Judas
INLEIDING
1.De inhoud
De brief van Judas is gericht aan christenen, die volgens de inhoud van de brief een joodse achtergrond hebben. Geen persoon of gemeente wordt in de brief genoemd. Het blijkt uit de aanhef van de brief dat de schrijver zijn lezers niet persoonlijk gekend heeft. Aan het slot van de brief worden ook geen groeten vermeld. Het is daarom moeilijk om de plaats aan te wijzen waar de eerste lezers zich bevonden hebben. Wel veronderstelt de inhoud een wijdere, maar tegelijk bepaalde lezerskring waarschijnlijk in Klein-Azië of Syrië. Evenals de brief aan de Hebreeën (13:22) en de eerste brief van Petrus (5:12) is ook de brief van Judas een brief van vermaning (vs 3), vooral gericht tegen de dwaalleer. De dwaalleraars verkondigden, dat Gods genade zo groot is, dat een mens maar rustig kan zondigen (vs 4) en de vrije teugel geven aan zijn vleselijke begeerten (7-8, 10-13, 16, 18-19). De dwaalleraars hebben de genadeleer veranderd in een vrijbrief voor ongebondenheid (vgl. Paulus’ tegenwerpingen in Rom. 6:1-2; 6:15). Hiertegenover roept Judas zijn lezers op om zichzelf te bewaren in de liefde van God en de zonde te haten en te vlieden. Een verschrikkelijk oordeel wordt over de dwaalleraars uitgesproken. De lezers worden vermaand om de leer van Jezus en de apostelen vast te houden. God, die Zijn liefde schenkt en bij Zijn liefde wil bewaren, en Jezus Christus zijn lofwaardig.
2.De schrijver
De schrijver van deze brief noemt zichzelf Judas. Hoewel hij een broer van de Here Jezus is (Mar. 6:3), geeft hij de voorkeur aan zijn geestelijke relatie met Jezus boven de natuurlijke band. Daarom noemt hij zichzelf dienaar, slaaf van Jezus Christus (vs 1). Wel duidt hij zichzelf aan als de broer van Jakobus (vs 1) met wiens brief dit schrijven een merkwaardige overeenkomst vertoont (vgl. vs 16 met Jak. 3:1-10, vs 19 met Jak. 3:15 en vs 23 met Jak. 5:19-20). De benaming ‘slaaf van Jezus Christus’ (vs 1) herinnert ook aan Jak. 1:1.
3.Tijd en plaats van ontstaan
Waarschijnlijk is de brief van Judas na de tweede brief van Petrus geschreven. Er is veel overeenkomst tussen beide brieven. In 2 Petrus moeten de dwaalleraars nog komen. Petrus heeft ze al wel gesignaleerd (2:1). Maar bij Judas zijn zij reeds op het toneel verschenen (vs 4). De dwaalleraars worden ook niet zoals in 2 Petrus nog opgeroepen tot bekering (3:9), maar zij worden bedreigd met het oordeel van God (vs 13). De term ‘Heerser’ (vs 4) biedt misschien een aanknopingspunt. In het jaar 69 n.Chr. heeft het romeinse rijk binnen het tijdsbestek van een jaar vier keizers gehad: Galba, Otho, Vitellius en Vespasianus. Terwijl de staat in onzekerheid verkeerde wie zijn heerser is, kon Judas er misschien met recht op wijzen, dat Jezus de enige en ware Heerser is. Aangenomen wordt, dat de brief behoort tot de vroege geschriften van het Nieuwe Testament. Er is een duidelijke affiniteit met de brieven van Paulus te bespeuren (vgl. vs 4a met Gal. 2:4; vs 6 met Kol. 2:7; vs 9 met 1 Tess. 4:16; vs 16 met Gal. 5:16 en vs 24-25 met Rom. 6:1). Wij mogen aannemen, dat deze brief kort na 65 na Christus is geschreven, want er wordt in de vss 17 en 18 naar het gesproken woord van de apostelen verwezen en niet naar hun geschriften. Wel krijgen wij uit deze verzen de indruk, dat de apostelen reeds overleden waren en dat Judas daarom in hun plaats aan de lezers deze brief geschreven heeft. Over de plaats van ontstaan kan slechts gegist worden. Vanwege de joodse achtergrond van de brief moet sterk aan Palestina gedacht worden.
