Moed om te rouwen
Ze deed de gordijnen niet meer open. Haar vrouw was die week begraven. Midden in hun actieve en liefdevolle leven was zij zomaar gestorven. Een hartinfarct. Er was niets voor haar te doen geweest. Iedereen had er machteloos omheen gestaan toen zij haar vrouw, haar dode vrouw, in haar armen had genomen en het had uitgeschreeuwd.
Ze begrepen het wel, de buren. Ze lieten haar. De eerste week. De tweede week. Maar daarna begon de onrust. En de grote bezorgdheid. ‘Je moet toch verder?’, opperde een lieve vriend. Maar ze kon niet verder. Haar vrouw was haar motor. Zij was het schip. Ze dreef nog wel, maar ze voer niet meer. Hoe zou zij verder kunnen? Zonder haar grote liefde?
Dagen werden weken, weken werden maanden. Buren zetten soep voor haar klaar. Haalden de soep bijna niet aangeroerd weer weg. Ze nodigden hun buurvrouw uit. Ze zei dat ze komen zou, ze kwam niet. En ze liet de gordijnen dicht.
Mag het ook slecht gaan?
‘Er is zelfwaarde nodig’, schrijft Huub Buijssen in zijn boek De vijf talen van troost. Zelfwaarde om het leven op te pakken na groot verlies. En dat is waar. Je moet op de een of andere manier ervan overtuigd zijn dat je het waard bent om verder te leven. Dat het mag. En dat het kan. Dat jij het kunt.
Maar er is net zo goed eigenwaarde nodig om te kunnen rouwen. Dat je je terugtrekt. En afzondert. Dat je jezelf tijd geeft waarin die tijd geen geldingskracht heeft. Waarom wordt er aan rouwenden zo getrokken? Waarom zouden ze direct door moeten? Waarom vraagt men hoe het met je gaat, in de hoop dat je zult zeggen: goed? Waarom moet het vandaag beter gaan dan gisteren? Kan er ook gewoon zijn wat er is? Mag het ook slecht gaan?
Je meest geliefde mens is dood. Dat is een totale ramp; dat kan een totale ramp zijn. Je mist je geliefde niet zomaar, je hele leven is verdwenen. De zin ervan. Het doel, de dragende grond. Je valt en valt en valt. Mag het?
Afdalen in de kluwen van vragen
Je bent sterk wanneer je jezelf de rouw gunt, tegen de druk in om weer zo snel mogelijk mee te doen. Ook dan ben je sterk.
De eigenwaarde kan aangetast zijn. Door wat je ouders vroeger tegen je zeiden: ‘Jij? Nee, dat kan jij toch niet. Dat is niet voor jou. Eerst grote mensen, dan jij.’ Ze zeiden het met de beste bedoelingen. Ze maakten je klein. Soms is het maar één woord, één moment. Soms namen je ouders te veel van je schouders af. Boodschap: hier heb jij de kracht niet voor, doen wij voor je. Eigenwaarde kan aangetast zijn, doordat je jezelf te veel vergat. Als je moest zorgen. Als je nodig was voor het gezinsinkomen, zo nodig dat je niet meer toekwam aan je emotionele wezen. Als godsdienst je te veel zei: God is alles. En jij dan?
Rouwen is misschien dit nog wel het meest: afdalen in de kluwen van vragen. Wie ben ik? Wie was ik toen ik haar nog niet kende? Wie ben ik, nu zij niet meer levend bij mij is? Wat is mijn waarde nu? Rouwen is jezelf bevechten op de aanvechting niets meer te willen.
Het was september. Het licht begon zachter te worden. De eerste bladeren kleurden aan de bomen. Ze schoof de gordijnen een stukje open. Ze kon het weer zien. Even.
Sybrand van Dijk is predikant van de protestantse gemeente te Roden-Roderwolde.