Menu

Premium

Jonge hondjes

Bij Jesaja 52,1-6 en Marcus 6,6b-13

Pietertje en Andrea hebben twee kleine hondjes. Een van henzelf en eentje die kwam logeren. Ze zijn dol op de hummeltjes en spelen er heerlijk mee. Maar vanmorgen gaat er iets mis. Even staat de achterdeur open, even letten ze niet op en weg zijn de hondjes.

Ze bellen meteen een paar vriendjes op: ‘Kom zoeken, ze kunnen nog niet ver weg zijn. Kom meteen!’ Daar komen de eerste kinderen al. Een paar zijn te laat, want die wilden eerst nog ontbijten en boterhammen meenemen. Eén wilde een paraplu mee, een ander wilde een regenjack aan. Ze bellen aan bij alle huizen in de straat. ‘Mogen we even in uw tuin kijken of de hondjes er zijn?’ Als de mensen nee zeggen gaan ze vlug verder, maar ze kijken wel even over de heg. Als de hondjes maar niet op straat gaan, want ze zijn nog klein en dom. In hun straat zijn ze niet. En in de straat aan de achterkant ook niet. Ze beginnen in een zijstraat. Sommige buren willen een praatje maken of hun iets lekkers geven, maar dat kan niet, ze moeten verder. Veel mensen zijn op vakantie, dat schiet niet op. Het is om wanhopig van te worden. Dan klinkt er een schreeuw door de straat: ‘Kom maar, ze zijn er!’ Het is Flipje. Hij dacht: ‘Ik ga toch maar even in hun eigen tuin kijken. Misschien zijn ze niet weggelopen, maar hebben ze zich verstopt.’ En zo is het ook. Ze zitten onder een struik. Met een stukje worst kun je ze lokken. Wat een opluchting. Ze zijn terug. Die middag krijgen de hondjes een riempje en een halsband. Dan kunnen ze leren op straat te lopen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken