Jona
INLEIDING
Het boek Jona in de canon, historiciteit, eenheid
Het boek Jona behoort tot de ‘twaalf kleine profeten’. Deze benaming geldt niet als een waarderingsoordeel, want in profetisch bewustzijn, getuigenis en invloed doen zij in niets voor de zgn. ‘grote’ profeten onder. Deze naam wijst enkel op de geringe omvang van hun geschriften, waarvan het totale aantal verzen (1050) nog niet eens dat van Ezechiël alleen (1273), die de kleinste is onder de drie grote profeten, evenaart! Op de vraag, waarom Jona een plaats heeft gekregen onder de 12 profeten (het boek neemt hierin de 5e plaats in) kan als antwoord worden gegeven, dat het hierin over een profeet gaat.
Onder die twaalf profeten neemt Jona een uitzonderlijke plaats in. Er is verschil met de andere 11, doordat het historie verhaalt. Het herinnert, zoals meermalen is opgemerkt, aan de geschiedenissen over Elia en Elisa in de boeken der Koningen. Het boekje is niet door de profeet zelf geschreven, maar later vervaardigd. Misschien wel door iemand, die het verhaal uit de mond van Jona zelf heeft gehoord (vgl. 2:2).
Dit laatste is niet in strijd met het feit, dat het boek bedoelt mededelingen te geven omtrent werkelijk plaats gehad hebbende gebeurtenissen. We hebben hier niet te doen met een allegorie of gelijkenis. De wonderen hierin verhaald, behoeven geen belemmering te zijn voor de historiciteit van de verschillende gebeurtenissen. Waarom zouden wonderen als van de vis en de wonderboom niet gebeurd kunnen zijn en andere wel? Daar komt bij, dat wonderen veel meer in eén geschiedenis thuishoren, dan in een gelijkenis.
De Joden hebben de in het boek Jona gegeven vertelling steeds als weergave van werkelijk plaats gehad hebbende feiten opgevat. Dit blijkt bv. uit het apocriefe boek 3 Makk. 6:6, waar aan het gebeurde met Jona en de vis als een historisch feit herinnerd wordt; zie ook het apocriefe boek Tobit 14:9. Daarom kon de Heiland hen verwijzen haar het teken van Jona (Mat. 12:39, 40; 16:4), waaruit blijkt dat ook Hij de historiciteit van het in dit boek verhaalde aanvaardde, zoals eveneens bevestigd wordt door Zijn herinnering aan de bekering der Ninevieten (Mat. 12:41; Luc. 11:32).
De eenheid van het boek wordt algemeen aanvaard. Terecht! De symmetrische opbouw laat duidelijk zien, dat men hier voor een weloverwogen geheel staat. Bijzonder sterk komt dit uit in het parallellisme tussen de beide hoofddelen, de hoofdstukken 1-2 en 3-4. Elk daarvan opent met een opdracht van de HERE aan Jona; daarna heeft de profeet contact met de heidenen: in het ene geval zijn dit matrozen, in het andere geval de Ninevieten; aan het slot van beide delen ontmoeten God en Jona elkaar en doet de HERE wonderen om zijn dienstknecht te onderrichten. Zo vormt dit profetenboekje een prachtig afgerond verhaal.
De hoofdpersoon
Jona – zijn naam betekent: duif- was de zoon van Amit-tai en afkomstig uit Gats-Hachefer, een dorp ten N.O. van Nazaret in Galilea (1:1; zie ook 2 Kon. 14:25). Hij was profeet ten tijde van koning Jerobeam II (783-743) en tijdgenoot van Amos en Hosea. Hij voorspelde, dat Israel weer zou heersen van Noord-Syrië (‘de weg naar Hamat’) tot de zee der Vlakte (= de Dode Zee). Hij had dus geweldige verwachtingen van de nationale toekomst van Israel en dat klopt met het beeld, dat we van hem krijgen uit het boek Jona. Hij is een profeet die alleen zichzelf en eigen volk ziet als voorwerp van Gods liefde. Deze profetie uit 2 Kon. 14:25, die vervuld werd, zal door Jona zijn uitgepsroken in één van de eerste regeringsjaren van Jerobeam II. Op te merken valt nog, dat als de Farizeeën in Joh. 7:52 beweren, dat er géén profeet uit Galilea afkomstig is geweest, dit ten aanzien van Jona niet juist is.
Betekenis en indeling van dit boek
Het boek Jona is een echt zendingsboek: Gods erbarmen geldt niet uitsluitend en alleen Israel, maar kan ook alle andere mensen ten deel vallen. Uitgerekend Jona moet tot het teken worden, dat God heel de wereld lief heeft: Hij houdt van de mensen, de kinderen en de dieren (4: 11).
In de tweede plaats bevat dit boekje de profetische verkondiging van de messiaanse heilsbelofte. Jona is vanwege zijn vérblijf in en verlossing uit de buik van het zeemonster type van Christus in zijn dood en opstanding, Mat. 12:39, 40.
Tenslotte: Gods majesteit is boven alles verheven. Hij beheerst de dierenwereld (de vis), de plantenwereld (de wonderboom), de mensenwereld (Jona), de volkenwereld (Ninevé). In dit alles blijkt Gods lankmoedigheid en barmhartigheid (4:2) oneindig veel groter te zijn dan die van mensen!
Het boekje Jona bestaat uit twee hoofddelen, zodat we tot de volgende indeling komen:
‘De onmogelijke’ vlucht voor God 1:1-2:10
De mislukte vlucht 1:1-16 ,
De redding 1:17-2:10
Opnieuw in dienst genomen 3:1-4:11
Jona’s prediking en Ninevé’s bekering 3.T-10
Jona door God terechtgewezen 4:1-11
VERKLARING
De onmogelijke vlucht voor God 1:1-2:10
De mislukte vlucht 1:1-16
Jona’s roeping 1:1-3
De auteur begint met de eenvoudige vermelding, dat het woord des HEREN tot Jona kwam. Deze zegswijze komt meermalen voor, zie 1 Sam. 15:10; 2 Sam. 7:4; 24: 11; 1 Kon. 12:22. Hoe en wanneer dit woord tot Jona kwam, wordt niet gezegd.
Jona betekent: wilde duif (Lat.: columbd). Dat mensen naar dieren genoemd worden is in de oudtestamentische wereld niet ongewoon, vgl. Debora(= bij), Kaleb (= hond), Hulda(= mol). Zijn vader heette Amittai, dat betekent: God-is-trouw!
Jona moet naar Ninevé, de latere residentiestad van de Assyrische koningen (Pas Sanherib, 704-681 maakte Ninevé tot residentie; Ninevé is nooit de hoofdstad van Assyrië geweest). Ze wordt aangeduid als ‘de grote stad’, een kwalificatie, die terugkeert in 3:1, 3 en 4:11. Als reden wordt genoemd, dat ‘haar boosheid is opgestegen voor Gods aangezicht’ (vgl. Gen. 18:21).
Jona is echter niet bereid dit goddelijk bevel op te volgen en tracht zich hieraan te onttrekken. De reden wordt door hemzelf later genoemd (4:2). In plaats van zich op weg te begeven naar Ninevé (het Oosten, waar de zon opkomt!) gaat Jona naar het Westen, waar de zon ondergaat, naar Tarsis. Sommigen lokaliseren deze kolonie in z.-w. Spanje, anderen in Noord-Afrika bij Tunis. Hoe dit zij: Jona wil zo ver mogelijk weg, ‘wèg van het aangezicht des HEREN’. Hij is als profeet een deserteur] Hij vindt in Jafo (N.T. Joppe, Hand. 9:36) een (waarschijnlijk phoenicisch) schip, betaalt de vrachtprijs en begeeft zich in het schip (hebr.: hij daalde erin af) om naar Tarsis te gaan.
De storm op zee 1:4-6
Spoedig leert Jona, dat het onmogelijk is voor de HERE te vluchten. ‘Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht’? (Ps. 139:7). De HERE wierp een geweldige wind op zee, zodat het schip dreigde te worden stukgeslagen! Lett.: het dacht te breken; het schip wordt als een persoon voorgesteld.
De geweldige storm jaagt de schepelingen angst aan (vs 5). Ze riepen ieder tot hun god (men kan ook vertalen: tot hun goden). Daarnaast wierpen ze de lading in zee om het schip lichter te maken (vgl. Hand. 27:17-19).
Om Jona is het intussen stil geworden! Hij was in het ruim (lett.: inwendige) van het schip afgedaald en in een diepe slaap gevallen (vgl. Gen. 2:21; Ri. 4:21). De terminologie herinnert aan de dood: afdalen (in het graf), het onderste van het schip (de groeve) en het zich ter ruste leggen Giggen in het graf).
De gezagvoerder (lett.: de overste van de bemanning) vindt Jona en wekt hem uit de slaap: ‘Hoe kunt ge zó vast slapen!’ Dit klinkt als een verwijt. Misschien, zo zegt hij, zal uw god onzer gedenken. Nu de goden van de anderen geen hulp konden bieden, kan misschien de God van Jona de Redder in nood zijn.
Jona’s ongehoorzaamheid bestraft 1:7-16
Het werpen van het lot was onder alle volken, ook onder Israel één van de bekendste middelen om de wil van God te weten te komen. Vgl. Joz. 7:14-22; 1 Sam. 14:42. Het lot viel op Jona. Zo wijst God (vgl. Spr. 16:33) Jona als de schuldige aan. Nu branden de vragen van de scheepslieden los (vs 8). Jona kan het raadsel oplossen. Vandaar de o.i. overbodige vraag: ‘door wiens schuld treft ons dit onheil?’
Jona antwoordt met de mededeling, dat hij een Hebreeër is: (vs 9) zo werden de Israëlieten genoemd in onderscheiding van andere volken, zie Gen. 40:15; Ex. 2:7; 3:18. Tegelijk spreekt de profeet een geloofsbelijdenis uit: Tk vereer de HERE, de God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft’, dwz. die God, Die deze storm gezonden heeft.
De scheepslieden uiten hun ontsteltenis in de vraag: ‘Wat hebt ge toch gedaan?’ (vs 10). De slotzin is geen latere toevoeging, maar geeft in overeenstemming met de hebreeuwse verhaaltrant een nadere aanvulling, vgl. Ester 3:6.
De zeelieden vragen aan Jona, hoe zijn God verzoend kan worden. De zee werd nl. steeds onstuimiger (vs 11). Intussen heeft Jona de balans opgemaakt: hij kan zijn Zender niet ontvluchten en is bereid tot behoud van de mede-opvarenden het offer van zijn leven te brengen (vs 12).
Het eert de zeelieden, dat zij er niet toe kunnen komen Jona zo maar over boord te werpen. Zij besluiten naar het vasteland te roeien: de oude schepen waren tegelijk zeil- en roeischepen! Tenslotte zijn ze echter genoodzaakt aan de raad van Jona gevolg te geven (vs 14). Zij smeken de HERE geen onschuldig bloed op hen te leggen, als zij het leven (nêfêsj) van de profeet opofferen. Als de schepelingen Jona overboord hebben gezet, houdt de zee op met woeden (dit werkwoord wordt in het O.T. overal elders van de toorn van God of mens gebruikt; de zee wordt dus ménselijk voorgesteld, vgl. vs 5).
De macht van Jahwe over de zee (vgl. Ps. 89:10; Mar. 4: 35-41) maakt op de zeelieden een overweldigende indruk. Op het schip brengen ze Hem een offer en beloven geloften (voor meerdere offers) bij behouden thuiskomst (vs 16).
De redding 1:17-2:10 hebr. 2:1-11
God beschikte een grote vis (een potvis of haai?) om Jona in te slokken, zodat hij van de verdrinkingsdood werd gered. Hij is in het binnenste van die vis drie dagen en drie nachten. We behoeven hier niet aan drie volledige etmalen te denken; denk aan Christus’ verblijf in het graf, Mat. 12:40; vgl. Ester 4:16.
Dan wendt Jona zich tot de HERE en volgt er een danklied, dat hij vervaardigd heeft na zijn redding. Het lied herinnert hier en daar aan plaatsen uit de Psalmen. Vs 2 bevat het thema van het hele lied: de dichter heeft in zijn nood tot God geroepen (vgl. Ps. 18:7) en Hij heeft hem geantwoord, nl. door hem op het droge te brengen. Het ingewand van het zeemonster wordt hier vergeleken met de ‘schoot van het dodenrijk’ (vs 2). De profeet was immers zo goed als gestorven? De volgende verzen omschrijven de nood, waarin Jona verkeerde, niet alleen in de vis, maar vanaf het moment, dat hij in zee geworpen was (vss 3-6). De waterstroom, di. het stromend water van de zee, zie Ps. 24:2. ‘Verstoten ben ik uit Uw ogen’ (vs 4): de dichter dacht nooit meer de vreugde te smaken om God in zijn heiligdom (te Jeruzalem) te ontmoeten, vgl. Jes. 38:11.
Vs 5 geeft opnieuw een algemene tekening van het verblijf in de diepte (hiermee wordt de oceaan bedoeld). Plastisch is het beeld van het zeewier, dat om het hoofd van Jona gewonden was. Sommigen zien hierin een dichterlijke beschrijving, maar het is goed mogelijk, dat dit zeewier drijvend op of in het water aanwezig was.
De profeet is neergedaald for de grondvesten der bergen (vs 6), tot de plek, waar de bergen zijn ingeplant. Een dichterlijke zegswijze om aan te duiden, hoe verloren Jona zich voelde. Dit gevoel komt ook in het volgende tot uiting: de grendelen der aarde waren voor altoos achter mij, dwz. de poorten tussen de aarde, waar de levenden wonen èn het dodenrijk, waarin de dichter was neergedaald, waren voor altijd gesloten. Gelukkig, uit die groeve (= dodenrijk) heeft de HERE zijn God hem doen omhoogrijzen, vgl. Ps. 30:4. Uit die bange diepte drong zijn gebed door in Gods heilige tempel, di. in de hemel (vs 7). ln tegenstelling met afgodendienaars (lett.: vereerders van nietswaardige ij delheden) wil Jona zijn dank aan de HERE brengen en zijn geloften Hem betalen (in offers, zie Ps. 116:18). Want: de redding (het heil) is des HEREN, zie Ps. 3:9 en in gedachten voegen we hieraan toe: bij niemand anders!
Wat de HERE gebiedt, geschiedt. Hij geeft de vis zijn bevel en deze spuwt Jona uit. Waar dit gebeurde, wordt niet meegedeeld, misschien aan de kust van Kanaän. Belangrijker is, dat de HERE zijn weigerachtige dienaar op zijn uitgangspunt heeft teruggebracht. God ontvluchten blijkt een onmogelijke onderneming te zijn, vgl. Ps. 139: 7-12.
Opnieuw in dienst genomen 3:1-4:11
Jona’s prediking en Ninevé’s bekering 3:1-10
Voor de tweede maal (zie 1:1) komt het woord des HEREN tot Jona. Hij wordt in zijn ambt hersteld. Gehoorzaam maakt de profeet zich óp om de opdracht van God te vervullen. Opnieuw wordt gezegd, dat Ninevé een grote stad was, zie 1:2. In het Hebr. een grote stad voor God, waarmee wordt bedoeld: een geweldig grote stad, vgl. Gen. 10:9, 12. Drie dagreizen: de tijd om de voornaamste punten van Ninevé te bezoeken.
Als Jona één dag gepreekt heeft, blijkt dit al voldoende, om de bevolking tot ernstige boetedoening en bekering te brengen. Misschien sprak Jona wel Aramees, vgl. Jes. 36:11. De inhoud van zijn boodschap was: nog 40 dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd (vs 4). Het werkwoord ‘omkeren’ wordt ook bij de verwoesting van Sodom en Gomorra gebruikt, zo oa. Gen. 19:21, 25, 29. Het is opmerkelijk, dat aan deze oordeelsdreiging geen oproep tot bekering wordt verbonden. Stilzwijgend is deze wel bedoeld, zij het niet door Jona, dan stellig wel door God, zie 4:2; vgl. Luc. 11:30.
De reactie van de bevolking is verrassend (vs 5): de Ninevieten ‘geloofden’, di. zij zijn ervan overtuigd, dat God (Elohim) de macht heeft hun stad te verwoesten. Als gevolg hiervan verootmoedigen ze zich: zij vasten en kleden zich in rouwgewaden, tekenen van boetedoening, zie 1 Kon. 21:9, 27; Joël 1:13. Ook de koning doet mee (vs 6): ipv. een kostbaar statiegewaad een minderwaardige lendendoek (rouwgewaad), ipv. zijn troon een ashoop, vgl. Job 2:8; Ez. 26:16.
Op bevel van de koning en zijn groten (ministers) wordt een algemeen vasten afgekondigd voor mens en dier, vgl. Rom. 8:19 v. Straks deelt ook het vee in Gods ontferming, 4:11. Het moet echter niet bij uiterlijke vormen blijven. Ieder moet tot God roepen (= bidden) en zich bekeren, oa. van het onrecht (hebr.: geweld), waaraan de Ninevieten zich schuldig hadden gemaakt (vs 8). Dit alles in de hoop, dat God Zich omkeert en berouw krijgt (zie Joël 2:14).
Op de bekering der Ninevieten voert God het kwaad niet uit. Het berouwde Hem en Hij deed het niet. Kostelijke woorden! God is zó onveranderlijk de God van liefde, dat Hij zijn besluit verandert en Ninevé spaart (vs 10).
Jona door God terechtgewezen 4:1-11
De perikoop 4:1-11 is ten nauwste met het voorafgaande vers, 3:10 verbonden. Jona ergert zich, dat de straf aan Ninevé niet wordt voltrokken. Welk een tegenstelling met Abraham, die tot het uiterste pleitte voor Sodoms behoud, Gen. 18:22 w. Want de profeet verwijt God datgene, wat de kern van het hele evangelie is, nl. dat God geen welgevallen heeft aan de dood van een zondaar, maar daarin dat hij zich bekere en leve! Genadig en barmhartig is de HERE…, zie Ex. 34:6; Joël 2:13. Jona’s gemoedsgesteldheid is zodanig, dat hij maar liever wil sterven (vs 3). Gods antwoord doet eveneens de profeet delen in Zijn lankmoedigheid in de liefdevolle vraag: ‘zijt ge terecht vertoornd?’ (lett.: doet ge wel goed met toornig te zijn?). Er komt geen antwoord: bedoeld is om Jona tot zelfinkeer te brengen.
Vers 5 vertelt ons, dat Jona zich ten o. van de stad had neergezet. Dit betekent dat hij uit het w. gekomen was, de stad had doorkruist en deze daarna aan de oostkant had verlaten. Hier bouwt hij zich een primitieve hut, waaronder hij zitten ging om te zien wat er met de stad gebeuren zou (vs 5). Het was een soort loofhut, welke slechts gebrekkig beschutting bood tegen de stralen van de zon. Daarom laat God een wonderboom opschieten, een ricinus, die zich kenmerkt door een opvallend snelle groei en het bereiken van een grote hoogte (± ). De bladeren zijn tot 2 dm groot. Dóór Gods wondermacht groeit deze struik nog sneller: in één nacht (vs 10) en wel zó, dat hij Jona schaduw gaf.
Jona’s vreugde (vs 7) is kort van duur. God beschikt (zie ook 1:17; 4:6, 8) een worm die de wortel van de boom zó beschadigt, dat deze verdort. Bovendien zendt God een hete oostenwind, de zon steekt onbarmhartig op het hoofd van de profeet en dit alles noopt hem ertoe andermaal te vragen (vgl. vs 3) om te mogen sterven (vs 8). Opnieuw vraagt God (zie vs 4) of zijn ontstemming gerechtvaardigd is (vs 9). Nu antwoordt Jona wel en in krachtige bewoordingen (‘ten dode toe’) geeft hij een bevestigend antwoord.
Gelukkig: God heeft het laatste woord: Jona wat ben je toch dwaas. Je treurt om een boom, waaraan je geen enkele arbeid of zorg hebt besteed. Zou Ik dan niet – en thans wordt de grote tegenstelling tussen Jona en zijn hemelse Opdrachtgever scherp gemarkeerd – de grote stad Ninevé sparen? Weet je dat daarin 120.000 kinderen zijn (de hele bevolking telde dan ongeveer 600.000 inwoners). Onschuldige schepselen (vgl. Deut. 24:16), die Ik geschapen heb? Benevens veel vee. Déze laatste woorden van vs 11 en van het hele boek Jona betekenen dat God Zich om heel Zijn schepping bekommert, vgl. Job 38:41; Ps. 36: 7; 104:10; 147:9. Deze wereld is óók de wereld van Gen. 1. Daarom is er hóóp voor de aarde, omdat ze van God is. Hóóp voor deze wereld die nooit uit Gods hand zal vallen.