft (zie 1:6, 10; 25:19-25; hst. 46vv) niet alleen met het profetische woord maar ook door ‘profetie metterdaad’ (zie bij 13:1-11). Hij geeft de gezanten jukken mee voor hun heren, met de profetische opdracht, zich aan Babel te onderwerpen. Nebukadnezar wordt ook hier (vs 6) Gods ‘dienaar’ (beter: ‘knecht’) genoemd, evenals in 25:9. In vs 7 worden drie generaties babylonische heersers genoemd; dit is een toespeling op de in 25:1 lb genoemde periode van zeventig jaar. Zedekia wordt gewaarschuwd (vss 12-15); hij mag de vazallen-eed niet schenden (vgl. Ez. 17:16-19). Doet hij dit echter wel door tegen Babel in opstand te komen op advies van de heilsprofeten en in bondgenootschap met de koningen van de genabuurde volken, dan gaat hij zijn ondergang tegemoet. Nadat in 597 v.Chr. een deel van het tempelgerei door de Babyloniërs was meegenomen (zie 2 Kon. 24:13), traden er blijkbaar ‘heilsprofeten’ op, die voorspelden dat het geroofde spoedig zou worden teruggebracht (vs 16vv). Maar Jeremia moet profeteren dat zelfs de stukken die in de tempel zijn achtergebleven, naar Babel zullen worden gevoerd tot de door God vastgestelde tijd van de terugkeer (vgl. Ezra 1.7-11). Kort samengevat is de inhoud van dit gehele hoofdstuk als volgt: Jeremia moet de koningen van genabuurde landen, de koning van Juda, de priesters en het gehele volk er toe aansporen, zich aan Babel te onderwerpen en geen geloof te hechten aan optimistische heilsvoorzeggingen.

De profeet Hananja 28:1-17

Evenals in de voorafgaande hoofdstukken gaat het ook hier om de aard van de ware profetie (vgl. Deut. 13:1-5). Jeremia’s tegenstanders, de oppervlakkige ‘heilsprofeten’, worden in het boek dikwijls genoemd, maar blijven meestal anoniem. Het bijzondere van dit hst. is, dat hierin een conflict tussen Jeremia en zulk een optimistische ‘heilsprofeet’, die bij name wordt genoemd, wordt beschreven. Ook nu gaat het om de vraag, of men zich al of niet aan Babel moet blijven onderwerpen (vgl. hst. 27).

De datering in vs 1 wijkt enigszins af van die in 27:1. Toch is het mogelijk, dat in beide gevallen het vierde regeringsjaar van Zedekia is bedoeld, dwz. 594/593 v.Chr. Zedekia staat voor de keus tussen blijvende onderwerping aan Babel of opstand tegen Babel in samenwerking met bondgenoten (vgl. 27:2v). Hananja beweert, in Gods naam te mogen profeteren, dat er binnen afzienbare tijd een einde zal komen aan Babels heerschappij. In zijn optimistische heilsprofetie brengt hij ook het vaatwerk van de tempel ter sprake (vgl. 27:16-22) en de terugkeer van de in 597 v.Chr. gedeporteerden. Jeremia weerspreekt dit met woord en daad, tw. het dragen van een houten juk, dat echter door Hananja wordt gebroken (vgl. de in 27:2 genoemde jukken en de opmerkingen bij 13:1-11). Maar overeenkomstig Gods opdracht herhaalt Jeremia de onheilsdreiging, die hij met een ijzeren juk illustreert. Twee maanden later sterft Hananja (deze periode van twee maanden kan afgeleid worden uit een vergelijking van vs 1 met vs 17).

Correspondentie met de ballingen in Babel 29:1-32

Zie over de contextuele samenhang de opmerking bij 26: 1. De ballingen, die in 597 v.Chr. na de val van Jeruzalem naar Babel werden gedeporteerd, worden genoemd in 22:20-30; 24:1 en 2 Kon. 8-17. Zie over de gebiedster (vs 2) de opmerking bij 13:18. Onder de gedeporteerden bevonden zich blijkbaar ook profeten ed., zoals wij kunnen afleiden uit vss 1, 8, 15, 21, 23 en 31. Uit het boek Ezechiel blijkt, dat ook hij zich onder deze gedeporteerden bevond, maar hij behoorde niet tot de oppervlakkige heilsprofeten. Dezen stelden aan de ballingen in uitzicht, dat zij spoedig naar Juda zouden kunnen terugkeren. Tegen deze optimistische heilsprofetie waarschuwt Jeremia de ballingen per brief. Onder brief moeten wij hier een opgerold document verstaan, evenals in 30:2, waar hetzelfde woord met ‘rol’ vertaald werd in NBG. Jeremia moet zijn strijd tegen de heilsprofeten niet alleen in Juda voeren, maar ook onder de Judeeërs in Babel. Hij geeft zijn brief mee aan twee gezanten van koning Zedekia, die naar de koning van Babel worden gezonden. Onder hen bevindt zich Elasa, die – gezien de naam van zijn vader een broer is van de in 26:24 genoemde Ahikam. Het gezantschap werd waarschijnlijk uitgezonden in het vierde jaar van Zedekia’s regering, vermeld in 28:1 en 51:59, dwz. ruim vier jaar nadat de deportatie naar Babel plaats vond. Onder de ballingen is een bestuursvorm intact gebleven, waarin de familiehoofden (oudsten) een leidende rol spelen (vgl. Ez. 8:1; 14:1; 20:1). Jeremia roept de ballingen ertoe op, zich in het land van ballingschap blijvend te vestigen. Zij moeten de vrede, dwz. de voorspoed, van Babel nastreven (‘zoeken’, vs 7) en zich dienovereenkomstig gedragen in gezins- en beroepsleven alsmede in hun voorbede. Impliciet worden zij daarmee er toe vermaand, geen enkele hoop te stellen op diegenen in Juda, die tegen Babel in opstand willen komen (vgl. de voorafgaande hoofdstukken). Evenmin moeten zij enig geloof hechten aan de boodschappen van optimistische heilsprofeten. Opnieuw wordt de periode van Babels heerschappij op zeventig jaar gesteld (vgl. 25:1 lv, 27:7). De toekomst van de ballingen ligt in onderwerping aan Babel en hartgrondige bekering tot God, die op Zijn tijd in hun lot een keer zal brengen (vs 14). Met naam en toenaam worden in vs 21 twee profeten genoemd, die de ballingen tot ongehoorzaamheid wilden verleiden, maar daarvoor en tevens wegens overspel, overeenkomstig babylonische wetgeving werden gedood en verbrand. Zie bij afschuwelijke vijgen (vs 17): 24:2. Schandelijke dwaasheid (vs 23) duidt op ontucht of overspel; vgl. Gen. 34:7 en Joz. 7:15.

24-32. Uit vss 24-28 blijkt, dat een van de ballingen, Semaja genaamd, op Jeremia’s brief reageerde met het zenden van een schriftelijke aanklacht tegen hem, gericht aan Zefanja, het hoofd van de tempelpolitie te Jeruzalem. In deze aanklacht beticht hij Jeremia van uitzinnige profetische aanstellerij (vgl. 1 Sam. 10:10; 21:13-15; 2 Kon. 9:11; Hos. 9:7) en wijst hij Zefanja op zijn taak, de orde in de tempel te handhaven. Nadat laatstgenoemde Jeremia in kennis heeft gesteld van de inhoud van Sema-ja’s aanklacht, ontvangt de profeet van God de opdracht, nogmaals een brief aan de ballingen in Babel te schrijven en hen tegen Semaja te waarschuwen. Semaja en zijn nakomelingen worden uitgesloten van het toekomstige heil, dat door Jeremia in zijn eerste brief aan de ballingen in uitzicht werd gesteld (zie vss 10-14).

Heilsprofetieën 30:1-33:26

De hoofdstukken 30-33 vormen een samenhangend geheel, waarin de verwachting van Israels en Juda’s herstel het hoofdthema is. Jeremia’s bestrijding van de oppervlakkige, optimistische heilsprofetieën van andere profeten (hstt. 26-29) betekent niet, dat hij alleen maar onheil te verkondigen heeft, zoals zijn tegenstanders zo dikwijls beweerden. Integendeel, hij mag ook toekomstig heil verkondigen en moet dit zelfs met een profetische handeling illustreren. De door hem uitgesproken beloften van herstel berusten op Gods onvergankelijke trouw aan Zijn verbond en niet – zoals bij de ‘heilsprofeten’ – op een optimistische visie aangaande de nabije toekomst.

Israels herstel 30:1-31:40
Inleidende opmerkingen

Uit verscheidene gegevens in deze twee hoofdstukken kan afgeleid worden, dat hier een verzameling profetieënvoor ons ligt, waarvan een groot deel (30:5-31:22) oorspronkelijk betrekking had op het noordelijke tienstam-menrijk. Later werden daaraan profetieën over Juda en Israel toegevoegd (31:23-37). Uit 31:38-40 blijkt, dat de eindredactie van deze hoofdstukken plaats vond, nadat in 586 v.Chr. Jeruzalem was verwoest. Gegevens die op het vroegere noordelijke rijk en op de daaruit afkomstige ballingen in Assyrië betrekking hebben, zijn oa. de namen Huis van Israel, resp. Israel, resp. Jakob (zie ook de opmerkingen bij 2:4-19), en aanduidingen als: bergen van Samaria (31:5), gebergte van Efraïm (31:6), Efraïm (31:9, 18, 20) en Rama (31:15; vgl. 1 Kon. 15:16-22). Waarschijnlijk dateren de profetieën, die op het vroegere noordelijke rijk betrekking hebben, uit het begin van Jeremia’s optreden tijdens de regering van koning Josia. Daarentegen dateren de uitspraken overt het zuidelijke rijk uit de eindfase van Jeremia’s optreden in Juda. Dit betekent, dat er tussen beide gedeelten een periode van ruim dertig jaar ligt. In de inleiding, dieV 30.Tv voorkomt, en in enige andere verzen werden de verschillende delen met elkaar verbonden, zodat er één gemeenschappelijke heilsverwachting voor het geheel van Israël ontstond. Wij zien hierin een voorbeeld van wat ook elders in het O.T. en later voorkomt, tw. herinterpretatie van oudere teksten in een nieuwe, later ontstane situatie (vgl. de toelichtingen bij 25:llb-14len bij 33:14-26). Dit wil dus zeggen, dat dit proces van herinterpretatie niet tot stilstand kwam na de afsluiting van het boek Jeremia. Zo bleven in latere stadia van tjsraels geloofsleven deze hoofdstukken – en met name 31:31-34 – naklinken in een over de eeuwen heen reikende werkingsgeschiedenis. Duidelijke voorbeelden daarvan vinden wij in Luc. 22: 20; 1 Kor. 11:25; Heb. 8:8-12; 9:15; 10:16, 17; 12:24.

30:1-4. Zie voor de inleidingsformule: 7:1; 11:1; 18:1; 21:1; 30:1; 32:1; 34:1, 8; 35:1; 40:1; vgl. 46.1. Boek (vs 2): bedoeld is een opgerold document, evenals in 29:1; vgl. de ‘koopbrief’ in 32:12, tegenstelling tot de ‘boekrol’, genoemd in 36:2, is een ‘boek’ resp. ‘brief’ een minder omvangrijk schriftelijk stuk. Misschien werd hier oorspronkelijk bedoeld, dat Jeremia de inhoud van 30:5-31:22 schriftelijk moest meedelen aan de ballingen in Assyrië, zoals hij dat later deed aan de ballingen in Ba-bel (vgl. 29:1). Een keer brengen in het lot (vs 3): vgl. oa. 29:14; 30:18; 32:44; bedoeld is: de ballingen terugbrengen (vgl. Ps. 126:1).

5-17. Aan de bevrijding zal een tijd van grote nood voorafgaan, omdat in het land van de ballingschap (vgl. 2 Kon. 17:6; 18:11) devolken elkaar zullen bestrijden in de nadagen van het assyrische rijk. Maar deze strijd dient uiteindelijk de bevrijding van Jakob/Israel, dwz. de mensen afkomstig uit het noordelijke rijk. Onder een legitieme nakomeling van David zullen zij met Juda worden herenigd (vgl. Hos. 3:5; Ez. 37:21-28). De verzen lOv zijn, met enige varianten, een doublure van 46:27v. Jakob wordt weliswaar getuchtigd, doch naar recht (vs 11), dwz. met mate, niet meer dan nodig is (vgl. 10:24). Vrij laten uitgaan (vs 11) betekent: voor onschuldig houden (vgl. Ex. 20:7). Hoe zwaar de tuchtiging was en waarom deze nodig was, wordt in vss 12:15 gezegd. Minnaars (vs 14): hiermee zijn de bondgenoten bedoeld; vgl. 22:20. Degenen, die de tuchtiging voltrekken, zullen op hun beurt hun straf niet ontlopen (vs 16). Sion in vs 17 is waarschijnlijk een latere toevoeging; vgl. de inleiding bij dit gedeelte.

18-24. De bevrijding van Jakob/Israel wordt nogmaals aangekondigd.

Met de stad (vs 18) is hier niet Jeruzalem bedoeld, maar de verwoeste steden van het noordelijke rijk. Zijn vergadering (vs 20) is de geordende volksgemeenschap. Er zal geen vazal, aangesteld door een buitenlandse machthebber, over hem heersen, maar een eigen vorst (vs 21; vgl. Deut. 17:15). Deze zal als bevoegde priester-koning mogen optreden. Dan zal ook de verbondsrelatie tussen God en Zijn volk zijn hersteld (vs 22; vgl. 31:1, 33). Met het oog daarop zal echter een loutering van het volk nodig zijn (vss 23-24, overeenkomend met 23:19v).

1-14. Herstel en terugkeer, aangekondigd in hst. 30, worden thans uitvoeriger beschreven. Vs 1 grijpt terug op 30: 22. De verbondsvernieuwing brengt met zich, dat Israel opnieuw genade vindt in de woestijn; ditmaal is het de woestijn, die het moet doortrekken om uit de noordelijke streken van ballingschap naar het eigen land terug te keren. Vanuit] dat land verschijnt de HERE aan Zijn volk op weg naar huis. Trekken (vs 3): vgl. Hos. 11:4. Gebouwtd worden (vs 4) is vruchtbaar zijn, vgl. Gen. 16: 2.

Het herstel van de eenheid (vgl. 30:9) brengt met zich, dat men niet meer optrekt naar de vroegere noordelijke heiligdommen in Dan en Bethel, die verwoest zijn, maar naar Sion (vs 6). In vss 7-9 wordt de terugkeer beschreven; Efraïm wordt door God opnieuw tot zoon aangenomen (vgl. Ex. 4:22; Hos. 11:1). Het in vs 12 en vs 14 met ziel vertaalde woord heeft hier de betekenis ‘keel’ (vgl. vs 25). Met het vette is in vs 14 geen dierlijk vet, maar olijfolie bedoeld. Het goede, genoemd in vs 14, slaat terug op wat in vs 12 genoemd wordt.

15- een terugblik op de wegvoering in ballingschap wordt de klagende stammoeder Rachel genoemd, de moeder van Jozef en Benjamin en de grootmoeder van Efraïm en Manasse. Haar klacht wordt gelocaliseerd in Rama, de zuidelijke grensvestiging van het vroegere noordelijke rijk (1 Kon. 15:17, 21, 22; vgl. 1 Sam. 10:2). Rama lag ongeveer ten N. van Jeruzalem en wordt ook genoemd in 40:1. Uit het laatstgenoemde bijbelvers kan worden afgeleid, dat daar in 586 een ‘opvangcentrum’ voor krijgsgevangenen uit Benjamin, Juda en Jeruzalem was, van waaruit zij op transport werden gesteld naar Babel. Het is mogelijk dat hier in 31:15-17 zowel aan de wegvoering naar Assyrië na de val van Samaria in 722 als aan de wegvoeringen naar Babel in 597 en 586 wordt gedacht. Rachel is immers stammoeder van Efraïm (via Jozef) en van Benjamin. Achtergrond van deze passage is een toespeling op Rachels wanhoopskreet bij de geboorte van haar jongste zoon, waarover in Gen. 35:

16-20 wordt bericht. Wanneer blijkt, dat deze bevalling haar het leven zal kosten, schreeuwt zij met haar laatste adem: Ben-oni, dwz. ongelukskind! Maar vader Jakob noemt de jongen: Benjamin, dwz. gelukskind. Hier wordt het leed van de krijgsgevangenen, die op weg naar het land van de ballingschap langs Rama trekken, gepersonifieerd in de jammerklacht van de ontroostbare moeder Rachel. Maar zij moet ophouden te weeklagen, want er is nog hoop voor haar nakomelingen (toekomst, vs 17)op uiteindelijke terugkeer. Het aangrijpende beeld van de weeklagende stammoeder Rachel werkt ook door in het N.T.; zie Mat. 2:17v.

18-22. Efraïm heeft leren inzien, dat de ballingschap als tuchtiging bedoeld is (vgl. Hos. 4:16; 10:11). Hij smeekt om terugkeer (vgl. Klaagl. 5:21), komt tot inkeer (vgl. Ez. 21:12) en schaamt zich over zijn vroegere afwijkende eredienst en afgodendienst. Nog steeds heeft God hem lief (vgl. Hos. 11:8-11). Daarom mag hij terugkeren en de woestijnweg, waarlangs de ballingen huiswaarts zullen keren, met wegwijzers markeren. Vers 22b is onduidelijk; misschien is het een toespeling op een reidans, waarbij de vrouwen de buitenste kring vormden.

23- tegenstelling tot het voorafgaande is dit gedeelte in proza-stijl geschreven, met uitzondering van het citaat in vs 29 en de verzen 35-37. Een verschil met het voorafgaande ligt ook daarin, dat hier eerst Juda en daarna zowel Juda als Israel worden genoemd. In enkele verzen wordt met ‘Israel’ het gehele volk aangeduid en niet, zoals in voorafgaande gedeelten van hstt. 30 en 31, de mensen uit het noordelijk rijk. Uit deze gegevens kan worden afgeleid, dat dit gedeelte uit een andere periode van Jeremia’s optreden dateert; vgl. de inleiding bij 30:1. De betekenis van vs 26 is onduidelijk; de SV plaatste dit vers tussen haakjes, om aan te geven dat het de samenhang doorbreekt. De in vers 28 gebruikte woorden doen ons denken aan 1:10 en vs 29 wordt een spotliedje geciteerd; het daarin voorkomende woord slee betekent stroef, tw. door het zuur. Het spotliedje wordt ook genoemd in Ez. 18:1-4. De in dit liedje op sarcastische wijze tot uitdrukking gebrachte gedachte over een lang nawerkende, collectieve schuld, wordt afgewezen (vgl. Ex. 20:5). Er wordt in uitzicht gesteld, dat de HERE het bij de Sinaï met Zijn volk gesloten verbond zal vernieuwen. Deze vernieuwing houdt echter veel meer in dan louter herstel van de vroegere verbondsrelatie. Want deze vernieuwing zal tot een grondige mentaliteitsverandering leiden (vgl. 32:39v; Ez. 1 l:19v; 36:26v), zodat de diepste oorzaak van afvalligheid en verbondsbreuk (vgl. oa. 3: 14; 10:10) wordt weggenomen. Dan behoeven er ook geen profeten ed. meer te zijn, want allen zullen de HERE kennen en erkennen (vgl. bij kleinste en grootste: 5:4, 5). Op deze belofte volgt in vss 35-37 een hymne over de onverbreekbaarheid van Gods verbondsrelatie met Zijn volk. Zijn trouw aan Israel evenaart Zijn trouw aan de schepping (vgl. 32:38-41; 33:1, 20-22, 25v: Ps. 136; Jes. 51:15). In vs 36 wordt voor ‘volk’ niet het woord gebruikt, dat o.a. familie en verbondsvolk betekent, maar het meer algemene woord voor volk, dat oa. ook in Ex. 19:6 voorkomt.

38- deze passage, die uit de tijd na de verwoesting van Jeruzalem in 586 v.Chr. dateert, wordt het herstel en de uitbreiding van de stad beschreven. Vergelijking van de hier beschreven grenzen met de gegevens uit de tijd vóór de ballingschap leidt tot de conclusie dat de hier aangeduide grenzen veel ruimer zijn dan vóór de verwoesting. Hiermee is bedoeld, dat de stad als centrum voor de eredienst van geheel Israel zal kunnen functioneren.

De Hananaëltoren lag in het N.O. van de städ; vgl. Neh. 3:1; 12:39; Zach. 14:10. De Hoekpoort lag in het N.W. van Jeruzalem; vgl. 2 Kon. 14:13; 2 Kron. 26:9; Zach.

14:10. Gareb en Goa lagen ten W. van de stad. Het Lijkendal is het Dal Hinnom; zie 7:31v; 19:2, 6. De beek Kidron, die ten N.W. van Jeruzalem ontspringt, loopt tussen de Sion en de Olijfberg. De Paardenpoort bevond zich in het O. van de stad; vgl. Neh. 3:28. De gehele stad zal aan de HERE geheiligd zijn, dwz. er zal geen afgodendienst meer plaats vinden.

De koop van een akker 32:1-44

Ook dit hoofdstuk is een onderdeel van de grotere eenheid, waarin het toekomstig herstel in uitzicht wordt gesteld; zie de inleidende opmerkingen bij 30:1. De profeet moest herhaaldelijk zijn onheilsaankondigingen illustreren door middel van ‘profetie metterdaad’, dwz. met symbolische handelingen (zie de opmerkingen bij 13:111). Thans mag hij zulk een daad verrichten om de beloften van toekomstig herstel te bekrachtigen. Hoewel de Babyloniërs Jeruzalem reeds belegeren en Jeremia in Gods opdracht telkens weer de noodzaak van onderwerping aan Babel moest verkondigen, verricht hij thans -eveneens in opdracht van God, zie vs 25 – een symbolische daad die toekomstig heil illustreert (vgl. vss 43v).

De datering in vs 1 betreft het jaar 588/7 v.Chr. De belegering van Jeruzalem was begonnen in de tiende maand van het negende regeringsjaar van Zedekia; zie 39: lw; 2 Kon. 25:1. De belegering werd door de Babyloniërs enige tijd onderbroken wegens een opmars van farao Hofra (zie 37:5), doch korte tijd later weer hervat. Tijdens de onderbreking van het beleg wilde Jeremia naar Anatoth gaan om daar familiezaken te regelen. Doch zijn poging, van Jeruzalem naar het dichtbij gelegen Anatoth te gaan, leidde tot zijn arrestatie (zie 37:11-16) en zijn gevangenschap in de ‘gevangenhof’ (zie 37:17-21). Aangezien Jeremia daar bezoek van een neef uit Anatoth kon ontvangen, zal met de datering in vs 1 (het tiende jaar van Zedekia) bedoeld zijn, dat dit bezoek plaats vond tijdens de onderbreking van het beleg. In de toelichting bij 37:11-16 wordt aangenomen, dat de transactie, die Jeremia persoonlijk in Anatoth wilde gaan verrichten, maar die wegens zijn gevangenschap niet door kon gaan, uiteindelijk geregeld werd op de wijze, die hier in 32:1-44 wordt beschreven. Ondanks het verzet van plaatsgenoten en familieleden in zijn familiewoonplaats Anatoth tegen Jeremia’s boodschap (zie 11:21, 23; 12:6), komt in moeilijke tijden zijn neef Hanameël een beroep doen op zijn gevoel voor goede familierelaties. Hij komt hem vragen, een akker uit het familiebezit te Anatoth aan te kopen door als ‘losser’ op te treden (vgl. Ruth 4:3v). God had Jeremia reeds laten weten, dat dit zou gebeuren, zodat hem de diepe, profetisch-symbolische betekenis van de te verrichten transactie niet ontgaat. De gebeurtenis vindt plaats in aanwezigheid van Baruch, wiens naam hier weliswaar voor het eerst in dit boek wordt vermeld, doch die reeds sedert lange tijd als Jeremia’s secretaris optrad (vgl. hstt. 36 en 45). Bij de aankoop van de akker door Jeremia zijn twee getuigen aanwezig. Ook zij ondertekenen de koopakte, die in duplo wordt opgemaakt en met een zegelafdruk wordt bekrachtigd. Het ene, ‘open’ exemplaar is bestemd voor de koper; het andere, dwz. het ‘gesloten’, verzegelde exemplaar is bestemd voor een archief, dat men in geval van juridische meningsverschillen kan raadplegen. In dit geval moeten echter beide exemplaren zorgvuldig worden opgeborgen in een aardewerken kruik, als een door God gegeven garantie voor het beloofde toekomstige heil (vss 14v). Uit Mesopotamie zijn ook dergelijke dubbele overeenkomsten bekend, mair daar werden zij niet op papyrus geschreven doch op kleine, in elkaar passende kleicylinders, die gebakken werden. Daarbij bevond zich het tweede, ‘gesloten’ exemplaar dus binnen de iets grotere, ‘open’ cylinder. Naar aanleiding van deze transactie spreekt Jeremia een smeekgebed uit (vss 17-25). Daarin komen verscheidene liturgische formuleringen voor, die wij ook elders in het O.T. aantreffen. De in vs 24 genoemde ‘wallen’ zijn door de vijand opgeworpen belegeringswallen, die ons ook bekend zijn uit babylonische afbeeldingen. Het smeekgebed van Jeremia wordt door God beantwoord; zie vss 26-35. Zie bij vs 35 (Dal Ben-Hinnom en Moloch) de toelichting bij 7:31. In de verzen 36-44 volgen beloften van herstel; zie bij vs 40 de beloften in 31:31-34, en bij vs 44 de toelichting bij 17:26 en vgl. 30:4.

Heilsverwachtingen 33:1-26

De profetische uitspraken in dit hoofdstuk betreffen het toekomstig herstel van het volksbestaan in Jeruzalem (vss 2-11) en Juda (vss 12-13), alsmede het herstel van Jeruzalem als zetel van de davidische dynastie en de wettige eredienst (vss 14-26). Zowel het feit, dat in vs 1 Jeremia in de derde persoon wordt genoemd als de citaten uit of toespelingen op profetieën, die in voorafgaande hoofdstukken voorkomen, wekken de indruk dat de perikoop, bestaande uit vss 1-13, een samenvatting is van latere hand. Misschien was deze latere hand die van Baruch; vgl. hstt. 36 en 45. Dergelijke toevoegingen vinden wij ook in 31:38-40 en in hst. 52. De vertaling van vss 2, 4 en 5 is onzeker. In de perikoop, bestaande uit vss 14-26, die in de Septuaginta ontbreekt, komen parallellen voor met andere passages in Jeremia en met uitspraken in enige oudtestamentische boeken uit de tijd na de ballingschap (vgl. 33:14v met teksten als Zach. 3:8 en 6:12, waarin eveneens over de ‘Spruit’ wordt gesproken). Het is mogelijk, dat dit hele gedeelte in de huidige vorm uit latere tijd dateert. Dit doet, uiteraard, niets af aan de betekenis van dit gedeelte, doch wil zeggen dat het bij zulk een zienswijze een wat duidelijker achtergrond krijgt in de heilsverwachtingen uit de periode na de terugkeer uit de ballingschap. Indien deze opvatting juist zou zijn, vinden wij ook hier een voorbeeld van herinterpretatie; vgl. de inleidende opmerkingen bij 30:1-31:40. Dit wil zeggen, dat oudere profetische uitspraken in een latere situatie opnieuw gehoord en geïnterpreteerd werden, zodat zij een nieuwe, actuele betekenis kregen. Wanneer wij vanuit zulk een gezichtshoek dergelijke passages lezen, wordt ons tevens duidelijk, hoe het profetische woord blijft voortleven en in latere tijden zijn uitwerking heeft. Voorbeelden van zulk actualiserend lezen en verstaan van de profeten vinden wij in het bijzonder in de wijze, waarop het Oude Testament in het Nieuwe Testament geciteerd wordt en daarin doorwerkt. Op enige voorbeelden daarvan werd gewezen in de inleidende opmerkingen bij 30:1-31:40 en de toelichting bij 31:15-17. Thans volgen enige verwijzingen en korte toelichtingen. Zie bij vss 1-13: Jer. 32:2, 8, 24, 26-44.Israel (vs 7): misschien moet hier gelezen worden: Jeruzalem. Reinigen (vs 8): vgl. Ez. 36:25. Vergeven (vs 8): vgl. 31:34. Vgl. bij vs 9: Sef. 3:20. Met deze plaats (vs 10) is Juda bedoeld; vgl. 7:6,7,14; 16:9; 42:18. Invs 11 wordt vreugdebetoon in uitzicht gesteld, in tegenstelling tot de in 7:34, 16:9 en 25:10 uitgesproken dreigingen. Zie bij het in vs 11 geciteerde loflied: 1 Kron. 16:34, 41; 2 Kron. 20:21; Ps. 106: 1; 107:1; 136:1 en refrein. Dit loflied behoorde tot de vaste bestanddelen van de tempelliturgie. Goedertierenheid is verbondstrouw. Zie bij de in vs 13 genoemde landstreken: 17:26 en 32:44. Teller (vs 13): zowel bij het naar binnen gaan in de schaapskooi als bij het afzonderen van de tienden werden de schapen geteld.

Zie, de dagen komen… (vs 14): zie over deze inleidingsformule de toelichting bij 23:5. In vervulling zal doen gaan (vs 14): in NBG wordt het hier voorkomende werkwoord op verschillende wijzen vertaald; enige voorbeelden hiervan zijn: ‘bevestigen’ (11:5), ‘vervullen’ (28:6), ‘in vervulling doen gaan’ (29:10 en 33:14), en ‘gestand doen’ (34:18 en 44:25). Uit deze voorbeelden kan de lezer afleiden, welk een breed betekenisveld het betreffende werkwoord heeft. De verzen 14-16 doen ons denken aan 23:5-8, maar uit vergelijking van de beide passages blijkt, dat er enige verschillen zijn. Vs 16 heeft ‘Jeruzalem’ ipv. ‘Israël’, dat in 23:6 genoemd wordt. De erenaam De HERE onze gerechtigheid wordt in vs 16 aan de koninklijke residentie Jeruzalem toegekend, maar in 23: 6 aan de koning; zie de toelichting bij 23:5-6. Hiermee hangt nog een kleine variant samen, tw. ‘in die dagen’ (vs 16), waar 23:6 ‘in zijn dagen’ heeft. Zie voor de belofte aan het huis van David, die zowel in 33:15 als in 23:5 voorkomt: 2 Sam. 7:12-16; 1 Kon. 8:25; 9:5; 2 Kron. 6: 16; 7:18; Ps. 89:4, 5; 132:11; vgl. ook Jer. 22:4 en 30.

De verzen 19-22 grijpen terug op 31:35-37. De beloften aan de aartsvaders (Gen. 15:5; 22:17; 26:4; 32:12) worden hier toegespitst op het koningshuis, de Levieten en de priesters. Zie over de laatstgenoemden: Jes. 66:21; Mal. 2:4, 8; en vgl. het in Ez. 44:10 en 48:11 tot de Levieten gerichte verwijt. Met de twee geslachten, genoemd in vs 24, zijn bedoeld: het geslacht van David en dat van Levi (vgl. Zach. 4:14; 6:12v). Zie bij vss 25-26 ook: 31: 35-37.

Trouwbreuk en trouw 34:1-35:19

De samenhang met het voorafgaande gedeelte, 30.T-33: 26, waarbij wij het opschrift ‘Heilsprofetieën’ plaatsten, ligt in een gedachtentegenstelling. Het in de hoofdstukken 30-33 verkondigde heil berust op Gods trouw aan zijn verbond (zie oa. 33:23-26). Tegenover deze verbondstrouw van God staat de ontrouw van Zedekia en de Judeeërs, die beschreven wordt in hst. 34. Deze ontrouw steekt schril af tegen de trouw van de Rechabieten, beschreven in hst. 35.

Waarschuwing aan Zedekia wegens zijn trouwbreuk aan Babel 34:1-7

In de tiende maand van het negende regeringsjaar van Zedekia (zie 2 Kon. 25:1), dwz. in de zomer van 588 v.Chr., begonnen de Babyloniërs hun beleg van Jeruzalem (vgl. 39:1; 52:4; Ez. 24: lv). Met een korte onderbreking, vermeld in 37:5 en 34:21, duurde deze tot de vierde maand van Zedekia’s elfde regeringsjaar, dwz. het voorjaar van 586 v.Chr., toen de stad door de Babyloniërswerd ingenomen (vgl. 39:2; 52:6v). Herhaaldelijk werd koning Zedekia door de profeet Jeremia er toe vermaand, zijn verzet tegen Babel op te geven en zich aan Nebukadnezar te onderwerpen (zie oa. 21:1-10; 32:3-5; 38:17-23; vgl. ook Ez. 17:11-19). Slechts dan zou de stad voor verwoesting gespaard blijven. Maar in geval van voortgaande, hardnekkige ongehoorzaamheid, dreigt de ondergang. Dan zal Zedekia gevangen worden genomen en naar het hoofdkwartier van Nebukadnezar worden gebracht. De tijd voor onderhandelingen via gezanten is dan voorbij. Persoonlijk zal Nebukadnezar de afvallige vazal Zedekia straffen wegens zijn trouwbreuk. De voorwaardelijke profetie, die in vs 5 voorkomt, zal dan niet in vervulling gaan (zie bij 7:1-15 de opmerkingen over het karakter van bijbelse profetie, en vgl. 39:5-7 en 52:411).

Jeruzalem was omgeven door een gordel van kleine vestingsteden. In 6:1-8 werd reeds beschreven, dat deze door het oprukkende babylonische leger werden ingesloten. Thans wordt vermeld, dat er nog slechts twee stand houden; zie vs 7. Azéka lag ± ten Z.W. van Jeruzalem en ± van Bethlehem. Lachis lag + ten N.N.W, van Hebron. Bij opgravingen in 1932-1938 kwam te Lachis oa. een verzameling van op potscherven in het Hebreeuws geschreven brieven aan het licht. Deze voor het merendeel aan de stadscommandant van Lachis gerichte brieven, daterend uit de tijd van de babylonische veldtocht tegen Juda, zijn van belang voor onze kennis van dit tijdperk, want daaruit kan worden afgeleid, in welke noodsituatie de vestingsteden verkeerden.

Trouwbreuk aan vrijgelaten slaven 34:8-22

Blijkens vss 21-22 vond de hier beschreven gebeurtenis plaats tijdens de onderbreking van het beleg in 587 v.Chr., toen het leger van Babel slag leverde tegen dat van Egypte; vgl. 37:5. In samenwerking met de vorsten en de vertegenwoordigers van het volk was Zedekia een met verbondsriten bekrachtigde overeenkomst (‘verbond’; in NBG vertaald met ‘verbintenis’) aangegaan, waarbij werd bepaald dat de judese schuldslaven zouden worden vrijgelaten. Waarschijnlijk is bedoeld, dat deze vrijlating werd afgekondigd tijdens het beleg van de stad, maar ongedaan werd gemaakt nadat de Babyloniërs waren weggetrokken. Zie over slavernij wegens schuld: Ex. 21:2; Lev. 25:39; Deut. 15:12.

Het woord ‘Hebreeër’, resp. ‘Hebreeuwse’ is in dit geval geen aanduiding van nationaliteit od., maar van een sociale klasse. Zie ivm. de in vss 18v beschreven verbonds-rite: Gen. 15:9-11, 17v, en ivm. verbond in het algemeen de toelichtingen bij 7:23v en 11::4v. Schuldslaven moesten na een diensttijd van zes jaar worden vrijgelaten. Maar blijkbaar kon onder bijzondere omstandigheden door de koning een collectieve vrijlating worden afgekondigd; dit gebeurde tijdens de benarde situatie toen de stad belegerd was. Maar zodra deze nood voorbij is, wordt de plechtige overeenkomst geschonden en de vrijlating van de schuldslaven herroepen. Omdat de koning, de vorsten en de vertegenwoordigers van het volk de overeenkomst, die zo ceremonieel was bekrachtigd, schonden, zal God op Zijn wijze een vrijlating afkondigen (vs 17); de schuldigen worden door Hem vogelvrij verklaard. Wegens het verbreken van de verbintenis, dwz. wegens hun verbondsbreuk, zal het hun vergaan als de bij de verbondsrite in tweeën gedeelde dieren; zij gaan hun ondergang tegemoet. Hoe het Zedekia verder verging wordt beschreven in 52:4-11.

De trouw van de Rechabieten en de ontrouw van Juda 35:1-19

Hoewel hun voorvader Jonadab ook elders wordt genoemd (2 Kon. 10:15, 23), worden de Rechabieten slechts hier vermeld. Op grond van een theorie over een zgn. ‘nomadenideaal’ werd dikwijls verondersteld, dat er een verband zou bestaan tussen hun gewoonten en die der Nazireeërs (vgl. Num 6:1-21). Doch de teksten zelf bieden geen enkel houvast voor deze theorie. De Rechabieten worden in dit hoofdstuk niet ten voorbeeld gesteld wegens hun conservative, nomadische levenswijze, maar wegens hun trouw aan oude, voorvaderlijke voorschriften. Door deze trouw onderscheiden zij zich van de ontrouwe Judeeërs. Blijkens de datering in vs 1 en vs 11 verplaatst dit hoofdstuk ons in de regeringsperiode van Jojakim, tw. in de tijd vlak voor en tijdens de strafexpeditie van de Babyloniërs tegen Jeruzalem in 597 v.Chr. Bedoeld zal zijn, dat destijds de als nomaden rondtrekkende Rechabieten van het platteland naar Jeruzalem vluchtten.waar zij temidden van de stadsbevolking opvielen wegens hun geheel andere levenswijze. Chronologisch ligt het hier beschrevene dus vóór de gebeurtenissen, vermeld in hst. 34; er ligt een periode van ruim tien jaar tussen hetgeen in beide hoofdstukken wordt vermeld. Maar thematisch is er een samenhang, want het gaat om de tegenstelling tussen hun trouw aan voorvaderlijke zeden en de trouweloosheid van Juda. Jèremia demonstreert de trouw van de Rechabieten door hun wijn aan te bieden; wegens hun strenge, nomadische levenswijze weigeren zij echter, deze te drinken. Wegens deze blijk van trouw wordt hun in uitzicht gesteld, dat zij en hun nakomelingen mogen deelnemen aan de eredienst in Jeruzalem (vss 18v). De Judeeërs daarentegen worden wegens hun ontrouw met rampspoed bedreigd (vs 17).

In vs 4 wordt Hanan, de zoon van Jigdalja, een man Gods genoemd, dwz. een profeet; vgl. 1 Sam. 9:6-10. De dorpelwachter (vs 4) had in de tempel een leidende functie, direct onder de hogepriester en zijn plaatsvervanger (vgl. 52:25). Zie bij voor Mijn aangezicht staan (vs 19): de opmerking bij 15:19.

Memoires van Baruch 36:1-45:5

Met hst. 36 begint een nieuw hoofddeel van het boek. Dit bestaat uit de in chronologische volgorde geschreven memoires van Baruch over het profetisch optreden van Jeremia en de gevolgen, die dit voor de profeet met zich bracht. Dit wordt verhaald binnen het kader van de geschiedenis van Juda in die dagen. De chronologische volgorde wordt doorbroken in hst. 45, want daarin wordt teruggegrepen op wat in hst. 36 wordt vermeld.

De verbrande boekrol 36:1-32

In de inleiding werd er op gewezen, dat dit hst. ons inzicht geeft in de ontstaansgeschiedenis van het boek Jeremia. Daarom is het ook van grote betekenis, wanneer wij pogen na te gaan, hoe belangrijke delen van de hebreeuwse bijbelse literatuur ontstonden. Hier beperken wij ons echter tot enige korte toelichtingen. Het hst. kan als volgt worden ingedeeld: a. het ontstaan van de rol (14); b. de opdracht aan Baruch (5-7); c. de publieke voorlezing van de rol en de gevolgen daarvan (8-19); d. de reactie van koning Jojakim (20-26); e. de nieuwe rol en de oordeelsaankondiging aan de koning (27-32).

Jojakim, zoon van Josia, regeerde van 609 tot 597. Hij kwam aan de regering als vazal van Egypte, nadat zijn vader in 609 bij Megiddo in de strijd tegen farao Necho was gesneuveld. Tijdens zijn regeringsperiode vond de opkomst van het nieuw-babylonische rijk plaats. In vss 1, 9 en 22 worden Jojakims vierde, resp. vijfde regeringsjaar genoemd. Zijn vierde regeringsjaar viel in 605, een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van Juda. Want in dat jaar werd farao Necho (610-595) door Nebukadnezar, de kroonprins van Babel, in een veldslag bij Karke-mis verslagen (vgl. 46:2). Hierdoor geraakte Juda tussen hamer en aambeeld; het werd betrokken bij de machtsstrijd tussen Egypte en Babylonië. Deze betrokkenheid leidde ertoe, dat reeds zeven jaar later, dwz. in 597; Juda door Babel werd onderworpen, met het gevolg dat tot de ondergang van Jeruzalem in 586 de judese koningen vazallen van Babel waren. Na de nederlaag van farao Necho in 605 ontstonden in Juda twee tegengestelde opvattingen over het te volgen beleid. Enerzijds waren er velen, die de zijde van Egypte kozen en ook na de latere nederlaag van Juda in 597 de strijd tegen Babylonië wilden voortzetten, in samenwerking met bondgenoten. Anderzijds waren er, die zich aan Babylonië wilden onderwerpen. In Gods opdracht moest Jeremia telkens weer oproepen tot onderwerping aan deze nieuwe wereldmacht, maar zijn prediking vond geen gehoor. Dit blijkt in dit hst. uit de reacties op de voorlezing van Jeremia’s eerste rol, die de hoofdzaken van hstt. 1-25 bevatte. Tevens blijkt het uit de gebeurtenissen, die in de volgende hoofdstukken door Baruch in zijn memoires worden vermeld. In dit opzicht is er één doorgaande lijn in het gehele boek. Jeremia’s secretaris Baruch, die in 32:12 voor het eerst genoemd wordt, was afkomstig uit een vooraanstaande familie; in 51:59 blijkt, dat zijn broer Seraja ‘hofmaarschalk’ was, en uit 45:4 (‘grote dingen’) kan worden afgeleid dat hij onder normale omstandigheden zeer goede toekomstmogelijkheden gehad zou hebben.

Waarom Jeremia zegt, dat hij ‘verhinderd’ is (vs 5), is niet duidelijk; misschien was hij op dat moment cultisch onrein, zodat hij de tempel niet mocht betreden (vgl. Num 19:11; 1 Sam. 21:7; Neh. 6:10). Een vastendag (vss 6, 8) werd soms uitgeroepen, wanneer zich noodsituaties voordeden, bv. een grote droogte; het volk stroomde dan samen in de tempel (vgl. Jes. 58:1-13). Schrijver (vs 10) is de titel van een beambte, behorend tot de koninklijke kanselarij. Daalde af (vs 12): het paleis lag lager dan de tempel (vgl. 22:1). Weggelegd (vs 20): de koninklijke beambten namen de tol in beslag en namen deze in bewaring in de kanselarij. Omdat het winter is (de negende maand, vs 9, valt in nov.(dec), bevindt de koning zich in het winterpaleis (vs 22), dwz. de zuidelijke vleugel van zijn paleis. De kilte wordt verdreven door een houtskoolvuur in een open vuurbekken, zodat het de koning gemakkelijk valt, afgesneden stukken van de rol daarin te verbranden. Vss 30-31: Jojakim werd weliswaar door zijn zoon Jojachin = Chonja opgevolgd, doch deze werd na een regering van nauwelijks drie maanden door de Babyloniërs afgezet en gedeporteerd. Zie over Jojakims begrafenis: 22:19.

Zedekia’s tweede gezantschap 37:1-10

Zie ivm. de tijdsbepaling ed. de toelichting bij 21:1-10. Uit vs 4 blijkt, dat Jeremia op dit moment nog vrij man was, maar spoedig daarna werd hij gevangen genomen (zie 37:11-16, 21). De koning stuurt als afgezanten Ju-chal (vgl. 38:1) en de priester Zefanja (vgl. 21:1; 29:25, 29; 52:24), met de opdracht, de profeet om een woord van God te vragen (vgl. 42:1-6). Hij krijgt te horen dat de Babyloniërs, die het beleg van Jeruzalem wegens het oprukken van farao Hofra (588-569; vgl. 44:30) hebben onderbroken, zullen terugkeren en de stad zullen innemen en verwoesten. Ook hier is dit profetische woord bedoeld als een oproep tot gehoorzaamheid en onderwerping, niet als een onvoorwaardelijke onheilsaankondiging (vgl. de toelichting bij 7:1-15). Uit het vervolg van dit hst. blijkt echter, dat de koning in het kwaad volhardt, zoals reeds in vs 2 werd aangeduid.

Jeremia gevangen gezet 37:11-16

ln 32:2 en 33:1 werd reeds de gevangenschap van Jeremia vermeld. Thans wordt duidelijk, wat de directe aanleiding daartoe was. De oorzaak lag veel dieper, tw. in het toenemende verzet tegen zijn prediking, waarin hij voortdurend opriep tot onderwerping aan Babel. Dit verzet komt nu tot uiting in een daad van de officier, die als wachtcommandant optreedt bij de noordelijke stadspoort. Jeremia wil onder het volk een erfdeel aanvaarden (vs 12); waarschijnlijk is dit een toespeling op de transactie, vermeld in 32:6-15, die echter enige maanden later plaats .vond. Wegens zijn gevangenschap had Jeremia geen uitvoering kunnen geven aan zijn oorspronkelijke voornemen, zelf naar Anatoth in het gebied van Benjamin te gaan, zodat de transactie pas later plaats kon vinden. Hij wilde daar een erfdeel aanvaarden onder het volk; dit woord heeft hier de betekenis ‘familie’ (vgl. 2 Kon. 4:13). Wanneer hij met het oog daarop de stad wil verlaten tijdens de onderbreking van het beleg door de Babyloniërs, wordt hij bij de noordelijke stadspoort gearresteerd. Het voorwensel is, dat hij ervan wordt verdacht, naar de Babyloniërs te willen overlopen. Hoewel hij dit aan anderen aangeraden had (21:9) en velen deze raad opgevolgd hadden (38:19; 52:15), was hij beslist niet van plan, dit zelf ook te doen. Ondanks zijn ontkenning wordt hij als een staatsgevaarlijk man beschouwd, afgeranseld en in een onderaards gewelf opgesloten.

Het eerste onderhoud met Zedekia leidt tot een lichtere vorm van gevangenschap 37:17-21

De koning, die kennelijk inmiddels vernomen* heeft dat Jeremia gevangen werd gezet, laat hem ophalen en heeft een privé-onderhoud met hem. Opnieuw vraagt hij naar een woord van God (vgl. 37:3) en nogmaals spoort Jeremia hem aan tot onderwerping (vgl. 32:3-5). Hij herinnert de koning aan de bedrieglijke heilsprofetieën van ‘profeten’ (vgl. 27:14v; 28:1-17), waarvan velen nog vrij rondlopen, en beklaagt zich over de wijze, waarop hij gevangen wordt gehouden. Dit leidt er toe, dat op bevel van de koning een lichtere vorm van arrest wordt toegepast. Hij wordt overgebracht naar de gevangenhof (vs 21), een soort arrestantenlokaal, waar hij bezoek kon ontvangen (vgl. 32:8; 38:2vv) en een dagelijks broodrantsoen ontving, althans zolang de voorraad strekte (vgl. 38:9). Hier bleef hij tot de inname van Jeruzalem (vgl. 38:28), toen hij door de Babyloniërs werd vrijgelaten (39:14). Waarschijnlijk behoort de in 38:24-28a vermelde afspraak tussen de koning en Jeremia nog tot dit bericht over het eerste onderhoud tussen die beiden.

Jeremia in een put geworpen en daaruit gered 38:1-13

Uit vss 6 en 9 kan worden afgeleid, dat de Babyloniërs inmiddels het beleg hebben hervat en dat er in de belegerde stad gebrek aan water en voedsel is (vgl. 2 Kon. 25:3). Ondanks zijn gevangenschap herhaalt Jeremia zijn vermaning tot overgave en onderwerping aan Babel (vgl. 21: 9v). De vorsten (vgl. 20:1; 21:1; 37:3), die hem als een staatsgevaarlijk defaitist beschouwen, eisen van de koning de doodstraf tegen Jeremia. De koning, wiens taak het is recht te spreken, verzuimt deze taak en laat de vijanden van Jeremia begaan. Zij werpen hem in een lege waterput bij de gevangenhof, in de hoop dat hij onder in de put in de modderlaag zal stikken. Een Ethiopische of Soedanese eunuch (hoveling, vs 7), die aan het hof een vertrouwenspositie inneemt (zijn naam Ebed-Melech betekent: koninklijke slaaf), doet bij de koning voorspraak voor Jeremia en nadat hij daartoe toestemming heeft verkregen, redt hij de profeet van de dood. Opvallend is de zorgzame wijze, waarop hij de uitgemergelde gevangene behandelt. Dit heeft voor hem het in 39:15-18 vermelde gevolg. Daar wordt tevens duidelijk, wat de diepste motivatie was voor deze daad van Ebed-Melech: hij vertrouwde op God. Na zijn redding wordt Jeremia weer teruggebracht naar de gevangenhof.

Laatste onderhoud met Zedekia 38:14-23

Op het eerste onderhoud met de koning, vermeld in 37: 17-21 (en in 38:24-28a?), volgt enige tijd later een tweede. De plaats van de ontmoeting, vermeld in vs 14, is waarschijnlijk een verbindingsgang tussen het paleis en de tempel. Ook deze keer is het een privé-onderhoud, waarbij geen leden van de hofhouding aanwezig zijn. De koning schijnt inmiddels zijn slappe houding tegenover de vorsten (38:5) te hebben laten varen en belooft Jeremia, dat hij hem niet zal laten ombrengen. Hij kan dus zonder enig voorbehoud de hem voorgelegde vraag beantwoorden, meent Zedekia. Opnieuw dringt Jeremia op onderwerping aan Babel aan; slechts dan zal de stad nog gered kunnen worden. Maar Zedekia zoekt meer het behoud van eigen eer en aanzien dan het behoud van de stad. Daarop vertelt de profeet hem over een visioen, waaruit blijkt hoe eerloos de koning zal worden, indien hij niet tijdig aan de opdracht, zich aan de Babyloniërs over te geven, zal voldoen. Vs 22b is een klaagzang over de koning, die aan gedeporteerde haremvrouwen in de mond wordt gelegd.

Afspraak tussen Zedekia en Jeremia 38:24-28a

Waarschijnlijk kunnen wij dit gedeelte beschouwen als een vervolg van het bericht over het eerste onderhoud,

37:17-21. De door sommigen hierbij ter sprake gebrachte vragen over een zgn. noodleugen zijn dan overbodig.

Belevenissen van Jeremia in de tijd rondom de val van Jeruzalem 38:28b-40:6

De samenhang van dit gedeelte wordt door de in NBG aangebrachte opschriften doorbroken. De memoires van Baruch over de lotgevallen van Jeremia worden voortgezet, maar worden onderbroken door een ingelast stuk, bestaande uit 39:1, 2, 4-10, dat grotendeels overeenkomst met 52:4-16 (en 2 Kon. 24:18-25:20). De hebreeuwse tekst biedt enige moeilijkheden, die in sommige vertalingen (oa. NBG) worden verdoezeld. Enkele van deze moeilijkheden worden hier besproken. Vs 28b luidt: ‘En het geschiedde, nadat Jeruzalem was ingenomen …’. Deze woorden luiden de zin in, die in 39:3 wordt voortgezet; het vervolg daarvan vinden wij in vss 11-14. De vss 39:1,2 vormen een tussenzin, waarin de duur van het beleg en de inname van de stad worden genoemd, ter inleiding op de in vss 4-10 vermelde gebeurtenissen. Daarna wordt Baruchs verhaal over de belevenissen van Jeremia voortgezet. Zie voor enkele andere correcties in de vertaling: de bespreking van vss 9, 12, 13 en 15. Terwille van de overzichtelijkheid brengen wij een onderverdeling aan; de hoofdinhoud van de kleinere eenheden wordt in korte opschriften samengevat.

De val van Jeruzalem en de gevangenneming van Zedekia 39:1, 2, 4-7

Nebukadnezar bevond zich tijdens deze gebeurtenissen in zijn hoofdkwartier te Ribla aan de Orontes. De plaats lag op een belangrijk strategisch punt, een knooppunt van verbindingswegen. Ruim twintig jaar eerder werd in Ribla door farao Necho een oudere broer van Zedekia, koning Joahaz ( = Sallum; zie 22:10-12) gevangen gezet voor hij naar Egypte werd gedeporteerd. Vanuit dezelfde plaats onderhield de koning van Babel de verbindingen met het leger, dat Jeruzalem belegerde. Na een beleg van ruim anderhalf jaar sloegen de Babyloniërs een bres in de westelijke muur van Jeruzalem. Langs de Z.O. kant van de stad vluchtte Zedekia, samen met een deel van de hofhouding en een deel van zijn leger, in de richting van Jericho. Waarschijnlijk had hij de bedoeling, zich bij zijn oostelijke bondgenoot Ammon te voegen (vgl. 40:14; 41: 10; 49:1-6). Hij werd echter door de achtervolgende Babyloniërs gegrepen, nadat hij door zijn soldaten in de steek was gelaten (52:8), en naar Ribla gevoerd. Daar wachtte hem een gruwelijke straf wegens zijn schending van het vazal-verdrag, dat hij elf jaar eerder, dwz. toen hij in 597 als vazal-koning werd aangesteld, had aanvaard en met een eed bekrachtigd.

Verwoesting van Jeruzalem; deportatie van een deel van de bevolking 39:8-10

Ongeveer een maand later komt Nebuzaradan, ‘de bevelhebber van de lijfwacht’, die de veldtocht tegen Juda geleid heeft vanuit zijn hoofdkwartier te Rama (± ten N. van Jeruzalem), naar de ingenomen stad en laat deze plunderen en verwoesten. Een deel van de bevolking, overlopers uit Jeruzalem en vluchtelingen uit andere, reeds eerder ingenomen judese steden laat hij naar Babel deporteren; maar voor de uiteindelijke deportatiebegint, worden enige vooraanstaanden uit Jeruzalem in het hoofdkwartier van Nebukadnezar te Ribla op diens bevel gedood. In NBG moet in vs 9 na ‘overgebleven waren’ worden ingevoegd: ‘en van de overgebleven rest van het volk’, tw. de genoemde vluchtelingen uit de andere steden. Zie over deze gebeurtenissen 52:12-30. Juda werd echter niet geheel ontvolkt; er vond een herverdeling van landerijen onder de overgebleven bevolking plaats en er werd een judese gouverneur aangesteld (40:7). Zie ook de toelichting bij 52:28-30.

De vrijlating van Jeremia 38:28b; 39:3, 11-14

Eerst wordt de situatie in Jeruzalem geschetst (38:28b; 39:3). Daarna wordt een order van Nebukadnezar aan Nebuzaradan, die zich in Rama bevond, vermeld; in deze order werd hij verantwoordelijk gesteld voor de veiligheid van Jeremia. Nebuzaradan heeft dit bevel doorgegeven aan de hoge officieren, die het beleg van Jeruzalern leidden. Vervolgens wordt vermeld, dat zij na de inname van de stad dit bevel laten uitvoeren. Deze ‘bevelslijn’ komt in NBG niet voldoende tot uitdrukking. Ipv. ‘dus zond Nebuzaradan … heen, met …’ (vs 13) lezen wij: ‘En Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, had een (dienovereenkomstig) bevel gegeven. Dus gaven Ne-busazban, de hofmaarschalk, Nergal-Sarezer, de bewindvoerder, en al de bevelhebbers van de koning van Babel bevel en lieten Jeremia uit de gevangenhof halen…’. Jeremia wordt door de Babyloniërs vrijgelaten. Voor zijn veiligheid wordt de inmiddels aangestelde gouverneur van Juda, Gedalja, verantwoordelijk gesteld. Deze behoorde tot de groep Judeeërs, die zich aan Babel wilden onderwerpen. Zijn vajder, Ahikam, had reeds in de tijd van Jojakim de profeet in bescherming genomen (26:24). In vs 14 lezen wij ipv. om hem in vrijheid testellen overeenkomstig de letterlijke betekenis van de tekst: ‘om hem naar huis te laten gaan’. In plaats van Zo bleef hij te midden van het volk lezen wij: ‘en hij vestigde zich temidden van zijn familie’. Zie voor deze betekenis van ‘volk’: 37:12; 2 Kon. 4:13. Wij nemen aan dat bedoeld is: Jeremia ging naar Anatoth, waar zijn familie woonde. Dan wordt ook duidelijk, wat de achtergrond is van wat wij lezen in 40:1- vs 12 moet nog een slordigheid in NBG worden gecorrigeerd. Neem hem onder uw hoede moet luiden: ‘Neem hem en sla uw ogen op hem’, een uitdrukking die wij ook in 40:4 lezen: ‘ik zal mijn oog op u slaan’ (vgl. 24:6; Ps. 32:8; 101:6).

De redding van Ebed-Melech 39:15-18

De koninklijke slaaf, die Jeremia van de dood heeft gered (39:7-13), wordt op Gods bevel ook zelf gered. Hoewel vs 15 ons terugplaatst in de tijd vóór de vrijlating van Jeremia, wordt deze gebeurtenis hier vermeld. De auteur ziet een samenhang tussen beide gebeurtenissen: de ene redding brengt de andere met zich. ‘Het leven ten buit hebben’: vgl. 21:9; 38:2; 45;5.

Jeremia gevrijwaard van deportatie 40:1-6

Chaotische verwarring na de verwoesting van Jeruzalem heeft er blijkbaar toe geleid dat Jeremia, die zich inmiddels weer in zijn familiewoonplaats Anatoth had gevestigd, toch weer gevangen werd genomen. Tegen uitdrukkelijke bevelen in werd hij meegevoerd in een groep krijgsgevangenen, die naar het ‘opvangcentrum’ te Rama werd gebracht. Nebuzaradan, die daar zijn hoofdkwartier had, verneemt dit en behandelt dan Jeremia overeenkomstig de order, die hij van Nebukadnezar ontvangen had. Hij stelt Jeremia voor de keus: öf als vrij man onder zijn bescherming meegaan naar Babel öf zich ergens in het land Juda vestigen. Jeremia kiest voor het laatste en gaat naar Mizpa, iets ten N. van Rama, van waaruit Gedalja inmiddels het bestuur over Juda ter hand had genomen. De inleidingsformule in vs 1 heeft betrekking op wat in 42:7 wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat in vss 2 en 3 een korte samenvatting van Jeremia’s prediking in de mond wordt gelegd van de babylonische bevelhebber. Dit behoeft niet, zoals velen menen, een literaire fictie te zijn. Het is mogelijk, dat zulk een samenvatting zowel Nebukadnezar als Nebuzaradan ter ore was gekomen en dat zij juist daarom Jeremia in vrijheid stelden. Hij had immers voortdurend opgeroepen tot onderwerping aan Babel; dat hij dit in de naam van de God van Israel deed, was voor de Babyloniërs vanzelfsprekend. Volgens hen had immers elk land zijn eigen god(en). Met deze plaats (vs 2) is het land Juda bedoeld; vgl. 7:7, 14, 20; 42:18.

De moord op Gedalja en de gevolgen daarvan 40:7-41:15

Zowel Gedalja als Ismaël worden genoemd met vermelding van de namen van hun vader en grootvader (39:14; 40:5, 8; 41:1; 43:6; vgl. 37:13; 51:59). Dit wijst er op, dat het in beide gevallen gaat om iemand uit een vooraanstaand geslacht. Gedalja’s grootvader was kanselier tijdens Josia; Ismaël is verwant met het koningshuis. In dit gedeelte gaat het om een tegenstelling tussen twee politieke beleidslijnen, die wij reeds eerder ter sprake brachten (zie bij 36:1-32). Gedalja, wiens vader zich reeds voor Jeremia had ingezet (26:24), wil samen met zijn aanhang het beleid volgen, waartoe Jeremia in Gods opdracht zo dikwijls had opgeroepen, tw. onderwerping aan Babel. Maar Ismaël wil het beleid van Zedekia en zijn aanhangers blijven volgen, nl. voortzetting van de strijd in samenwerking met de oostelijke bondgenoten. Opnieuw blijkt, dat dit beleid de rampen, die Juda tot dusver troffen, nog zwaarder maakt, want uiteindelijk leidt dit tot de catastrofe, vermeld in de volgende hoofdstukken. Een aandachtige lezer van het boek Jeremia heeft misschien gehoopt op een andere, meer gunstige afloop, evenals de profeet zelf. Zijn hart kwam immers dikwijls in opstand tegen de onheilsboodschap, die hij moest verkondigen (zie oa. 15:10; 20:7-18). Maar dezelfde lezer heeft de rampzalige afloop van Juda’s geschiedenis wel zien komen, want het boek is vol van toespelingen daarop.

Gedalja, die door Nebukadnezar tot gouverneur van het voormalige koninkrijk Juda werd aangesteld, begint de overgebleven en de uit het buitenland terugkerende bevolking te herorganiseren. Dit blijkt oa. uit zijn aanwijzingen voor het binnenhalen van de nog te velde staande oogst en de voedselvoorziening. Als hij ervan op de hoogte wordt gesteld, dat er een complot tegen hem wordt gesmeed, dat ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de gehele nog resterende bevolking van Juda, hecht hij daaraan geen geloof. Wanneer een van zijn aanhangers op zeer rigoreuze tegenmaatregelen aandringt, wil hij daar niet op ingaan. Ismaël, die zich eerstbij hem had aangesloten (40:7), misbruikt het gastrecht (41:1; vgl. Ps. 41:10) en vermoordt Gedalja en zijn aanhang. Daarna brengt hij op slinkse wijze een groep pelgrims uit drie noordelijke steden om; dezen waren op weg naar Jeruzalem, vermoedelijk om daar op het plein van het verwoeste heiligdom het Loofhuttenfeest te vieren. Daarna vlucht hij naar het land van zijn oostelijke bondgenoot Ammon. Het bewind van Gedalja duurde slechts enkele maanden. Hij trad direct na de verwoesting van Jeruzalem, die op de tiende van de vijfde maand plaats vond (52:12), als landvoogd op; zijn aanstelling vond waarschijnlijk reeds enige tijd eerder plaats. Reeds in de zevende maand werd hij vermoord (41:1). Onder de Judeeërs waren er, die inzagen, welke rampzalige gevolgen deze moord met zich bracht; zij stelden een jaarlijkse vastendag in (zie Zach. 7:5; 8:19). Zie over de in 41:5 vermelde tekenen van rouw: 16:6; 36:24; 48:37. In 41:9 wordt koning Asa genoemd; hij had de vesting Mizpa versterkt (1 Kon. 15:22) en daar blijkbaar een waterreservoir laten uitgraven, zoals men dit destijds in veel vestingsteden deed. Gibeon (vs 12) lag ten N.O. van Mizpa; vgl. 2 Sam. 2:13.

Jeremia’s optreden tijdens de vlucht naar Egypte onder leiding van Johanan 41:16-43:13

Na de moord op Gedalja neemt Johanan, zoon van Kareach, de leiding op zich (vgl. 40:8, 13, 15; 41:11-15). Omdat hij represailles van de Babyloniërs vreest, besluit hij met zijn aanhangers naar Egypte te vluchten. Terwijl zij nog in de buurt van Bethlehem zijn, wordt besloten, Jeremia te raadplegen voor men verder trekt. Samen met Baruch had men hem meegenomen op deze tocht. Nadat hem het verzoek om een profetische uitspraak heeft bereikt, moet Jeremia tien dagen wachten voor hij Gods antwoord kan geven. Als echte profeet des HEREN verkondigt hij immers geen eigen inzichten, maar is hij afhankelijk van wat God hem wil meedelen. Hij kan niet eigenmachtig over het woord van God beschikken, maar moet er op wachten. Ook ditmaal is de boodschap geheel in overeenstemming met zijn vroegere verkondiging; de verwoesting van Jeruzalem heeft daarin geen verandering gebracht en opnieuw moet hij oproepen tot onderwerping aan Babel. Hoewel men hem er van te voren van had verzekerd, zich aan het Godswoord te zullen onderwerpen, weigert men thans, daaraan gehoor te geven. Integendeel, men beschuldigt hem van gekonkel met Baruch, dwz. van valse profetie. Ondanks de waarschuwing van Jeremia wordt de tocht naar Egypte voortgezet. Samen met Baruch wordt hij meegevoerd naar Tachpan-hes, een grensvesting in de oostelijke Nijldelta.

Wij kunnen dit gedeelte als volgt indelen. De eerste profetie van Jeremia tijdens de vlucht wordt vermeld in 42: 7-18; het antwoord van het volk in 43:1-3; de tweede profetie in 42:19-22 en de reactie daarop in 43:4-7. Na de aankomst in Tachpanhes volgt een derde profetie: 43:813. Deze gaat gepaard met een profetische, symbolische handeling (zie de opmerkingen bij 13:1-11), die betrekking heeft op een aanstaande veldtocht tegen Egypte van Nebukadnezar (vgl. Ez. 30:10-12). Ook hier wordt deze Gods knecht genoemd; vgl. 25:9. Met deze plaats (42:18) is Juda bedoeld (vgl. 7:7, 14, 20; 40:2). Zie bij 43:11 de parallel in 15:2. Gevankelijk wegvoeren (43:12): de Babyloniërs namen tijdens veldtochten soms godenbeelden in beslag en voerden deze mee naar Babel (vgl. 48:7). De ‘zonnetempel’ (43:13) bevond zich te On = Heliopolis, ten N. van het huidige Cairo.

Profetieën tegen de hernieuwde verering van de ‘hemelkoningin’ 44:1-30

De judese vluchtelingen vestigden zich in Egypte oa. in Migdol, een grensvesting ten O. van Tachpanhes (vgl. 43:7; 2:16), in Nof=Memphis, de vroegere hoofdstad (vgl. 2:16), en in Patros in Boven-Egypte. Omdat zij ook in Egypte hun vroegere afgodische praktijken voortzetten, moeten Jeremia hun opnieuw Gods oordeel aanzeggen. Hij herinnert aan de in Juda gepleegde afgoderij en de daartegen gerichte prediking. Met name tegen de hernieuwde verering van de ‘hemelkoningin’ wordt gewaarschuwd; vgl. 7:16-20. Vrouwen speelden in deze verering een belangrijke rol; zij bakten offerkoeken in de vorm van de Avondster (vs 19) en verrichtten daarmee offerhandelingen. Volgens vss 17, 19 en 25 hadden zij geloften aan hun godin afgelegd; waarschijnlijk is bedoeld, dat zij dit deden tijdens de gevaarlijke tocht naar Egypte. Dergelijke geloften luidden gewoonlijk: ‘Als gij, Asjtar-te (of een dergelijke naam), ons redt uit dit gevaar en wij veilig ons reisdoel bereiken, zullen wij u … (omschrijving van het offer) offeren’. De echtgenoten van de bedoelde vrouwen hadden zich niet tegen hun geloften verzet en deze ongeldig gemaakt; daarom bleven deze geloften van kracht (vgl. Num 30) en zijn de mannen daarvoor mede verantwoordelijk. In een volksvergadering, waarin de mannen zich in het midden bevinden en de vrouwen daaromheen staan (vss 15, 24), worden zowel het afleggen van deze geloften als het ten uitvoer brengen daarvan door Jeremia fel veroordeeld. De Judeërs dachten, dat zij slechts tijdelijk in Egypte zouden verblijven en korte tijd later naar Juda zouden kunnen terugkeren (vs 14). Maar in Gods opdracht krijgen zij van Jeremia te horen dat de meesten van hen in Egypte zullen omkomen. Wanneer zij in hun afgoderij blijven volharden en deze tegenover de profeet trachten te verdedigen (vs 16vv), blijft God volharden in het oordeel, dat Hij door Jeremia reeds zo dikwijls had aangekondigd. Dan zal hun volharding in de door hen reeds in Juda uitgeoefende heidense vormen van volksreligie ook in Egypte heilloze gevolgen hebben. Zij moeten goed beseffen, dat het zinloos is van Egypte hulp te verwachten in voortgaand verzet tegen de groeiende macht van Babel. Want farao Hofra ( = Apriës; 588-569 v.Chr.) zal door ‘zijn vijanden’, dwz. opstandige soldaten, worden gedood. Wanneer dit gebeurt, zal men dit moeten verstaan als een ‘teken’ (vs 29), waarmee God de woorden van Zijn profeet in Egypte bekrachtigt, zoals Hij dat ook deed met de gebeurtenissen, die in Juda plaats vonden.

Aan Baruch 45:1-5

De memoires van Baruch (zie bij hst. 36) worden afgesloten met een bericht over een tot hem persoonlijk gerichte profetie uit het vierde jaar van Jojakim, dwz. 605/4 v.Chr. (vgl. 25.T; 36:1). In die tijd was hij reeds Jeremia’s secretaris en schreef hij de eerste rol, waarin devele onheilsprofetieën voorkwamen; dwz. de rol, die door Jojakim in stukken werd gesneden en verbrand. Toen deze rol door Jeremia aan Baruch werd gedicteerd, onderging deze dat niet als een gevoelloze schrijfauto-maat maar als een diepgevoelig mens. Telkens wanneer hij bezig was te schrijven, overvielen hem zijn emoties. Hij mocht echter daaraan niet toegeven. Want in opdracht van God werd hij door Jeremia herinnerd aan de woorden van 1:10; als zelfs God afbreekt wat Hij zelf heeft opgebouwd, mag Baruch voor zichzelf geen ‘grote dingen’, dwz. goede toekomstmogelijkheden zoeken. Hij mag al blij zijn, als hij het er levend af zal brengen (vgl. 21:9; 38:2; 39:18), maar dat wordt hem dan ook beloofd. Uit bescheidenheid plaatste Baruch dit hst. aan het einde van zijn memoires. Zie echter ook de toelichting bij 51:59-64, dat waarschijnlijk als een aanhangsel bij deze memoires kan worden beschouwd. Misschien mogen wij uit deze plaatsing van hst. 45 afleiden, dat Baruch grote delen van het boek Jeremia in Egypte heeft geredigeerd. De eindredactie van het boek vond echter later plaats, waarschijnlijk in Jeruzalem; zie de inleiding.

Verzameling van profetieën tegen de volken 46:1-51:64

Met hst. 46 begint een nieuw hoofddeel van het boek, zoals duidelijk blijkt uit het opschrift in 46:1, dat betrekking heeft op de gehele verzameling. Daaraan werd in 51:59-64a een naschrift toegevoegd, waarna deze verzameling wordt afgesloten met de slotformule in 51:64b. In 25:15-38 wordt reeds een samenvatting gegeven van deze profetieën tegen de volken, die daar worden vergeleken met een hun te drinken gegeven beker zware, bedwelmende wijn. Thans worden deze profetieën uitvoeriger beschreven. Afgezien van de inleidende formules ed. en het genoemde naschrift, die in prozastijl zijn geschreven, komt ook in deze verzameling de poëzie-vorm voor, die kenmerkend is voor Jeremia’s overige profetische uitspraken. Het is opmerkelijk, dat in een aantal van deze profetieën de onheilsdreigingen worden gevolgd door een korte heilsaankondiging (vgl. 29:14). Dit is het geval in de uitspraken, gericht tegen Egypte (46:26b), Moab (48:47), de Ammonieten (49:6) en Elam (49:39). Doch in de profetische uitspraken tegen de Filistijnen, Edom, Damascus, de Arabieren en Babel treffen wij zulke heilsaankondigingen niet aan.

Tegen Egypte 46:2-28

In dit hoofdstuk kunnen wij de volgende kleinere eenheden onderscheiden: 46:2, 3-12, 13, 14-19, 20-24, 25-26 en 27-28.

2.Dit vers is een inleiding, vergelijkbaar met 46:13,47.T, 49:28,49:34 en 50:1, doch hier is de inleiding uitvoeriger. Daarin worden de historische omstandigheden aangeduid, waarop de verzen 3-12 betrekking hebben. De hier genoemde slag bij Karkemis aan de bovenloop van de Eufraat vond plaats in 605 v.Chr., dwz. in het vierde regeringsjaar van Jojakim, die in 609 door Egypte als vazalkoning werd aangesteld. In de toelichting bij 36:1-32 wordt er op gewezen, welk een keerpunt dit jaar vormde in de geschiedenis van Juda. Het leger van farao Necho (610-595) werd bij Karkemis verslagen door een babylonische legermacht onder leiding van de kroonprins van Babel, Nebukadnezar, die een jaar later zijn vader Nabopolassar opvolgde. Nebukadnezar achtervolgde het egyptische leger tot aan hun eigen land. Zie over de spelling en de betekenis van zijn naam de toelichting bij 25:1-11a.

3-12. Deze verzen beschrijven het naar Karkemis oprukkende egyptische leger en de nederlaag, die het daar lijdt. In vss 3-4 horen wij de bevelen aan de infanterie en de berijders van de strijdwagens. Vss 5-6: de opmars wordt gestuit, het terugwijkende leger wordt door panische angst (schrik van rondom; vgl. 6:25; 20:3v, 10; 49:29) overvallen en in de pan gehakt. De vss 7-9 beschrijven het oprukkende egyptische leger en de afrikaanse huurtroepen (vgl. vs 21), die daarvan deel uitmaakten. Het oprukken van het leger wordt vergeleken met het jaarlijkse wassen van de Nijl en de jaarlijkse overstromingen in de Nijldelta (met ‘rivieren’ zijn de zijrivieren van de Nijl bedoeld). Met ‘Ethiopiërs’ zijn hier Soedanezen bedoeld (vgl. 13:23; 38:7, 10, 12; 39:16). ‘Puf is de oude naam voor Libië (vgl. Gen. 10:6; Ez. 27:10; 30:5). Lu-diërs: huurtroepen uit een buurland van Egypte, niet uit Lydië in Klein-Azië (vgl. Gen. 10:13; 1 Kron. 1:11; Jes. 66:19; Ez. 27:10; 30:5). De vss 10-12 zijn een profetische toelichting bij de afloop van de slag. Gilead: zie de toelichting bij 8:22.

13. Dit vs is een inleiding tot het volgende gedeelte. Het is mogelijk, dat het betrekking heeft op de achtervolging van het egyptische leger door Nebukadnezar na de slag bij Karkemis, toen hij dit leger tot aan de grensplaatsen van hun eigen land achtervolgde. Maar misschien kan men bij dit gedeelte ook denken aan een latere veldtocht, waarop in 43:8-13 gezinspeeld wordt.

14- vs 14 worden de egyptische grensvestigingen Migdol en Tachanhes genoemd (vgl. 2:16; 43:7, 9; 44:1; Ez. 30:18) en Nof, dwz. Memphis, de oude hoofdstad van Egypte (vgl. 2:16; 44:1; Ez. 30:13, 16). Terug naar ons volk en ons geboorteland (vs 16): de huurtroepen, genoemd in vss 9 en 25, hebben hun vertrouwen in de leiding van het egyptische leger verloren en willen terugkeren naar hun eigen land. Rumoermaker (vs 17) is een toespeling op farao Necho, die van 610-595 v.Chr. regeerde, of – indien deze verzen betrekking hebben op een latere veldtocht van de Babyloniërs – op farao Hofra die door opstandige soldaten werd gedood (vgl. 44:30). De spotnaam Rumoermaker is waarschijnlijk een woordspeling op de naam van de farao, maar de verklaring daarvan blijft onzeker (vgl. 48:45). Zie voor het zweren bij Gods eigen Naam: Gen. 22:16; Jer. 22:5. Volgens vs 18 is het oprukkende babylonische leger even opvallend als de berg Tabor in de vlakte van Jizreël en als het Karmelge-bergte, dat eveneens uit deze vlakte oprijst en afsteekt tegen de Middellandse Zee.

20-24. Egypte wordt vergeleken met een prachtig koekalf (vgl. Gen. 41:2), dat door een horzel wordt gestoken. De huurtroepen (zie vs 9) en de rest van het egyptische leger vluchten weg als een slang (symbool van Egypte) in een bos, wanneer dit wordt geveld. Want de houthakkers, die de bomen vellen – dwz. het babylonische leger – zijn zo talrijk als sprinkhanen (zie over de spreekwoordelijke sprinkhanenplagen: Ex. 10:1-20; Ri. 6:5; 7:12; 1 Kon. 8: 37; Jes. 40:22; Joël 1:2-2:11). De vijand uit het noorden (zie de toelichting bij 1:14) zal tenslotte ook Egypte overvallen.

