Menu

Premium

Job en de vreemdelingen

Preekschets Job 29:16; een zondag in de zomer

Voor de behoeftigen was ik een vader, ik verdedigde de zaak van vreemdelingen. (Job 29:16)

  • Bijbelgedeelte: Job 29:11-17
  • Preektekst: Job 29:16
  • Thema: Het strengste asielbeleid ooit

Liturgisch kader

Het Bijbelboek Job leent zich voor de feestloze periode van het kerkelijk jaar. ‘Job’ speelt zich af in een concrete maatschappelijke context. De schriftlezing vertelt wie hij is geweest. God noemt Job rechtschapen. Zo treedt hij ook de vreemdeling tegemoet, de vluchteling, de asielzoeker.

Liedsuggesties

  • Maak ons hart onrustig, God (Hemelhoog 282)
  • Ik was hongerig (Hemelhoog 703)
  • Wat een wonder dat ik meewerken mag (Hemelhoog 709)
  • Liedboek Zingen en bidden in huis en kerk, 2013: 72, 146, 533, 534, 537, 561, 992, 995.

Uitleg

Gerespecteerd

NBV21 vertaalt uit het Hebreeuws met ‘vreemdelingen’: mensen van buiten de gemeenschap, want daarin kent iedereen elkaar: ontheemden, vluchtelingen, asielzoekers.

In Job 1:1 staat dat Job rechtschapen is. Dit impliceert dat hij de Thora eerbiedigt. Volgens de heersende theologie dankt hij hieraan zijn voorspoed en rijkdom. Door elkaar opvolgende rampen is Job alles kwijtgeraakt. Hij heeft een felle, lange discussie met zijn vrienden over wat is misgegaan in zijn leven. Zij denken dat God hem heeft gestraft. Maar Job verklaart rechtvaardig te hebben geleefd. Ergens midden in de discussie overdenkt Job hoe zijn leven vroeger was: een vooraanstaand lid van de gemeenschap, hij behoorde tot de bestuurders en rechters. Zijn herinneringen doen hem veel pijn. Hij was gerespecteerd door de jongeren maar ook door zijn gelijken en de ouderen: ze waren gewend te wachten met het geven van hun mening tot ze hadden gehoord wat de wijze Job te zeggen had.

Beschuldigd

Job is door Elifaz beschuldigd (hoofdstuk vier), de andere vrienden vallen Elifaz bij. Job verdedigt zich. Zo ontwikkelt Job het idee dat hij in een rechtszaak is beland. In hoofdstuk 29 begint hij aan zijn slotpleidooi. Job beroept zich erop dat hij terecht de achting van de gemeenschap ontving (hoofdstuk 1). Zijn gedrag naar de behoeftigen was vrij van elk verwijt. Job gebruikte zijn verheven positie in de gemeenschap voor een rechtmatige behandeling van de machtelozen, onderdrukt door de machtigen, conform wat God waardeert als moreel juist en voor bestuurders dé norm is (Psalm 72:1-2,12-14).

Job volgde het voorbeeld van Gods gerechtigheid (Psalm 85:10-14, 89:14). In het bijzonder beschermt God kwetsbare mensen zoals de arme, de vreemdeling, de weduwe en de wees. Van wie godvruchtig zijn, mag worden verwacht dat zij delen in Gods mededogen. In Mozes’ wetgeving veroordeelt de HEER de onderdrukking van de vreemdeling, weduwe en wees (Exodus 22:21-24). De HEER roept de gelovigen op te dienen als beschermers voor wie worden onderdrukt (Amos 5:14-15).

Klacht

Job pocht niet. Hij klaagt. Job klaagt de vrienden aan die hem beschuldigen: de gemeenschap luisterde naar hem, raadpleegde hem, bewonderde hem, een aanzienlijk prestige doordat Job het recht placht te handhaven, niemand naar de ogen zag en opkwam voor degenen die hun eigen recht niet konden afdwingen of niet konden rekenen op barmhartigheid. Job gebruikt wel acht voorbeelden van een onderliggende partij: de arme, de wees, de stervende, de weduwe, de blinde, de lamme of kreupele, de behoeftige, de vreemdeling. Hij heeft nooit iemand willen uitsluiten van zijn hulp of bemiddeling. Het geheim van de verbinding tussen Job en het recht verwoordt hij kernachtig: ‘Met gerechtigheid kleedde ik mij en zij kleedde zich met mij’ (Job 29:14). De interventies van Job waren niet mis als de situatie dit vereiste. Desnoods liet hij de overheid geweld uitoefenen (Job 29:17).

Patriarch

Job liet iets zien van wie God is, zijn hemelse Vader. Job was als een vader voor de behoeftigen. In de tijd waarin hij leefde, was de vader de patriarch, hoofd van het gezin. Hij bood sociale en wettelijke bescherming aan wie tot zijn huishouden behoorden. Vreemdelingen waren mensen van buiten de eigen gemeenschap. Zij waren verstoken van de bescherming van hun familie of clan. Ze bevonden zich daardoor in een juridisch kwetsbare positie ten opzichte van de door familiestructuren beheerste gemeenschappen.

In de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakte, spande Job zich ervoor in om de zaak van vreemdelingen te onderzoeken; rechtsprekend zonder aanzien des persoons. Dat ging niet zonder slag of stoot. Job zegt het beeldend, poëtisch: ‘De verslindende kaken van boosdoeners heb ik verbrijzeld.’ Job heeft de kwetsbare prooi van tussen hun tanden bevrijd (Job 29:17). Overeenkomstig Davids lied over de koning in Psalm 72 (Psalm 72:12-13). De apostel Jakobus noemt de manier waarop Job heeft geleefd, de ware godsdienst (Jakobus 1:27).

Thora-Preekschets-Job 29:16-foto van Roger Casco op Pixabay
In Job 1:1 staat dat Job rechtschapen is. Dit impliceert dat hij de Thora eerbiedigt. Volgens de heersende theologie dankt hij hieraan zijn voorspoed en rijkdom. Foto van Roger Casco op Pixabay.

Aanwijzingen voor de prediking

Actualiteit

Preken over Jobs optreden ten aanzien van vreemdelingen, kan niet los van de actualiteit: we hebben in Nederland een serieus probleem met de opvang van asielzoekers. Onze nationale cultuur is sterk beïnvloed door christelijke waarden en normen. Daarvan is nog altijd veel herkenbaar in de Nederlandse politiek en het openbaar bestuur. In de oorsprong van Nederland als natie heeft meegespeeld dat ons land gastvrijheid bood aan vluchtelingen, waaronder belijders van het protestantse geloof met een vreemde nationaliteit en Joden. Actueel is dat vier politieke partijen met een coalitieakkoord op weg zijn met ‘het strengste asielbeleid ooit’. Op alle mogelijke manieren wordt de asielinstroom en de steun aan vreemdelingen die in ons land verblijven beperkt: onbijbels.

Thora

De positie van de vreemdeling in Gods Thora is tweemaal geschetst in Mozes’ redevoering voordat het volk Israël het beloofde land binnentrekt: ter herhaling en verdieping. Mozes verklaart over God: ‘Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.’ (Deuteronomium 10:18) Uiteraard impliceert deze uitspraak een opdracht voor de Israëliet. Als het volk zal wonen in het land dat overvloeit van melk en honing en waar de HEER zal voorzien in de graanoogsten, zullen de Israëlieten de vreemdeling voorzien van alles wat nodig is voor een eervol bestaan.

Israëliet en vreemdeling hebben dezelfde Schepper en dezelfde Vader. Mozes voegt eraan toe: ‘U zult het recht van de vreemdeling niet buigen.’ (Deuteronomium 24:17) De HEER trekt zich het lot aan van de sociaal kwetsbaren, waaronder de vreemdeling, de vluchteling. Een belangrijke taak van de koning, niet alleen in Israël maar in heel het oude Midden-Oosten, is: de zwakken, kwetsbaren en hulpelozen in de samenleving beschermen en erop toe te zien dat hun recht wordt gedaan (Psalm 72).

Mozes roept op: je weet uit eigen ervaring wat het is om als vreemdeling te moeten overleven. Je hebt je ouders erover horen spreken – hoe het leven was in Egypte. Nu je het land binnentrekt dat de HEER jullie geeft om er te wonen, behoor je mee te leven met hen die dit moeten missen. Mozes’ oproep mag in de verkondiging klinken als actuele oproep. Laten de christenen daarin een voorbeeld voor onze landgenoten zijn en laat de kerk geestelijk leidinggeven. De Thora verbiedt aan het recht van vreemdelingen tekort te doen.

Naastenliefde

Job is een voorbeeld van het positieve en praktische verschil dat een rechtvaardige, die God vereert, kan maken. Mensen die het economisch goed hebben, worden doorgaans op zichzelf gericht en ongevoelig voor de behoeften van minderbedeelden. Door hebzucht gedreven bewaken ze hun welvaartspositie. Níét Job! Hij gebruikte zijn positie om de behoeftigen, machtelozen te ondersteunen. Tot zegening van hen.

Job spreekt in metaforen over de zwakken in de samenleving in Job 29: de vreemdeling mag geen naastenliefde geweigerd worden. Hij moet worden versterkt om in de maatschappij te slagen. Zowel de arme in het eigen volk als de vluchteling moet worden geholpen zónder een tegenprestatie te verwachten. De rijke die er de gelegenheid toe heeft, moet de arme met zijn rijkdom oprichten en de struikelende ondersteunen. De gastvrijheid aan asielzoekers is in Nederland problematisch: vaak niet welkom. Hun wordt niet royaal de mogelijkheid van een goed leven geboden. Wij lossen het asielprobleem niet op, maar is de houding van hen die Christus belijden als hun Heer zoals Jezus Christus het wil? In de prediking mag de gemeente de spiegel van de Schrift worden voorgehouden.

Jesaja en Jezus

Trek vanuit Jobs voorbeeld de lijn naar het evangelie: wanneer Jezus begint aan zijn openbare bediening (Lucas 4:16-21) leest Hij Jesaja 61:1-2 en past die op zichzelf toe. Jezus vervult de belofte van de komst van Gods goede nieuws van hulp voor de behoeftigen en verlossing voor de onderdrukten. Job voldoet aan Jesaja’s profiel dat Jezus volmaakt zal invullen.

In Lucas’ versie van de Bergrede past Jezus dit onder meer toe op het uitlenen van geld. Niet terugverdienen moet het motief zijn, maar milddadigheid. Die toon je door te geven zonder verwachting dit geld weer terug te krijgen en zonder rente te eisen (Lucas. 6:34). Het helpen van de armen is sowieso gratis. Wat je ze leent of geeft, zullen ze vermoedelijk niet kunnen terugbetalen. God vraagt aandacht voor de armoede en de ellende van onze medemens, opdat we worden bewogen tot mededogen. Wij worden opgeroepen hulp te verlenen, financieel, materieel, juridisch, in welke vorm er ook maar behoefte is aan hulp, dus ook sociaal en maatschappelijk, en psychologisch of geestelijk.

In Jezus’ eindrede (Matteüs 25:21-35) spreekt Hij over zichzelf als de rechtvaardige Rechter. Al de volken zullen voor Hem bijeengebracht worden. Hij zal tegen de ‘schapen’ aan zijn rechterzijde zeggen: ‘Jullie zijn door Mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het Koninkrijk […] Want […] Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij op’. Hun asielbeleid is gekenmerkt door gerechtigheid. Zij hebben niet toegegeven aan vreemdelingenhaat en egoïsme. Voor zichzelf zijn ze streng geweest. Zo wil de HEER ons asielbeleid.

Ideeën voor kinderen en jongeren

Vraag kinderen of jongeren wat zij willen bijdragen aan het oplossen van de asielcrisis. Als er een azc in de buurt is: een dag met spelen organiseren voor de kinderen en jongeren in het azc? Of een inzamelactie houden voor het azc waar iets leuks mee gedaan kan worden?

Vraag de kinderen of jongeren voor wie gebeden kan worden in het gebed na de verkondiging. Laat kinderen een tekening maken van asielzoekers. Of vraag hoe wij asielzoekers kunnen helpen.

Vraag kinderen of jongeren wat ze van vluchtelingen en asielzoekers weten. Waarom vluchten mensen? Wat weten ze over de reizen die deze mensen maken: de kosten, de gevaren, de verliezen. Hoe ziet het verblijf in azc’s eruit? Vernederend, uitzichtloos, langdurige procedures. Wat vinden de kinderen dat onze houding moet zijn? Wat zouden we kunnen doen?

Als er onder kinderen of jongeren sprake is van vreemdelingenhaat of onverschilligheid is het van belang een bijbels weerwoord te geven.

Henk Post schreef boeken over Job, Prediker en de Bergrede en gaat voor in de Protestantse Kerk in Nederland.

Geraadpleegde literatuur

  • W. Aalders, Wet Tragedie Evangelie, Den Haag, 1979
  • Francis J. Andersen, Job, Tyndale Old Testament Commentaries, 1981
  • Jan Fokkelman, Het boek Job in vorm, Meppel, 2009
  • Henk Post, Job. Een geloofsheld strijdt om recht, Apeldoorn, 2017
  • Van Selms, Job, De Prediking van het Oude Testament, Kampen, 1984




Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken