Menu

Premium

Jezus ‘heerlijkheid’ geopenbaard te Kana

Bij Johannes 2,1-11

Johannes 2,1-11 beschrijft één van de vier gebeurtenissen die met het feest van Epifanie geassocieerd worden, het feest van het openbaar worden van de Heer. Naast dit eerste teken van Jezus in het Johannesevangelie, zijn dit de aanbidding door de drie magoi uit het Oosten en de doop van Jezus in de Jordaan. De vierde gebeurtenis is de menswording van het goddelijke woord, ofwel de geboorte van Jezus. Dit aspect van het openbaar worden van de Heer is later geassocieerd geraakt met een datum negen maanden na de annunciatie (25 maart), dat is 25 december. Voor kerken die de Juliaanse kalender volgen valt dit feest echter op 7 januari.

Tegen deze achtergrond en uitgaande van de slotzin van Johannes 2,1-11, waarin de verteller meedeelt dat de gebeurtenissen van Johannes 2,1-10 het begin van de tekenen van Jezus vormen en dat Hij zo zijn heerlijkheid dan wel glorie openbaarde, rijst de vraag wat er dan precies openbaar wordt, respectievelijk, waar deze heerlijkheid dan uit bestaat.

‘Wijnwonder’

Het ‘wijnwonder’ van Kana heeft aanleiding gegeven tot een groot aantal verschillende interpretaties, wat ermee te maken heeft dat er een aantal even onduidelijke als evocatieve begrippen en uitspraken in voorkomt. Dit zijn bijvoorbeeld de thematiek van de bruiloft, het contrast tussen water en wijn en de vrij ontoegankelijke dialoog tussen de moeder van Jezus – ze blijft zonder naam in deze perikoop – en Jezus in de verzen 3-4. De interpretatielijn die ik hier volg, gaat niet uit van de mogelijke allegorische of symbolische betekenis van deze elementen, bijvoorbeeld bruiloft als vereniging van God met zijn volk – het is opvallend dat het huwelijk op zich geen enkele rol van betekenis speelt in de gebeurtenissen, het is in eerste instantie coulisse; echo’s van een eschatologische overvloed zijn echter wellicht mogelijk. Of water en wijn, bijvoorbeeld in een populaire exegese die het water van de wet contrasteert met de wijn van het evangelie. Of ook de derde dag, als de derde dag van een eerste week van een nieuwe schepping. In plaats daarvan ga ik aspecten van de sociale dynamiek na en probeer die in verbinding te brengen met de al genoemde auctoriale mededeling in vers 11, die de verschillende gebeurtenissen samenvattend interpreteert.

Jezus’ uur nog niet gekomen

Ten eerste is de context van een bruiloft van groot belang: afgezien van de tijdsbepaling ligt er in vers 1 syntactisch gezien enige nadruk op ‘bruiloft’. Bruiloften waren publieke aangelegenheden waarop het aanzien, de ‘eer’, op het spel stond van de twee families die door het huwelijk van twee leden ervan met elkaar verenigd werden. Precies dit dreigt nu mis te gaan, gezien het feit dat de wijn, de feestdrank bij uitstek, opraakt (vers 3). Er kan enige urgentie doorklinken in de woorden van Maria tot Jezus: ‘Wíjn hebben ze niet meer!’ (In plaats van de gebruikelijker vertaling: ‘Ze hebben geen wijn meer.’) Jezus’ antwoord hierop in vers 4 is verrassend, daar de aanspreekvorm ‘vrouw’ voor zijn moeder weinig persoonlijk en zelfs afstandelijk is, zeker gezien de rest van de zin. De verwijzing naar het ‘uur’ van Jezus, dat nog niet gekomen is, legt tegelijkertijd een verbinding met het komende uur van Jezus, namelijk dat van zijn verheerlijking, dat wil zeggen zijn kruisiging. Ondanks Jezus’ afwijzende antwoord handelt Hij wel zoals zijn moeder het Hem vroeg, en zorgt Hij ervoor dat het probleem en daarmee de dreigende sociale ramp voor het bruidspaar en hun families wordt afgewend.

Waarvandaan?

Van bijzonder belang is daarbij de rol en het gedrag van de slaven, de bruidegom en de ceremoniemeester of best man. De in vers 8 geroepen ceremoniemeester krijgt in vers 9 de wijn te proeven en weet niet waar deze vandaan komt; de slaven weten het echter wel. Nu is de vraag wie van waar is een centraal Johanneïsch thema: zie de verschillende theologische ‘plaatsbepalingen’ in Johannes 1 en 3 die Jezus’ identiteit benadrukken als degene die van boven gekomen is, weer naar boven gaat en voor anderen diezelfde weg bereidt. Met het woordje ‘waarvandaan’ wordt ook hier de aandacht op dit thema en de vraag naar de identiteit van Jezus gevestigd (vers 9). Vervolgens, in vers 10, kapittelt de ceremoniemeester de bruidegom, omdat hij de beste wijn niet geschonken heeft toen mensen nog niet dronken begonnen te worden. Interessant is daarbij dat Jezus alweer helemaal van het toneel verdwenen is; toch stelt vers 11 juist vast dat zijn heerlijkheid op deze manier geopenbaard werd en dat zijn leerlingen op Hem vertrouwden.

Verheerlijkt aan het kruis

Het probleem is dat heerlijkheid of eer (Grieks: doxa) nu bij uitstek een publiek gegeven is. Zich eer, aanzien, of heerlijkheid verwerven door zich op de achtergrond te houden, werkt averechts. Doordat slechts slaven weten wie er eigenlijk voor de overvloed (ongeveer 600-900 liter) aan uitstekende wijn verantwoordelijk is en dus als patroon van het feest optreedt – in de antieke oudheid een belangrijke, maar juist altijd publieke functie – is er voor Jezus geen enkele kans op erkenning van diens gulheid, wat nu juist wel de bedoeling was in de Grieks-Romeinse maatschappij. Wat hier mijns inziens aan de hand kan zijn, is een gebruik en tegelijk een ombuiging van de Grieks-Romeinse conventies over eer en heerlijkheid, op grond van de christologie en ecclesiologie van het Johannesevangelie. Want Jezus is in dat evangelie enerzijds wel degelijk degene die verheerlijkt wordt, namelijk aan het kruis; anderzijds wordt Hij verheerlijkt doordat Hij zichzelf voor zijn vrienden geeft (15,13). Deze manier van denken gebruikt en ondergraaft tegelijkertijd het gebruikelijke denken over eer en aanzien in de Grieks-Romeinse en wellicht ook de (post)moderne maatschappij. Dat Jezus zijn patronaat over het huwelijksfeest in Kana op zo’n discrete wijze uitoefent, in een narratief gelardeerd met verwijzingen naar zijn kruisiging/verheerlijking, lijkt te wijzen op een opvatting over eer en heerlijkheid die niet publieke erkenning ten doel heeft, maar het winnen van het vertrouwen van een groep leerlingen (vers 11), ofwel kerkopbouw in eigenlijke zin.

Wellicht ook interessant

None

Studiemiddag op 4 juni naar aanleiding van publicatie ‘Gods slaafgemaakten’

De beroemde voormalige slaafgemaakte en abolitionist Frederick Douglass (1818-1895) was christen én buitengewoon kritisch op het christendom van vele slaveneigenaren in de Verenigde Staten. Die laatste vorm van christendom noemde hij “slaveholding religion” en die plaatste hij tegenover wat hij zag als het ‘echte christendom’ – de “Christianity of Christ”. In zijn recente boek Gods slaafgemaakten laat historicus en theoloog Martijn Stoutjesdijk zien dat beide interpretaties van het christendom eigenlijk altijd al aanwezig zijn geweest in de Bijbel en geschiedenis van het christendom.

None

Recensie van Amsterdamse Cahiers: Jesaja

Als predikant heb je je vaak te buigen over fragmenten uit het complexe Bijbelboek Jesaja. De bekendste flarden keren jaarlijks terug, vaak in combinatie met het Nieuwe Testament. Tekstfragmenten die ‘iedereen’ kent, roepen vaak allerlei beelden en herinneringen wakker (‘je hebt me bij de naam geroepen/ je bent de mijne’; ‘het volk dat in duisternis ronddoolt’; ‘zwaarden, ploegscharen…’). Tegelijkertijd blijft het grootse deel van de profetie doorgaans gesloten.

Medische verrassingen in de Bijbel
Medische verrassingen in de Bijbel
None

Thema: Medische verrassingen in de Bijbel

In de Bijbel staat verrassend veel informatie over gezondheid en ziekte, vanuit het oude testament komen veel regels naar voren om ziekte en de verdere verspreiding van ziekte te voorkomen. Veel van deze regels zijn nog steeds actueel. Van oud-testamentische narcose tot het nut van de reinheidswetten. Tom Mikkers gaat in deze aflevering in gesprek met Alie Hoek-van Kooten die het boek Medische verrassingen in de Bijbel schreef. Zij gaat in het gesprek ook in op de manier waarop mensen in de Bijbelse tijden met ziekte omgingen en welke rol hun geloof daarin speelde. Een nieuwe invalshoek op bekende materie, toegankelijk en verrassend.

Nieuwe boeken