Menu

Premium

Juk

weegschaal

Van het juk in overdrachtelijke zin geeft de geschiedenis tal van voorbeelden. We geven er twee. In 321 voor onze jaartelling liepen de Romeinse legioenen in Caudium in een hinderlaag en werden overmeesterd. Zij moesten toen onder een van speren gemaakt juk door lopen, een handeling die de grootste vernedering symboliseerde. Ook kwam het juk voor als christelijk symbool bij het afleggen van één van de drie kloosterbeloften, namelijk die van gehoorzaamheid. Het gebeurde wel dat de toetreder een juk op de schouder werd gehangen om zijn gehoorzaamheid uit te beelden. In deze voorbeelden zien we twee betekenissen van het juk: de eerste toont onderwerping in negatieve zin (onvrijwillig), de tweede onderwerping in positieve zin (vrijwillig).

De bijbel spreekt herhaaldelijk van het juk in beeldende zin. We zullen zien dat de bovengenoemde betekenissen daar evenzeer voorkomen.

Grondtekst

Het gebruikelijke woord voor ‘juk’ in het Oude Testament is ‘ol (ca. 40x, waarvan 15x in 1 Kon. 12 en 2 Kron. 10 en 7x in Jer. 27-28). Het geeft het kromme hout op de nek van het trekdier aan. Daarnaast verschijnt mot(ah), ‘draag(stang), juk’ (12x, o.a. Num. 4:10, 12; 13:23; Jes. 58:6, 9; Nah. 1:13). In Jeremia 27-28 worden ‘ol en motah door elkaar gebruikt. Aangezien het juk op de hals of nek van het dier werd gelegd,wordt het woord juk meer dan eens samen met dit lichaamsdeel – zie de bespreking van ‘rug’ (schouder) – genoemd (Deut. 28:48; Jes. 10:27; Jer. 30:8; Klaagl. 1:14; Sir. 51:26). Het nieuwtestamentische zygos betekent zowel ‘juk’ (Mat. 11:29-30; Hand. 15:10; Gal. 5:1; 1 Tim. 6:1; vgl. 1 Clemens 16:17) als ‘weegschaal’ (Op. 6:5), wat niet verwonderlijk is gelet op de vorm van beide voorwerpen; dit correspondeert met de Septuaginta. Vanwege de samenhang tussen juk en weegschaal bespreken we hier (zie B-f) eveneens het laatste woord, waarvoor het Hebreeuws de dualisvorm moznajim, letterlijk ‘twee schalen’, heeft (ca. 15x, o.a. Lev. 19:36; Jes. 40:12-15); het Aramese equivalent luidt mozne’ (Dan. 5:27).

Letterlijk en concreet

a.Een juk uit de bijbelse tijd bestaat gewoonlijk uit een lange houten balk met een korte dwarsbalk. Deze wordt op de nek van het trekdier, meestal een rund, gelegd en met houten stangen onder aan de hals vastgebonden met riemen, touwen of kettingen. In het algemeen functioneren de trekdieren als span (Job 1:3; Luc. 14:19; vgl. Josefus, Joodse Geschiedenis, XII,192). De Tora schrijft voor dat het span uit gelijksoortige dieren dient te bestaan (Deut. 22:10); anders zou dat van de dieren te veel vergen. Wanneer de boer het juk van het dier afneemt, geniet het van rust en vrijheid. Dieren die voor het offer bestemd zijn, mogen geen juk gedragen en geen werk gedaan hebben (Deut. 21:3). Ongerept zullen zij zijn, zodat zij voluit offer kunnen zijn.

b.Een gevaar voor de rechtvaardige samenleving is de onzuivere weegschaal. Daarom roept de bijbel herhaaldelijk op voortdurend te waken voor zuiverheid in dezen (Lev. 19:36). Amos haalt fel uit tegen de rijken die knoeien met gewichten en weegschalen om zichzelf te verrijken ten kosten van de armen (8:5).

Beeldspraak en symboliek

a.Primair is het juk beeld van ongewilde afhankelijkheid en onderwerping. Deze negatieve beeldspraak gebruiken de bijbelschrijvers om vreemde overheersing uit te drukken. De profeet ageert tegen Babel omdat deze heerser zelfs op de grijsaards zijn juk zwaar heeft gemaakt (Jes. 47:6). De verteller van de gebeurtenissen van de Makkabeeën klaagt over het juk, de overheersing van de Grieken (1 Makk. 8:18,31).

b.In twee verhalen neemt het juk een centrale plaats in. Het eerste gaat over de onderhandeling van Rechabeam met het volk (1 Kon. 12; 2 Kron. 10). Kennelijk heeft het volk geleden onder de druk van Salomo’s regering, want vertegenwoordigers van het volk vragen koning Salomo’s opvolger Rechabeam of hij het juk van zijn vader lichter wil maken. Rechabeam raadpleegt uiteindelijk enkele jonge mannen met wie hij is opgegroeid. Dezen geven hem de raad hettoekomstige juk niet lichter maar zwaarder te maken dan dat van zijn vader. De nieuwe heerser volgt die raad op. De basis voor tirannie en vervreemding is gelegd! Het tweede verhaal brengt ons bij de profeet Jeremia. In hoofdstuk 27-28 van dit boek verschijnt het juk in letterlijke zin, maar het functioneert binnen een symbolische handeling. Zoals vaker gebeurt bij profetisch optreden, ontvangt deze profeet de opdracht van God zich te begeven naar tempel en paleis, met een juk op de schouders. Waarom die merkwaardige opdracht? Wel, in Jeruzalem vindt een internationale conferentie plaats, waar afgezanten van regeringen uit Israëls omgeving overleggen hoe zij de heerschappij van Babel in hun gebied kunnen tegenhouden. In naam van God moet Jeremia aan hen verkondigen dat die pogingen tot mislukking zijn gedoemd. De Heer ziet een andere weg: Babel zal de volkeren overheersen en zij dienen zich daar naar te schikken. Op termijn biedt dat uitzicht op de toekomst. Om zijn boodschap kracht bij te zetten en verstaanbaar te maken, draagt Jeremia een juk en deelt hij jukken uit aan de afgevaardigden met het verzoek die aan hun koningen te geven. Het juk symboliseert de Babylonische heerschappij, die onontkoombaar is. Ineens verschijnt een andere profeet ten tonele, Chananja. Hij brengt de tegenovergestelde boodschap, ook in naam van de Heer. Hij kondigt aan dat het juk van Babel verbroken zal worden, en onderstreept dat door het juk van Jeremia’s schouder te nemen en het te breken. Even later neemt Jeremia nogmaals het woord. Namens de Heer spreekt hij tot Chananja dat diens boodschap onwaar is; het verbroken houten juk zal als ijzeren juk terugkeren op de schouders van de volkeren. Met andere woorden: als de koningen, inclusief de Judese koning, zich niet schikken naar de Babylonische bezetting, zal hun nood nog zwaarder – ijzer! – worden (vgl. Deut. 28:48).

c.Al even kwam het verbreken van het juk naar voren in de daad van Chananja. Dit verbreken of afleggen is beeld van bevrijding uit de beknelling. Om de ervaring van concrete bevrijding van politieke machten te verwoorden, dient zich het beeld van dit afgelegde juk aan (1 Makk. 13:41). Eeuwen eerder verbond men het met de uittocht uit Egypte (Lev. 26:13; vgl. Hos. 11:4). We kunnen ons deze beeldspraak wel indenken, aangezien een juk op de schouders van de os het dier zeer beperkt in zijn doen en laten. Het afwerpen ervan betekent vrijheid. Vooral heeft de beeldspraak een plaats gekregen in de belofte van het aanstaande heil, van Gods geheelde toekomst. Ooit, zo hebben de profeten verkondigd en gezongen, zal geen juk meer de schouders van Gods mensenkinderen belasten (Jes. 58:6-9; Ez. 34:25-30; Nah. 1:13). De christelijke traditie heeft de aankondiging van sjalom, mede door het beeld van het verbroken juk, in Jesaja 9:3 zelfs messiaans geïnterpreteerd (vgl. 10:27; 14:25). Vandaar dat die tekst in de liturgie gedurende de adventstijd graag gelezen wordt. Deze voorbeelden van het afgeworpen juk duiden primair het verval van de politieke systemen, maar zij hebben zich door de eeuwen heen getransformeerd tot woorden van hoop in allerlei situaties van overheersing.

d.Niet alleen overheersing van politieke machten kunnen als een zware last op de hals liggen, ook andersoortige machten. De klaagzanger zingt over Sions bekentenis van haar overtredingen, die zo zwaar drukten dat zij struikelde (Klaagl. 1:14). Het juk geldt hier als metafoor voor een niet te torsen last. Mogelijk mogen we ook de bedoeling van 3:27 in die richting zoeken. Mogelijk, want er bestaat onduidelijkheid over. Is het juk hier het beeld van jongeren die zich laten onderwijzen in de Tora, of duidt het op Gods goedheid voor vromen die in hun jeugd een last hebben te dragen? Voor de wijsheidsleraar kunnen inderdaad de moeiten van het leven die iemand moet meedragen, het best met de metafoor juk worden weergegeven (Sir. 40:1; vgl. Job 7:1-2). Deze zelfde wijze wijst op nog een andere macht, die zwaar op de nek kan drukken: de tong (28:19-20). Hij heeft gezien hoe woorden pijn kunnen doen en schade kunnen berokkenen. Dat gaat zo ver dat hij de tong vergelijkt met een ijzeren juk in plaats van het gebruikelijke houten juk.

e.Het juk op de hals van mensen komt als beeldspraak eveneens in positieve zin naar voren. En wel in relatie met Gods onderricht, met de Tora en de wijsheid. Het aanvaarden van Gods wil, neergelegd en ontvouwd in de schriftelijke en mondelinge overlevering, is als het opnemen van een juk. De volgeling onderwerpt zich in vrijheid aan die wil en brengt hem of haar waar geluk. Wie daarentegen het goddelijke onderricht aan zijn laars lapt, werpt het juk van zich af en lijkt op een onwillig rund (Jer. 2:20; 5:5). De wijsheidsleraar roept zijn leerlingen opom de hals te buigen onder het juk van de wijsheid (Sir. 51:26). De joodse traditie kent verschillende jukken. In het Misjna-geschrift Spreuken der Vaderen 3:5 staat: ‘Wie het juk van de Tora op zich neemt, werpt het juk van de wereldmacht en het juk van de aardse zorgen van zich af; wie het juk van de Tora afwerpt, neemt het juk van de wereldmacht en het juk van de aardse zorgen op zich.’ In het ochtendgebed bidden de Joden om te vragen of ooit elk mensenkind het ‘juk van Gods koningschap’ zal aanvaarden. Ook spreken zij van het ‘juk van de geboden’, het ‘juk van de boete’ en het ‘juk van de Heilige, geprezen zij Hij’. Een voor een jukken die de relatie tussen God en mens bevorderen, terwijl in die ‘gebonden’ relatie de mens zijn ‘vrijheid’ vindt. In het licht van deze traditie dienen we de nieuwtestamentische teksten over het juk te lezen. Allereerst is daar het bekende woord van Jezus: ‘…neemt mijn juk op…mijn juk is zacht en mijn last is licht’ (Mat. 11:28-30; vgl. het Thomas-evangelie, logon 90). Jezus maakt een tegenstelling tussen het juk van de Tora dat door allerlei uitbreidingen en verplichtingen een zware last voor de mensen is geworden èn het juk van de Tora dat in Hém, in zijn spreken en handelen, zichtbaar wordt. Door de tegenstelling zet Hij zijn hoorders aan het denken. Voor Hem geldt: de Tora moet mensen vrijmaken, de relatie met de Vader in de hemel versterken en mensen bij elkaar brengen. In dat geval is de Tora licht en zacht; zo niet dan wordt de Tora een nauwelijks te dragen last. In dit kader mogen we Petrus’ uitspraak op het apostelconvent (Hand. 15:10) en Paulus’ opmerking aan de gemeente te Galaten (5:1) plaatsen: de Tora lezen en interpreteren vanuit de vrijheid die Christus heeft aangereikt.

f.De weegschaal symboliseert rechtvaardigheid, gelijkheid en de juiste verhoudingen. De zuivere weegschaal die bij de Heer behoort, verwijst naar Gods rechtvaardigheid (Spr. 16:11). In Openbaring verwijst de weegschaal in de hand van de ruiter op het zwarte paard, beeld van honger, naar de schaarste (6:5). De auteur sluit daarmee aan bij het visioen van Ezechiël 4:1016, waar het voedsel op rantsoen staat, wat de hoge nood tot uitdrukking brengt. Meer dan eens verschijnt de weegschaal in de context van het oordelen en beoordelen van mensen. Job roept op zijn verdriet en leed op een zuivere weegschaal te leggen, zodat men verbijsterd zal staan over de zwaarte daarvan (6:2; 31:6). In de laatste nacht van koning Belsassar blijkt, uit het vreemde handschrift op de muur, dat zijn leven en daden na weging te licht zijn bevonden; dat leidt naar de ondergang (Dan. 5:27). De psalmist beseft dat hij is overgeleverd aan Gods genade, want de mens zelf is uiteindelijk niet meer dan een ademtocht, die op de weegschaal niet waarneembaar is (Ps. 62:10).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 81; 109; Gezang 26; 117; 179; 195; 248; 296; 355; 407; 427; 435; 465; Evangelie I: 36; Gezegend: 123; Land: 36-37; Zingend III: 33.

b.Poëzie:

Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 103: ‘Uittocht’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 19962,

blz. 49: ‘De ploeger’; 106: ‘Elke avond, elke morgen’; 174: ‘De oorlog is niet over’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 122: ‘Uittocht’.

c.Verwerking:

Het woord juk toont ons de altijd aanwezige spanning tussen vrijheid en gebondenheid, tussen vrijwillige en gedwongen overgave. Deze spanning nemen we op zowel maatschappelijk-politiek als ethisch-godsdienstig gebied waar. Het besproken woord prikkelt kerk en theologie om beknellende ‘juk-situaties’ op te sporen en te wegen (weegschaal) èn de vraag te stellen naar de weg tot bevrijding.

Verwijzing

We wezen al op de relatie tussen juk en hals/nek; zie daarover ook de bespreking van ‘rug‘.

Wellicht ook interessant

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

Nieuwe boeken