25-26. Met een plechtige inleidende formule wordt gezegd, dat de God van Israel Zijn overmacht zal doen blijken aan de hoofdgod van Egypte, Amon, die te Thebe werd vereerd, en aanJe andere egyptische goden en hun vereerders. Daartoe gebruikt Hij de Babyloniërs (vgl. 44: 30). De onheilsdreiging wordt gevolgd door een in vergelijking met 48:47 en 49:6, 39 vrij mat klinkende heilstoe-zegging. Hiermee zal bedoeld zijn, dat de bedreiging door het tegen Egypte oprukkende babylonische leger niet van verwoestende, vernietigende aard was.

27-28. Deze verzen zijn, met enige kleine varianten, een doublure van 30:10-11. Waarschijnlijk werden deze hier toegevoegd, om daarmee impliciet ‘de goede verstaander’ er aan te herinneren, dat de heilshistorische betekenis van de komende uittocht uit Babel die van de uittocht uit Egypte ver te boven zal gaan; vgl. 16:14v; 31:32v.

Tegen de Filistijnen 47:1-7

De inname van Gaza, genoemd in vs 1, is een toespeling op de veldtocht van farao Necho in 609 n.Chr.; vgl. 2 Kon. 23:29 en de toelichting bij 22:10- 46:7v werd het opdringende egyptische leger vergeleken met de wassende Nijl; hier (vs 2) worden de uit het noorden opdringende legers (vgl. de toelichting bij 1:13-16) vergeleken met een beek, die in de regentijd plotseling buiten zijnoevers treedt (vgl. Ps. 124:4; Jes. 28:2). Vs 4 noemt deFilistijnen als bondgenoten van.Tyrus en Sidon; vgl.25: 22; 27:3. Kaftor (vs 4) wordt in Am. 9:7 genoemd alsland van herkomst van de Filistijnen; waarschijnlijk ishiermee Kreta bedoeld. Zie over de ‘rest’, genoemd in vs4: de toelichting bij 25:20. ‘Zich kaal scheren’, resp.’Zich insnijdingen maken’ (vs 5) zijn tekenen van rouw;zie de toelichting bij 16:6.

Tegen Moab 48:1-47

Bij de voorafgaande profetieën tegen Egypte en de Filistijnen komt in de tekst van Jeremia een verwijzing naar historische omstandigheden voor, maar bij de uitspraken tegen Moab, Ammon en Edom is dat niet het geval. Wij kunnen daarom slechts gissen, op welke gebeurtenissen deze uitspraken betrekking hebben. Uit 27:1-3 blijkt, dat reeds omstreeks 594 v.Chr. Zedekia samen met de koningen van Moab, Ammon, Edom, Tyrus en Sidon een opstand tegen Babel beraamde. Uit 40:11 kan worden afgeleid, dat vluchtelingen uit Juda oa. naar Moab, Ammon en Edom uitweken. Op grond van deze en dergelijke gegevens kan worden aangenomen, dat de veldtochten van Nebukadnezar, die zich van 588 tot 586 oa. tegen Juda richtten, later ook tegen genoemde bondgenoten van Juda werden gehouden. De verwoestende oorlogshandelingen, waarop in hst. 48 en 49 gezinspeeld wordt, zouden dan betrekking hebben op babylonische veldtochten, die na 586 v.Chr. plaats vonden. Uit 52:30 kan worden afgeleid, dat een dergelijke veldtocht plaats vond in het jaar 582/1 v.Chr.

Moab lag op de hoogvlakte ten O. van de Dode Zee. Uit 48:32v, Ruth 1:1-6 ed. kan worden afgeleid, dat het een vruchtbaar gebied was. Het noordelijke deel van het land werd door Israel veroverd; zie Joz. 13:15-32. De grenzen tussen het gebied van Moab en dat van Israel lagen niet geheel vast en waren dikwijls omstreden, zodat steden ten N. van de Arnon soms tot het israelitische en soms tot het moabitische territorium gerekend werden. De profetische uitspraken in dit hoofdstuk zijn ten dele ontleend aan Jes. 15 en 16; men zie de desbetreffende toelichtingen. Het hoofdstuk bestaat grotendeels uit poëzie, met uitzondering van de verzen 21-24 en 34-39, waarin een toelichting bij, resp. nadere uitwerking van het voorafgaande wordt gegeven.

I- 10. Moabs arrogantie (roem, vs 2; vgl. vs 29, 30) en vertrouwen op zijn godheid Kamos (vss 7, 13, 46; vgl. Num. 21:29; Ri. 11:24; 1 Kon. 11:7, 33; 2 Kon. 23:13) zal worden gebroken. De stad Nebo aan de helling van de gelijknamige berg (vgl. vs 22; Num. 32:3, 38; Jes. 15: 2), die door koning Mesa op Israel werd veroverd, wordt verwoest. Kirjathaïm (vgl. vs 23), dat vroeger ook tot Israel behoorde (vgl. Num. 32:37; Joz. 13:19), wordt ingenomen. Hesbon, de stad van de Amorieten-vorst Sihon, die door de Israëlieten werd ingenomen, werd later door de Moabieten heroverd en wordt in de vss 34 en 45 tot het gebied van Moab gerekend (vgl. Num 21:26-30; Joz. 15:4). In vs 2 wordt een woordspeling gemaakt, waarin de naam Hesbon in verband wordt gebracht met een werkwoord, dat oa. ‘onheil beramen’ betekent. De ligging van Madmen (vs 2) is niet zeker; misschien is de naam hier een toespeling op de in Jes. 25:10 genoemde ‘mestkuil’ en bedoeld als spotnaam voor Dibon (zie vs 18), resp. Dimon (zie Jes. 15:9). De pas van Horonaïm (vss 3, 5, 34; Jes. 15:5) en de helling van Luhith (vs 5; Jes. 15:5) zijn de zuidelijke toegangswegen van Moab. In plaats van zijn kleinen, zoals NBG in vs 4 heeft, leze men: Zoar, dwz. de naam van een zuid-oostelijke moabitische grensplaats bij de Dode Zee (vgl. Gen. 19:22v; Jes. 15:5). Als een kale struik in de woestijn (vs 6): zie bij 17: 6. Met werken (vs 7) zijn de in vs 18 genoemde vestingwerken bedoeld. Volgens vs 7 wordt het beeld van Kamos door de vijanden meegenomen; zie de toelichting bij 43:12. Met de woorden vallei (vs 8) en vlakte (vss 8, 21) wordt het landschap van Moab beschreven, tw. de vallei langs de Dode Zee en ten zuiden daarvan, alsmede de centrale hoogvlakte, die in het oosten overgaat in woestijngebied. In vs 10 worden degenen, die Gods oordeel aan Moab voltrekken, met een dreigende vervloeking ertoe opgeroepen, de hun opgelegde taak te vervullen (vgl. Deut. 7:1-5; 9:1-5; Joz. 6:26; Ri. 5:23).

11-25. Uit de in vss 11-17 gebruikte hebreeuwse werkwoordsvormen blijkt, dat hier een ander profetisch gedeelte begint. Zie bij vs 12: de toelichting bij 13:12v. De naam Bethel (vs 13) is niet alleen bedoeld als de naam van de plaats, waar zich het door Jerobeam voor zijn Tienstammenrijk (het huis Israels) gebouwde heiligdom bevond, maar tevens als benaming van een daar vereerde godheid, wiens naam ook voorkomt in aramese documenten uit de 5de eeuw v.Chr., die in Egypte werden gevonden. Dibon (vs 18), ± . ten O. van de Dode Zee gelegen, was de koninklijke residentie, Aroër (vs 19) lag niet ver van de Arnon, aan de in Num. 20:17 genoemde karavaanweg. In de toelichtende verzen 21-24 wordt de ramp beschreven, die over geheel Moab zal komen. De conclusie daaruit is vs 25: Moabs kracht is vergaan. 26- vs 26 wordt de uitwerking van Gods toorn over Moab vergeleken met dronkenschap; vgl. 25:15-17. Moab heeft Israel veracht (vs 27; vgl. Ez. 25:8) en het bespot (‘met het hoofd schudden’: zie bij 18:16). Daaromzal het worden vernederd. De verzen 29-33 zijn gebaseerd op Jes. 16:6-10, evenals het toelichtende prozagedeelte in de verzen 34-39, die ten dele aan Jes. 15 en 16 zijn ontleend; zie de toelichtingen aldaar. Zie over de rouwgebruiken, genoemd in vs 37, de toelichting bij 16: 6. Uit vs 36 kunnen wij afleiden, dat de profeet deze dreigende onheilsprofetieën met diepe deelname uitsprak, zoals dit ook het geval was, wanneer hij dergelijke uitspraken over zijn eigen volk moest doen (zie oa. 4:19; zie ook Jes. 16:11).

40-47. De vijand strijkt als een aasgier op Moab neer; vgl. 49:22, waar hetzelfde beeld gebruikt wordt met betrekking tot Edom. Wat in vs 2 wordt genoemd als een plan, dat door de vijand wordt beraamd, blijkt volgens vs 42 Gods plan te zijn. Hij straft Moab wegens hoogmoed; vgl. vs 26. De verzen 43 en 44 komen grotendeels overeen met Jes. 24:17, 18; zie ook Am. 5:19. De verzen 45-47 doen ons denken aan Num. 21:17-30. Zie bij Hesbon en ‘het huis van Sihon’: de opmerking bij 48:2. Zie over de korte heilsprofetie in vs 47: de desbetreffende opmerking in de inleiding bij hstt. 46- het laatst der dagen (vs 47): zie de opmerking bij 23:20 en vgl. 49:6, waar deze zinswending wordt vervangen door ‘daarna’. Het is opvallend, dat alleen de profetieën tegen Moab worden afgesloten met de zin: ‘Tot zover het oordeel over Moab’. De NBG-vertaling is hier niet erg consequent. Het woord, dat als ‘oordeel’ wordt vertaald, wordt in vs 21 weergegeven met ‘gericht’. En dezelfde uitdrukking, die met ‘tot zover’ wordt weergegeven, wordt in 51:64 vertaald als ‘tot hiertoe’.

Tegen de Ammonieten 49:1-6

Aan de Ammonieten wordt verweten, dat zij in naam van hun godheid Milkom (vgl. 1 Kon. 11:5, 33) israelitisch grondgebied van de stam Gad, die in het Overjordaanse woonde, in bezit hebben genomen. Waarschijnlijk deden zij dat na de ondergang van het Tienstammen-rijk in 722 n.Chr. Zij zullen daarvoor worden gestraft met de verwoesting van hun hoofdstad Rabbat-Ammon, die gelegen was op de plaats van het huidige Amman in Jordanië (zie ook: Ez. 21:20; 25:5; Am. 1:14). In 48:2 en 45 wordt Hesbon genoemd als een moabitische stad, doch hier als een ammonitische. De verklaring daarvoor is, dat het een grensstad was in een dikwijls omstreden grensgebied. Milkom zal in ballingschap gaan (vs 3): vgl. 48:7 en zie de toelichting bij 43:12. In vs 4v wordt de overmoed van de Ammonieten gehekeld. Zij zullen worden overvallen door panische angst; zie de toelichting bij 6:20. Vgl. bij de formulering van vs 6: de opmerking bij 48:47.

Tegen Edom 49:7-22

Edom lag ten Z. van Moab, in het gebied ten O. van de Araba, dwz. de voortzetting van het Jordaandal die zich uitstrekt van de Dode Zee tot de golf van Aqaba, resp. Elat (deze golf wordt in vs 21 en 1 Kon. 9:26 de Schelfzee genoemd). Hoewel Zedekia poogde, ook Edom te betrekken bij zijn opstand tegen Babel (zie 27:2), blijkt uit Ps. 137:7, Ez. 25:12 en 35:10-15, Ob.:10-14 ed. dat het zich verlustigde in de ondergang van Juda en Jeruzalem in 586 v.Chr. en pogingen deed, zich daarvan een deel toe te eigenen. Daarom zal het nu op zijn beurt ook worden verwoest. Na de ondergang van Edom vestigden zich in zijn vroegere gebied arabische stammen, oa. de Naba-teeën. Veel Edomieten vluchtten naar het zuidelijke grensgebied van Juda, dat later Idumea werd genoemd (zie oa. Mar. 3:8). Omstreeks 128 v.Chr. werden de inwoners van dit gebied door de Makkabeeër Hyrkanus I gedwongen, tot het jodendom over te gaan.

Dit gedeelte komt in veel opzichten overeen met een aantal profetieën van Obadja; men zie de desbetreffende toelichtingen. Teman (vss 7, 20) was een district in Edom (vgl. Ez. 25:13; Am. 1:12) en gold als een land, waar wijzen woonden (vgl. Job 2:11; 4:1; Ob.:8. Dedan (vs 8) lag ten Z. van Edom in de Hejaz; uit een babylonische inscriptie blijkt, dat de stad door de Babyloniërs werd onderworpen. Edom wordt ‘afgeschild’ (vs 10), dwz. alle vegetatie wordt omgehakt (vgl. 6:6), zodat er geen schuilhoeken meer overblijven, zelfs niet in het in vs 16 beschreven ontoegankelijke landschap. De vertaling van vs 10b en 11 is onzeker. Het is mogelijk, dat vs 11 met als een door de naburen van Edom uitgesproken zin moet worden opgevat, maar als een door God uitgesproken sarcastische vraagzin. De in vs 12 genoemde beker is de beker van Gods toorn; vgl. 25:15vv. Ik heb gezworen bij Mijzelf (vs 13): vgl. 22:5; 44:26; 51:14. Bozra (vss 13, 22) lag ten Z.O. van de Dode Zee, in het noordelijke deel van Edom. De verzen 17-22 tonen veel overeenkomsten met 50:40, 44-46; in beide passages worden uitdrukkingen gebruikt, die spreekwoordelijk zijn wanneer over verwoesting en ondergang wordt gesproken. Pronk van de Jordaan (vs 19): vgl. 12:5. Vss 19-21: God is zo onvergelijkelijk, dat Hij Zich niet behoeft te verantwoorden wanneer Hij ‘herders’, dwz. heersers, aanstelt. Deze herders zijn in feite niet meer dan herdersjongens, die de hun opgelegde verwoestende taak moeten uitvoeren, zodat het gejammer van Edom opklinkt tot aan zijn zuidelijke grens bij de Schelfzee. Vs 22 komt grotendeels overeen met 48:40.

Tegen Damascus 49:23-27

Met Damascus is hier niet alleen de gelijknamige stad bedoeld, maar ook het gebied van genabuurde aramese koninkrijkjes. Het gebied werd eerst door Assyrië onderworpen; daarna deed Egypte daar enige tijd zijn invloed gelden. Vervolgens kwam het onder de macht van Babel, nadat het in 605 v.Chr. Egypte in de slag bij Karkemis had verslagen (zie 46:2). Het is mogelijk, dat deze profetie uit die tijd dateert. Hamath, het huidige Hama, lag ten N. van Damascus (vgl. 39:5; 52:9, 27; Ez. 47: 16, 17, 20; 48:1). Arpad lag ten N. van Aleppo (2 Kon. 18:34; 19:13; Jes. 10:9; 36:19; 37:13). Benhadad, dwz. zoon van (de godheid) Hadad, was de naam of titel van verscheidene koningen, onder wie degenen die genoemd worden in: 1 Kon. 15:18, 20; 1 Kon. 20; 2 Kon. 6: 24; 8:7-15; 13:3, 24, 25; Am. 1:4.

Tegen arabische nomadenstammen 49:28-33

Gezien de betekenis die het woord Arabieren thans heeft, is het opschrift in de NBG-vertaling te ruim. Deze perikoop gaat immers niet over ‘de Arabieren’, maar over een aantal arabische nomadenstammen in de syrisch-arabische woestijn. Dat zij nomaden zijn, kan worden afgeleid uit vs 29, waar hun tenten worden genoemd.

In deze tenten wonen zij volgens vs 31 zo onbedreigd en onafhankelijk, dat zij – in tegenstelling tot de bewoners van steden en dorpen – geen deuren of grendels nodig hebben. Kedar is de naam van een zoon van Ismaël (Gen. 25:13) en tevens van een nomadenstam, die herhaaldelijk invallen deed in het cultuurland (zie ook 2:10; Ps. 120:5; Jes. 21:16v). Hun zwarte tenten worden genoemd in Hoogl. 1:5. Met Hazor is hier niet de gelijknamige oud-kanaänitische stad in Galilea bedoeld, die oa. in Joz. 11: 1 en 1 Kon. 9:15 wordt genoemd, maar een groep nomadenstammen en hun oases. Schrik van rondom (vs 30) zie bij 6:25. Zich het haar rondom wegscheren (vs 32): zie bij 9:26. Jakhalzen (vs 33): zie de toelichting bij 10:22.

Tegen Elam 49:34-39

Elam, dat zowel hier als in Jes. 22:6 en Ez. 32:24 als invloedrijke macht wordt genoemd, lag ten Z.O. van Babylonië in het Z.W. van het huidige Iran, en wel in de huidige provincies Chusistan en Loristan. In de perzische tijd en lang daarna woonden in Elam ook Joden; zie Ezra 2:7; Neh. 7:12; Hand. 2:9. De in vs 34 genoemde datering betreft het jaar 597/6 v.Chr. Koning Zedekia hoopte waarschijnlijk op steun van Elam in eventueel verzet tegen Babel, maar deze hoop bleek ijdel. Want blijkens een bericht in een babylonische kroniek deed Elam in 596/5 v.Chr. een inval in Babylonië, maar werd door het leger van Nebukadnezar naar zijn eigen land teruggedreven. ‘De boog breken’ (vs 35) betekent: de militaire macht breken; vgl. 51:56; Ps. 37:15; 46:10. Ik richt Mijn troon in Elam op (vs 38) wil zeggen: Ik laat daar Mijn rechterlijke macht gelden en voltrek het oordeel; vgl. 1:15; Ps. 9:8; 47:9; Dan. 7:9. Zie over de heilstoezeg-ging in vs 39: de inleiding bij hstt. 46-51 en vgl. 48:47; 49: 6. Misschien heeft in dit geval de heilstoezegging betrekking op de vooraanstaande plaats, die de vroegere elami-tische hoofdstad Susa(n) later in het perzische rijk innam (zie oa. Dan. 8:2).

Tegen Babel 50:1-51:58

Deze twee hoofdstukken stellen de verklaarders voor een aantal moeilijke vragen. De beantwoording daarvan beïnvloedt de uitgangspunten voor de verklaring van dit gedeelte. Een van deze vragen betreft de compositie van deze hoofdstukken en de mogelijke datering daarvan. Een tweede, daarmee samenhangende vraag betreft de aard van de verkondiging in dit gedeelte. Over de compositie kan worden opgemerkt, dat in deze tegen Babel gerichte uitspraken geen voortgaande lijn aanwijsbaar is. Het geheel is een mozaïek van profetieën. Dit brengt met zich, dat binnen dit geheel een groot aantal kleinere eenheden kan worden aangewezen, doch over het aantal en de indeling daarvan zijn de meningen gedeeld. Een enigszins objectieve maatstaf voor een onderverdeling zou kunnen worden gevonden in het verschil tussen passages, die de stijl hebben van profetische poëzie, en gedeelten, die in proza zijn geschreven. Doch in dit geval is zulk een indeling niet op overtuigende wijze mogelijk, omdat de gezaghebbende hebreeuwse bijbeluitgaven hierin onderling verschillen. Slechts nauwkeurige detailstudie zou ook in dit opzicht verhelderend kunnen werken, doch daartoe ontbreekt hier de gelegenheid. De in de hieronder volgende toelichting gegeven indeling is dan ook niet meer dan een poging, enig overzicht aan te brengen.

Het is opvallend, dat veel profetische uitspraken in dit gedeelte gelijk zijn aan, resp. varianten zijn op profetieën van Jeremia en van andere profeten. Enige voorbeelden van citaten uit Jeremia, waarin soms varianten worden aangebracht: 50:30 = 49:26; 50:40 = 49:18; 50: 41-43 = 6:22-24; 50:44-45 = 49:19, 20; 51:15-19= 10:1216. Enige voorbeelden van toespelingen: 50:13 vgl. 49: 17; 50:16 vgl. Jes. 13:14; 50:19 vgl. Ob.: 19; 50:32 vgl. 21:14; 51:12, 27 vgl. 4:6; 51:12, 27 vgl. 4:6; 51:25-26 vgl. Ez. 35:3-4; 51:37 vgl. 9:11; uitspraken over de Meden in 51:11, 28 vgl. Jes. 13:17-22. Uit vergelijking blijkt, dat sommige uitspraken, die oorspronkelijk tegen Juda werden gericht, hier op Babel worden toegepast. Uit deze en enige andere gegevens kan worden afgeleid, dat in vergelijking met het overgrote deel van het boek Jeremia deze hoofdstukken een geheel eigen karakter hebben.

Dit eigen karakter blijkt ook uit de verkondiging, die wij hier aantreffen. De doorgaande lijn van Jeremia’s verkondiging aan de Judeeërs, zowel die in Juda als die in Babylonië, is de noodzaak van onderwerping aan de macht van Babel. Weliswaar verkondigt hij ook verlossing, doch deze zal niet op korte termijn plaats vinden (zie oa. 25:12; 29:10). De boodschap in hstt. 50 en 51 stemt daarmee niet overeen, want daarin wordt de spoedige en totale ondergang van Babel in uitzicht gesteld. Soms wordt gepoogd, deze inhoudelijke tegenstelling tussen de hoofdgedachten van Jeremia en de tendens van deze beide hoofdstukken te verklaren met behulp van een veronderstelling over een radicale koerswijziging in Jeremia’s profetische gedachten wereld. Deze wijziging zou zich hebben voorgedaan tijdens een lang verblijf in Egypte, na de gebeurtenissen waarover in hstt. 41-44 wordt bericht. Doch dit is niet meer dan een hypothese, waarmee men de autenticiteit van het opschrift in 50:1 wil handhaven en al deze profetieën aan een zeer oud geworden Jeremia wil toeschrijven. Deze hypothese is echter overbodig, wanneer men de woorden door de dienst van de profeet Jeremia in 50:1 als een late toevoeging beschouwt. Dat deze woorden een latere toevoeging zijn is zeer waarschijnlijk, want in de Septuaginta ontbreken deze in 50:1 (griekse tekst 27:1) en komt de formulering ‘door de dienst van Jeremia (eig.: door de hand van) voor in de inleiding van de profetieën tegen Egypte (hebreeuwse tekst: 46:1; griekse tekst 26:13). Op grond van bovenstaande overwegingen mag worden aangenomen, dat het hier besproken gedeelte, 50:1-51: 58, niet van Jeremia maar van een andere profeet afkomstig is. Deze opvatting is niet in strijd met hetgeen in 51: 59-64 wordt bericht. Met al deze woorden die over Babel geschreven zijn behoeft daar niet een terugverwijzing naar 50:2-51:58 bedoeld te zijn, zoals door velen wordt aangenomen. De uitdrukking kan bedoeld zijn als een herinnering aan passages als 25:1 lb-14 en 29:10 ed. Daarom wordt het gedeelte 51:59-64 door ons niet in rechtstreeks verband met het voorafgaande gebracht, maar afzonderlijk toegelicht.

Thans kan de vraag worden gesteld, waarop de profetieën in 50:2-51:58 betrekking hebben. In 50:14, 15, 29; 51:11, 24, 34, 35, 51 ed. wordt gesproken over de straf, die Babel zal treffen wegens hetgeen Jeruzalem, en metname de tempel, werd aangedaan. Meestal wordt zonder meer aangenomen, dat hiermee de verwoesting van stad en tempel in 586 v.Chr. bedoeld zijn. Het is echter ook mogelijk, dat hiermee gezinspeeld wordt op hetgeen in 597 v.Chr. plaats vond, tw. de plundering van tempelschatten en kostbaar vaatwerk (vgl. 2 Kon. 24:13; Jer. 27:16; 28:3, 6) en de deportatie van een groot aantal vooraanstaande Judeeërs (vgl. 24:1; 29:2; 52:28; 2 Kon. 24:14-16). Indien dit de historische achtergrond van deze profetieën zou zijn, zou dit betekenen dat zij afkomstig zouden zijn van een tegenstander van Jeremia, die in tegenstelling tot laatstgenoemde een spoedige ondergang van en bevrijding uit Babylonië verwachtte. Hoe dit ook zij, de auteur(s) verwacht(en) een totale vernietiging van Babel. Deze heeft echter niet plaats gevonden. Weliswaar moest Babel zich in 539 v.Chr. aan Cyrus onderwerpen; daarmee kwam er een einde aan de macht van Babylonië, die ongeveer zeventig jaar had geduurd (vgl. 25:1 lb-14; 29:10). Maar de inname van de stad verliep zonder strijd. Cyrus werd door de inwoners met vreugde binnengehaald. Hij liet de stad intact en betoonde eer aan de hoofdgod van Babel, Mardoek. Sedertdien noemde hij zich oa. Koning van Babyion. Pas later liet Darius (522-486 v.Chr.) een deel van de vestingwerken van Ba-bel ontmantelen, nadat er in 522 en deze stad opstandige bewegingen waren geweest. Tijdens het bewind van Xerxes (485-465) brak er omstreeks 485 opnieuw een opstand uit, die er toe leidde dat Babel zwaar werd gestraft. Samen met enkele vestingwerken werd een deel van de stadsmuur gesloopt; enige tempels werden verwoest en het gouden beeld van Mardoek werd gesmolten. Vanaf die tijd noemden de perzische vorsten zich niet meer Koning van Babyion. Desondanks vond er ook toen geen volledige ondergang van Babel plaats. De stad bleef voortbestaan en speelde tot aan de komst van de Seleuciden omstreeks 310 v.Chr. een belangrijke rol. Pas later zette het verval in. De door de auteur(s) van deze hoofdstukken uitgesproken verwachting van een spoedige ondergang van Babel ging dus niet in vervulling.

In verband hiermee rijst de vraag, welke vijanden van Babel bedoeld zijn in dit gedeelte. Het is niet waarschijnlijk, dat hier toespelingen gemaakt worden op de komende heerschappij van de perzische vorsten, die immers Babel niet vernietigden. De vijanden van Babel worden in 50:3, 8, 41 en 51:48 aangeduid als de vijand uit het noorden. Hiermee kan in het algemeen een duistere, dreigende macht zijn bedoeld; zie de toelichting bij 1:13-16. Maar in 51:11, 28 worden zij bij name genoemd; het zijn de Meden en hun in 51:27 vermelde bondgenoten. Het rijk der Meden en hun hier genoemde bondgenoten lag ten N., N.W. en N.O. van Babylonië. Samen met de Babyloniërs onderwierpen de Meden in 612 v.Chr. Ninevé en in 610 de resten van het assyrische rijk. Daarna breidden zij hun rijk uit in westelijke richting tot aan de rivier Halys. Voor Babylonië vormden zij een sterke, bedreigende macht en dit uitte zich soms in schermutselingen bij de wederzijdse grenzen. Pas omstreeks 550 v.Chr. kwam er een eind aan de zelfstandige macht van Medië, dat zich toen met de Perzen verbond en een deel werd van het perzische rijk. De meest aannemelijke verklaring voor de verwachtingen, uitgesproken in dit gedeelte, is dat de auteur(s) uitzag(en) naar een ondergang van Babel ten gevolge van conflicten tussen Medië en Babylonië. Zijn (hun) verwachtingspatroon ontstond door toepassing van vroegere profetische uitspraken op de eigentijdse situatie en is, zoals hierboven werd opgemerkt, een reactie op de gebeurtenissen in Juda in 597 v.Chr. of (resp. en) in 586 v.Chr. Omdat Babel de erfgenaam was geworden van grote delen van het assyrische rijk, konden in dit verwachtingspatroon ook de nakomelingen van de naar Assyrië gedeporteerde Israëlieten worden betrokken. Tenslotte kan er nog op worden gewezen, dat deze hoofdstukken een langdurige werkingsgeschiedenis hebben, zoals elke bijbellezer kan vaststellen door teksten als 1 Petr. 5:13; Op. 14:8; 16:19; 17:5; 18:2, 10 en 21 op te slaan.

Na deze uitvoerige inleiding menen wij te kunnen volstaan met enige korte toelichtingen bij deze twee hoofdstukken.

50:1- deze verzen worden de val van Babel en de verlossing van Juda/Israel in uitzicht gesteld. ‘Het land der Chaldeeën’ (50:1, 8, 25, 45; 51:4, 54): de Chaldeeën waren oost-aramese stammen, die zich in het Z.W. van Me-sopotamië hadden gevestigd; samen met volksstammen van andere herkomst waren zij de bewoners van Babylonië, zodat dikwijls het gehele land naar hen werd genoemd. (Ook in latere tijden kent men dit soort taalgebruik. Een voorbeeld hiervan is het woord Alemania/Al-lemagne, waarin het land wordt genoemd naar een bevolkingsdeel, tw. de Alamannen). ‘Bel’, dwz. heer, is de titel van Babels hoofdgod Mardoek = Merodach (vgl. 51: 44 en Jes. 46:1 en de babylonische koningsnamen, genoemd in 52:31 en Jes. 39:1). Drekgoden is een verachtelijke aanduiding voor afgodsbeelden, die een aantal malen in andere Bijbelboeken voorkomt, doch ongeveer veertig maal in het boek Ezechiel en slechts hier in het boek Jeremia wordt gebruikt. Volk uit het noorden: zie bovenstaande inleiding en vgl. de toelichting bij 1:13-16. Uit op de weg hierheen (vs 5) kan worden afgeleid, dat deze profetie in Juda ontstond. Eeuwig verbond: vgl. 32: 40; 31:31-34. Wij laden geen schuld op ons: zie de tegenstelling in 2:3. Woonstede der gerechtigheid: vgl. 31:23, waar deze eretitel aan Jeruzalem, resp. Sion wordt toegekend. Hoop hunner vaderen: vgl. 14:8.

8-20. Oproep uit Babel te vluchten omdat de vijand op komst is en het land zal plunderen, zodat Babel een woestenij zal worden. De vele gedeporteerden, die zich in Babylonië bevinden, worden er toe opgeroepen, naar hun land van herkomst te vluchten. Voor de ballingen uit Israel/Juda betekent dit, dat zij naar hun eigen land zullen mogen terugkeren.

21-34. Nogmaals worden de vijanden ertoe opgeroepen, tegen Babel op te trekken er daaraan de ban te voltrekken, dwz. het totaal te vernietigen (vgl. Joz. 6:21-24; 1 Sam. 15). Merathaïm (vs 21) is het mondingsgebied van de Tigris en de Eufraat. Pekod (vs 21) is de naam van een aramese volksstam, die in Z.O.-Babylonië woonde. De naam wordt hier genoemd om daarmee een toespeling te maken op het hebreeuwse werkwoord dat ‘bezoeken’ betekent. Beide namen zijn hier bedoeld als aanduiding voor geheel Babylonië. De ondergang van Babel leidt tot de bevrijding van de ballingen, die naar Sion zullen terugkeren. De straf wordt aan Babel voltrokken, omdat het tegen de HERE overmoedig geweest is. Weliswaarwas het een instrument in Zijn hand, doch niet voor de vernietiging van Juda/Israel maar voor de tuchtiging ervan. Wanneer dit instrument zijn dienst heeft gedaan, zullen de ballingen worden verlost.

35-46. De verwoesting zal geheel Babylonië treffen en alles wat zich daarin bevindt. Daartoe zal God de vijand uit het noorden gebruiken, die onstuitbaar komt oprukken. Zie voor jakhalzen (vs 39) als beeld van verwoesting: de toelichting bij 10:22. Pronk van de Jordaan (vs 44): zie 12:5 en 49:19. Vgl. vss 41-43 met 6:22-24; en vss44-46 met 49:19-21.

51:1- dit gedeelte wordt Gods plan met Babel beschreven. Hij gebruikte het als Zijn instrument en slechts daarom kon het zo machtig worden. Maar nu is het gedaan met de macht van dit instrument en wordt het op zijn beurt vernietigd. Hart-mijner-tegenstanders (vs 1) is een omschrijving voor het woord Chaldeeën volgens de in de toelichting bij 25:26 genoemde letteromzetting. Ieder naar zijn land (vs 9): vgl. 50:16. Tot in de hemel reikt zijn oordeel (vs 9) is een toespeling op het verhaal over de torenbouw van Babel (Gen. 11:1-9); de toren zou tot in de hemel reiken en nu reikt het oordeel over Babel tot de wolken (vgl. vs 53). Medië (vss 11, 28): zie de inleiding tot dit gedeelte. Zie over Gods eed bij Zichzelf (vs 14): 22:5; 44:26; 49:13. De verzen 15-19 zijn grotendeels gelijk aan 10:12-16. Met de in vs 20 genoemde hameris een strijdhamer bedoeld, in onderscheid van de in 10:4 genoemde timmermanshamer en de in 23:29 en 50:23 genoemde voorhamer.

25-44. Dit gedeelte beschrijft de strijd, die tegen Babel losbrandt, en de huiveringwekkende verwoesting die daardoor wordt aangericht. Deze verwoesting treft Ba-bel omdat God Zijn oordeel daarover heeft geveld wegens het aan Sion/Jeruzalem aangedane leed. In vs 27 worden drie bondgenoten van Medië genoemd. Met Ararat is Urartu bedoeld, dat ten N. van Medië lag. Minni lag ten Z.O. van Medië, tussen het Oermiameer en de Zwarte Zee. Met Askenaz kan Frygië bedoeld zijn, dat ten N.W. van Medië lag, of de Skyten, die in de omge ving van Urartu woonden. Dorsvloer (vs 33): voor d .oogst begon werd de dorsvloer eerst goed vlak gemaak en aangestampt; zo zal Babel in elkaar worden gestampt. In vss 34-37 wordt het rechtsgeding beschreven, dat God tegen Babel voert. Tot het strafvonnis dat over Babel wordt uitgesproken behoort ook de totale uitdroging van de waterrijke, aan de Eufraat gelegen stad en de daaromheen aangelegde irrigatiewerken. Het beeld van de leeuwen in vs 38 is misschien een toespeling op de dieren die afgebeeld stonden op de befaamde Leeuwenpoort van Babel. De verzen 41-44 zijn een sarcastisch klaaglied over de ondergang van Babel.Sesach (vs 41): zie 25:26. Met de zee (vs 42) is het aanstormende vijandelijke leger bedoeld.

45-58. Gods volk wordt er toe aangespoord, Babel te verlaten, want de voltrekking van het door Hem over Babel gevelde vonnis is nabij. Dit vonnis is een vergelding voor de heiligschennis, die de Babyloniërs Gods huis hadden aangedaan. Zelfs de met veel moeite gebouwde en onneembaar geachte, zeer brede en hoge muren van Babel zullen niet bestand blijken tegen het geweld van de ver-woesters, die Gods oordeel aan de stad komen voltrekken.

Een profetie van Jeremia wordt in de Eufraat geworpen 51:59-64

In vs 59 wordt Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja genoemd. Wij kunnen aannemen, dat deze een broer was van Baruch, Jeremia’s secretaris. Dit kan worden afgeleid uit een vergelijking van de hier en in 32:12 genoemde namen van hun vader en grootvader. Daarom nemen wij tevens aan, dat Seraja een bericht over de hier verhaalde gebeurtenis aan zijn broer Baruch meedeelde. Op grond daarvan beschouwen wij dit gedeelte als een zelfstandige eenheid. Het is een aanhangsel bij de memoires van Baruch (hstt. 36-45) en dus niet bedoeld als een vervolg op, resp. samenvatting van de voorafgaande profetieën tegen Babel. Van een door koning Zedekia in zijn vierde regeringsjaar ondernomen reis naar Babel is uit geen enkele andere bron iets bekend. Wel wordt in 29:3 een door hem naar Babel gezonden gezantschap vermeld en over het algemeen wordt aangenomen, dat dit in het genoemde vierde regeringsjaar van Zedekia de reis naar Babel ondernam; vgl. de datering in 28:1. Een verbinding tussen dat gezantschap en de hier vermelde gebeurtenis kan worden gelegd, wanneer wij in navolging van de Septuaginta in vs 59 niet met Zedekia, maar ‘namens Zedekia’ lezen. Dit betekent dan, dat Seraja in opdracht van de koning naar Babel meereisde als ‘kwartiermeester’ van het gezantschap. Het hier gebruikte woord betekent namelijk niet ‘hofmaarschalk’, zoals de NBG-vertaling in vs 59 heeft, maar ‘kwartiermeester’. Wanneer wij op deze wijze een verbinding leggen tussen hst. 29 en het hier verhaalde, wordt ons de betekenis van deze passage duidelijk. In hst. 29 wordt de inhoud van een brief aan de ballingen in Babel meegedeeld, die Jeremia aan de gezanten van Zedekia meegaf. Daarin komt oa. een tegen Babel gerichte profetie voor (29:10; vgl. 25: llb-14), die samenhangt met de toekomstige verlossing van de ballingen. Deze profetie wordt bevestigd door een symbolische daad, die de kwartiermeester van het gezantschap, Seraja, te Babel moet verrichten (vgl. 43:8v en de toelichting bij 13:1-11). Jeremia geeft hem een schriftstuk (boek; zie de opmerking bij 29:1) mee. De hebreeuwse tekst heeft in 51:60 het telwoord ‘één’; het gaat dus om één kort schriftelijk stuk. Daarin heeft Jeremia enige tegen Babel gerichte profetieën opgeschreven. Seraja moet dit schriftstuk te Babel in de Eufraat werpen, nadat hij het eerst heeft voorgelezen en er een steen op (niet: aan, vs 63) heeft gebonden. Voor en na het uitvoeren van deze opdracht spreekt hij een korte gebedsformule uit. Uit de hebreeuwse tekst zou men de indruk kunnen krijgen, dat Jeremia op eigen initiatief zijn opdracht aan Seraja gaf, maar volgens de Septuaginta deed hij dat op Gods bevel.

Omdat het bijbels Hebreeuws, evenals enige andere semitische talen, een geheel ander systeem van werkwoordelijke ‘tijden’ heeft dan het Nederlands, is in de vertaling de opeenvolging van de gebeurtenissen niet duidelijk. Wij kunnen ons deze als volgt voorstellen: 1. Gods opdracht aan Jeremia (volgens de Septuaginta); 2. Jeremia schrijft het schriftstuk; 3. Hij geeft dit mee aan Seraja en zegt hem, wat hij er in Babel mee moet doen; Babel aangekomen voert Seraja de opdracht als volgt uit: hij begeeft zich naar de oever van de Eufraat, spreekt een kort gebed uit (vs 62), leest het schriftstukvoor, bindt er een steen op en werpt het in de Eufraat; 5. Daarna spreekt hij de woorden uit, die in vs 64 worden vermeld. De bedoeling van de hier genoemde (gebeds)-formules is, dat de voorlezing van de profetie wordt ingeleid en wordt afgesloten met dergelijke formules.

64b. Zie over deze slotformule van het gehele boek: de opmerking bij 48:47b. In de NBG-vertaling ontbreekt het inleidende woord, waarmee de hebreeuwse tekst van vs 64b begint. Dit woord is een herhaling van het slot van vs 58. Uit deze herhaling kan worden afgeleid, dat deze slotformule oorspronkelijk na vs 58 stond. Nadat het aanhangsel (vss 59-64a) in de tekst werd opgenomen, werd de slotformule naar het eind van dit aanhangsel verplaatst.

Aanhangsel over Zedekia, Jeruzalem en de tempel, deportaties en Jojachin 52:1-34

Dit hst. is grotendeels ontleend aan dezelfde bron als die, waaruit 2 Kon. 24:18-25:30 afkomstig is. In vergelijking met 2 Kon. zijn er enige varianten, waarop slechts zijdelings zal worden ingegaan. Aangezien de in 52:31 genoemde babylonische vorst van 562-560 v.Chr. regeerde, heeft de eindredactie van dit boek na het jaar 560 plaats gevonden. Met de toevoeging van dit aanhangsel zal de eindredactor de bedoeling hebben gehad, het boek met een bemoedigend slot, nl. 52:31-34, te beëindigen.

Over Zedekia 52:1-11

Dit korte overzicht over de elfjarige regeringsperiode van Zedekia, die in 597 v.Chr. op eenentwintigjarige leeftijd als vazalvorst van Babel aan de regering kwam, heeft vooral betrekking op zijn opstand tegen Babel en de gevolgen, die dit voor hem en Juda met zich bracht. Zie 39: 1-7, dat ten dele met deze verzen overeenkomst, en de daarbij gegeven toelichting. Wij vinden hier echter enkele bijzonderheden, die in hst. 39 en 2 Kon. niet worden vermeld, zoals bv. het slot van vs 11: en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood. Deze toevoeging is waarschijnlijk bedoeld om daarmee reeds hier een toespeling te maken op hetgeen in vss 31-34 wordt verhaald. De schrijver wil niet alleen de gebeurtenissen vermelden, maar deze ook duiden, zoals ook uit vs 3 blijkt, dat eveneens in 2 Kon. 24:20 voorkomt. Zie over ‘verwerpen’ de toelichting bij 6:30.

Het lot van Jeruzalem, de Judeeërs, de tempel en het tempelgerei 52:12-27

De verzen 12-16 hebben enige overeenkomst met 39:810, maar zijn uitvoeriger. In vss 17-23 volgen bijzonderheden over de plundering van de tempel en een gedetailleerde beschrijving van de geroofde voorwerpen. Zie voor deze-beschrijving ook 2 Kon. 25:13-17 en vgl. 1 Kon. 7:15-50. Er zijn enige onderlinge tekstverschillen; bv. vijf el (vs 22; 1 Kon. 7:16), waar 2 Kon. 25:17 ‘drie el’ heeft; vs 23 ontbreekt in 2 Kon. 25. Reeds in 597 v.Chr. hadden de Babyloniërs kostbaarheden uit de tempel meegenomen naar Babel (zie 27:16; 28:3, 6; 2 Kon. 24:13). Alle geroofde kostbaarheden werden daar blijkbaar nauwkeurig geregistreerd en goed opgeborgen, want volgens Ezra 5:14 werden zij in of na 539 v.Chr. in Babel teruggevonden.

In vss 24-27 (vgl. 2 Kon. 25:18-21) worden de gevangenneming en de executie van een aantal vooraanstaande Judeeërs beschreven. Seraja wordt hier opperpriester genoemd; daarmee zal ‘hogepriester’ zijn bedoeld; vgl. 1 Kron. 6:14; Ezra 7:1. Zefanja, de tweede priester, wiens ambt direct onder dat van de hogepriester kwam, wordt eveneens genoemd in 21.T; 29:25, 29; 37:3. Dorpelwachter, zie 35:4. Zeven mannen (vs 25): 2 Kon. 25:19 noemt er vijf. Volk des lands (vs 25): landedelen, resp. familiehoofden (vgl. 1:18; 37:2; 44:21; 52:6). Ribla: zie de toelichting bij 39:5.

Aantallen gedeporteerden 52:28-30

De hier genoemde deportaties vonden plaats in 597, 586 en 582 v.Chr. Met betrekking tot de deportatie in 597 worden in 2 Kon. 24:16 hogere aantallen genoemd in ‘ronde cijfers’, tw. de symbolische getallen 7000 en 1000. Daarmee wordt geen nauwkeurige telling aangegeven, doch is bedoeld, dat sedertdien de volkskracht van Juda was gebroken. De nauwkeurige aantallen, die hier worden vermeld, wekken de indruk dat zij op zorgvuldige registratie berusten. Opvallend is, dat het aantal in 597 gedeporteerden, tw. 3023, het hoogst is, vergeleken met de andere hier genoemde aantallen. Ook daaruit kan worden afgeleid, dat de gebeurtenissen van 597 voor Juda zeer ingrijpend waren en dat verder verzet tegen Babel weinig zin had; vgl. Jeremia’s brief aan de ballingen, 29: 1-23. Het aantal in 586 gedeporteerden bedroeg 826, maar uit vss 24-27 blijkt, dat vooraanstaande, leidinggevende personen ter dood werden gebracht. Over de deportatie van 745 Judeeërs in 582 v.Chr. zijn geen nadere gegevens bekend. Men zou kunnen vermoeden, dat deze gebeurtenis verband houdt met een door de Babyloniërs tegen Juda ondernomen strafexpeditie wegens de moord op de door hen aangestelde gouverneur Gedalja, die in 586 plaats vond (zie 40:7-41:15). In elk geval blijkt hieruit, dat na de val van Jeruzalem en de ondergang van de tempel in 586 Juda niet totaal werd ontvolkt. Uit 2 Kron. 36:20v zou men de indruk kunnen krijgen, dat dit wel het geval was, doch daar gaat het niet om geschiedschrijving maar om een interpretatie van vroegere gebeurtenissen.

De begenadiging van Jojachin 52:31-34

Deze verzen komen grotendeels overeen met 2 Kon. 25: 27-30, doch er zijn kleine tekstverschillen, bv. in vs 31. Jojachin werd in 597 v.Chr. door Nebukadnezar naar Babel gedeporteerd. In 562 werd Nebukadnezar opgevolgd door zijn zoon Evil-Merodach (babylonische naam: Amel-Mardoek, resp. Awil-Mardoek), die slechts twee jaar regeerde. De gevangenschap van Jojachin wordt ook vermeld in een babylonische bron, waarin het levensmiddelenpakket wordt genoemd dat hij dagelijks ontving. Dank zij de nieuwe babylonische vorst kreeg hij na gevangenschap van zesendertig jaar in Babel een plaats aan het hof. Aangezien hij bij zijn troonsbestijging in 597 achttien jaar oud was (zie 2 Kon. 24:8), was hij omstreeks vierenvijftig jaar oud, toen de hier vermelde gebeurtenis plaatsvond. Zoals reeds in de inleiding tot dit hst. werd opgemerkt, wordt de begenadiging van Jojachin hier vermeld om het boek Jeremia met een hoopgevend uitzicht te beëindigen. Vgl. de toelichting bij 16: 14, 15.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken