Jozua
Jozua? Als mensen die niet in ‘het bijbelvak’ zitten er iets van weten, is het meestal dat het om een oorlogsboek gaat. Vraag je naar de inhoud, dan komen er wat losse verhalen, zoals wat verteld wordt over Rachab en de val van. En verder denkt men te weten dat het er nogal bloedig aan toegaat. Jammer, maar ook gelukkig. Want voor hen is deze bijdrage geschreven, waarin geprobeerd wordt iets van een bird’s eye view op het boek te geven. Hoe het is opgebouwd en waar de accenten liggen. Zeer onvolledig binnen het bestek van dit artikel, maar de lezer wordt uitgenodigd om op eigen initiatief straks verder te zoeken.
Een verhaal lees je vanaf het begin. Dat lijkt het intrappen van een open deur, maar als het om de Bijbel gaat, wordt tegen die regel nogal eens gezondigd. We lezen vaak in stukjes zakformaat. Bovendien is een aantal bijbelboeken niet ‘los verkrijgbaar’. Jozua staat niet voor niets tussen Deuteronomium en Richteren in. Wie het boek Jozua ter hand neemt, moet ook het slot van Deuteronomium lezen en het begin van Richteren, met name Deuteronomium 31:1-8 waar Mozes Jozua als zijn opvolger aanwijst en Richteren 1:1-36 waar de auteur van Richteren zijn visie op de landverdeling in Jozua geeft en Jozua 12-22 samenvat, maar vaak anders over de gebeurtenissen vertelt dan de auteur van Jozua doet.
|
Deuteronomium 31:1-8 |
Jozua 1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het boek Jozua valt in twee hoofddelen uiteen: hoofddeel I waarin het gaat om de ‘gave van het land’ en hoofddeel II met de ‘verdeling van het land’:
Overzicht van Jozua
|
I |
1:1-12:24 |
DE GAVE VAN HET LAND |
|
1:1-18 |
Theologische inleiding |
|
|
2:1-24 |
De verspieders in Jericho |
|
|
3:1-5:1 |
De doortocht door de Jordaan |
|
|
5:2-12 |
Besnijdenis en Pesach te Gilgal |
|
|
5:13-6:27 |
De gave van Jericho |
|
|
7:1-8:29 |
De verovering van Ai |
|
|
8:30-35 |
Het altaar op de Ebal en de voorlezing van de Thora |
|
|
De opgave met betrekking tot het land |
||
|
9:1-27 |
Het verbond met de Gibeonieten |
|
|
10:1-43 |
De verovering van het zuiden |
|
|
11:1-15 |
De verovering van het noorden |
|
|
11:16-12:24 |
Overzicht van de veroverde gebieden en verslagen koningen |
|
|
II |
13:1-24:33 |
DE VERDELING VAN HET LAND |
|
13:1-7 |
Overzicht van het overgebleven land |
|
|
13:8-33 |
Verdeling van Oostjordaanse gebieden |
|
|
14:1-5 |
Inleiding op de verdeling van Kanaän |
|
|
14:6-15 |
Het erfdeel van Kaleb () |
|
|
15:1-63 |
Het erfdeel van Juda |
|
|
16:1-17:18 |
Het erfdeel van Efraïm en Manasse |
|
|
18:1-10 |
Overleg in Silo over het resterende land |
|
|
18:11-28 |
Het erfdeel van Benjamin |
|
|
19:1-9 |
Het erfdeel van Simeon |
|
|
19:10-16 |
Het erfdeel van Zebulon |
|
|
19:17-23 |
Het erfdeel van Issakar |
|
|
19:24-31 |
Het erfdeel van Aser |
|
|
19:32-39 |
Het erfdeel van Naftali |
|
|
19:40-48 |
Het erfdeel van Dan |
|
|
19:49-51 |
Het erfdeel van Jozua (Timnat-Serach) |
|
|
20:1-9 |
Toewijzing van de vrijsteden |
|
|
21:1-42 |
Toewijzing van de Levietensteden |
|
|
21:43-45 |
Conclusie |
|
|
22:1-34 |
Terugkeer van de Oostjordaanse stammen |
|
|
De bouw van een Jhwh-altaar |
||
|
23:1-16 |
Afscheidsrede van Jozua |
|
|
24:1-28 |
Verbondssluiting te Sichem |
|
|
24:29-33 |
Drie graftradities: de dood van Jozua, de begrafenis van Jozef en de dood van Eleazar |
Het nevenstaande is een schema waarin nog veel te verfijnen valt. De twee hoofddelen die in het boek te onderscheiden zijn, mogen niet van elkaar gescheiden worden. Hoofdstuk 1 en 24 vormen een spanningsboog, waartussen de andere hoofdstukken zijn ingeklemd. De volgende vergelijking zou dat kunnen verhelderen:
|
Jozua 1 |
Jozua 24 |
||
|
1:1 |
Na de dood van Mozes, |
24:29 |
Toen stierf Jozua, de knecht van Jhwh |
|
de knecht van Jhwh |
|||
|
1:8 |
Dit wetboek mag niet wijken . |
24:26 |
Jozua schreef . in het wetboek |
Jozua wordt vanaf Exodus 24:13 de dienaar (mesjarét) van Mozes genoemd: de ondergeschikte van de grote wetgever. Als Jozua uiteindelijk sterft, heet hij net als Mozes knecht [èbèd] van
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het boek vraagt er dus vooral om uitgelezen te worden, wil het worden begrepen. De twee hoofddelen zoals die boven met de inhoud zijn gegeven, vertonen een van elkaar afwijkende structuur. Ik heb het eerste hoofddeel onderscheiden in twee subdelen: de gave van het land en de opgave met betrekking tot het land. Uiteraard vraagt vrijwel elke indeling om tegenspraak, maar als we het als één doorlopend stuk opvatten, doen we tekort aan de merkwaardige gebeurtenis op de Ebal, in 8:30-35, een gedeelte dat duidelijk twee verha-lenreeksen onderscheidt (niet: scheidt).
Men in het eerste hoofddeel een lineaire structuur ontdekken. Dat betekent hier: de verhalen staan naast elkaar en terwijl je leest, neemt de auteur je mee in een doorlopende lijn. Maar er is meer aan de hand:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Rachab en Achan zijn vertegenwoordigers van respectievelijk Kanaän en Israël. Rachab is hoer en in Kanaän zullen de Israëlieten de afgoden hoerig achterna lopen. Niettemin krijgt zij de rol van de trouwe toebedeeld en daarmee geeft de auteur een theologische boodschap af: de eerste met wie Israël bij binnenkomst in Kanaän kennismaakt, wordt niet te gronde gericht maar gered! Rachab blijkt de grote daden van
Binnen deze aandacht voor Rachab en Achan worden de gave en overgave van Jericho en Ai getekend. Met andere woorden: literair gaat het verhaal meer over de redding van Rachab dan over de val van Jericho en bij de geschiedenis van Achan is het zelfs zo dat het hele verhaal over de nederlaag van Ai (Joz. 7) tekstsyntactisch gezien is ‘opgehangen’ aan de zin: ‘De Israëlieten vergrepen zich aan het gebannene. Achan .’ De hoofdrolspelers zijn de Israëlieten die zich in Achan vertegenwoordigd weten. Zoals
Het contrast tussen de Rachab- en Achan-geschiedenis vinden we scherp getekend in de overgang van 6:27 naar 7:1:
De doortocht van de ark
De kern van deze contrastverhalen wordt gevormd door de vertelling over de processie van de ark van het verbond door de Jordaan: de plechtige binnenkomst van
Besnijdenis, Pesach en de ontmoeting met de vorst van het leger van Israël
‘Zodra de koningen dit hoorden…’ (5:1). De inleiding is klassiek (zie 9:1; 10:1; 11:1) maar vormt hier niet een opmaat naar een strategisch plan, maar naar de besnijdenis. De mannen waren niet besneden sinds Egypte. Ook op deze manier vertelt de auteur opnieuw dat de Thora niet gehoorzaamd is. En zonder besnijdenis valt er geen Pesach te vieren (zie Ex. 12:48) waar de auteur naar toewerkt.
Als we vóór de val van Jericho dan ook nog vernemen dat Jozua een man ontmoet die zich ontpopt als de vorst van het leger van
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Met andere woorden: de auteur vertelt de intocht in Kanaän als een afronding van de uittocht. Het is eenzelfde liturgie, met eenzelfde woordgebruik als bij de uittocht. De overeenkomsten tussen de doortocht van de Schelfzee en van de Jordaan zijn treffend, bijvoorbeeld: Israël gaat door het droge, terwijl het water blijft staan. En ook nu weer is het de veertiendedag van die maand. Dat is de oogstmaand, zie Exodus 12:6,18; Jozua 3:15.
Het verhaal over de wetgeving op de Ebal verwijst naar Deuteronomium 27, maar herinnert ook sterk aan de Sinai-traditie: er moet een altaar worden gemaakt van onbehouwen steen, er is geen ijzer aan te pas gekomen (zie Ex. 20:25); het gaat om brandoffers en vredeoffers (zie Ex. 20:24); de wet wordt op steen geschreven (zie Ex. 31:18). En met het tweede deel van de Ebal-traditie zijn we terug in Deuteronomium, zie o.a. Jozua 27 en 28: de zegen en de vloek die bij een verbondssluiting horen.
Jozua 9, 10 en 11. Ongewenst verbond, verovering van zuid en noord
Na de handelingen op de Ebal en Gerizzim vinden we drie verhalen die alle drie openen
met zodra:
|
|
|
|
Maar de verhalen staan niet alleen naast elkaar, parallel. Het ene verhaal roept het andere op. Eigenlijk is het één verhaal in drie stappen verteld (dat is weer het eerder genoemde ter-naire vertelsysteem). Uitgangspunt is 9:1, ‘De koningen van de Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten hoorden . en sloten zich aaneen om eendrachtig Jozua en Israël te bestrijden.’ Vervolgens wordt er verteld over een deel van de Chiwwieten, de inwoners van , die eieren voor hun geld kiezen en een list bedenken, waardoor ze een verbond met Jozua kunnen sluiten. Een gevoelige slag voor de Kanaänitische coalitie, omdat een van de koninklijke steden is, groter dan Ai, en haar mannen helden zijn (10:2). Dat verbond is des te sprekender, omdat in het voorafgaande juist de wet is voorgelezen, inclusief zegen en vloek, waarin gehoord wordt: ‘Zie, Ik drijf voor u uit de Amoriet … de Chiwwiet… Neem u in acht dat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land (Ex. 34:11.12). De hoofden van Israël die de geldigheid van ook een onbedoeld verbond kennen, beschermen de Gibeonieten en maken hen tot houthakkers voor de hele vergadering (9:21). Jozua treedt vervolgens op en maakt hen tot houthakkers en waterputters van het godshuis (9:23), maar uiteindelijk wordt het een compromis: ze worden waterputters en houthakkers voor de vergadering èn het altaar (9:27). Zo heeft iedereen nog wat aan de blunder van Jozua.
Nu stelt de auteur de vraag: ‘Wat is dit ongewenste verbond waard?’ De achterliggende vraag is: ‘Wat is het verbond van
In de nu volgende strijd gaat
Het derde deel van het drieluik betreft de verovering van het noorden. Nu komt Jabin, de koning van Hasor, het toneel op, van wie we in Richteren meer zullen horen (Ri. 4:15:31). Ook nu verschijnen de zes volken van Kanaän opnieuw. De strijd spitst zich toe. Dezekeer is er geen aanleiding zoals bij het beleg om. Er worden zelfs paarden en wagens genoemd, drie keer (11:4,6,9). Bovendien is Hasor ‘de grootste van alle koninkrijken’ (11:10). Met andere woorden: de laatste loodjes wegen voor Jozua het zwaarst. Als Jozua de noordelijke alliantie verslagen heeft, is er ruimte voor één conclusie:
11:16-23 Veroverde gebieden
Er wordt nog een samenvatting gegeven van de veroverde streken èn er wordt nog een detail verstrekt: de Enakieten moesten nog worden uitgeroeid (zie ook 14:12,15). Ze blijven alleen nog in het Filistijnse land over. Logisch: Goliat moet toch ergens vandaan komen!
12:1-24 Verslagen koningen
Met een resumé van de verslagen koningen eindigt het deel ‘de gave en opgave van het land’ en straks aan de verdeling worden begonnen. In een schema gezet, ziet de vergelijking tussen oost en west er als volgt uit:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
In het centrum van de structuur vinden Mozes en Jozua hun plek. Zo krijgen zij alle aandacht. Zij zijn de mannen om wie het gaat: Mozes aan de oostkant en Jozua aan de westkant van de Jordaan. Die rivier stroomt tussen hen beiden door.
Het is sprekend: hoofddeel I van Jozua eindigt niet met het noemen van gebieden maar van mensen die voor die gebieden staan: koningen. Zij vertegenwoordigen in Jozua de repressieve macht van de volken. Eén voor één worden ze afgeteld en afgeschreven, drieëndertig in totaal, twee aan de oostkant en eenendertig aan de westkant van de Jordaan. Daarmee heeft de auteur vanuit zijn voorliefde voor een ternaire vertelstijl gezegd: ‘Drieëndertig, meer zijn er ook niet te vinden!’
JOZUA 13-23 DE VERDELING VAN HET LAND
Jozua 13-23 heeft een heel andere structuur dan de voorafgaande hoofdstukken. Dit deel is concentrisch opgebouwd en dat is in schema gezet het makkelijkst herkenbaar:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Er zijn volken overgebleven, door het lot aan uw stammen als erfdeel toegewezen
Deze ‘spiegelstructuur’ is niet ‘gezocht’ maar ons opgedrongen door de tekst van het tweede gedeelte van Jozua. Na de verovering van het land is nu de verdeling van het land aan de orde. De stammen moeten hun plek vinden voordat Jozua ‘de weg van het aardse gaat’ (23:14). Hij is ‘oud en hoogbejaard’ en zo’n uitdrukking wordt wel vaker gebruikt om aan te geven dat een wisseling van de wacht aanstaande is (Gen. 24:1; I Kon. 1:1).
Het is zaak haast te maken en de inbezitneming van het land af te ronden. De gave van het land is in Jozua 2-12 gedaan, het overige blijkt een hele opgave te zijn en dat is precies de kern van het boek:
De correspondentie tussen Jozua 13 en Jozua 20 en 21 is sprekend. De gedachten van Mozes, verwoord in Numeri 32, zijn de achtergrond van deze gedeelten: Ruben en Gad hebben de beste delen voor hun vee gekozen. Ze mogen blijven van Mozes, als ze hun aandeel in de strijd om het land maar leveren en in Jozua gaan ze inderdaad ‘voor het aangezicht van hun broeders’ de Jordaan over (1:12-13; 4:12). De stammen Ruben, Gad en half Manasse wonen in het Oostjordaanse, uit het oog en zijn daarmee voor de auteur al gauw ‘uit het hart’. Zullen ze zo ver van Jeruzalem de Thora niet vergeten? De vuuroffers zijn een zaak van de stam van Levi, klinkt het in 13:14 waarschuwend in de richting van iedereen die zelf een altaar bouwen wil.
De asielsteden en de andere Levietensteden worden aangewezen op grond van gehoorzaamheid aan de Thora (Num. 35). De Levieten hebben geen ander erfdeel dan
Na de Levieten is het een kleine stap naar de priester Eleazar, de zoon van Aäron (24:33). Zoals Jozua Mozes opgevolgd is, is Eleazar zijn vader Aäron opgevolgd. Hij leidt met Jozua en de familiehoofden de landverdeling in Silo.
De eerste die een erfdeel krijgt toegewezen, is de Judeeër Kaleb, een van de verspieders. Hij krijgt en dat is na Numeri 13:22 geen toeval: is de stad bij uitstek in het erfdeel van Juda. Het is de eerste koningsstad van David (II Sam. 5:1-5) en zo wordt de stam Juda, die hierna een erfdeel krijgt, rondom Hebron neergezet. Eerst de stad en dan het land! Zo krijgt aan de andere kant van het literaire bouwwerk de Efraïmiet Jozua zijn plek. InEfraïm uiteraard, in Timnat-Serach, zie ook Richteren 2:9. Hij ontvangt zijn erfdeel van ‘de Israëlieten’. Zoals de Judeeërs opkomen voor Kaleb, komen de Israëlieten (hier gebruikt voor alle kinderen van Israël en niet alleen voor de noordelijken) op voor hun ‘hertog’.
Na Kaleb komt uiteraard eerst Juda aan de beurt. Juda is immers de eerste van de stammen. Er wordt nogmaals aandacht geschonken aan het erfdeel van Kaleb: (zie ook Ri. 1:10-15). En verder lezen we dat hij nu de Enakieten verdrijft: Achiman, Sesai en Talmai, waarover al na het verspieden van het land was gesproken (Joz. 15:14; zie ook Num. 13:22; 13:33). Wie een vergelijking maakt tussen de verschillende erfdelen, merkt dat Juda veel meer steden krijgt (112, als men de bijbelse telling aanhoudt) dan welke stam ook. En verder merkt men dat er Filistijns land bij Juda hoort: Ekron, , Asdod en Askelon met hun ommelanden (15:45-47). Het Filistijnse kustland is van Juda, is de boodschap, daarmee verwijzend naar de grote Judeeër David, die een eind zal maken aan de aspiraties van de Filistijnen (zie ook Ri. 1:18). Besloten wordt met de mededeling dat de Judeeërs de Jebusieten – die in Jeruzalem woonden – niet konden verdrijven. Op zich vreemd: volgens 18:28 hoort Jebus bij Benjamin. Zie verder Richteren 1:8,21. Duidelijk is dat de Judeeërs hier Jeruzalem nog niet kunnen innemen. Dat moeten ze overlaten aan David (II Sam. 5:6-16).
Juda voert de trits stammen aan die het kernland van het Noordrijk zullen bewonen: Efraïm en Manasse. Eerst wordt het zuidelijke Efraïm genoemd en daarna komen we weer even aan de oostkant van de Jordaan, maar in 17:7 zijn we weer de Jordaan overgestoken. We merken uit 17:9 dat de grens tussen Efraïm en Manasse soms moeilijk te trekken is. Dat geldt ook van de noordgrens met Issakar en Aser (17:11). Opvallend is dat de Efraïmieten de Kanaänieten in niet konden verdrijven (16:10) en de Manassieten de drie heuvelstreken, met o.a. (17:11-13), niet konden veroveren. Steden die uitgerekend in de geschiedenis van Salomo thuishoren, zie onder andere I Koningen 9:15. Zoals de Judeeërs Jebus aan David moeten overlaten, zullen de Efraïmieten en Manassieten Gezer en aan Salomo moeten overlaten.
De aanvoerder van ‘de zeven stammen’ (18:2,9) is Benjamin, zoals Juda aanvoerder is van de zogenaamde ‘grote stammen’, en daarmee is hij de pendant van Juda in de structuur van de auteur. Benjamin is de stam die een brugfunctie vervult in de Hebreeuwse Bijbel: staatkundig bij het Zuidrijk, maar als zoon van Rachel is hij familiair een echte Jozefstam.
We gaan weer van zuid naar noord: eerst volgt Simeon (19:1-9), waarvan geldt: ‘Uit het deel van de Judeeërs was het erfdeel van Simeon genomen’ (19:9). Simeon is eigenlijk een ‘onderdeel’ van Juda (zie ook Ri. 1:3). De stam Simeon treedt niet zonder Juda op en om die reden wordt mijns inziens deze woestijnstam na Benjamin vermeld. Daarmee is het ‘zuidelijke blok’ genoemd, maar ook is een contrast getekend met de Jozefieten. Volgens 17:14 hebben zij ruimte tekort, terwijl Juda volgens 19:9 te groot is voor het aantal stamleden. Juda is ‘groeiland’ in Jozua, ruimte genoeg, ook voor broeder Simeon met wie hij samen optrekt.
Van helemaal zuid gaan we nu naar het hoge noorden: Zebulon en Issakar en Naftali liggen ten oosten van de zee van Kinneret, en Aser ligt aan de zeekust. De stam Dan sluit de rij. Die is de pendant van Simeon. Het erfdeel van Dan wordt te klein maar in tegenstelling tot Simeon die in broederlijk overleg bij Juda ruimte vindt, trekt Dan naar het hoge noorden (Simeon naar het diepe zuiden) en moordt Lesem uit. In Richteren wordt er breeduit over verteld en heet Lesem Laïs (Ri. 18:29).
18:1-10 De verdeling in Silo
Als centraal gedeelte wijst de structuur van het verhaal Jozua 18:1-10 aan. Daarmee wordt de gang van het verhaal onderbroken, maar die onderbreking wordt functioneel gemaakt door de inhoud van de passage: er moet haast worden gemaakt met de bezetting en verdeling van het land. Het duurt veel te lang!
Verrassend is de vermelding dat ze eerst de tent van de samenkomst oprichten. Van die tent hadden we in Jozua nog niet gehoord en nu staat er opeens een heiligdom. ‘De tent’ is de centrale plek in Israël en krijgt ook een centrale plaats in het verhaal. De ark wordt niet vermeld (die heeft de auteur voor het laatst in 8:33 genoemd bij de voorlezing van de wet), maar duidelijk is dat Silo wordt aangewezen als gemeenschappelijk heiligdom voor de stammen en dat Eleazar bij dat heiligdom hoort (19:51; 21:2; zie ook II Sam. 7:1). Silo wordt bij de verdeling onder de stammen niet genoemd. Kennelijk geldt het als neutraal (in afwachting van Jeruzalem!). Vanuit Silo wordt het land opnieuw ‘verkend’. Eerst uit Sittim (2:1) om het land en te verspieden, nu om het te beschrijven. Het is cartografie avant la lettre en daarmee is een zekere landclaim neergelegd: dit is ons land, hier wonen wij, maar we moeten er wèl haast mee maken (18:3).
Slot: de verbondssluiting
Bij de bespreking van de opening van het boek zagen we al dat het boek een inclusie bevat. Een openingsthema komt terug aan het slot, de aandacht voor de Thora:
|
|
|
|
|
Ook zagen we al dat de aandacht voor de Thora een dragend thema in het boek is. ‘Zonder Thora vaart niemand wel’ zou men als opschrift boven het boek Jozua kunnen zetten.
Hoofdstuk 24 zelf heeft een klassieke structuur: die van de verbondssluiting tussen een ‘grootvorst’ en zijn vazallen. Zo’n opbouw ziet er ongeveer als volgt uit:
-
Proclamatie van de naam van de machthebber, die vervolgens in de eerste persoon wordt opgevoerd
-
Uiteenzetting van de grote daden van de machthebber
-
De eis van absolute trouw aan de grote koning
-
Voorwaarden
-
Zegen bij trouw aan het verbond, vloek bij ontrouw.
Zo’n schema is herkenbaar in Jozua 24 en herinnert aan het slot van Deuteronomium. Binnen dit schema loopt de auteur de door hem beschreven geschiedenis nog eens door. Je zou het een samenvatting van Jozua 1-12 kunnen noemen. Alles passeert nog eens de revue, waarbij de verzen 1-10 de hele voorgeschiedenis beschrijven. Vanaf vers 11 gaan we de Jordaan over en komen we nu zeven volken van Kanaän tegen (we troffen er eerder steeds zes!) en vinden we een korte herinnering aan Jozua 3-12. Dan volgt een structuur van woord en wederwoord:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Vers 24 valt wat ‘uit de toon’ en valt daardoor op:
We begonnen bij de dood van Mozes en eindigen bij de dood van Jozua, die nu de titel van Mozes krijgt: èbèd
Ook Jozef vindt eindelijk rust in het land: zo vallen twee tradities die we in Genesis 33:19 en 50:24-26 aantreffen op hun plek. De uittocht van Egypte heeft hiermee zijn definitieve voltooiing. Met de vermelding van Eleazars begrafenis laat de auteur zijn voorliefde voor vertellen in drievoud nog één keer zien. Het is nu allemaal afgerond: iedereen heeft zijn plaats, ook de doden.