Menu

Premium

Job

Inleiding

Om meer dan een reden is het boek Job een uitzonderlijk geschrift in de Hebreeuwse Bijbel. Er wordt een groot en algemeen menselijk probleem aan de orde gesteld. Het gehele dichtwerk draait om de vraag of God de wereld wel rechtvaardig regeert. We worden gedwongen mee te denken over de oorzaak en de oorsprong van het lijden in de schepping. Het is ook moeilijk nog een ander bijbelboek te noemen dat zich zo langdurig in één onderwerp vastbijt. Het boek Job is daarom een van de meest uitdagende en intrigerende boeken van de joods-christelijke bijbel.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist dit bijbelboek dikwijls de aandacht heeft getrokken van schrijvers, psychologen en filosofen, ook van hen die in directe zin buiten de joods-christelijke traditie staan. Ik verwijs slechts naar enkele auteurs waarvan het werk (ook) in het Nederlands toegankelijk is: Abel Herzberg(Drie rode rozen, Amsterdam 1975), de psycholoog Carl Gustav Jung(Antwoord op Job, Rotterdam 1978), en de filosoof René Girard (De aloude weg der boosdoeners, Kampen 1987). En jarenlang heeft Henk van Ulsen ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’ weten te boeien met zijn vertolking van ‘een man als Job’. En dan zijn er natuurlijk nog de theologen. Van hen noem ik Gustavo Gutiérrez, een zogenaamde bevrijdingstheoloog (Gerechtigheid om niet, Baarn 1987). Dit wijst erop, dat men zich steeds opnieuw voelt aangesproken en uitgedaagd om met de dichter mee te denken, te reageren op de gestelde vragen en de gesuggereerde antwoorden. Voortdurend voelt men de behoefte deze antwoorden te corrigeren of ook af te wijzen. En dat gebeurt omdat er een blijvende inspiratie uitgaat van dit literaire kunstwerk.

Ook vanwege zijn grote literaire kwaliteiten neemt het boek Job een bijzondere plaats in de Hebreeuwse Bijbel in. Men behoeft geen kennis te hebben van het Hebreeuws om met deze bewering te kunnen instemmen. In elke serieuze vertaling zal iets doorschemeren van het literaire karakter. Toch moet worden vastgesteld dat veel aspecten van de retorische kracht van het boek Job in de theologische commentaren onderbelicht zijn gebleven. Ze spelen niet alleen een grote rol in de afzonderlijke betogen van Job, zijn vrienden en God, maar structureren ook de compositie van het boek als geheel. Ik doel hiermee o.a. op de opbouw van de gedichten in strofen en stanza’s, en op de zeer doordachte en consequent doorgevoerde macrostructuur van de gespreksrondes. Wanneer deze literaire kenmerken niet de volle aandacht krijgen, dan zullen we nooit de betekenis achterhalen die verborgen zit in de lange gedichten vol oosterse beeldspraak. Ik hoop de lezer hier iets te laten zien van de onlosmakelijke samenhang tussen structuur en betekenis.

Het onderzoek naar de kwantitatieve kenmerken van de Hebreeuwse poëzie ten slotte is recentelijk goed op gang gekomen. Het begint steeds duidelijker te worden dat bijvoorbeeld ook het aantal versregels of woorden van een gedicht iets vertellen over zijn betekenis. In een enkel geval wil ik daarvan voorzichtig gebruik maken.

Opbouw van Job

Proloog (proza) : het verhaal van een geduldige Job (hh. 1-2)

Jobs inleidende vervloeking van zijn geboortedag (H. 3)

EERSTE GESPREKSRONDE (HH. 4-14)

A

Elifaz (hh. 4-5)

Job (hh. 6-7)

B

Bildad (h. 8

Job (hh. 9-10)

C

Sofar (h. 11)

Job (hh. 12-14)

totaal 270 versregels

TWEEDE GESPREKSRONDE (HH. 15-26)

D

Elifaz (h. 15)

Job (hh. 16-17)

E

Bildad (h. 18)

Job (h. 19)

F

Sofar (h. 20)

Job (h. 21)

D’

Elifaz (h. 22)

Job (h. 23)

E’

Bildad (h. 24*)

Job (hh. 25*-26)

God en Job (40:1-5 [39:34-38])

Derde gespreksronde (hh. 27-31 en 38-41)

Job (hh. 27-28)

Job (hh. 29-31)

De betogen van Elihu (hh. 32-37)

secundaire invoeging

(derde gespreksronde, vervolg)

Gods eerste antwoord (hh. 38-39 [38:1-39:33])

Gods tweede antwoord (40:6-41:26 [hh. 40-41])

totaal 270 versregels

Jobs laatste woord (42:1-6)

Epiloog (proza) : het verhaal van een geduldige Job (42:7-17)

De asterisk bij de hoofdstukken 24 en 25 wil zeggen dat het opschrift in de Hebreeuwse tekst een andere gesprekspartner noemt. De tekstverwijzingen tussen vierkante haken geven de plaats aan in de vertaling van het NBG (1951).

De opbouw van het boek

Het boek Job heeft in hoofdlijnen een zeer doorzichtige opbouw; zie hiernaast. Een groot dichtwerk bestaande uit ongeveer veertig hoofdstukken wordt omsloten door een kort verhaal in proza over een rechtvaardige die ondanks grote tegenslag in zijn lot berust en God blijft ‘zegenen’. Het verhaal fungeert in ons boek als een raamvertelling voor het eigenlijke dichtwerk en beslaat twee hoofdstukken aan het begin en niet eens een volledig hoofdstuk (42:7-17) aan het slot daarvan.

Het grote dichtwerk bestaat uit een lange reeks van betogen tussen Job en zijn drie vrienden Elifaz, Bildad en Sofar (hh. 3-26). Nadat Job opnieuw uitvoerig het woord heeft genomen (hh. 27-31) duikt er vervolgens nog een vierde gesprekspartner op, Elihu (hh. 3 237), en ten slotte neemt God zelf het woord (hh. 38-41). de betekenis van het boek Job als dichtwerk op het spoor te komen is het in de eerste plaats van groot belang ons nader rekenschap te geven van de totaalstructuur van deze compositie. Tot op heden heeft men dikwijls aangenomen dat deze structuur rond de hoofdstukken 25 en 26 sterk in het ongerede is geraakt. De literaire benadering van deze kwestie toont echter aan dat de schade veel minder groot is dan zelfs de meest voorzichtige exegeet voor mogelijk heeft gehouden.

JOB 3 EN DE EERSTE GESPREKSRONDE (HH. 4-14)

De betogen waarin Job in gesprek is met zijn vrienden kunnen worden verdeeld in twee gespreksronden. De eerste gespreksronde omvat de hoofdstukken 4-14 en de tweede de hoofdstukken 15-26. Aan het hoofd van de beide gespreksronden staat echter hoofdstuk 3. Hier spreekt Job een intense verwensing uit over het moment van zijn geboorte. Dan kunnen de drie vrienden, die van verre waren gekomen om hem geestelijk bij te staan en eerst zeven dagen in verbijstering hebben gezwegen, hun mond ook niet meer houden en komt de discussie op gang. Hoofdstuk drie is als het ware de lont, die het poëtische vuur doet ontbranden.

Eerst neemt Elifaz het woord. We krijgen de indruk dat hij de oudste is van de vrienden. Evenals de betogen van Job bestaat Elifaz’ betoog uit meer dan een deel. Zo’n deel vanuit retorisch oogpunt beschouwd worden als een min of meer opzichzelfstaand gedicht. De omvang van zo’n gedicht valt in de eerste gespreksronde steeds samen met de ons bekende hoofdstukindeling. Het betoog van Elifaz omvat twee gedichten (hh. 4-5). Het antwoord van Job omvat ook twee gedichten (hh. 6-7). Daarna komt Bildad aan het woord in één gedicht (h. 8). Het antwoord van Job bestaat echter weer uit twee gedichten (hh. 910). Ten slotte spreekt ook Sofar in slechts één gedicht (h. 11). Maar het antwoord van Job is nu drie gedichten lang (hh. 12-14). Het is in deze eerste gespreksronde verder zo, dat Job zich niet alleen verweert tegenover zijn vrienden, maar zich ook tot God richt. Het eerste gedicht van zijn betogen is steeds gericht tot zijn vrienden (hh. 6, 9 en 12). In het laatstegedicht richt Job zich vervolgens rechtstreeks tot God (hh. 7, 10 en 14). Hoofdstuk 13 vervult in dit verband een brugfunctie; daarin richt Job zich gaandeweg steeds duidelijker tot God.

Zo is deze gespreksronde opgebouwd uit elf gedichten. Deze gedichten tellen samen precies 2/0 versregels. Wanneer we de volgorde in aanmerking nemen waarin de vrienden in de eerste gespreksronde aan het woord komen, dan kan van een lineaire opbouw worden gesproken: achtereenvolgens nemen Elifaz (A), Bildad (B) en Sofar (C) het woord.

De tweede gespreksronde (hh. 15-26) en 40:1-5 (39:34-38)

Dat is anders in de tweede gespreksronde. Op het eerste gezicht lijkt het dat de opbouw daarvan gelijk is aan die van de eerste gespreksronde. Dat is ook de gangbare opvatting. Achtereenvolgens ontmoeten we weer Elifaz (h. 15), Bildad (h. 18) en Sofar (h. 20). En zij kunnen steevast rekenen op een weerwoord van Job (respectievelijk hh. 16-17, 19 en 21). Het betoog van Elifaz beslaat in de Hebreeuwse tekst weliswaar één hoofdstuk, maar bestaat weer uit twee afzonderlijke gedichten (15:2-16 en 15:17-35). Omgekeerd beslaat het omvangrijke antwoord van Job twee volledige hoofdstukken (16-17), maar deze beide hoofdstukken vormen samen slechts één gedicht. Zijn reacties op de betogen van Bildad en Sofar (respectievelijk hh. 19 en 21) bestaan uit één gedicht. Maar dan komen Elifaz en Bildad nogmaals aan het woord (respectievelijk hh. 22 en 24*), zonder dat Sofar een derde gelegenheid krijgt om te spreken. Op hun betogen volgt weer onmiddellijk de reactie van Job (hh. 23 en 25*-26). Nu is het wel zo, dat volgens de opschriften van de Hebreeuwse tekst in hoofdstuk 24 Job aan het woord is (zie 23:1) en in hoofdstuk 25 Bildad (zie 25:1). Verderop (in ‘De structuur van de hymne”) hoop ik echter uit te leggen dat het opschrift van de hoofdstukken 25 en 26 op een zeker moment een hoofdstuk naar voren moet zijn opgeschoven.

Evenals de eerste is dus ook de tweede gespreksronde opgebouwd uit elf gedichten; en deze tellen samen weer precies 2/0 versregels. Er zijn aanwijzingen dat de tweede gespreksronde vooral een concentrische opbouw heeft, waarbij het betoog van Sofar (h. 20) en Jobs antwoord (h. 21) in het epicentrum van een uitbarsting van poëzie staan. De betreffende betogen worden dan geflankeerd door die van Elifaz en Bildad en door Jobs antwoorden daarop; structuur D (Elifaz), E (Bildad), F (Sofar), D’ (Elifaz), E’ (Bildad). Het laatste antwoord van Job aan Bildad (hh. 25*-26) vormt een duidelijke afsluiting van de tweede gespreksronde. Het is een opmerkelijke lofprijzing, waarin de scheppingsmacht van God wordt bezongen. En precies deze hymne bevat de sleutel tot het verstaan van het boek Job als geheel.

Ik neem aan dat er onmiddellijk na de tweede gespreksronde nog een paar dichtregels volgden waarin God en Job een direct contact met elkaar hebben. We vinden ze nu in hoofdstuk 40:1-5 (NBG 39:34-38). Deze passage correspondeert in de opbouw van het dichtwerk met de vervloeking van Jobs geboortedag in hoofdstuk 3. De Eeuwige spreekt Job hier aan als degene die ‘God aanklaagt’ (40:2 [39:35]). De verschillende betekenisnuances van het Hebreeuwse werkwoord ‘aanklagen’ kunnen in een vertaling niet allemaal tot hun recht komen, maar het betreffende werkwoord treffen we verder alleen aan in de mond van Job (b.v. in 6:25-26 en 23:4 en 7, en Elihu), en niet meer in zijn betogen van de hoofdstukken 2731. Dat is een belangrijk argument om deze versregels hier een plaats te geven.

Excurs: het getal elf en de structuur van de eerste gespreksrondes

Het getal elf lijkt in deze gespreksronden een bijzondere functie te vervullen. Beide cycli omvatten elf gedichten. Bij nadere beschouwing is er wat dat betreft nog meer aan de hand. Het middelste gedicht van cyclus I wordt gevormd door het antwoord van Job aan Bildad (h. 9). In deze gespreksronde heeft alleen dit gedicht een concentrische opbouw: de middelste stanza met twaalf versregels (vv. 13-24) wordt omsloten door stanza’s van elf versregels (vv. 2-12 en 25-35; structuur 11.12.11). Stanza’s van elf versregels komen in de eerste gespreksronde niet elders voor. Het betoog van Sofar in hoofdstuk 20 vormt het middelste gedicht van de tweede cyclus. De middelste stanza van dit gedicht (vv. 12-19) telt een veelvoud van precies elf woorden, namelijk 55 woorden. De vraag komt op welke retorische betekenis we moeten toekennen aan het getal elf.

De derde gespreksronde (hh. 27-31 en 38-41) en 42:1-6

De reeds omvangrijke compositie van de twee gespreksrondes moet bij een latere dichter toch een onbevredigend gevoel hebben achtergelaten. Het moet hem vooral hebben gestoord dat God zelf daarin niet echt aan het woord komt, terwijl Job Hem wel regelmatig uitdaagt. En ook het antwoord op de probleemstelling, verpakt in de slothymne van de tweede gespreksronde (hh. 25*-26), vroeg kennelijk om een bredere uitwerking. Zo kon het gebeuren dat er nog een derde gespreksronde aan het reeds indrukwekkende dichtwerk werd toegevoegd. Anders dan in de twee voorafgaande gespreksronden neemt Job nu zelf als eerste het woord. Hij doet dit in twee grote betogen, die onmiddellijk achter elkaar zijn geplaatst (hh. 27-28 en 29-31). Het eerste betoog is opgebouwd uit twee en het tweede uit drie gedichten. De hoofdstukindeling geeft goed de scheiding aan tussen de gedichten. Deze twee betogen van Job corresponderen met twee betogen waarin God ten slotte zelf het woord neemt en zich tot Job richt met een beschrijving van zijn grootheid en macht, hh. 38-41. Het eerste van deze twee betogen is weer opgebouwd uit twee gedichten (38:2-38 en 38:39-39:30 [38:2-38 en 39:1-33]).

De ‘latere’ dichter heeft geprobeerd zijn toevoeging zo onopvallend mogelijk te laten aansluiten bij het reeds bestaande dichtwerk. En ook deze gespreksronde omvat precies 2/0 versregels. Deze cyclus telt nu echter geen elf, maar slechts acht gedichten.

De dichter van deze cyclus heeft het poëtische hoofddeel van het boek Job afgesloten met een kort gedicht van Job zelf (42:2-6). Dit gedicht correspondeert nu binnen de opbouw van het gehele dichtwerk met de verwensing van Job in hoofdstuk 3 (vgl.‘De tweede gespreksronde’).

Elihu (hh. 32-37)

Het feit dat ook de acht gedichten van de hoofdstukken 27-31 en 38-41:26 – evenals de gedichten van de eerste en de tweede gespreksronde – samen precies 270 versregels tellen, is opnieuw een aanwijzing voor de al lang bestaande veronderstelling dat de redevoeringen van Elihu in de hoofdstukken 32-37 de aansluiting tussen het slot van Job 31 en het begin van Job 38 onderbreken. Deze hoofdstukken worden daarom meestal als een secundaire invoeging opgevat. Een duidelijke aanwijzing voor de juistheid van deze veronderstelling is het feit, dat de persoon van Elihu niet wordt geïntroduceerd in 2:11, en zelfs niet naast Elifaz, Bildad en Sofar wordt genoemd in de epiloog (42:7-9).

De raamvertelling

Men neemt meestal aan dat de raamvertelling oorspronkelijk een oud volksverhaal was over een algemeen bekende rechtvaardige uit een ver verleden. In Ezechiël 14:14 en 20 wordt Job in één adem genoemd met rechtvaardigen uit de oertijd, zoals Noach en Daniël. Noach is de man uit de oergeschiedenis van het boek Genesis. Hij bouwde de ark en werd wegens zijn rechtvaardigheid uit de zondvloed gered (Gen. 6-9). En ook Daniël moet voor de eerste lezers van het boek Job reeds een half-mythologische figuur zijn geweest. Deze Daniël niet identiek zijn met de Daniël die volgens het bekende bijbelboek in de leeuwenkuil terecht kwam. Hij moet geïdentificeerd worden met de Dani-ilu die we sinds het midden van de twintigste eeuw kennen uit de alfabetische spijkerschriftteksten van de stad (ongeveer 1400 v. Chr., de tijd van de aartsvaders). Naast deze grootheden staat Job. En deze drie mannen zijn volgens Ezechiël een toonbeeld van ‘rechtvaardigheid’. Deze karakterisering past ook heel goed bij het beeld dat de raamvertelling van de hoofdpersoon schetst.

Een van de belangrijkste zinsneden om ons boek te begrijpen staat onmiddellijk aan het begin van de vertelling. Het zijn de woorden waarmee Job wordt gekarakteriseerd: ‘integer en oprecht, godvrezend en het kwade vermijdend’ (Job 1:1). Deze woorden keren in de raamvertelling nog tweemaal terug. Ze spelen een belangrijke rol in het hemelse gesprek tussen God en de satan (1:8 en 2:3). De herhaling wijst er reeds op, dat we met een aantal sleutelwoorden te doen hebben.

Deze rechtvaardige Job wordt overigens voorgesteld als een ‘buitenlander’; hij woonde in het land Us. De Bijbel brengt dit land meestal in verband met , een gebied ten zuiden van Israël (zie b.v. Klaagl. 4:21). Ook zijn vrienden Elifaz, Bildad en Sofar worden als buitenlanders voorgesteld. Wanneer we afgaan op de naam van de vriend Elifaz worden we weer in de richting van het land gewezen (Gen. 3 6:4). Hij wordt ook consequent geïntroduceerd als de man uit het land Teman. En Teman is in Jeremia 49:7 ongeveer identiek met . Deze tekst leert ons verder dat het land was van de grote ‘wijzen’ (zie ook Ob. 8-9). Het boek Job moet dan ook uitgelegd worden in het brede kader van de wijsheidsliteratuur. Het onderwerp van gesprek is immers ook internationaal van karakter.

Deze man Job nu had zeven zonen en drie dochters. Verder wordt hij beschreven als een groot herdersvorst. Wat dat laatste betreft doet hij denken aan de aartsvaders, Abraham, Isaak en Jakob. Hij was de rijkste man van het Oosten. God tevreden zijn met zo’n dienaar. En dat is Hij ook! Maar in de hemel suggereert de satan tegenover de Eeuwige, dat er een verband bestaat tussen Jobs rechtvaardigheid en zijn voorspoed. Daarop krijgt hij de vrije hand om Job al zijn kinderen en rijkdom te ontnemen. Wanneer hij echter van zijn kinderen en bezittingen is beroofd, spreekt Job de gedenkwaardige woorden:

‘Naakt ben ik gekomen uit de schoot van mijn moeder

en naakt keer ik daarheen terug.

De Eeuwige gaf en de Eeuwige nam:

de naam van de Eeuwige zij geloofd.’ (1:21)

En ook wanneer Job zelf geheel met zweren is bedekt, blijft hij vasthouden aan zijn rechtvaardigheid en komt er geen onvertogen woord over zijn lippen. De satan is in dit verhaalde grote verliezer. En we zouden nu onmiddellijk verder kunnen lezen in hoofdstuk 42:1017, waar Job in ere wordt hersteld, zijn bezit dubbel en dwars terug krijgt en opnieuw mag genieten van zeven zonen en drie dochters.

Binnen dit oude volksverhaal is dan het grote dichtwerk van de hoofdstukken 3-42:6 ingeschoven. Men neemt meestal aan dat dit dichtwerk is ontstaan tussen ongeveer 500 en 300 voor Christus. Een meer precieze datering onmogelijk worden gegeven. Dat we hier met een latere invoeging te doen hebben is bij nader inzien ook duidelijk. Vanaf hoofdstuk 3 hebben we plotseling niet meer te doen met een berustende Job, maar juist met iemand die het niet over zich heen laat gaan dat God hem zo onheus behandelt, met een opstandige Job. Er is ook een verschuiving opgetreden in de probleemstelling. In de eerste twee hoofdstukken discussieerden God en de satan in de hemel over de vraag of een aards schepsel wel belangeloos vroom en oprecht zijn. Vanaf hoofdstuk 3 strijden Job en zijn vrienden op aarde over de vraag hoe het zit met de rechtvaardigheid van God in de hemel. Was de blik eerst van boven naar beneden gericht, vanaf hoofdstuk 3 is de blikrichting juist tegengesteld en kijken we van de aarde naar de hemel.

God en de macht van de onderwereld in job 3 en in de eerste gespreksronde

In het grote dichtwerk van de hoofdstukken 3-42:6 wordt de vraag naar de oorzaak van het lijden van de rechtvaardige zeer concreet en beeldend onder woorden gebracht. We zullen ons hier afvragen of het boek Job een antwoord op deze vraag geeft; en zo ja, hoe dit antwoord er dan uitziet. Slechts een bepaalde hoofdlijn hier worden nagelopen. Ik ga er vanuit dat de oplossing van het hier gestelde probleem ten nauwste samenhangt met het juiste inzicht in de structuur van het dichtwerk in zijn geheel en in zijn onderdelen. In deze paragraaf volgen we de lijn die als een van de meest centrale thema’s in de betogen van Job door de gehele eerste gespreksronde loopt. In de volgende paragraaf zullen we zien dat het betreffende thema in de tweede gespreksronde tot een eerste, voorlopige afronding komt. In de laatste paragraaf wil ik de gedachtengang van de derde gespreksronde nader analyseren en de samenhang met de thematiek van de eerste twee gespreksronden kort toelichten.

Theologisch uitgangspunt

een goed begrip te krijgen van het probleem waar Job vanaf hoofdstuk 3 mee worstelt, moeten we ons rekenschap geven van zijn theologische vooronderstelling. Deze komt kort gezegd hier op neer, dat de rechtvaardige in dit leven voorspoed heeft en gezegend wordt en dat de schuldige op aarde een roemloos einde vindt. Het is de probleemloze redenering van de theologie van de eerste psalm:

‘Want de Eeuwige kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de schuldigen vergaat.’ (Ps. 1:6)

Dat is echter niet alleen het uitgangspunt van Job. De drie vrienden, die hem in zijn ellende komen troosten, zijn het op dit punt helemaal met hem eens. En dat levert juist de conflictstof op tussen Job aan de ene kant en Elifaz, Bildad en Sofar aan de andere kant. Opgrond van deze theologie concluderen de drie vrienden dat Job op enigerlei wijze moet hebben gezondigd. Zij raden hem daarom aan zich als schuldige voor God te vernederen en zijn zonde te belijden. Wanneer hij zich zo tegenover God opstelt, zal deze hem zeker genadig zijn en in zijn eer herstellen. Aan deze theologie niet worden getornd: het probleem moet bij Job worden gezocht.

Job daarentegen betuigt voortdurend dat hij onschuldig is. Hij blijft ondanks alle goedbedoelde raadgevingen vasthouden aan zijn rechtvaardigheid. Mocht hij al een zonde hebben bedreven, dan staat de ellende die hem is overkomen daarmee in geen verhouding. En ook Job blijft vasthouden aan de theologie van Psalm 1. Daarom zoekt hij het probleem bij God! Hij slingert zijn beschuldigingen naar de hemel. Hoe God de wereld zo dwaas besturen? Wat heeft Hij eraan om zijn nietige schepsel zo te treiteren? Het bewonderenswaardige van Job is nu dat hij nooit op lijkt te geven. Hij houdt niet op de hemel met zijn vragen te bestormen. Hij niet accepteren dat hij zal afdalen in het dodenrijk zonder dat God zijn rechtvaardigheid en vroomheid heeft erkend en bevestigd. De dreiging van de dood en de beschrijving van het dodenrijk zijn dan ook een steeds terugkerend thema in de betogen van Job. Dat begint al in de vervloeking van zijn geboortedag.

Hoofdstuk 3: rust in de onderwereld

Zoals reeds uiteengezet worden de eerste twee gespreksronden ingeleid door de intense vervloeking die Job uitspreekt over zijn geboortedag (h. 3). Een belangrijk thema in deze verwensing is Jobs beschrijving van het leven in het dodenrijk. Het gedicht is opgebouwd uit drie hoofddelen, stanza’s (vv. 3-10, 11-19, 20-26). In de eerste stanza vinden we de eigenlijke vervloeking van zijn geboorte (vv. 3-10). Het begin van de tweede en derde stanza wordt onder andere gekenmerkt door een anafoor; deze hoofddelen beginnen beide namelijk met het vraagwoord ‘waarom?’ (vv. 11 en 20). In het tweede hoofddeel vraagt Job, waarom hij niet onmiddellijk na zijn geboorte is gestorven (vv. 11-19). En in het derde hoofddeel (vv. 20-26) vraagt hij zich af waarom God zijn moeitevolle leven, waarvan de dagen zich zinloos aaneenrijgen, zo lang rekt.

Stanza II (vv. 11-19) is bijna geheel gewijd aan een beschrijving van het dodenrijk. Job schildert het dodenrijk daar af als een aantrekkelijke plaats. Het is een plaats van ‘rust’ (vv. 13 en 17). Dat is het waar Job naar snakt. Het woord ‘rust’ is een sleutelwoord in deze stanza en structureert ook het gehele gedicht (zie v. 26). Alleen de dood Job bevrijden van zijn moeitevol lijden. In de afsluitende stanza (vv. 20-26) plaatst Job zijn eigen wens in een breder perspectief: iedereen die lijdt zou juichen wanneer hij mocht afdalen in het rijk van de doden (vv. 20-23). Maar God verhindert dat aan zijn lijdende stervelingen en houdt hen binnen zijn rijk van ‘licht’ (v. 20; zie ook v. 16). Wanneer het lijden van Job hier gesteld wordt in het perspectief van de lijdende mensheid in het algemeen, dan maakt de dichter van meet af aan duidelijk dat de persoon van Job bedoeld is als een model, een voorbeeld. Aan de hand van Jobs lijden het grote probleem van het onverdiende lijden van alle onschuldige stervelingen worden geïllustreerd.

De moderne lezer van dit gedicht moet zich nu goed realiseren, dat Job niet naar de dood verlangt omdat hij dan liefdevol bij God in de hemel zal zijn opgenomen. Het dodenrijk is volgens een algemene voorstelling van de Hebreeuwse Bijbel de plaats waar het machtsgebied van God ophoudt. Daar heerst de chaos nog (vgl. Jes. 38:18; Jona 2:5; Ps. 88:6). Het levenwordt in ons gedicht geassocieerd met ‘licht’, en de dood beschreven als een ‘verborgen schat’ (vv. 20-21). Deze metaforen berusten op de gedachte dat, zodra Job de grens van het dodenrijk is gepasseerd, God hem niet meer met zijn rampen achtervolgen. Het Hebreeuwse woord voor dodenrijk, sje’ool, wordt in hoofdstuk 3 overigens niet gebruikt. Eufemistisch spreekt de dichter over ‘daar’: ‘Daar eindigen de bozen hun krakeel, // daar rusten zij wier kracht is uitgeput’ (v. 17).

De voorstelling van het dodenrijk is dus een hoofdthema in het openingsgedicht van hoofdstuk de eerste gespreksronde keert het onderwerp van het dodenrijk regelmatig terug, nl. in die gedichten waarin Job zich rechtstreeks tot God richt; dat wil zeggen in de hoofdstukken 7, 10 en 14.

Hoofdstuk 7: geen God in de onderwereld

In het tweede gedicht van zijn antwoord aan Elifaz (h. 7) is het onderwerp van Jobs dreigende dood een hoofdthema van de compositie. Maar we komen het belang van deze thematiek slechts op het spoor via een literaire analyse. Ik geef het gedicht in zijn geheel zo in vertaling weer dat de opbouw in strofen en stanza’s zo duidelijk mogelijk tot uitdrukking komt.

1.1

(1)

heeft een mens geen zware dienst op aarde

en zijn zijn dagen niet als die van een loonslaaf?

(2)

(is hij niet) als een knecht, die naar schaduw snakt

en als een loonslaaf die op zijn betaling hoopt?

(3)

zo werden ook mij maanden vol teleurstelling toebedeeld

en nachten vol ellende kreeg ik uitgeteld.

(4)

als ik ga slapen dan denk ik:

wanneer zal ik opstaan en hij de avond hebben uitgemeten?

zo ben ik vol onrust tot de schemering.

1.2

(5)

overdekt is mijn lijf met wormen en korsten stof,

mijn huid springt open en ettert.

(6)

mijn dagen gaan sneller dan een weversspoel

en lopen ten einde zonder hoop.

(7)

bedenk, dat mijn leven een zucht is!

mijn oog zal het geluk niet meer zien.

(8)

het oog van wie mij ziet, zal mij niet meer aanschouwen;

uw ogen richten zich op mij en ik ben er niet meer.

II.1

(9)

een wolk trekt op en verdwijnt,

zo stijgt wie in de onderwereld afdaalt niet weer omhoog;

(10)

hij keert nooit meer terug naar zijn huis

en zijn woonplaats ontwaart hem nooit weer.

(11)

ook ik zal mijn mond niet houden;

ik wil spreken in de benauwdheid van mijn geest,

klagen in de bitterheid van mijn ziel.

(12)

ben ik de zee of het zeemonster

dat u me muilkorft?

II.2

(13)

wanneer ik denk: mijn bed zal mij troosten,

mijn slaap mijn klacht verlichten,

(14)

dan schrikt u mij op door dromen

en jaagt me in nachtmerries angst aan.

(15)

nu verkiest mijn ziel verstikking,

de dood boven deze kwellingen.

(16)

ik ben het moe, ik leef toch niet eeuwig;

laat me met rust want mijn dagen zijn een nevel!

III.1

(17)

wat is een mens, dat u hem zo belangrijk vindt

en dat u uw aandacht op hem richt;

(18)

en elke morgen op hem let,

ieder ogenblik hem toetst.

(19)

wanneer wendt u eindelijk uw blik van mij af,

laat u mij met rust, zodat ik mijn speeksel doorslikken?

III.2

(20)

als ik al zondigde, wat doe ik u daarmee aan,

bewaker van de mensen?

waarom maakt u me tot uw mikpunt

en ben ik u tot last?

(21)

en waarom vergeeft u mijn zonde niet

en laat u mijn fout niet passeren?

want straks lig ik onder het stof,

dan zoekt u mij en ik ben er niet meer.

Dit gedicht is opgebouwd uit drie hoofddelen, stanza’s (vv. 1-8, 9-16 en 17-21). De eerste twee stanza’s tellen elk acht versregels en de derde stanza met zeven versregels is iets korter. Elke stanza bestaat uit vier strofen, die twee aan twee een hogere eenheid vormen. De stanza’s vormen onderling een opvallend parallellisme. Zowel de ontwikkeling van de gedachten als het patroon van de woordherhalingen vertonen een kenmerkende lineaire samenhang: vv. 1-4.5-81 9-12.13-16I 17-19.20-21 a.b | a’.b’ | a”.b”. De eerste strofen van deze hoofddelen (vv. 1-2. 9-10 en 17-18) beschrijven steeds het lot van de mensheid in het algemeen. In deze strofen komen we ook expliciet het woord ‘mens’ tegen (vv. 1 en 17). In de eerste strofe van stanza II ontbreekt dit woord weliswaar, maar heeft de dichter het ook duidelijk over ieder mens (zie v. 9b). Vanuit dit brede perspectief (vgl. 3:20-23) komt Job inde volgende strofen dan onmiddellijk te spreken over zijn eigen lijden.

De kerngedachte van ons gedicht moet worden gezocht in de laatste strofe van de hoofddelen. Daar ligt meestal het thematische zwaartepunt van een compositie. Elk van de stanza’s wordt hier besloten met een strofe waarin Job zich direct tot God richt met de constatering dat hij de dood nabij is (vv. 7-8, 15-16, 21). Deze strofen worden weer gekenmerkt door opvallende woordherhalingen. Stanza I besluit met de woorden ‘en ik ben er niet meer’ (v. 8b). Dat zijn ook de laatste woorden van stanza III (v. 21d). In de verzen 7 en 16 maakt de dichter gebruik van het Hebreeuwse werkwoord ‘leven’ in combinatie met een verwijzing naar de eerste persoon. Opnieuw lezen we over Jobs doodsverlangen (vv. 15-16; vgl. 6:9). Het wordt nu echter duidelijk, dat dergelijke uitspraken niet als zijn uiteindelijke wens mogen worden opgevat (vgl. h. 3). In de verzen 7-8 en 21 functioneren de verwijzingen naar zijn aanstaande dood als een waarschuwing aan God. De tijd zal komen dat God tevergeefs naar zijn knecht zal zoeken om zijn zonden te vergeven. Job zal er dan niet meer zijn (v. 21). In die samenhang moeten ook de woorden van vers 8 worden uitgelegd: ‘uw ogen richten zich op mij, en ik ben er niet meer’. Dergelijke regels wijzen op de voorstelling dat zodra Job in de onderwereld is afgedaald hij buiten het bereik van Gods liefde en vergeving is gekomen.

HOOFDSTUK 10: GEEN LICHT IN DE ONDERWERELD

De gedachte dat God niet in staat is om in het dodenrijk door te dringen met zijn levenwekkende kracht is een voorstelling die we ook in hoofdstuk 10 aantreffen, het tweede gedicht van Jobs antwoord aan Bildad. Na een inleidende strofe (vv. 1-2) is het gedicht opgebouwd uit twee stanza’s met elk tien versregels (vv. 3-12 en 13-22). In stanza I stelt Job de vraag waarom God zijn eigen schepsel te gronde richt (vv. 3-12). Tegen het einde van stanza II komt weer het thema van het dodenrijk ter sprake. Het is opnieuw Jobs wens om dood te zijn (vv. 18-19; vgl. 3:11). Maar ten slotte vraagt hij aan God om hem met rust te laten, voordat hij in het dodenrijk afdaalt (vv. 20-22). In vers 22 wordt die plaats beschreven als ‘het land van diepe duisternis’, en het land ‘dat schijnt als duisternis’. Het werkwoord ‘schijnen’ heeft in het kader van het gedicht als geheel een structurerende functie. Het komt alleen voor in het derde colon van vers 3 (‘en over de raad van de schuldigen schijnt U’) en in het derde colon van vers 22 (over het land ‘dat schijnt als duisternis’). Het werkwoord ‘schijnen’ vormt zo een inclusie rond de beide hoofddelen (vv. 3-12 en 13-22). We moeten vers 22 uitleggen tegen de achtergrond van vers 3 c, de paradoxale vaststelling dat God zijn licht laat schijnen over het leven van de schuldigen. Job beweert dan in de slotregel van vers 22 dat God niet in staat is om met zijn licht door te dringen in het rijk van de doden (vgl. 3:20-21).

In de laatste 3-regelige strofe van ons gedicht (vv. 20-22) wordt ook veel nadruk gelegd op het feit dat er geen weg terug is uit de sje’ool. In de middelste versregel (v. 21) zegt Job: ‘voordat ik ga en niet terugkeer // naar het land van diepe duisternis’.

Hoofdstuk 14: geen hoop voor een mens in de onderwereld

De metafoor ‘het pad/land zonder terugkeer’ als aanduiding voor het dodenrijk treffen we ook aan in het Akkadische gedicht over de ‘afdaling van Isjtar in de onderwereld’. Deze algemeen menselijke voorstelling van de weg met eenrichtingsverkeer vormt een van dehoofdthema’s van het laatste hoofdstuk van de eerste gespreksronde, het derde gedicht van Jobs antwoord aan Sofar (h. 14).

In deze compositie wordt de voorstelling van het dodenrijk als een plaats die niet toegankelijk is voor God tot in haar laatste consequenties doordacht. Er zijn twee stanza’s met respectievelijk twaalf en tien versregels (vv. 1-12 en 13-22). In vers 13 wordt de sje’ool expliciet beschreven als een plaats waar Job veilig zou zijn voor Gods toorn. Het dodenrijk wordt daar gezien als een ‘schuilplaats’ (vgl. 3:16). Een van de hoofdgedachten van het gedicht is echter dat de dood het definitieve, onomkeerbare einde van een mens betekent, niet alleen van Job, maar van de mensheid in het algemeen. Deze gedachte komt weer naar voren in de laatste strofen van de beide hoofddelen, de verzen 7-12 en 18-22. Het is juist dit idee dat stervelingen tot vertwijfeling brengt en uiterst wanhopig maakt. Het woord ‘hoop’ (Hebreeuws: tiqwa) is in dit verband één van de sleutelwoorden. Het verbindt het eerste colon van vers 7 (‘want voor een boom is er hoop’ ; namelijk wanneer hij is omgehakt) met het laatste colon van vers 19 (‘en de hoop van een mens doet U vergaan’). De betreffende cola brengen binnen het gedicht als geheel een scherpe tegenstelling onder woorden en formuleren zo een van de centrale thema’s van het laatste hoofdstuk van de eerste gespreksronde: er is voor de mensheid in het algemeen geen hoop in de onderwereld.

Dat we hier een centrale gedachte van hoofdstuk 14 op het spoor zijn, blijkt ook uit de vorm van het gedicht. Het uitzichtloze bestaan in de onderwereld wordt namelijk eveneens onder woorden gebracht in de beide middelste cola: ‘en de mensen leggen zich neer zonder op te staan // vóór het vergaan van de hemel ontwaken zij niet’ (v. 12a-b). Deze zinnen worden aan beide zijden omsloten door 24 cola. En deze 24 (= 2 x 12) cola tellen 84 (= 7 x 12) woorden! Het is in dit stadium van het wetenschappelijk onderzoek nog moeilijk te zeggen wat hier de betekenis van het getal twaalf zou kunnen zijn.

Ik heb getracht duidelijk te maken, dat de wanhoop van Job gebaseerd is op de voorstelling van de onderwereld als een godverlaten plaats, een gebied waar God niet in staat is zijn invloed voelbaar te maken. De structuur van de gedichten gaf aanleiding tot de veronderstelling dat we hier met een hoofdthema uit de eerste gespreksronde (hh. 4-14) te doen hebben.

God en zijn strijd tegen de onderwereld in de tweede gespreksronde

In de tweede gespreksronde van de discussie tussen Job en zijn vrienden (hh. 15-26) komt het thema van de dood en de onderwereld niet meer zo regelmatig ter sprake als in cyclus I, maar wel op structureel gezien bijzonder markante plaatsen. We komen het thema nog tweemaal tegen, en wel aan het begin en aan het einde van deze concentrisch geordende gespreksronde (zie eerder bij ‘De tweede gespreksronde’). Het is weer Job zelf die het onderwerp ter sprake brengt; en hij doet dat in zijn tweede antwoord aan Elifaz (hh. 16-17) en in zijn derde antwoord aan Bildad (hh. 25*-26).

Hoofdstuk 16-17: geen hoop voor Job in de onderwereld

De beide hoofdstukken van Jobs tweede antwoord aan Elifaz (hh. 16-17) vormen samen één

groot, volledig gedicht. Na een inleiding van twee 3-regelige strofen (vv. 2-6) is deze compositie opgebouwd uit twee stanza’s met elk zestien versregels (16:7-22 en h. 17). Het onderwerp van de sje’ool komt weer ter sprake aan het einde van de stanza’s. Er worden over dit onderwerp echter geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Stanza I eindigt met de voorstelling van de dood als een onomkeerbaar gegeven: ‘en ik zal de weg gaan zonder terugkeer’ (16:22). In de beide laatste 2-regelige strofen van de tweede stanza (17:13-16) wordt de onderwereld beschreven als een gebied waar het ‘licht’ (van God) niet doordringen (17:13). Evenals in hoofdstuk 14 speelt ook hier het woord ‘hoop’ een belangrijke rol (17:13 en 15 [tweemaal]). De sje’ool is een plaats waar geen hoop is voor Job. Zo komt er een koppeling, concatenatie, tot stand tussen het slot van de eerste en het begin van de tweede gespreksronde! Tegelijkertijd is er ook een duidelijke ontwikkeling in de gedachtengang. Terwijl hoofdstuk 14 het lot van de mensheid in het algemeen beschrijft, is het perspectief in hoofdstuk 16-17 verengd tot dat van Jobs eigen lot. Ook voor Job is het dodenrijk een godverlaten plaats.

Hoofdstuk 25-26: God strijdt voor de heelheid van de schepping

Na zijn tweede antwoord aan Elifaz (hh. 16-17) nemen de beschrijvingen van de sje’ool in de meeste van Jobs betogen geen belangrijke plaats meer in. Ook de vrienden laten het onderwerp weer rusten. In het laatste gedicht van de tweede gespreksronde echter, Jobs derde antwoord aan Bildad (hh. 25*-26), komt het onderwerp van het dodenrijk opnieuw ter sprake. Zowel de context waarin het thema nu is geplaatst als de theologische visie op het thema zijn zeer opmerkelijk. een goed beeld te krijgen van de retorische opbouw van dit belangrijke gedicht geef ik het eerst in een vertaling weer.

I

(2)

heerschappij en verschrikking zijn bij hem,

hij schept vrede in zijn hemelsferen.

(3)

men zijn troepen tellen

en tegen wie staat zijn licht niet op?

(4)

hoe is een mens dan rechtvaardig bij God

en hoe kan het kind van een vrouw rein zijn?

(5)

zie, zelfs de maan, zij schijnt niet helder

en de sterren, ze zijn niet rein in zijn ogen,

(6)

hoeveel te minder een mens, een made,

een mensenkind, een worm.

(2)

hoe schonk je hulp aan de krachteloze,

steunde je de machteloze arm!

(3)

hoe schafte je raad aan wie wijsheid mist

en bood talrijke oplossingen aan!

(4)

met wiens hulp sprak je die woorden

en wiens adem ging van jou uit?

II

(5)

de schimmen winden zich in wee

onder het water en zijn bewoners.

(6)

naakt is de sje’ool voor hem

en geen bedekking heeft het land van ondergang.

(7)

hij spant het noorden uit over de leegte,

hij hangt de aarde over wat-niet-is.

(8)

hij sluit het water op in zijn wolken

zonder dat het wolkendek eronder scheurt.

(9)

hij bedekt de aanblik van zijn troon

door er zijn wolkendek over uit te spreiden.

(10)

hij trekt de kring van de horizon over het watervlak,

waar licht en duisternis aan elkaar grenzen.

(11)

de zuilen van de hemel wankelen

en raken ontzet door zijn dreigen.

(12)

door zijn kracht splijt hij de zee

en door zijn inzicht verplettert hij Rahab.

(13)

door zijn wind klaart de hemel op,

zijn hand doorboort de slang op zijn vlucht.

III

(14)

kijk, dit is nog maar een eerste indruk van zijn kunnen

en we vangen er slechts een glimp van op;

de donder dan van zijn geweld, wie heeft er inzicht in?

Volgens de opschriften van de Hebreeuwse tekst is hoofdstuk 26 Jobs antwoord op het korte betoog van Bildad in hoofdstuk 25. Veel uitleggers hebben echter al opgemerkt, dat deze twee hoofdstukken elk een fragment zijn van een en hetzelfde gedicht. De hymnische elementen die we er aantreffen, waarin Gods scheppende macht en heerschappij wordt bezongen, wijzen op een samenhangend geheel. Men legt dit gedicht vervolgens in de mond van Bildad, omdat de positieve toon van de hymnische passages niet zou passen bij het gebruik dat Job elders van de lofprijzing maakt. De strofe 26:2-4, over de schrale troost die werd geboden, past echter geheel niet in de mond van Bildad. Daarom licht men deze passage uit de compositie. Maar dat is een ontoelaatbare ingreep. Wanneer we de opbouw van dit gedicht wat beter bekijken, zien we dat 26:2-4 een structureel onmisbaar element vormt in de samenhang tussen de hoofddelen.

De structuur van de hymne

Het loflied als geheel bestaat uit twee bijna even lange stanza’s van respectievelijk acht en negen versregels (25:2-26:4 en 26:5-13). Deze stanza’s worden afgesloten door een min of meer opzichzelfstaande versregel die als een samenvattende terugblik fungeert (26:14). De eerste stanza contrasteert Gods overweldigende grootheid met de nietigheid en zwakheid van een mens. Deze stanza wordt geheel gedomineerd door vraagzinnen (n.b. 25:3.4 en 26:4). Dergelijke zinnen ontbreken geheel in stanza II. Deze stanza is geheel gewijd aan eenlofprijzing op God als de schepper van de wereld. De afsluitende versregel (26:14) bevat weer een vraagzin.

Er is nu een opvallende lineaire samenhang tussen de drie strofen waaruit deze stanza’s zijn opgebouwd; structuur a.b.c | a’.b’.c’. De eerste strofe van stanza I (25:2-3) beschrijft Gods vreeswekkende heerschappij in de hoge hemel (‘hemelsferen’), waar de sterren (‘troepen’) en de zon (‘licht’) de werktuigen zijn om deze macht te handhaven. Met deze thematiek correspondeert de inhoud van de eerste strofe van stanza II (26:5-7). Zoals de hemelsferen door God worden gecontroleerd, zo wordt ook de onderwereld overweldigd door zijn vreeswekkende aanwezigheid. Deze corresponderende strofen beschrijven dus Gods heerschappij in de boven- en benedenaardse regionen.

De tweede strofe van stanza I (25:4-6) bevestigt de nietigheid van een mens. Hij wordt geïdentificeerd met een ‘made’ en een ‘worm’ (25:6). Zo’n schepsel is nooit onschuldig en zuiver tegenover de machtige God. De specifieke betekenis van de tweede strofe van stanza II (26:8-10) niet worden begrepen zonder de relatie met de parallelle strofe van stanza I in het oog te houden. De essentie van deze lofprijzing staat in de middelste versregel van de strofe: er is een wolk die Gods troon verbergt (v. 9). De strofe beklemtoont zo Gods transcendente heiligheid tegen de achtergrond van de menselijke nietigheid (25:4-6). De wolk bedekt Gods aanwezigheid om Zijn gezicht te verbergen voor onreine schepsels (vgl. Ex. 19:9; 24:16; Deut. 5:22).

De laatste strofen van de stanza’s (26:2-4 en 11-13) vormen een antithetisch parallellisme. Zo wordt deze lofprijzing op een karakteristieke manier afgesloten. Het zinloze gepraat van de vrienden, dat in 26:2-4 ironisch wordt beschreven, laat een mens ten slotte in uiterste wanhoop ongetroost achter, zonder kracht en wijsheid. Anderzijds schept Gods onderwerping van de monsters van de oerchaos – de godheden Zee, Rahab en Slang – orde in de wereld (26:11-13). Dat we hier met een door de dichter bedoeld (antithetisch) parallellisme te doen hebben, wordt verder bewezen door een klein cluster van corresponderende woorden. Het woord ‘kracht’ vinden we in dit gedicht alleen in 26:2 (letterlijk ‘zonder kracht’) en 26:12. In de tweede versregel van de betreffende strofen komen we het parallellisme tussen ‘wijsheid’ (26:3) en ‘inzicht’ (26:12) tegen. Vergelijking van de derde versregels levert het parallellisme tussen ‘adem’ (26:4) en ‘wind’ (26:13) op.

Deze analyse toont aan, dat 26:2-4 een structureel onmisbaar element vormt in het gedicht van de hoofdstukken 25-26. Het is dan ook uitgesloten dat we hier te doen hebben met een hymne van Bildad. In 26:2-4 wordt de ‘troost’ van de vrienden afgewezen. Deze woorden passen slechts in de mond van Job. Het opschrift van hoofdstuk 26, ‘en Job antwoordde en zei’, hoort dus boven hoofdstuk 25. En het opschrift dat we in de Hebreeuwse tekst boven hoofdstuk 25 aantreffen, ‘en Bildad uit Suach antwoordde en zei’, past vervolgens beter boven hoofdstuk 24.

De hymne als afsluiting van de tweede gespreksronde

De centrale gedachte van de lofprijzing in hoofdstuk 25-26 moet nu naar mijn mening gezocht worden in de eerste strofen van de stanza’s (25:2-3 en 26:5-7) en vooral in de eerste strofe van stanza II. In de middelste versregel van deze strofe (v. 6) spreekt Job uit, dat het dodenrijk voor God open ligt. Het eerste colon van deze regel, ‘naakt is de sje’ool voor hem’ (v. 6a), is ook het middelste colon van het gedicht en wordt aan beide zijden omsloten door18 cola. Dat het rijk van de dood voor God vrij toegankelijk is, mag dus ook op grond van de vorm gezien worden als een centrale gedachte. Binnen het retorische raamwerk van de compositie wil dat zeggen, dat Gods ‘licht’ (zie 25:3) ook zal doordringen in het gebied dat Job ziet als zijn aanstaande verblijfplaats. Het tweede colon van 25:3 luidt letterlijk: ‘tegen wie staat zijn licht niet op?’ Het gaat hier reeds over een strijd tegen de machten van de duisternis. In deze lofprijzing op Gods scheppingsmacht concludeert Job, dat de strijd van God tegen de machten van de chaos (26:11-13) niet eindigt bij de poorten van de onderwereld; vgl. Psalm 139:8 en 12.

Het is misschien niet toevallig dat deze hymne precies 136 woorden telt. Het getal 136 is een achtvoud van 17. En zoals in ons land door Labuschagne wordt bepleit, representeert het getal zeventien de godsnaam JHWH(1M+5+6+5 = 17). Ook op die manier heeft de dichter dan tot uitdrukking willen brengen dat de gehele kosmos, de onderwereld incluis, het stempel van de Eeuwige draagt.

In het kader van een thematische hoofdlijn die we in de gespreksronden tussen Job en zijn vrienden hebben gevolgd, zijn we ten slotte gestoten op een zeer opmerkelijke uitspraak. Job had de onderwereld steeds beschreven als een plaats buiten het machtsbereik van God. Maar in deze lofprijzing beweert hij dat Gods licht ook in de onderwereld doordringt. Dat staat in grote tegenstelling tot zijn eerdere beschrijving van het dodenrijk als ‘het land van diepe duisternis’ (10:21). Deze gedachte is geen algemene bevestiging van Gods grootheid. Ook is het niet zo dat deze conclusie Job beangstigt. Het inzicht van deze lofprijzing moet worden opgevat als de troostende gedachte waarmee Job – overtuigd van zijn rechtvaardigheid – de dood aanvaarden.

God en de beheersing van de chaos in de derde gespreksronde (hh. 27-31 en 38-41)

Het opschrift van hoofdstuk 27 geeft reeds aan, dat er een geheel nieuwe gespreksronde begint. In de voorafgaande cycli luiden de opschriften, die de betogen van Job inleiden als volgt: ‘en Job antwoordde en zei’ (zie b.v. 23:1). Hoofdstuk 27 begint nu met de woorden: ‘en Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei’. Dit opschrift heeft betrekking op de twee gedichten van de hoofdstukken 27 en 28.

Ik wil nu laten zien dat de betreffende hoofdstukken ook een bepaalde ontwikkeling van gedachten vertonen die hen als derde gespreksronde kenmerkt.

Hoofdstuk 27: Jobs eindafrekening met zijn vrienden

Het openingsgedicht van de derde gespreksronde (Job 27) is weer opgebouwd uit twee stanza’s (27:2-13 en 14-23). Deze stanza’s eindigen met een strofe die spreekt over de ‘hand’ van God (27:11 en 22). Stanza I bestaat uit vier 3-regelige strofen. In de eerste twee strofen (vv. 24 en 5-7) betuigt Job met grote nadruk zijn onschuld tegenover de vrienden. Uit de volgende twee strofen (vv. 8-10 en 11-13) blijkt dat hij het hopeloze lot van de boosdoeners heel goed kent. De laatste versregel van deze strofen (‘dit is het lot van de schuldige mens bij God’, v. 13a) correspondeert met de laatste versregel van de beide voorafgaande strofen (‘dat mijn vijand moge zijn als de schuldige’, v. 7a). Zo opent Job de definitieve aanval op zijn eerdere gesprekspartners, Elifaz, Bildad en Sofar. Zij zijn de ‘vijand’ en worden op grond van destructuur van stanza I op één lijn gesteld met de ‘schuldigen’. De tweede stanza (vv. 14-23) bevat vervolgens een uitvoerige beschrijving van het roemloze einde van de schuldigen.

Wanneer we deze aanval op zijn vrienden vergelijken met de woorden die Job in cyclus III aan hen wijdde dan constateren we een toegenomen agressie. In de eerste twee gespreksronden verwierp Job alleen de raadgevingen van zijn vrienden. Daarin had hij zich ook helemaal gedistantieerd van hun theologie met betrekking tot het lot van de schuldigen; zie vooral hoofdstuk het centrum van de tweede gespreksronde. In hoofdstuk 27 gaat hij over tot een persoonlijke aanval; zijn vroegere gesprekspartners worden nu ‘vijanden’ genoemd en ‘schuldigen’. Zo worden ze voorgoed buiten spel gezet: zij zullen het lot van de schuldigen ondergaan, zoals stanza II dat beschrijft.

De dichter van de derde gespreksronde heeft nog een ander retorisch middel gebruikt om duidelijk te maken dat hoofdstuk 27 een nieuwe fase in de discussierondes inluidt. De tweede strofe van het gedicht bevat namelijk een toespeling op de raamvertelling aan het begin van het boek Job. De woorden ‘totdat ik sterf zal ik niet afwijken van mijn integriteit, ik houd vast aan mijn oprechtheid en zal niet toegeven’ (27:5b-6a) zijn een echo van ‘hij houdt nog vast aan zijn integriteit’ (2:3) en ‘houd je nog vast aan je integriteit?’ (2:9). De integriteit van Job vormt een zeer belangrijk thema van ons boek. Maar het wordt alleen in 27:5-6 zo geformuleerd, dat er een toespeling ontstaat op enkele kernzinnen uit de raamvertelling. Zoals we zullen zien bevat ook het volgende gedicht van Job zo’n theologisch betekenisvolle toespeling op het begin.

Hoofdstuk 28: Jobs vertwijfeling

In hoofdstuk 28 zijn de vroegere vrienden definitief afgeschreven. Maar kon Job zich in de eerste twee gespreksrondes binnen één betoog zowel tot zijn vrienden als tot God richten, de Job van cyclus III lijkt minder flexibel. De dichter van de derde cyclus heeft gekozen voor een zeer lange aanloop naar de confrontatie met Jobs hemelse tegenstander. Zo blijft Job voorlopig alleen achter. Het volgende gedicht (h. 28) heeft dan ook geen expliciete gespreks-richting. Men zou het een monoloog kunnen noemen. De functie van dit gedicht in de voortgang van de gedachten is echter zeer omstreden. Men heeft hierin wel een meditatie van een in zichzelf gekeerde Job willen lezen. Hij zou zich dan neerleggen bij het feit dat de wijsheid om zijn leed te verklaren voor stervelingen onbereikbaar is. Deze uitleg is niet alleen onbevredigend, maar ook onjuist.

Na een inleiding van vier versregels (vv. 1-4) valt het gedicht van Job 28 uiteen in drie stanza’s die elk precies acht versregels tellen (vv. 5-12, 13-20 en 21-28). In deze hoofddelen wordt uiteengezet dat de mensen weliswaar in staat zijn om allerlei verborgen schatten uit de aarde op te diepen, maar dat zij nog nooit de plaats van de wijsheid hebben ontdekt. Het refrein, dat de stanza’s van verzen 5-12 en 13-20 afsluit laat zien dat Job wanhopig op zoek is naar die verborgen plek. In vers 12 luidt dit refrein:

‘en de wijsheid, waar wordt zij gevonden

en waar toch is de plaats van het inzicht?’ (v. 12)

In vers 20 wordt het eerste colon enigszins gevarieerd: ‘en de wijsheid, vanwaar komt zij…?’ Door de herhaalde vragen ‘waar… en waar?’ krijgt de klacht van dit refrein de vorm van eenlitanie. Het gedicht is daarom zeker geen ‘berustende meditatie’ en nog minder een ‘loflied’ op de wijsheid. De stanza van verzen 13-20 wordt ook geheel beheerst door de ontkenning ‘niet’ (‘niet kent een mens haar weg’, v. 13 enz.). Deze negaties zijn typerend voor de toonzetting van het gehele gedicht.

Ook de laatste versregel (v. 28) moet als een onderdeel van het refrein worden gelezen. Daarin keren opnieuw de twee belangrijke woorden ‘wijsheid’ en ‘inzicht’ terug. Deze laatste versregel nu vormt de sleutel tot het verstaan van het gedicht als geheel. De regel luidt:

‘maar tot de mens zei Hij:
zie, de vreze des Heren dat is wijsheid
en vermijden van het kwaad is inzicht.’ (v. 28)

Op het eerste gezicht is dit een berustende uiting van Jobs vroomheid. Maar wanneer we deze slotregel lezen in de context van het boek Job als geheel, dan beseffen we dat de uitspraak een dubbele bodem moet hebben. We mogen gerust stellen dat ook hier ‘het venijn in de staart zit’. De betreffende woorden zijn een expliciete verwijzing naar de raamvertelling in hoofdstuk 1-2 (vgl. boven over h. 27!). Zoals we hebben gezien wordt Job daar beschreven als een man ‘integer en oprecht, godvrezend en het kwade vermijdend’ (1:1, 1:8, 2:3). Een dergelijke echo van deze omschrijving komt niet elders in het boek Job voor. In hoofdstuk 28 klinken deze woorden echter geheel anders dan in de raamvertelling. Daar hoorden we ze o.a. uit de mond van God, die tegenover de satan met enige trots over zijn vrome dienaar sprak. Maar nu moet Job, die aan zijn rechtvaardigheid blijft vasthouden (27:5-6), teleurgesteld concluderen dat een dergelijke levenshouding hem niets heeft opgeleverd. De ‘vreze des Heren’ biedt geen garantie voor duurzaam geluk. Job heeft niet de wijsheid en het inzicht gekregen om de crisis in zijn leven te begrijpen! Het slotrefrein is daarom indirect een aanklacht tegen God. Job blijft zonder meer voor het onopgeloste raadsel van zijn stukgelopen leven staan. Maar hij geeft zich niet gewonnen. Hij blijft zoeken naar een antwoord. Het gedicht vormt een zinvolle voorbereiding op de volgende hoofdstukken, waar Job zijn probleem opnieuw breed uitmeet.

Hoofdstuk 29-31: hernieuwde uiteenzetting van het probleem

Het tweede betoog van Job (hh. 29-31), dat in deze gespreksronde onmiddellijk volgt op het eerste (hh. 27-28), wordt met dezelfde woorden ingeleid: ‘en Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei’ (29:1). Het bestaat nu uit drie gedichten waarvan de omvang weer precies wordt aangegeven door de hoofdstukindeling. Deze gedichten vertonen een logische samenhang. Elk gedicht verwoordt een element van de probleemstelling die het gehele boek Job beheerst. Hoofdstuk 29 beschrijft Jobs vroegere voorspoed. Het contrast vinden we in hoofdstuk 30. Dat is een uiteenzetting van zijn tegenwoordige ellende. En in hoofdstuk 31 bezweert Job nogmaals uitgebreid dat hij geheel onschuldig is. Het eerste gedicht van dit betoog, hoofdstuk 29, sluit in die zin goed aan bij het voorafgaande gedicht (h. 28), omdat het ook gelezen worden als een monoloog. De volgende gedichten hebben echter een gespreksrichting. In 30:20-23 wordt God aangesproken in de tweede persoon. En 31:35-37 zijn een oproep van Job aan zijn hemelse tegenstander om met hem voor de rechtbank te verschijnen:

‘O, was er maar iemand die mij hoorde!
Hier mijn ondertekening – de Almachtige moge mij antwoorden –
en het boek geschreven door mijn tegenstander.’ (31:35)

Hoofdstuk 38-41: het antwoord van de Eeuwige

En nu blijft zijn aandringen niet onbeantwoord. Het betoog dat onmiddellijk na hoofdstuk 31 gelezen moet worden – de betogen van Elihu zijn een secundaire invoeging (zie eerder bij ‘Elihu’) – bevat een lange reactie uit de hemel. Het maakte op het eerste gezicht misschien een verdachte indruk: twee lange redevoeringen van dezelfde persoon, Job, zonder onderbreking van een tegenstander (hh. 27-28 en 29-31). Maar de twee betogen van Job corresponderen met twee betogen gesproken door God zelf (hh. 38-39 [38:1-39:33] en 40:641:26 [hh. 40-41]). En zoals de twee betogen van Job worden ingeleid door een gelijkluidend opschrift, zo ook de beide antwoorden van God. Dit opschrift luidt: ‘en de Eeuwige antwoordde Job uit een storm en zei’ (40:6 [40:1]).

Het eerste antwoord van God bestaat uit twee gedichten. Het eerste gedicht handelt over de onbezielde natuur, de geheimen van de schepping van de wereld, van de duisternis en het licht, van de sterrenstelsels (38:2-38); het tweede gedicht gaat over een deel van het dierenrijk (38:39-39:30 [39:1-33]). Het tweede antwoord van God beslaat in de Hebreeuwse tekst weliswaar twee hoofdstukken, maar deze vormen samen slechts één groot gedicht (40:7-41:26 [40:2-41:25]). Dit antwoord heeft als thema oorlog en strijd. De hoofdgedachte wordt het meest expliciet geformuleerd in de inleidende stanza (40:7-14 [40:2-9]). Daarin roept God zijn knecht op om het gevecht aan te gaan met zijn tegenstanders, in de eerste plaats met God zelf, en vervolgens met de schuldigen.

God en de dieren in hoofdstuk 38:39-39:30 (39:1-33)

De betekenis van de antwoorden van de Eeuwige in de context van het boek Job is zeer omstreden. Volgens sommige onderzoekers maken deze gedichten slechts duidelijk dat er geen antwoord op de vragen van Job bestaat. Andere exegeten stellen vast dat de objectief beschrijvende natuurgedichten op deze plaats totaal irrelevant zijn. Zij kunnen een gewond hart niet genezen. De psycholoog Jung vond deze antwoorden zelfs amoreel. De soms vernietigende oordelen over de slothoofdstukken van ons boek doen bij nader inzien echter geen recht aan hun rijke betekenis. Maar deze komt men alleen op het spoor wanneer hun literaire opbouw en Oudoosterse achtergrond in rekening worden gebracht. Ik wil dat aan de hand van het tweede gedicht uit het eerste antwoord van God (38:39-39:30 [39:1-33]) duidelijk maken.

Structuur en thematiek

Het tweede gedicht van Gods eerste antwoord aan Job is opgebouwd uit twee ongeveer even lange hoofddelen, stanza’s, van respectievelijk vijftien en dertien versregels (38:3939:12 [39:1-15] en 39:13-25 [39:16-28]). Het gedicht wordt afgesloten door een samenvattende stanza van vijf versregels (39:26-30 [39:29-33]). De grote hoofddelen behandelen elk twee verschillende onderwerpen, die onderling een lineair parallellisme vormen. Het woordgebruik van stanza III verwijst naar de eerste ‘helft’ van stanza I en II. De structuur van dit gedicht daarom schematisch als volgt worden voorgesteld: A.B | A’.B’ | A”.

De structuur van het gedicht over de dieren

A

(stanza I.1)

de zorg voor de jongen van de leeuwin en de raaf (38:39-41 [39:1-3])

de zorg voor de jongen van de steenbokken en de hinden (39:1-4 [39:4-7])

B

(stanza I.2)

de vrijheidsdrang van de wilde ezel (39:5-8 [39:8-11])

de vrijheidsdrang van de oeros (39:9-12 [39:12-15])

A’

(stanza II.1)

de zorg voor de jongen van de struisvogel (39:13-18 [39:16-21])

B’

(stanza II.2)

de oorlogsdrift van het paard (39:19-25 [39:22-28])

A”

(stanza III)

samenvatting: over de valk en de gier (39:26-30 [39:29-33])

Stanza I begint met een beschrijving van de omstandigheden waaronder jonge dieren als leeuwen, raven en steenbokken in het wild opgroeien (38:39-39:4 [39:1-7]). Hiermee correspondeert de eerste helft van stanza II, waar het dwaze en zorgeloze gedrag van de struisvogel met betrekking tot haar eieren en jongen wordt beschreven (39:13-18 [39:16-21]). De betreffende perikopen willen duidelijk maken, dat het ten slotte Gods zorg voor deze hulpeloze dieren is waardoor zij overleven. De tweede helft van stanza I bezingt de ontembare drang naar vrijheid van respectievelijk de wilde ezel en de oeros (39:5-12 [39:8-15]). Met deze thematiek correspondeert de schildering van de ongebonden oorlogsdrift van het paard aan het einde van stanza II (39:19-25 [39:22-28]). De samenvattende afsluiting van dit gedicht (stanza III) spreekt in omgekeerde volgorde eerst over de bewegingsvrijheid van de roofvogels (39:26-28 [39:29-31]) en vervolgens over de zorg van deze vogels voor hunjongen (39:29-30 [39:32-33]). Wanneer de laatste stanza spreekt over roofvogels, wordt het gedicht door een thematische inclusie afgerond. Er komt zo een verwijzing tot stand naar de eerste strofe van het gedicht, waar roofdieren als de leeuw en de raaf worden opgevoerd.

Ook een analyse van de woordherhalingen toont een opvallend lineair parallellisme aan tussen de drie stanza’s van het gedicht. De meeste van deze woordherhalingen vindt men aan het begin van de grote hoofddelen (stanza I.1 en stanza en in de afsluitende stanza III (deze als het begin van een ‘incompleet’ hoofddeel worden opgevat), dus in de A-delen van het gedicht (vgl. figuur boven). Enkele van deze woordherhalingen wil ik hier noemen; de betreffende woorden komen niet elders in het gedicht voor! Men moet er echter op verdacht zijn dat een goed leesbare vertaling soms geen recht doen aan onderstaande stijlfiguur.

Patroon van woordherhalingen op macroniveau

stanza I.1 (A)

‘jagen’ (38:39.41 [39:1.3]; zie stanza III),

‘en de dieren’ (38:39 [39:1]; zie stanza

‘voedsel’ (38:41 [39:3]; zie stanza III),

‘rots’ (39:1 [39:4]; zie stanza III),

‘zonen’ (39:4 [39:7]; zie stanza II.1)

stanza II.1 (A’)

‘vleugel’ (39:13 [39:16]; zie stanza III),

‘valk’ (39:13 [39:16]; zie stanza III),

‘en de dieren’ (39:15 [39:18]; zie stanza

‘zonen’ (39:16 [39:19]; zie stanza

‘inzicht’ (39:17 [39:20]; vgl. ook ‘wijsheid’ in 39:17 [39:20]; zie stanza III),

‘hoog zijn’ (39:18 [39:21]; zie stanza III).

stanza III (A”)

‘inzicht’ (39:26 [39:29]; zie stanza

‘valk’ (39:26 [39:29]; zie stanza

‘vleugel’ (39:26 [39:29]; zie stanza

‘hoog zijn’ (39:27 [39:30]; zie stanza

‘rots’ (39:28 [39:31]; zie stanza

‘jagen’ (39:28 [39:31]; zie stanza

‘voedsel’ (39:29 [39:32]; zie stanza

De hier genoemde woorden vormen een indrukwekkend cluster van responsies. Ik neem daarom aan dat we hier met een literaire techniek van doen hebben die mede structuur verleent aan het gedicht.

Oudoosterse achtergrond

Om tot een beter verstaan te komen van de functie van dit gedicht in het kader van de vraagstelling van het boek Job laat ik me voor een deel leiden door een studie van Othmar Keel (zie literatuurlijst). Deze onderzoeker vraagt zich onder andere af waarom nu juist deze dieren hier bij elkaar zijn geplaatst. Het niet gaan om een verzameling van dieren die men in de Oudoosterse wereld erg bewonderde. Het zijn meestal ook geen gevaarlijke dieren. Keel vermoedt dat we hier te doen hebben met een reeks vertegenwoordigers van die akelige dieren, die volgens Oudoosterse beschrijvingen – samen met allerlei soorten van demonen – bezit nemen van verwoeste steden en landstreken. De profeten van de Hebreeuwse Bijbel geven van deze natuurlijke dreiging ook prachtige beschrijvingen (zie bijvoorbeeld Jes. 13:19-22; 34:9-15; Jer. 50:39-40; Sef. 2:13-15). In zijn annalen pocht de Assyrische koning Assurbanipal (ongeveer 650 v. Chr.) als volgt op zijn overwinningen: ‘In dertig dagen onderwierp ik het gehele land . Het rumoer van mensen, de tred van runderen en schapen, vrolijk feestgedruis verwijderde ik van hun velden. Wilde ezels, gazellen, de dieren van het veld, zovele als er voorkomen, liet ik daar verblijven.’ Een deel van het dierenrijk wordt hier beschreven als een bedreiging voor het cultuurland, als een ‘tegenwereld’, die men het liefst buiten de deur houdt. In een tijd waarin het Wereld Natuurfonds nog het een en ander tracht te redden, deze voorstelling van zaken onwerkelijk overkomen.

Bestudering van de Oudoosterse iconografie maakt volgens Keel duidelijk, dat juist deze gedachtenwereld gemeengoed was in het oude Nabije Oosten. Zeer beroemd zijn de talrijke jachttaferelen uit het paleis van Assurbanipal in Ninevé. Op deze reliëfs is de jacht afgebeeld op leeuwen, , gazellen en wilde ezels. Maar ook van de talrijke rolzegels, die bij opgravingen aan het licht zijn gekomen, is op dit punt veel te leren. Een rolzegel is eenklein cylindertje van twee tot acht centimeter hoog en ongeveer een centimeter doorsnee. Zo’n rolzegel werd gemaakt van basalt, jaspis of leem. Uitgerold over natte, zachte klei gaf het een zegelafdruk in de vorm van een rechthoekige afbeelding. Deze cylinderzegels waren sinds zeer oude tijden in Mesopotamië in gebruik. Ze leveren dikwijls een afbeelding op van een held die door twee dieren wordt geflankeerd. Dat kunnen leeuwen zijn, steenbokken, herten, wilde ezels, oerossen, wilde stieren, struisvogels, roofvogels; kortom bijna alle dieren die in ons gedicht worden genoemd, zijn ook in deze rolzegels uitgesneden. Het is verder niet onbelangrijk dat de centrale persoon tussen de dieren dikwijls wordt afgebeeld met vier vleugels. Dit duidt erop dat we hem moeten zien als een goddelijk wezen. Deze centrale figuur – en dat is opvallend – wordt nu eens voorgesteld als een ‘beschermer’ en dan weer als een ‘temmer’ van deze dieren. Wanneer hij de dieren vastgrijpt in hun nek of bij hun poten dan wordt zijn fysieke overwicht beklemtoond. Het komt ook voor dat hij de beesten laat eten van een levensboom of weghoudt van een aanvallende leeuw. Zo wordt zijn beschermende en verzorgende kant tot uitdrukking gebracht. Maar steeds is hij ‘heer en meester’ van de hem omringende dieren.

Afdruk van een rolzegel

Betekenis

In het licht van deze voorstellingen moet nu ook ons gedicht over de dieren worden gelezen. De retorische vragen, zoals ‘wie verschaft de raaf zijn jachtbuit?’ (38:41 [39:3]), willen niet de onmacht van Job beklemtonen, maar vooral de heerschappij van God duidelijk maken over een door de mensen als vreemd en vijandig ervaren wereld. Deze heerschappij komt hier op twee manieren tot uitdrukking. In de eerste plaats door het feit dat de Eeuwige voor de betreffende dieren zorgt. Zoals we hebben gezien komt dit aspect vooral naar voren aan het begin van de hoofddelen (stanza I.1 en In de passage over de struisvogel (39:1318 [39:16-21]) wordt Job ook niet op zijn onmacht aangesproken. De gehele perikoop bevat geen enkele retorische vraag. Een ander aspect van God als heerser over de dieren komt naar voren in de passages over de ontembare driften van de wilde ezel, de oeros en het paard (39:512 en 19-25 [39:8-15 en 22-28]). God bewijst zich hier als meerdere omdat Hij hen de drang tot ongebondenheid heeft gegeven. Zo maakt de dichter met al deze beschrijvingen duidelijk dat de wereld, die door de mensen soms als chaotisch en anarchistisch wordt ervaren, als een ‘tegenwereld’, door de Eeuwige toch onder controle wordt gehouden.

Deze overtuiging komt in het gedicht ook op een kwantitatieve manier tot uitdrukking. We tellen hier in de eerste plaats 33 versregels; en 33 is een veelvoud van elf. Het getal elf speelde ook een rol in de opbouw van de eerste en de tweede gespreksronde (zie eerder bij ‘Het getal elf en de structuur van de eerste gespreksronde’). Veelzeggend is echter vooral dat de 33 versregels zijn opgebouwd uit totaal 68 cola (38:41 [39:3] en 39:25 [39:28] zijn tricola); en 68 is een viervoud van het getal 17. Verder telt deze compositie precies 238 woorden; en ook 23 8 is een veelvoud van 17 (14 x 17=238). Zoals ik naar aanleiding van hoofdstuk 25-26 naar voren bracht, veronderstelt men wel dat het getal 17 de godsnaam JHWHrepresenteert. Door de naam van de Eeuwige in te weven in zijn werk heeft de dichter zijn boodschap een extra dimensie meegegeven.

Zo wordt aan het einde van de derde gespreksronde Gods heerschappij over de chaos breeduit bezongen. Het loflied is een expliciete uitwerking van de korte hymne die de tweede cyclus afsloot (hh. 25-26). Daarin werd herinnerd aan Gods overwinning van de monsters van de oerchaos (26:11-13). De dichter van de derde cyclus heeft het thema op zijn eigen wijze genuanceerd en breed uitgewerkt. Kon hij vermoeden dat er vele generaties later nog stervelingen zouden zijn die – geïnspireerd door zijn gedichten – de moed opvatten om na te denken over de (nog) onvolmaakte schepping?

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken