Joël
INLEIDING
I. Naam en schrijver
Evenals dat het geval is bij andere profetische geschriften, is het boekje Joël genoemd naar de profeet die er in aan het woord is. Hij wordt in het opschrift Joël, de zoon van Petuël genoemd. De naam Joël betekent ‘de HERE is God’, een betekenis die in omgekeerde vorm te vinden is in de naam Elia(hu), ‘mijn God is de HERE’. Ook één van Samuëls zonen heette Joël (1 Sam. 8:2). De vader van de profeet heette Petuël, een naam die verder in het Oude Testament niet voorkomt en die men daarom ten onrechte wel verandert in Betuël, zoals de vader van Rebekka heette. De naam Petuël betekent ‘de door God overrede’ of ‘de door God verleide’, volgens anderen ‘jonge man van God’. Omdat de naam Petuël verder niet voorkomt en de naam Joël een omkering is van Elia, denkt men wel dat Joël een soort schuilnaam is, waarbij de schrijver zich zou willen aandienen als voorbereider van de Dag des HEREN, een thema dat in het boek Joël een belangrijke plaats inneemt, en dat het verbindt met het boekje Maleachi, waarin Elia als voorloper van de grote en geduchte Dag des HEREN getekend wordt. Toch verdient de opvatting die Joël als eigennaam beschouwt waarschijnlijk de voorkeur, al vernemen wij geen enkele bijzonderheid over zijn persoon of plaats van herkomst.
II. Achtergrond
Uit het boek Joël blijkt dat de profeet werkzaam was aan de tempel van Jeruzalem als zogenaamde cultusprofeet, een profeet die ambtelijk verbonden was aan een heiligdom. De priesters, de dienaren van het altaar of dienaren des HEREN, nemen in zijn boekje een grote plaats in (1: 13; 2:17). De tempel (1:14; 2:17), cultische samenkomsten, ritueel vasten (1:14; 2:15) en offers (2:14) zijn voor de profeet bijzonder belangrijk. De kritische toon van een Amos of Jesaja ten opzichte van de tempel- en eredienst ontbreekt bij Joël geheel, al weet ook hij dat een uiterlijke boetedoening zonder bekering van het hart niet voldoende is (2:13).
Het tweede dat voor de situering van Joël belangrijk is, is het feit dat alles in het boek Joël zich afspeelt in Jeruzalem en de naaste omgeving, het rijkje Juda. Over de noordelijke stammen wordt met geen woord gerept. Dat valt temeer op omdat zowel het voorafgaande bijbelboek (Hosea) als het volgende (Arnos) juist afkomstig zijn van profeten die zich tot Noord-Israel richtten. Het derde wat uit het boekje duidelijk wordt, is dat Joël in zijn dagen een vreselijke plaag van sprinkhanen (1:413; 2:1-11) en droogte (1:17-20) heeft meegemaakt, waardoor al wat groeide op het land werd kaalgevreten en verdorde. Joël beleefde die plagen, met name die van de sprinkhanen, als een oordeel des HEREN en vooral als een teken van de tijd, een voorbode van het definitieve oordeel van de Dag des HEREN over het volk van God (1:15; 2:1, 11).
Tegelijk zijn sprinkhanen en droogte, plagen die zoveel leed en honger brengen, voor Joël een aanleiding om het volk op te roepen tot verootmoediging voor de HERE, tot een boetesamenkomst, waarin de HERE wordt aangeroepen om zijn volk te sparen (1:14; 2:17). De HERE heeft het gebed verhoord. Hij krijgt medelijden met zijn volk in nood (2:16), verdrijft de sprinkhanen (2:20) en belooft nieuwe vruchtbaarheid van het land, zodat er weer volop te eten en te drinken zal zijn (2:21-27). Wekte de sprinkhanenplaag bij Joël de verwachting dat de Dag des HEREN, Gods straffend ingrijpen in zijn volk, nabij was, Gods verhoring van het boetegebed heft de eenmaal gewekte verwachting van de Dag des HEREN niet op, maar geeft aan die verwachting wel een volkomen tegengestelde richting. De verwachting van die Dag is nu niet langer gevuld door de vrees voor Gods straffend oordeel maar door de belofte des HEREN die op die Dag verwerkelijkt zal worden voor zijn volk: de belofte van de uitstorting van Gods Geest en van het behoud voor allen die de naam des HEREN aanroepen (2: 28-32). Gods straffend ingrijpen dat tot de verwachting van de Dag des HEREN behoort, zal zich nu niet meer richten tegen Juda, het eigen volk van God, maar juist tegen de vijanden van dat volk (3:1-16). Voor zijn eigen volk zal de HERE weer op Sion wonen als de blijvende beschermer van zijn volk (3:17, 20 v), in een rijk waarin een uitzonderlijke vruchtbaarheid van het land Gods zegen over zijn volk zal manifesteren.
Zoals het boekje Joël in de Bijbel staat, is het waarschijnlijk een liturgie, waarmee in de tempel in Jeruzalem – na afloop van de gebeurtenissen – gevierd werd hoe de HERE het oordeel van een sprinkhanenplaag en de daarmee verbonden vrees voor de Dag des HEREN had afgewend op het boetegebed van zijn volk (2:18). In de terugblik wordt de periode van sprinkhanen en vrees geschilderd met woorden die de gebeurtenissen van toen actueel als een nog presente werkelijkheid voor de geest roepen.
III. Datering
De datering is één van de moeilijkste problemen van het boek Joël. Er is geen bijbelboek, waarbij de pogingen om het te dateren zo zeer uiteenlopen als bij Joël; ze variëren van een datering in de kinderjaren van koning Joas, toen de hogepriester Jojada het bewind voerde, dwz. in de 9e eeuw v.Chr. (2 Kon. 12) tot ver na de ballingschap, tot in de 2e eeuw v. Chr. Bij de pogingen het boekje te dateren wordt gewoonlijk een belangrijke plaats toegekend aan het argument dat van de leidslieden van Juda de priesters en de oudsten worden genoemd, maar nergens van de koning gewag wordt gemaakt. Degenen die Joël onder koning Joas dateren voeren aan dat Joas tijdens zijn minderjarigheid alleen in naam koning was, maar niet als zodanig fungeerde, terwijl toen juist de priesters onder leiding van de hogepriester Jojada zo’n grote rol speelden. De voorstanders van een datering in de tijd na de ballingschap grijpen datzelfde argument aan om er op te wijzen dat de Judeeërs in en na de ballingschap geen koning meer hadden; zij menen tevens dat ook de grote waardering voor het spijs- en plengoffer (1:9,13; 2:14) verklaard moet worden uit het ‘dagelijkse offer’ dat na de ballingschap belangrijk werd. Ook de argumenten dat Syriërs en Assyriërs ontbreken onder de in Joël genoemde vijanden van Juda (3:4) en dat Egypte en Edom in het bijzonder het oordeel aangezegd krijgen (3: 19) worden zowel voor de verdediging van de datering onder Joas als na de ballingschap aangevoerd. Dat Joël hier en daar woorden gebruikt, die slechts bij hem te vinden zijn of aramese invloed zouden verraden, wordt ten onrechte ook nogal eens genoemd als pleitend voor een postexilische herkomst. Nadat enkele tientallen jaren lang de datering na de ballingschap, meestal ca. 400 v.Chr., de overhand had, is de laatste jaren de keuze van verschillende exegeten verschoven naar de laatste jaren van Juda’s volksbestaan, vóór de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in 587/86 v.Chr. Het feit dat door Joël nergens de koning onder de leidslieden genoemd wordt, weegt voor de voorstanders van deze datering niet zwaar, omdat ook in Jes. 3:2-3 geen koning genoemd wordt, terwijl er ten tijde van Jesaja toch wel degelijk eèn koning was. Wel is het volgende belangrijk: uit het feit dat op Noord-Israel zelfs niet meer gezinspeeld wordt, blijkt dat het noordelijke rijk al is onderworpen, en dat Joël dus in elk geval na 722 v.Chr. (val van Samaria) moet zijn geschreven. Uit 3:17, waar gezegd wordt dat vreemden niet meer door Jeruzalem zullen trekken, is nader af te leiden dat er al een fase achter de rug is, waarin Jeruzalem door een vijandelijk volk bezet was. Daarbij ligt het voor de hand te denken aan 597 v.Chr., toen de Babyloniërs Jeruzalem binnentrokken en vele aanzienlijken, zoals koning Jojakin en de profeet Ezechiël, deporteerden, maar stad en tempel nog niet verwoestten zoals in 587/86 v.Chr., een feit dat een tempelprofeet als Joël met onvermeld zou hebben gelaten, indien het reeds gebeurd zou zijn. Vooralsnog lijkt het het meest aannemelijk voor deze datering tussen 597 en 587/ 86 v.Chr. te kiezen, al blijft er een mate van onzekerheid. Is deze datering juist, dan is Joël dus een tijdgenoot van Jeremia geweest, maar Joëls houding tegenover tempel en eredienst was dan wel een andere dan die van Jeremia (vgl. Jer. 7).
IV. Belangrijkste motieven
a. Het natuurlijke leven is in Gods hand
Hij zendt beproevingen als sprinkhanen en droogte (1:4-20), maar schenkt ook de vruchtbaarheid en overvloed (2:23-26).
b. Als tekenen der tijden gelden voor Joël een sprinkhanenplaag en grote droogte; ze zijn voor hem een waarschuwing dat het definitieve oordeel des HEREN aanstaande is.
c. De Dag des HEREN, eerst een aanduiding van het ingrijpen van de HERE in de geschiedenis van zijn volk om het met zijn strafgericht te treffen (1:15; 2:1, 11), later als aanduiding voor het toekomstige heil voor Gods volk (2:28-32) en voor het oordeel over Juda’s vijanden (3:48) wanneer de HERE als Rechter beslissend vonnis zal wijzen (3:12-17).
d. De waarde van offers en eredienst, met name cultische boetedoening, zij het dat zo’n boetedoening gepaard dient te gaan van een ‘scheuren van het hart’ (2:13).
e. De uitstorting van de Geest (2:28-32), een motief van het heil van de komende Dag des HEREN, dat Petrus vervuld zag op het Pinksterfeest in Jeruzalem (Hand. 2: 16-21).
ƒ. De HERE, die op Sion woont, is de beschermer van zijn volk (3:17, 21). Ieder die Hem aanroept zal behouden worden (2:32)..
Korte inhoud
HET OPSCHRIFT 1:1
SPRINKHANEN EN DROOGTE ALS VOORBODEN VAN DE DAG DES HEREN 1:2-20
Oproep tot luisteren 1:2-3 De sprinkhanen 1:4
Oproep tot jammeren, vasten en bidden 1:5-14
De Dag des HEREN is nabij 1:15
Een vreselijke droogte 1:16-20
DE SPRINKHANENPLAAG BRENGT EEN ALARM VOOR DE NABIJE DAG DES HEREN TEWEEG 2:1-17
Alarm voor de naderende Dag des HEREN 2:l-2a
Beschrijving van de plaag 2:2b-9
De onverdragelijke Dag des HEREN 2:10-11
Oproep tot bekering en boetedoening 2:12-17
HET ANTWOORD VAN DE HERE 2:18-32
De HERE belooft koren, most en olie 2:18-19
De HERE verdelgt de sprinkhanen 2:20-21
De HERE schenkt de leraar ter gerechtigheid en grotevruchtbaarheid 2:22-27
De Dag des HEREN als dag van heil 2:28-32; hebr. 3.T-5
HET GERICHT OVER DE VOLKEN EN ZEGEN VOOR JUDA 3:1-21; hebr. 4:1-21
Israels vijanden verzameld 3:1-3
De kinderen van de slavenhandelaren als slaaf verkocht 3:4-8
De beslissende strijd van de Dag des HEREN 3:9-16a
Behoud en zegen voor de kinderen van Israel 3:16b-18
Egypte en Edom een woestenij 3:19
Juda voor altijd onder Gods bescherming 3:20-21
VERKLARING
Het opschrift 1:1
De uitdrukking Het woord des HEREN dat kwam tot… typeert het boekje Joël als boodschap van de HERE. De formulering is gelijk aan die welke men aantreft in het geschrift van Hosea. De naam Joël (= ‘de HERE is God’) komt nogal eens voor in het Oude Testament, in 1 Sam. 8:2 (een zoon van Samuël), maar vooral in de naamlijsten van Kronieken, Ezra en Nehemia (bv. Ezra 10:43; Neh. 11:9). De naam Petuël van Joëls vader betekent ‘(jonge) man Gods’ of ‘door God overrede’, maar komt verder niet voor. Zie ook de Inl.
Sprinkhanen en droogte als voorboden van de Dag des HEREN 1:2-20
Oproep tot luisteren 1:2-3
Joël roept de oudsten en alle inwoners van het land (= Juda) op om naar zijn woorden te luisteren. De term oudsten kan zowel de oude generatie als de leidslieden van het volk op het oog hebben. Naast de ‘gewone bewoners’ zijn de ‘oudsten’ eerder in laatstgenoemde zin bedoeld. Met een retorische vraag (vs 2b) wil Joël zijn hoorders onder de indruk brengen van het feit dat er nog nooit in de geschiedenis zo’n vreselijke sprinkhanenplaag heeft plaats gevonden als die welke zij nu meemaken. Het gebeurt op soortgelijke wijze als waarmee de herinnering aan het unieke heilshandelen in Israels bevrijding uit Egypte in Deut. 4:32-34 onder de bijzondere aandacht van de Israëlieten werd gebracht. Vanwege het unieke van Gods ingrijpen moet (vs 3) de herinnering er aan worden levend gehouden van geslacht tot geslacht (drie volgende generaties worden genoemd), zoals dat ook moest gebeuren met de overleveringen van Gods heilshandelen (Ex. 12:26 v; Deut. 4:9; 6:6 v; enz.).
De sprinkhanen 1:4
Werd in vs 2 de plaag alleen vaag aangeduid met zo iets (eigenlijk ‘dit’), nu horen wij expliciet dat het gaat om een sprinkhanenplaag. Er komen in het Oude Testament tien verschillende woorden voor ‘sprinkhanen’ voor. Vier worden er door Joël (ook in 2:25) gebezigd. Hij bedoelt daarmee niet vier verschillende soorten of vier ontwikkelingsstadia (in 2:25 is de volgorde anders!) van sprinkhanen aan te geven. Hij gebruikt de vier woorden louter als synoniemen, al wil hij met elk van de namen misschien een bepaald aspect van de sprinkhanen belichten. De eerste naam, in het Hebreeuws gazam, typeert de sprinkhaan als ‘afsnijder’, het dier dat met zijn scherpe tandjes alles wat groen is afvreet, de tweede, ‘arbè, op het dier dat in grote zwermen (rab, ‘veel’) zijn verwoestend werk verricht, de derde, jèlèq, wordt óf in verband gebracht met een semitische stam die ‘elkaar verdringen’ betekent of met een andere stam, die ‘ontbladeren’ betekent; de laatste, chastl, duidt de sprinkhaan als ‘vernietiger’ of ‘kaalvreter’ (vgl. Deut. 28:38). Alle vier de benamingen doelen op de grote, trekkende woestijnsprinkhanen, die in enorme zwermen kunnen komen opzetten, met name in tijden van grote droogte (vgl. 1:1720) en die in korte tijd alles wat groen is, de gewassen op de akkers, de bladeren van de bomen en het gras volkomen verslinden. Zo tekent Joël in vs 4, waar de ene sprinkhaan verslindt wat de andere nog had overgelaten, in enkele regels de totale verwoesting die de sprinkhanenplaag had aangericht.
Oproep tot jammeren, vasten en bidden 1:5-14
Tijdens de plaag had de profeet verschillende groeperingen opgeroepen om te jammeren. ‘Jammeren’ is het woord dat telkens terugkeert en dat de perikoop beheerst (vgl. Jes. 23). Tot het jammeren en treuren omdat er geen nieuwe wijn meer zal komen daar de sprinkhanen de wijnstokken totaal met schors en al (vs 7) hebben af-gevreten, roept Joël een voor dit aspect van de plaag bijzonder adequate groep op: de lieden die een buitensporig gebruik van de wijn plachten te maken, de drinkebroers (vs 5) die hij zelfs nu met een ontwaakt uit hun roes moet wakker roepen. De wijn is voortaan van hun mond weggerukt (eigenlijk ‘afgesneden’, SV, vs 5), zodat het binnenkort uit zal zijn met hun slechte gewoonte. In vs 6 zijn de sprinkhanen geschilderd als een ontelbaar vijandelijk leger (vgl. 2:5 w), waarvan de wapens, de tanden, zo sterk zijn als die van leeuwen. Met die wapens hebben zij de wijnstruiken gemaakt tot een ‘desolate woestenij, waar men ontzet bij staat te kijken’ (al die aspecten zitten in het hebreeuwse woord sjamma) en de takken van de vijgebomen afgeknakt. Dat wijnstok en vijgeboom in de reeks van getroffen gewassen het eerst worden genoemd, is niet toevallig. Bij een sprinkhanenplaag plegen de dieren zich inderdaad het eerst op wijngaarden en vijgebomen te werpen. Wat zij dan achterlaten (is dat bedoeld met hisjlik, ‘wegwerpen’ in vs 7?) is de totaal afgeschilde wijnstok zelf en wat ontschorste en daarmee wit geworden ranken (vs 7). Met het vernietigen van wijnstok en vijgeboom zijn ook de symbolen van vrede en heil (1 Kon. 4:25; Mi. 4:4) uit Juda verdwenen.
Wie in vs 8 met de oproep in het vrouwelijk enkelvoud is aangesproken, blijft ons verborgen. Daar in de andere gevallen steeds tweemaal een oproep tot klagen staat, is het niet onmogelijk dat een deel van de tekst is weggeraakt. Misschien is de oproep gericht tot Sion, dat elders ook zelf maagd wordt genoemd. Hier wordt de aangesprokene vergeleken met een maagd, een jonge vrouw, die zich met een rouwgewaad, een geiteharen lenden-schort, moet omgorden, omdat zij de man van haar jeugd voortijdig door de dood verloren heeft, dwz. voordat het reeds door de mohar (de bruidsprijs) beklonken huwelijk was geëffectueerd. Zoals de maagd van de gemeenschap met haar man en daarmee van haar geluk werd beroofd, zo wordt Sion van haar heilsgemeenschap met de HERE beroofd, doordat de offers die de gemeenschap zichtbaar maken, zowel spijs- als plengoffers (vs 9), dwz. zowel offers van meelkoeken (Lev. 2) als die van wijn, aan het huis des HEREN zijn ontrukt (ook hier eigenlijk ‘afgesneden’, vgl. SV, een sleutelwoord in de perikoop, vgl. vs 5). Het grootste verdriet hebben daarvan de priesters die als dienaren des HEREN de offers op het altaar brachten en daaruit tevens hun inkomsten betrokken. Het materiaal dat voor genoemde offers nodig is, kan niet meer worden geleverd. Het koren (meel) is doorde sprinkhanen vernietigd (vs 10), de most (de jonge wijn) is verdroogd (of ‘stelt teleur’); het hebr. hobisj kan beide betekenen; in elk geval is het ook een sleutelwoord: vss 10, 11, 12, 17; de verse olijfolie is weggeslonken (eigenlijk ‘verwelkt’ zoals de vijgeboom in vs 12, vgl. Hos. 4:3).
De werkwoorden in vs , door SV en NBG ten onrechte als beschrijvingen van een toestand opgevat, dienen als oproepen te worden vertaald. Met landbouwers en wijngaardeniers wordt een nieuwe groep opgeroepen om te jammeren. Parallel met jammert staat nu eerst weest verslagen (eigenlijk ‘weest beschaamd’, hobisjoe, zie bij vs 10). Oorzaak van hun ellende is uiteraard dat hun middelen van bestaan zijn weggevallen; de oogst van tarwe en gerst is verloren gegaan, de wijnstok is verdord (of: ‘beschaamd’, vs 12, zie vs 10), de vijgeboom is verwelkt. Ook de andere vruchtbomen, granaatappelbomen, dadelpalmen, appelbomen zijn totaal verdord. Dat betekent uiteraard in de eerste plaats een ramp voor de agrariërs die van de opbrengst van het land en de boomgaarden in de meest directe zin moeten leven. Als velden boomvruchten geheel ontbreken, worden echter ook alle andere mensen de dupe. vandaar dat de blijdschap, als persoon voorgesteld, alle mensen in de steek heeft gelaten, ook hier weer: ‘beschaamd heeft’, zie vs de laatste plaats (vs 13) roept Joël de priesters op zich te omgorden (met rouwgewaden, zie vs 8), rouw te bedrijven (safad is het ‘zich op de borst slaan’ als teken van rouw) en te jammeren, en dan in hun rouwkleding de nacht door te brengen. De profeet noemt de priesters eerst dienaren van het altaar, en vervolgens dienaren van mijn God (dwz. de God in wiens dienst Joël staat als tempelprofeet). Reden van de oproep tot rouwen en jammerklacht is het voor de priesters zo belangrijke feit dat spijs- en plengoffers aan het huis van hun God (de God die zij als priesters dienen) zijn onthouden (vgl. vs 9). Het rouwen en jammeren van de priesters is geen doel in zichzelf, maar moet als voorbeeld dienen voor een openbare boetesamenkomst (vs 14) in het huis van de HERE, de tempel, waartoe de priesters de oudsten (dwz. de leidslieden) en de gewone bevolking moeten oproepen (SV). Op dezelfde wijze staan oudsten en bevolking in vs 2 naast elkaar als objecten van de oproep tot luisteren (vgl. 2:16). Daarom is het minder juist (met NBG) de oudsten hier als toegesprokenen op te vatten en alleen alle bewoners van het land als object van het bijeenbrengen (dat ‘en’ tussen ‘de oudsten’ en ‘de bewoners’ ontbreekt is voor onze opvatting geen bezwaar; het voegwoord ontbreekt wel vaker in het Hebreeuws). Evenals in vs 13 zijn ook in heel vs 14 de priesters toegesproken. Zij moeten niet alleen een vasten heiligen, d.w.z. een heilig, op God gericht vasten afkondigen en daartoe een plechtige samenkomst (eigenlijk een ‘staken van de arbeid’) uitroepen, maar ook daadwerkelijk alle lagen van de bevolking bijeenbrengen in de tempel om daar luide te roepen tot de HERE, uiteraard met het doel dat de HERE de ramp voor het volk zou doen ophouden.
De Dag des HEREN is nabij 1:15
Hoewel sommigen vss 15-20 opvatten als inhoud van het roepen tot de HERE, waartoe de priesters in vs 14 aan het slot worden opgeroepen, lijkt het waarschijnlijker vs15 te zien als vertolking van Joëls vrees dat de sprinkhanen als straf van de HERE (zo ervoer men zo’n plaag) en de aangerichte verwoesting (vss 10, 15b) voorboden waren van de nadering van de Dag des HEREN, waarop de HERE definitief zijn straffende hand tegen zijn volk zou “richten (vgl. Am. 5:18-20), de dag die zou komen als verwoesting van de Almachtige, zo met een hebreeuwse woordspeling tussen sjod, verwoesting, en sjadaj, de Godsnaam die vooral bij de patriarchen veel voorkomt (bv. Gen. 17:1; 28:3). Joëls vrees voor de nabije Dag des HEREN staat tussen het gejammer over de sprinkhanenplaag (vss 5-14) en de verzuchtingen over de gevolgen van een grote droogte (vss 16-20).
e. Een vreselijke droogte 1:16-20
Had Joël in vss 10 en 12 al gezinspeeld op de ramp van een grote droogte die met de sprinkhanenplaag gepaard ging en die mede alle blijdschap onder de mensen onmogelijk maakte, in vss 16 w valt op die droogte alle nadruk. Het verdwijnen van alle voedsel (vs 16) en daarmee van alle blijde dankbaarheid waarmee men de HERE om zijn goede gaven van het land in de tempel kwam loven en danken (vgl. bij Hos. 9:1), kan nog zowel aan de sprinkhanen als aan de droogte worden toegeschreven, maar in vs 17 vv worden uitsluitend de gevolgen van de verschrikkelijke droogte geschilderd. Daar drie van de vier woorden in de eerste regel van vs 17 verder niet voorkomen, is een vertaling slechts onder groot voorbehoud mogelijk. De vertaling van SV kan niet juist zijn: verrot graan past niet bij een droogte; verschrompeld zaad (NBG) kan op zichzelf wel, maar het hebr. woord betekent niet ‘zaadkorrels’, maar ‘het afgezonderde, het opzij gelegde’. Het begin van vs 17 moet dan iets betekenen als: de opzij gelegde voorraden zijn verschrompeld onder ‘hun deksels’ (?, zo volgens de Targum). Omdat er niets meer op te slaan viel (vs 17 slot), doordat het koren verdroogd was (of ‘teleurgesteld had’, zie bij vs 10), stonden de voorraadschuren er troosteloos verlaten bij (zo te vertalen eerder dan ‘verwoest’), en zaten de korenschuren (met SV; niet korenbakken, zoals NBG heeft) vol scheuren en reten, veroorzaakt door het trekken van het uitgedroogde hout en doordat de boeren ze niet gerepareerd hadden omdat zij de schuren toch niet nodig hadden. De vss 18 en 20 schilderen, hoe ook de dieren van de verschrikkelijke droogte te lijden hebben en zo in het oordeel over de mensen mee worden betrokken (vgl. Hos. 4: 3). De kudden runderen (vs 18) dolen kreunend rond, vergeefs zoekend naar weide, en zelfs schapen die zich anders zelfs in leven weten te houden met wat sprietjes die tussen stenen en in dorre gronden groeien, hebben nu zozeer te lijden (eigenlijk: ‘moeten boeten’). Tekende vs 18 het lot van het vee op de boerenbedrijven, vs 19 schildert dat van de dieren des velds, dwz. de in het wild levende dieren. Doordat overal de waterbeken zijn uitgedroogd en een vuur (dwz. de verzengende zon, vgl. Am. 7:4 v) de dreven van het steppeland heeft verteerd, ziet het wild, uitgeput door dorst en honger, smachtend op naar de HERE, de enige die voor hen zorgen kan. Voor de ‘waterbeken’ en het ‘smachten’ staan hier dezelfde woorden als bij het hert van Ps. 42:2. Tussen de beschrijving van het leed van de tamme en de in het wild levende dieren gaat de profeet zelf in vs 19 voor in het gebed voorde gemeente van Israel, met de korte en bekende woorden: Tot u, HERE, roep ik. De HERE is de enige die nog redden kan in de uiterst precaire situatie, nu een vuur en een vlam, beelden voor de verzengende zon, niet alleen de cultuurgronden (vss 7-12), maar ook de steppegron-den en de in het wild groeiende bomen volkomen hebben verteerd.
De sprinkhanenplaag brengt een alarm voor de naderende Dag des HEREN teweeg 2:1-17
Werden in 1:4-12 vooral de gevolgen van de sprinkhanenplaag in het licht gesteld, in deze perikoop staat de beschrijving van de sprinkhanenplaag zelf centraal (vss3-9), terwijl de omraming wordt gevormd door de vrees voor de Dag des HEREN, die door de sprinkhanenplaag werd opgeroepen (vss 1-2, 10-11). De soms voorgestane opvatting dat 2:1-11 de sprinkhanenplaag in de stad en 1:4-11 die op het platteland zou beschrijven, strandt op het feit dat in Joël 2 evenzeer van het platteland (vss 3, 5) als van de stad sprake is. De opvatting dat 2:1-11 een voorzegging zou zijn van de apocalyptische strijd van de eindtijd, is onjuist. Er is geen sprake van een strijdend leger, maar van sprinkhanen, die alleen met soldaten en met een leger worden vergeleken.
Alarm voor de naderende Dag des HEREN 2: 1-2a
Sprekend namens de HERE (er is in vs 1 sprake van ‘mijn’ heilige berg) geeft Joël aan ongenoemde personen bevel alarmstoten te geven op de ramshoorn, zoals dat bij plechtige feesten, maar vooral ook bij naderend gevaar moest gebeuren (Num. 10:9; Hos. 5:8; 8:1). Het gevaar is hier de beginnende sprinkhanenplaag, die door Joël wordt ervaren als voorteken van het naderen van een nog veel groter onheil: de Dag des HEREN. Dat de o/orwistoten moeten worden gegeven op de Sion – in het parallelle versdeel verklaard als op mijn heilige berg –wettigt het vermoeden dat de priesters (vgl. Num. 10:810) tot deze taak werden aangespoord.
Als de mensen horen dat de HERE weldra verschijnt om het met de Dag des HEREN aangeduide oordeel te voltrekken, kunnen zij niet anders doen dan sidderen. Joël tekent hier het onheil dat met die dag zal aanbreken precies als Arnos (5:18, 20) met het beeld van duisternis en donkere wolken (vs 20). Dat beeld kan bij Joël trouwens zijn opgeroepen door de enorme zwermen sprinkhanen die het zonlicht verdonkerden.
Beschrijving van de sprinkhanenplaag 2:2b-9
Het komen opzetten van zo’n ontelbare zwerm tekent Joël in het vervolg van vs 2, waar hij de sprinkhanen vergelijkt met de dageraad die over de bergen uitgespreid is. Waar het in de vergeliking op aan komt, is niet de roodgele glans op de vleugels van de sprinkhanen, maar de snelheid waarmee de sprinkhanen zich, precies als het morgenlicht, van de bergen uit over het hele land verspreiden. Dat deze sprinkhanenplaag alle andere in omvang en katastrofale gevolgen overtreft brengt de onvergelijkelijke aard van deze ramp opnieuw (vgl. 1:2) onder de aandacht. Vs 3 schildert de gevolgen van zo’n plaag op het platteland. Aan een sprinkhanenplaag gaat vooraf een periode van grote droogte, waarin een vuur, beeld voor de verzengende zon, al de nodige schade heeft aangericht. En als de sprinkhanen zijn weggetrokken gaat de verzengende werking van de zon nog voort als een laaiende vlam. Een landschap dat er voor de ramp van sprinkhanen en droogte nog paradijselijk fleurig en groen uitzag als de hof van Eden (Gen. 2:8) ziet erna uit als een woestenij om van te huiveren. De beelden van vuur en vlam hebben, zo gezien, duidelijk een ‘natuurlijke’ achtergrond, maar zijn in Israels traditie tegelijk motieven die een rol spelen bij Gods verschijnen ten gerichte (Ps. 50:3; 97:3), en zo ervoeren Joël en zijn tijdgenoten ook de sprinkhanenplaag. Daarom heet het ook nadrukkelijk dat aan dat oordeel niet valt te ontkomen (vgl. Am.5:19 voor het oordeel van de Dag des HEREN).
Vs 4 tekent de sprinkhanen zelf. Door de vorm van hun kop kan Joël ze vergelijken met paarden (vgl. het duitse ‘Heupferd’ voor ‘sprinkhaan’). Ook de snelheid waarmee ze kunnen rennen en springen, doet aan paarden denken. Als ze in de verte op de toppen van de bergen aankomen springen (vs 5) klinkt dat als het doffe geluid van rammelende karren. Wat dichter bij klinkt het als kaf dat knettert in het vuur. de aankomende zwerm is te vergelijken met een machtig vijandelijk volk, dat zich in slagorde heeft geschaard om de strijd te beginnen. De beschrijving speelt ook hier met motieven uit de schildering van de strijd bij de Dag des HEREN (Jes. 13:4 w). Ook het in vs 6 beschreven motief van het ineenkrimpen van angst (chil is meer dan ‘beven’) heeft zowel betrekking op de sprinkhanenplaag als op de vrees dat het uiteindelijke oordeel des HEREN ermee verbonden is (vgl. Jes. 13:8). Parallel ermee staat dat alle gezichten hun kleur ‘wegtrekken’ (eigenlijk ‘verzamelen’) dwz. ‘verbleken, bleek worden’.
In vss 7-9 tekent Joël hoe de sprinkhanen, nadat ze het land hebben kaalgevreten, de steden en huizen binnendringen om de daar nog aanwezige voorraden aan voedsel te lijf te gaan. Als soldaten rennen zij tegen de stadsmuren op, keurig in het gelid rukken zij op, dwars door de wapens heen (vs 8), en als er gedood worden, sluiten de andere onmiddellijk weer de gelederen. Zo overvallen zij de stad (vs 9), rennen tegen de muren van de huizen op en dringen, net als dieven, door de hoogstens van tralies voorziene vensters van de huizen binnen.
De onverdragelijke Dag des HEREN 2:10-11
In vs 10 verschuift het accent van de sprinkhanen naar de epifanie, het straffend verschijnen des HEREN, dat zich in de plaag manifesteert en waarbij de motieven van het beven van hemel en aarde (Richt. 5:4; Ps. 68:9; Jes. 13: 13) en de verduistering van de hemellichamen (vgl. Jes. 13:10) een belangrijke rol spelen (vgl. Joël 2:31). Toch heeft met name het motief van de verduistering ook associaties met de sprinkhanen (zie bij vs 2). Hetzelfde geldt voor vs 11. Het is de HERE die het sprinkhanenleger onder zijn bevel heeft; het volbrengt zijn straffend gericht en is daarmee tegelijk verwijzing naar de grote en te duchten Dag waarop de HERE beslissend gericht zal oefenen, een gericht waarin niemand in eigen kracht staande kan blijven. Daarop wijst de vraag aan het slot van vs 11 (vgl. Mal. 3:2): Wie zal hem verdragen?
Oproep tot bekering en boetedoening 2:12-17
Al is het straffend oordeel des HEREN voor de mens zelf niet te dragen, Joël weet een uitweg in de uiterst hachelijke situatie: bekering (vs 12) en pleiten op Gods barmhartigheid (vs 13). Ook nu nog, nu het vreselijke oordeel des HEREN zich reeds aandient, wijst Joël de enige weg tot behoud aan. Namens God roept hij de Judeeërs op: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart. Wijzen de andere profeten op concrete zonden, waarvan de Israëlieten zich hebben te bekeren, bij Joël horen wij daarvan niets. De uitdrukkingen met heel uw hart (vs 12) en scheurt uw hart (vs 13) suggereren dat Joël zijn tijdgenoten oproept niet te blijven bij een louter cultisch, formeel dienen van de HERE, maar terug te keren tot een leven van innerlijke verbondenheid met Hem en zijn geboden. Het valt op dat de uiterlijke vormen van boetedoening – vasten, wenen, rouwmisbaar – door Joël positief worden gewaardeerd, maar dat hij daarbij wil doorstoten naar de innerlijke gezindheid. Gezien Joëls positieve houding jegens cultische vormen (in vs 12) zal vs 13 ook wel aldus moeten worden opgevat: scheurt uw hart en niet ‘alleen’ uw kleren. De eigenlijke grond, waarom Joël hoopt op afwending van de oordelen, is echter niet de bekering van de Judeeërs, maar de barmhartigheid en genade des HEREN, zo zegt Joël met een beroep op een oude belijdenis (Ex. 34:6 v; Ps. 103:8; Jona 3:10). Joël hoopt (vs 14) dat de HERE op grond van die genade Juda’s boetedoening en bekering aanvaardt en dat Hij daarom Zich ajkeert (hetzelfde sjoeb als voor het ‘bekeert u’ van vs 12) van zijn straffend oordelen, en berouw krijgt, dwz. terugkomt op zijn voornemen om de verdiende straf uit te voeren. Laatstgenoemde uitdrukkingen klinken erg mensvormig, maar brengen wel precies tot uitdrukking dat de HERE God geen onbeweeglijk machtsblok is, maar toegankelijk is voor de gebeden van zijn volk. Het begin van vs 14, wie weet of, legt er, evenals het ‘misschien’ van Am. 5:15, intussen alle nadruk op, dat de verhoring van die gebeden afhankelijk blijft van Gods vrijmachtige genade. Als de HERE verhoort, zal dat zichtbaar worden in de nieuwe zegen die Hij dan schenkt, een nieuw groeien van de vernielde gewassen, met de opbrengst waarvan dan ook weer spijs- en plengoffers (zie 1:9, 13) kunnen worden gebracht.
Voor de openbare boetedoening moeten de priesters (vs 15) door stoten op de ramshoorn (in vs 1 bij naderend gevaar) uu een heilig vasten organiseren en een plechtige samenkomst bijeenroepen (vgl. 1:14). Nog sterker dan in de beschrijving van 1:14 moeten nu (vs 16) nadrukkelijk alle bewoners, oud en jong, ja pas geborenen en pas getrouwden (die overigens van allerlei verplichtingen waren vrijgesteld, Deut. 20:7; 24:5) worden opgeroepen naar de samenkomst, waar de priesters dan, staande tussen de voorhal (bij de oostelijke ingang van de tempel) en het brandofferaltaar, al wenend het gebed om uitredding tot de HERE moeten richten: Spaar, HERE, uw wik. Twee motieven noemen zij voor die uitredding: a. dat de heidenen anders de Judeeërs om hun smadelijk lot zouden bespotten (vgl. Ps. 44:15), b. dat de eer van de HERE zelf onder de andere volken gesmaad zou worden, als zijn eigen volk, zijn erfelijk bezit zo’n triest lot onderging. Dan zou men immers de (reddende) macht van de God van dat volk in twijfel trekken en zeggen: Waar is (nu) hun God?
Het antwoord van de HERE 2:18-32
De HERE belooft koren, most en olie 2:18, 19
Hoewel dat niet expliciet wordt gezegd, blijkt de HERE het gebed (vs 17) te hebben verhoord. De tekst meldt eerst Gods reactie op de in vs 17b genoemde motieven voor het gebed: De HERE kreeg ‘naijver ‘voor zijn land. ln een menselijk beeld wordt gezegd dat de HERE niet kan dulden dat andere volken zijn land en volk en daarmee Hemzelf smaad aandoen, waardoor zijn eer wordt achtergesteld bij die van andere goden. Vs 18b verhaalt de reactie op de inhoud van het gebed van vs 17: de HERE kreeg medelijden met zijn volk. Als teken van de verhoring van het gebed zal Hij zijn volk weer koren, most en olie geven, de voedingsmiddelen waarvan zij door de sprinkhanen beroofd waren. Daarmee is de eer van Juda onder de volken gered.
De HERE verdrijft de sprinkhanen 2:20-22
Vervolgens zou de HERE de oorzaak van alle ellende, de sprinkhanenplaag, wegnemen. De sprinkhanen worden hier de noorderling genoemd. Het is daarbij de vraag of die naam zinspeelt op ‘de vijand uit het noorden’ (Jer. 1: 14vv; 4:5 w) die bij Ezechiël (38:6,15; 39:2) eschatologische trekken aanneemt en bij Joël op de associatie van de sprinkhanen met de Dag des HEREN zou berusten, of dat met het noorden hier de Sion bedoeld is (Ps. 48:3), zodat de sprinkhanen getekend zouden zijn als door de HERE zelf gezonden plaag (vgl. 2:25). In elk geval zal de HERE deze boosdoeners vernietigen; een deel laat Hij van honger omkomen in de dorre woestijn, de rest laat Hij verdrinken in de oostelijke en de westelijke zee, dwz. de Dode Zee en de Middellandse Zee, die zo vol sprink-hanenlijken zullen geraken dat de lijklucht eruit opstijgt.
De HERE schenkt de leraar ter gerechtigheid en grote vruchtbaarheid 2:22-27
Tegenover het grote onheil (grote dingen) dat de sprinkhanen hadden aangericht (vs 20 slot), belooft de HERE zijn grote dingen te doen. De als persoon voorgestelde aardbodem (‘adama, vs 21; vgl. 1:10) behoeft niet langer bang te zijn voor sprinkhanen, maar mag uitgelaten van vreugde zijn. De in het wild levende dieren (vs 22) behoeven niet meer bang te zijn voor honger en dorst (1:20), want de dreven der steppen (vgl. 1:19) zullen weer groen worden, vruchtbomen en wijnstokken (vgl. 1:12) weer rijke vrucht dragen. En de kinderen van Sion, de bewoners van Jeruzalem en Juda, mogen hun gehuil en gejammer aan Gods adres (1:5, 8, 13) zien omslaan in uitgelaten vreugde (vgl. 1:12) in de HERE, hun God (vs 23). Dat God een leraar ter gerechtigheidbelooft, lijkt slecht te passen bij de belofte van overvloedige regen en vruchtbaarheid. De associatie heilsvorst – vruchtbaarheid is in het Oude Testament echter gewoon (zie bij Am. 9:11-15; vgl. Ps. 72). En de verbinding van het onderwijs in de tsedaqa, de ‘gerechtigheid’ (de leefwijze overeenkomstig de juiste relatie met de HERE en de medemens), en vruchtbare regen, komt ook elders in het Oude Testament voor (Jes. 30:19-23; vgl. 1 Kon. 8:35 v). De leraar zal de goede relatie leren betrachten en dan zullen ook de regens in het najaar (vroege regen, gezien vanuit de zaaitijd in het najaar) en in het voorjaar (late regen), rijkelijkneerstromen en een vruchtbare oogst aan koren, most en olie schenken (tegenbeelden van 1:10). En zo (vs 25) zal de HERE de door sprinkhanen (vgl. 1:4) verloren gegane oogsten goed maken. Hij die zelf het ‘grote leger’ als oordeel over Juda zond, zal geven dat de Judeeërs weer volop te eten krijgen (vs 26), zodat zij de naam des HEREN voor zijn wonderbare redding kunnen prijzen, en zij als volk des HEREN (‘ammi, ‘mijn volk’) nooit meer te schande zullen worden, noch voor eigen gevoel (vgl. 1: 12), noch in de ogen van andere volken (vgl. vs 17). Deze belofte is zo fundamenteel dat zij tweemaal wordt gegeven (vs 26 slot en vs 27 slot), maar nog fundamenteler is de bedoeling van de belofte, die in het centrum tussen de tweevoudige belofte in staat: dat Gods volk voortaan zal weten en niet meer vergeten dat de HERE te midden van Israel is en dat zij aan zijn reddende en beschermende aanwezigheid in hun midden (vgl. Sef. 3:15, 17) ook alleen die belofte te danken hebben en dat Hij daarom ook als de enige God (vgl. Jes. 45:5 v, 18, 22) door Israel gediend zal worden.
De Dag des HEREN als dag van heil 2:28-32 hebr. 3:1-5
De verwachting van de Dag des HEREN, bij Joël gewekt door de niet geëvenaarde sprinkhanenplaag, blijft ook na Gods verhoring van het boetegebed (2:17-27) bestaan, maar die dag behoeft nu niet langer als een dag van verschrikking, maar mag als dag van heil tegemoet worden gezien: Daarna, dwz. na de vernielingen door de sprinkhanen en na Gods gaven als herstel van de geleden schade (vss 18-27), zal een heilstijd aanbreken waarin de HERE nog veel grotere gaven aan zijn volk zal schenken: Hij zal zijn Geest uitstorten ‘op alle vlees’, dat betekent hier: op het hele volk (vgl. Num. 11:29) op alle Judeeërs, zowel vrijen als slaven en slavinnen (vs 29). De gave van de Geest bewerkt hier een openstaan voor goddelijke openbaringen (dromen dromen, gezichten zien) met name in verband met de komende Dag des HEREN. Jong en oud, zonen en dochters zullen profeteren, dat betekent in deze context in de eerste plaats: zij zullen delen in de profetische visie op de grote dingen die gaan gebeuren, allereerst op de wondertekenen die de HERE in de hemel en op de aarde (vs 30) geven zal. Zoals de HERE eens wondertekenen gaf als preludium op de bevrijding van Israel uit Egypte (Ex. 7:3, 9; Deut. 4:34; 6: 22, enz.) zo zal Hij ook wondertekenen geven als voor-, boden voor Israels redding op de Dag des HEREN. De tekenen op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen, en die aan de hemel (vs 31), een verduisterde zon en een bloedrode maan, kunnen misschien herinneringen wekken aan bloed en duisternis bij de uittocht uit Egypte (Ex. 7:8; 10: 21 vv) en aan vuur, rook en duisternis bij Gods openbaring op de Sinaï (Ex. 19:18; Deut. 4:11, 36), hier zijn de tekenen op aarde allereerst bedoeld als aanduidingen van het bloedvergieten en de brandstichting, de strijd en de oorlogen (vgl. Ez. 38:22; Jes. 34:9 v), die aan de definitieve vernietiging van de volken, de vijanden van Israel (3:9 vv) voorafgaan. De tekenen aan de hemel zijn een concretisering van de duisternis als het onheil, dat de grote en vreeswekkende Dag des HEREN teweeg zal brengen (Am. 5:18, 20; 8:9; Jes. 13:10; Op. 6:12). De voortekenen dienen nu echter niet langer tot schrik vanJuda, maar juist van de vijandelijke volken. Voor de Judeeërs zal er op de Dag des HEREN, de dag van Gods oordeel, redding, ontkoming zijn in Jeruzalem, op de berg Sion, waarvan de HERE immers gezegd had dat Hij daar woont temidden van zijn volk (2:27, vgl. Ps. 46). Werden de Judeeërs in vs 1 betiteld als ‘alle vlees, waarover Gods Geest wordt uitgestort’, als mensen levend in direct contact met Gods openbaring, hier heten zij degenen die de HERE roepen zal (vs 28 slot) en die ten gevolge van die roeping en van de werking van Gods Geest (vs1) de naam des HEREN aanroepen (vs 32a), dwz. die Hem dienen en aanbidden te midden van de andere volken (Ps. 105:1). De beloften van Joël 2:28-32 heeft Petrus vervuld gezien in de uitstorting van Gods Geest op de Pinksterdag in Jeruzalem (Hand. 2:17-21). Door zijn actualisering van de tekst van Joël (met name het weglaten van vs 5b vanaf het ‘behoud op Sion’) opent de apostel echter de weg tot het heil ook voor de heidenvolken.
Het gericht over de volken en zegen voor Juda 3:1-21 hebr. 4:1-21
Israels vijanden verzameld 3:1-3
Gods belofte dat zijn volk nooit meer te schande zou worden (2:26) impliceert niet alleen het heil van Israel maar ook het oordeel over alle volken die Israel leed hebben aangedaan. De ommekeer in het lot van Juda en Jeruzalem (vs 1) heeft als keerzijde het verzamelen van hun vijanden om die af te voeren naar het dal van Josafat (vs2) . De naam van het dal heeft niets te maken met de judese koning Josafat (2 Kron. 20), maar is louter symbolisch bedoeld; de naam betekent: ‘De HERE houdt gericht’. Aan welk dal Joël, geografisch gezien, gedacht heeft, blijft onbekend, al heeft men in de christelijke traditie, met een beroep op Zach. 14, vaak aan het Kidron-dal ten oosten van Jeruzalem gedacht. Van belang is alleen het feit dat de HERE gericht zal oefenen over de volken, die Israel, het erfelijk bezit des HEREN, hebben verstrooid onder de volken en het land hebben verdeeld (‘mijn land’ – het land des HEREN, Israel). Daarbij is niet alleen de ballingschap en verdeling onder vreemde volken van het noordelijke deel van het rijk in 722 v.Chr. verondersteld, maar ook reeds de deportatie van een deel van Juda (vgl. vs 17b), hetgeen bij onze datering moet slaan op de eerste wegvoering van judese leidslieden in 597 v.Chr. Dat gebeurde door de Babyloniërs, maar ook andere volken speelden toen een kwalijke rol tegenover Juda (Klaagl. 1:2, 7). Vs 3 verhaalt het lot van judese gevangenen die door de vijand werden verloot en verkwanseld als koopwaar.
De kinderen van de slavenhandelaren als slaaf verkocht 3:4-8
Het thema van het verkwanselen van mensen trok bij de overlevering van Joëls woorden een andere passage over mensenhandel naar zich toe, het huidige 3:4-8, dat de samenhang van vss 1-3 met vss 9 w onderbreekt. Het gaat hier over de Feniciërs (gepresenteerd door hun belangrijkste steden Tyrus en Sidon) en de Filistijnen die -blijkbaar in strooptochten of door valse handelsmanipulaties – zilver, goud en andere kostbaarheden aan Judeeërs afhandig hebben gemaakt om er hun tempels mee op te sieren (vs 5), en bovendien, en dat is het ergste, gevangen genomen Judeeërs als slaven hebben verkocht aan de verweg wonende Joniërs (= Grieken; vgl. Am. 1: 6-10, waar dezelfde volken verweten wordt gevangenen te leveren aan de Edomieten). De door God beschuldigde volken mogen hun handelwijze misschien – al of niet terecht – voorstellen als vergelding aan de Judeeërs, en daarmee aan de HERE (vs 4), voor wat Judeeërs hun eens hadden aangedaan. Dat excuus zal niet baten. De HERE zal hun wandaden met gelijke munt betalen. Hij zal de naar verre landen verkochte Judeeërs laten terugkeren en die zullen dan de kinderen van de slavenhandelaren zelf als slaven en slavinnen verkopen aan de Sa-beeërs in het verre Zuid-Arabië. Dat hier sprake is van Joniërs, zou volgens velen wijzen op een toevoeging van 3:4-8 uit de tijd na400 v.Chr.; reeds Ezechiël (27:13, 19) weet echter van handelsbetrekkingen tussen Tyrus en Griekenland (‘Jawan’) vóór de ballingschap.
De beslissende strijd van de Dag des HEREN 3:9-16a
In vss 9-1 la laat de HERE de krijgshelden (= de legeraanvoerders) van de volken ontbieden met hun soldaten en zoveel mogelijk wapentuig, waartoe landbouwwerktuigen moesten worden omgesmeed tot wapens (het tegenbeeld van Jes. 2:4). Zij moeten de oorlog heiligen, dat is: zich (cultisch) voorbereiden op de strijd (Jer. 6:4), in dit geval voor de laatste strijd, waarin de tegen Jeruzalem oprukkende volken hun ondergang tegemoet zullen gaan (vgl. Jes. 17:12-14; Ez. 38-39; Zach. 12 en 14). In vs 12 spreekt de HERE verder, maar in vs onderbreekt de profeet de woorden van de HERE met zijn biddende roep: Doe o HERE, uw helden (= hemelse machten? vgl. Ps. 103:20) afdalen.
In vs 12 maakt de HERE bekend waarheen de volken moeten oprukken: naar het dal van Josafat, het ‘ge-richtsdal’. Daar vinden de legers van de volken echter geen leger tegenover zich, maar alleen de HERE op zijn rechterstoel. De straf die Hij (door de hemelse legers?) over hen wil laten voltrekken wordt alleen met twee beelden aangeduid: het met de sikkel afmaaien van het koren en het treden van druiven (vgl. Op. 14:14-20). De volle persbak – zo vol dat het sap er al uitloopt in de wijnkuipen – is blijkbaar beeld voor de grote boosheid (het vele kwaad) van de volken (vgl. vs 2 v).
In vs 14 spreekt de profeet. Nu is het beslissende moment van de Dag des HEREN zeer nabij. Het dal heet nu het dal der beslissing (tweemaal). Maar ook nu wordt de eigenlijke executie van de volken slechts aangeduid met het tweemaal uitgesproken woord menigte of lawaai (h’mon, hier in een intensief meervoud, betekent beide), woorden die ontleend zijn aan oude tradities over krijgsgewoel (vgl. Jes. 17:12). Verder is in vs 15 weer het eveneens traditionele motief te vinden dat bij het verschijnen van deHERE ten gerichte de hemellichamen verduisteren (vgl. 2:10, 31) en in vs 16 dat van een aardbeving die wordt teruggevoerd op het feit dat de HERE zijn stem, brullend als een leeuw, vanuit zijn woonplaats op de Sion heeft doen horen, een motief dat blijkbaar behoorde tot de voorstelling van Gods oordeel over de volken (vgl. Am. 1:2; Jer. 25:30).
Behoud en zegen voor de kinderen van Israel 3:16b-18
Blijft het duistere lot van de volken verhuld, dat van de kinderen van Israel, de Judeeërs, wordt breed beschreven. De profeet belooft dat de HERE hun schuilplaats en veste (of ‘sterke burcht’) zal zijn. God zelf (vs 17) onderstreept dat door 2:27 te herhalen: zijn volk zal ervaren dat de HERE beschermend te midden van zijn volk woont. Jeruzalem zal voortaan een heilige, aan de HERE gewijde stad zijn, waar vreemdelingen niet meer zullen binnendringen en huishouden zoals in 597 bij de eerste deportatie door de Babyloniërs gebeurde. Tot het vrederijk dat zo gestalte krijgt, behoren ten slotte ook (vs 18) buitensporige opbrengsten aan wijn en melk, een overvloed van beken (tegenover 1:20) en bronwater, waar de HERE zelf voor zal zorgen (uit het huis des HEREN), zodat zelfs het dorste dal (dal van Sittim betekent ‘dal van acacia’s’, bomen die op dorre grond kunnen groeien) vruchtbaar wordt. De eschatologische vruchtbaarheid zal daarmee die van het heilrijke heden (2:24) nog verre overtreffen (vgl. Am. 9:13-15).
Egypte en Edom een woestenij 3:19
Terwijl het door droogte vaak dor uitziende Juda een lustoord zal worden (vs 18), zal Egypte, het vruchtbare Nijldal, juist tot een woestenij worden. Hetzelfde lot zal Edom treffen, beide wegens gewelddaden, tot bloedvergieten toe, aan onschuldige Judeeërs. Het is onbekend waarop Joël hier doelt. De hebreeuwse tekst laat twee mogelijkheden open: gewelddaden in Juda, het eigen land van de Judeeërs, of wel gewelddaden aan joodse emigranten in Egypte en Edom. Bijzonderheden zijn onbekend.
Juda voor altijd onder Gods bescherming 3:20-21
De HERE zelft belooft ten slotte dat Juda en Jeruzalem voor onafzienbare tijd (le’olam), van geslacht op geslacht zullen blijven floreren (dat betekent jasjab hier). Daarmee zal Hij de volken laten zien dat het volk des HEREN onschuldig is en dat zij die Judeeërs hebben gedood daarmee onschuldig bloed hebben vergoten. Joël besluit zijn boek door de verwijzing naar het centrum van Juda’s heil uit vs 17 (vgl. 2:27) te herhalen: het feit dat de HERE beschermend te midden van zijn volk is, is de enige grond voor Juda’s veiligheid: de HERE zal blijven wonen op Sion.