4.De betekenis van de brief
Hoewel een kleine brief en verscholen in een uithoek van het Nieuwe Testament bevat deze brief een heldere boodschap voor alle tijden. De betekenis van deze brief ligt in het feit dat de schrijver er met grote nadruk op wijst, dat de rechte leer vergezeld moet gaan van het rechte leven. Waar de genadeleer in zondige ongebondenheid veranderd wordt, daar wordt de Here Jezus-in de praktijk verloochend. Uit een christelijke levenswandel moet blijken of wij werkelijk geestelijke mensen zijn, die door de Heilige Geest geleid worden.
5.Centrale motieven
De brief toont een duidelijke structuur waarin de centrale motieven helder naar voren komen. De brief begint met de liefde van God de Vader en de bewaring van Jezus Christus (vs 1) en de brief eindigt met een soortgelijk motief: de liefde van God en de barmhartigheid van Jezus Christus (vss 20,21). Dit is de buitenste cirkel. Daarbinnen vinden wij weer een cirkel, want in vs 3 klinkt de aansporing om in het overgeleverde geloof te blijven, terwijl deze aansporing iets anders geformuleerd in vs 17 herhaald wordt. Hierbinnen krijgen wij in vs 4 de ernstige waarschuwing tegen de dwaalleraars met de voorkennis van hun oordeel en deze waarschuwing met dezelfde voorkennis van het oordeel wordt in de vss 10-14 herhaald. In het middenstuk van de brief wordt dan gesproken over het oordeel van God over de engelen (vss 5-9), terwijl aan het einde van de brief de doxologie, de lofprijzing van God weerklinkt (vs 25).
6.Verhouding tot andere boeken van het Nieuwe Testament
Waarschijnlijk is vs 1 een zinspeling op Jak. 1:1. Dan is deze brief na die van Jakobus geschreven. Er is een theorie, die Judas als de schrijver van de brief aan de Hebreeën beschouwt en dan in vs 3 een verwijzing naar die brief wil zien. Indirect is er een verband met de brief van Paulus aan de Romeinen waarin ook gestreden wordt tegen een libertinistische dwaalleer, die de genade van God gebruikt om een zondige levenswijze te rechtvaardigen. De verhouding tussen de brief van Judas en de tweede brief van Petrus is reeds bij 2 Petrus besproken. Het lijkt het meest waarschijnlijk, dat Judas later dan 2 Petrus geschreven is en dat hij van Petrus’ tweede brief gebruik gemaakt heeft. Petrus haalt uit het Oude Testament aan, terwijl Judas ook uit de apocriefe geschriften citeert. Ook is de toon tegen de dwaalleraars bij Judas scherper dan bij Petrus. Dit kan op een bepaalde ontwikkeling wijzen.
7.Indeling van de brief
Inleiding 1-2
Waarschuwing tegen de dwaalleraars 3-16
De roeping van de gemeente tot een heilig leven 17-23
Lofprijzend slot 24-25
VERKLARING
Inleiding 1-2
Judas noemt zichzelf een slaaf van Jezus Christus (1) en een broer van Jakobus (vgl. 2 De schrijver). Hij schrijft aan hen, die geroepen zijn. Dit is een roeping uit de duisternis van de zonde tot Gods wonderbare licht (vgl. 2 Tess. 2:14), tot de gemeenschap van Jezus Christus (1 Kor. 1:9), tot Zijn eeuwige heerlijkheid (2 Petr. 5:10). Zij zijn in God de Vader geliefd, door God met liefde omgeven. Dit is goddelijke en vaderlijke liefde. Ook zijn zij voor Jezus Christus bewaard. Bewaren heeft de betekenis van geborgen zijn met een zegenrijk doel. Niet alleen worden de gelovigen door God bewaard, zij worden ook voor de Here Jezus bewaard, want zij zijn Zijn eigendom (Joh. 10:27). Judas noemt in zijn zegenbede drie genadegaven: barmhartigheid, vrede en liefde (vs 2). Het getal drie komt herhaaldelijk voor in deze brief. Gods barmhartigheid gaat naar hen uit, zij mogen delen in Gods vrede en de lezers hebben de Uefde als de wortel van de beide andere gaven ontvangen. De schrijver wenst hen toe, dat zij nog meer Gods ontferming over hen, Zijn onverdiende gunst, Zijn vrede en Zijn liefde mogen ondervinden.
Waarschuwing tegen de dwaalleraars 3-16
Aanleiding tot zijn schrijven 3-4
Eerst was Judas van plan om over ons gemeenschappelijk heil (3), de zaligheid of de verlossing waar schrijver en lezers samen in mogen delen te schrijven. Maar toen Judas het gevaar van de dwaalleer zag opduiken, veranderde hij van onderwerp en nam hij de pen op om tegen de dwaalleer, die de gemeente(n?) binnengeslopen was te waarschuwen. Hij zag zich genoodzaakt om dit te doen en zijn lezers te vermanen om tot het uiterste te strijden voor het geloof enz. Met geloof is hier bedoeld de christeUjke geloofswaarheid, de leer. Het is overgeleverd via apostels en predikers aan de heiligen, de gelovigen. Het is eenmaal, eens voor altijd overgeleverd, zodat geen herhaüng nodig is. Judas sluit zich aan bij de apostolische traditie (vgl. 1 Kor. 15:1-3). De geadresseerden moeten voor dit geloof, voor. deze leer tot het uiterste strijden, met inspanning van alle krachten vechten in de betekenis van een kampstrijd voeren om het zuiver te bewaren. De reden hiervoor is, dat zekere mensen binnengeslopen zijn (4). Zij zijn bedriegUjk de gemeente(n?) binnengedrongen, onder het voorwendsel, dat zij ook gelovigen zijn. Maar zij zijn goddelozen, zonder eerbied ên vrees voor God, die de genade van God in losbandigheid veranderen. Zij leren, dat Gods genade, Zijn vrije, onverdiende goedheid als bron van vergeving en heil de vrijheid geeft om in zondige losbandigheid te leven. Wel wordt Gods genade erkend maar ze wordt gebruikt als een vrijbrief om er maar op los te zondigen. Hoe meer iemand zondigt, des te meer zal hij Gods genade deelachtig worden. Dit is een libertinistische dwaalleer waarbij waarschijnlijk uitgegaan wordt van een dualisme tussen geest en stof. Uit Qumran-teksten weten wij, dat deze dwaalleer reeds vóór de geboorte van Christus in het Jodendom bekend was. De dwaalleraars loochenen, verloochenen met hun dwaalleer Jezus Christus, die de enige Heerser (Grieks: despotes) en Here is. Jezus is Here, Kurios, Heerschappijvoerder en Heerser. De titel Heerser wordt gebruikt om de volstrekte hoogheid en de allesomvattende oppermacht van Jezus uit te drukken, terwijl de titel Here vooral door het woord ‘onze’ (in het Grieks achter het woord ‘Here’) erop wijst, dat Jezus voor de gelovigen in bijzondere zin een Koning en Beschermer is. De dwaalleraars zijn reeds lang te voren tot dit oordeel opgeschreven. Dit kan wijzen op een goddelijk raadsbesluit of dit kan betekenen, dat reeds in oude profetieën vermeld is, dat het goddelijk oordeel, daarom dit oordeel, de dwaalleraars zal treffen. Mogelijk hebben wij hier zelfs een verwijzing naar 2 Petr. 2:3.
Drie waarschuwende voorbeelden van goddelijke straf 5-7
Weer krijgen wij hier het getal drie. Drie voorbeelden van Godsoordelen geeft Judas. Ook 2 Petrus noemt drie Godsgerichten, maar hij doet dit in historische volgorde: Gods oordeel over de engelen, over de oude wereld en over Sodom en Gomorra. Judas wijst op het volk Israel in de woestijn (5). De Here, (volgens sommige handschriften: Jezus) heeft een volk uit Egypte verlost, Gods of Jezus’ genadevolle redding uit het diensthuis van de zonde (Ex. 20:1). Maar andermaal heeft Hij hen – verdelgd. Al heeft God Zijn genade betoond door hen uit Egypte te verlossen, toch heeft Hij hen, die in de woestijn zondigden en zo van hun ongeloof blijk gaven gestraft (vgl. Num. 14:26-38; 1 Kor. 10:1-11). Dit is een waarschuwing voor de lezers om zich niet tot zonde te laten verleiden. Dan wijst Judas op Gods oordeel over de gevallen engelen (6; vgl. 2 Petr. 2:4). Zij zijn aan hun oorsprong ontrouw geworden, letterlijk: zij hebben hun eigen heerschappij niet bewaard. De positie door God aan hen toegekend zijn zij niet trouw gebleven. Zij grepen naar een zelfstandige niet van God afhankelijke positie. Zij hebben ook hun eigen woning verlaten, de hemel waar zij door God geplaatst waren. Nu worden zij voor het oordeel bewaard (vgl. 2 Petr. 2:4). Geboeid met eeuwige banden worden zij onder donkerheid voor het oordeel bewaard. Zij zijn niet meer vrij. Zij ontberen het licht van de gemeenschap met God en zijn de eeuwen door in bewaring gesteld met het oog op de oordeelsdag. Ook worden Sodom en Gomorra en de steden in haar nabijheid (7) door Gods gericht getroffen. De steden Ada-ma en Zebolm (Deut. 29:23) hebben zich op gelijke wijze, aan dezelfde zonde schuldig gemaakt als de inwoners van Sodom en Gomorra: de zonde van hoererij, ontucht en ander vlees achterna lopen, de zonde van tegennatuurlijke ontucht (vgl. Gen. 19:5; Rom. l:26vv). God heeft deze steden nu al verteerd door vuur en daar liggen zij als voorbeeld, als een toonbeeld van een eeuwig vuur, een eeuwige vuurbrand, het eeuwige oordeel van God.
Het beeld van de goddeloze dwaalleraars 8-16
Judas noemt drie groepen van zonden, die hij in een chiastische tegenstelling geplaatst heeft tot de zonden in de vss 5-7 genoemd. De dwaalleraars, dromenzieners genoemd (18), vermeien zich in hun voorgewende openbaringen, bezoedelen het vlees (vgl. vs 7), door hoererij en overdaad waardoor het lichaam onteerd wordt. Zij verwerpen wat heerschappij heet (vgl. vs 6), zij willen van geen heerschappij, van geen gezag over zich weten en zij lasteren de heerlijkheden (vgl. vs 5). Zoals Israel in de woestijn aan God boze bedoelingen toeschreef (vgl. Num. 14:3), zo lasteren zij alles wat van Godswege heerlijkheid, bij voorbeeld hen, die een ambt ontvangen hebben, gekregen heeft. Tegenover de dwaalleraars tekent Judas de positie van de engel Michaël (vgl. Dan. 10:13, 21). Uit een apocrief geschrift: De hemelvaart van Mozes, haalt Judas de strijd tussen de engel Michaël en de duivel over het lichaam van Mozes aan. De duivel wilde dit lichaam hebben op grond van het feit, dat Mozes een moordenaar was (vgl. Ex. 2.T 1). In het twistgesprek met de duivel durfde Michaël geen smadelijk oordeel (9), geen oordeel dat in lastering bestaat over de duivel uitspreken. Hij het het oordeel aan God over: de Here straffe u Hij gaf de duivel over aan God om het straffende woord tegen hem te spreken. Maar de dwaalleraars lasteren wel. Zij lasteren al wat zij niet kennen (10). Zij hebben van geestelijke dingen geen begrip en toch spreken zij daarover trotse en lasterlijke woorden. En wat zij wel weten, gelijk de redeloze wezens, wat zij op natuurlijke wijze zoals de dieren van het geslachtsleven en van eten en drinken weten, daarin ligt hun verderf, daarin leven zij zich uit en gaan zij eens ten onder. Nu begint Judas het wee hun (11), het oordeel van God over hen uit te roepen. Met deze uitroep duidt hij het verschrikkelijke oordeel van God, .dat hen eens zal treffen aan. Deze dwaalleraars vertonen typisch hetzelfde beeld als de zelfzuchtige Kain, de hebzuchtige Bileam en de revolutionaire Korach (\).De weg van Kaïn is Kaïns levenswijze, de verleiding van een Bileamsloon, is om voor geld en eer mensen te verleiden tot zonde en het verzet van een Korach wijst op opstand tegen gezag wat door God ingesteld is. De dwaalleraars zijn schandvlekken bij uw liefdesmaaltijden (12). De maaltijden, die de eerste christenen met elkaar vóór of tegelijk met het heilig avondmaal hielden, werden ontsierd door hun optreden (vgl. 2 Petr. 2:13). Schaamteloos zaten zij aan om zichzelf te weiden, zichzelf te goed te doen, zonder zich om het lot van de armen te bekommeren voor wie deze maaltijden toch in de eerste plaats bedoeld waren. Zij zijn wolken, die geen regen brengen, zij zijn als bomen, die tot in de herfst geen vruchten dragen. Twee maal gestorven zijn zij en ontworteld. Vroeger waren zij dood in hun heidense toestand (vgl. Ef. 2:1) en nu zijn zij nog dood, zoals een boom niet alleen maar bladerloos en kaal, maar ook innerlijk dood. Zij lijken op hoog opgezweepte golven (13), die hun eigen schande opschuimen, die omhoog woelen wat er op de bodem van hun hart verborgen ligt. Zij zijn dwaalsterren, die geen leiding kunnen geven of sterren, die voor een tijd schitteren en dan verdwijnen. Zo verdwijnen de dwaalleraars in de donkerste duisternis, het eeuwige verderf. Henoch, de zevende van Adam af, letterlijk een zevende van Adam (14), er is ook een andere zevende, namelijk Lamech (vgl. Gen. 4:18-24), heeft over de dwaalleraars reeds geprofeteerd. Judas haalt hier aan uit een apocrief geschrift: Boek van Henoch. Henoch heeft geprofeteerd over het oordeel van God. Hij is gekomen met zijn heilige tienduizenden, Zijn engelen, om de goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken (15) en de harde taal, de vermetele woorden, die zij tegen God gesproken hebben. Zij zijn altijd ontevreden (16), zij morren over hun lot en willen altijd meer (Jak. 4:1, 2). Zij wandelen naar hun begeerten, zij laten zich leiden door hun boze lusten en begeerten. Zij spreken hoogdravend, verwaand alsof zij heel wat zijn en zij vleien de mensen om daaruit voor zichzelf voordeel te trekken.
Vermaning aan de gelovigen 17-23
De geliefde geadresseerden (17) moeten zich niet door het optreden van de dwaalleraars laten verrassen. Hun komst is immers reeds voorzegd door de apostelen, de gevolmachtigden van de Here Jezus. De lezers moeten denken aan wat de apostelen vroeger gesproken hebben over deze spotters (18; vgl. 2 Petr. 3:2, 3). Het einde van de tijd, is de tijd, die is ingetreden met de komst van de Here Jezus Christus. De dwaalleraars zijn scheurmakers (19), letterlijk: zij maken afscheidingen, zij delen de mensen in in groepen van personen met meer en met minder geestelijk inzicht en zij achten zichzelf de diepst ingewijden, de geestelijke mensen. De gnostieken hebben met deze onderscheidingen gewerkt. Maar Judas noemt de dwaalleraars natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben. Hoewel zij voorgeven, dat zij de Heilige Geest in hoge mate bezitten, zijn zij onbekeerd en missen zij ten enen male de Heilige Geest. De gemeente(n?) moeten tegen de dwaalleer gewapend worden. Daarom moeten de gelovigen zichzelf bewaren in de liefde Gods (20). Deze bewaring is een gave (vgl. vs 1), maar ook een opgave. Zij moeten bij de liefde van God blijven. Hoe dit gedaanmoet worden, verduidelijkt Judas met drie opdrachten: zij moeten zichzelf opbouwen in hun allerheiligst geloof . Geloofsopbouw, geestelijke groei is noodzakelijk, want dit is een sterk wapen tegen de dwaalleer. Iedere gelovige moet aandacht geven aan zijn eigen geloofsopbouw (vgl. Ef. 4:16). Het geloof wordt allerheiligst genoemd, want het is een gave van de heilige God. In de tweede plaats is het gebed noodzakelijk. Dit moet zijn een bidden in de Geest, een gebed dat door de Heilige Geest gewekt en ge-drageij wordt en in diepe afhankelijkheid van de Heilige Geest gebeden wordt. Ten derde wijst Judas op de verwachting van de wederkomst van Christus (21). Hij schenkt het eeuwige leven. Er is duidelijk een trinitari-sche opbouw in de vss 20 en 21: de liefde van God, het gebed in de Geest en de verwachting van Jezus’ komst. In een pastoraal advies wijst Judas erop hoe met de dwa-lenden gehandeld moet worden. Met grote barmhartigheid moeten de twijfelenden tegemoet getreden worden (22), zij die vast willen houden aan het ware geloof doch ook neigen tot de dwaling. Met ontferming moeten deze mensen tegemoet getreden worden. Er zijn ook mensen, die reeds vastzitten in de greep van de dwaling (23). Met kracht moeten zij uit het vuur gerukt worden zoals een stuk hout, dat reeds vlam gevat heeft (vgl. Zach. 3:2). Er moet met de uiterste behoedzaamheid opgetreden worden. Barmhartigheidsbetoon tegen de dwalenden (vgl. vs 22) moet in vreze (23), uiterst behoedzaam om niet zelf in de zonde meegesleurd te worden, uit afkeer zelfs voor het kleed, dat door het vlees besmet is, zoals bijvoorbeeld bij melaatsheid (vgl. Lev. 13:47).
Lofprijzend slot 24-25
In zijn lofprijzend slot sluit de schrijver weer aan bij het begin van zijn brief: God is lofwaardig, want Hij is machtig om voor struikelen te behoeden (24). Hij is in staat om de gelovigen temidden van de dreigende gevaren staande te houden en hen onberispelijk te doen staan … in grote vreugde, hen zonder gebrek, zonder vlek of rimpel (Ef. 5:27) in Zijn heerlijke, vreugdevolle tegenwoordigheid te brengen. God is alleen God (vs 25) en Hij is onze Heiland, Zaligmaker. Met deze naam wordt de Here Jezus genoemd maar ook God (vgl. 1 Tim. 3:2; Tit. 1:3). Aan Hem komt toe heerlijkheid, majesteit, kracht en macht. Judas gebruikt vier woorden om de grootheid van God aan te geven: heerlijkheid is Gods glorie, majesteit is Zijn grootheid, kracht duidt op Gods overmacht, de controle, die Hij heeft over de hele wereld en macht geeft Zijn bevoegdheid, Zijn gezag over alles aan. Door Jezus Christus. Door Hem is God onze Zaligmaker en door Hem komt God lof en eer toe (vgl. 1 Petr. 4:11). Lof komt God toe vóór alle eeuwigheid, zowel nu als in alle eeuwigheid. Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid dezelfde heerlijke God. De lofprijzing wil de lezers doen afschrikken van de zonde en hen aanmoedigen om deze grote, machtige God te dienen. Het amen sluit zoals gewoonlijk de doxologie af (vgl. 1 Petr. 4:11).