Menu

None

Kooten – Echo’s van het goede nieuws

Dit is een fragment uit de inleiding (p. 15-17)

Dit boek biedt een culturele, historische en literaire herwaardering van de evangeliën. We denken vaak aan de bijbelse wereld als een mysterieuze en sym­bolische wereld die losstaat van de werkelijkheid, maar dit boek probeert die bijbelse evangeliën in hun werkelijke context te plaatsen en laat ook hun blij­vende betekenis zien. Het is noch een inleiding, noch een compendium, noch een commentaar, maar een culturele en historische verkenning die lezers helpt te begrijpen waarom de auteurs van de evangeliën hun verslagen schreven, wat kenmerkend is aan elk van de evangeliën, en hoe ‘het evangelie’ – ‘het goede nieuws’ van Jezus – in elk van deze vier evangeliën doorklinkt.

De evangeliën zelf vestigen vaak de aandacht op hoe het leven en de leer van Jezus geworteld waren in de Joodse Schriften (‘het Oude Testament’) en zelfs hun profetieën en verwachtingen vervulden. Toch is dat niet alles. De evan­geliën van Marcus, Matteüs en Johannes benadrukken ook hoezeer Jezus’ onderwijs onverwacht en nieuw was. Volgens Marcus waren zijn eerste toe­hoorders ‘allemaal verbaasd’ en bleven ze elkaar vragen: ‘Wat is dit? Een nieuwe leer – met gezag!’ Volgens Matteüs stelde Jezus in zijn beroemde Bergrede ook de ontvangen wijsheid ter discussie door middel van expliciete tegenstellin­gen: ‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd is …, maar Ik zeg jullie …’. En volgens Johannes daagt Jezus het biblicisme van zijn tijd uit als Hij tegen zijn gespreks­partners zegt: ‘Jullie doorzoeken de Schriften omdat jullie denken dat je daarin eeuwig leven hebt; en zij zijn het die over Mij getuigen. Toch weigeren jullie naar Mij toe te komen om leven te krijgen.’

Elk op hun eigen manier benadruk­ken de auteurs van deze evangeliën zo de nieuwheid van Jezus’ leer. Alleen Lucas – die, zoals we zullen zien, voor een Romeins lezerspubliek schreef – ba­gatelliseerde deze nieuwheid, waarschijnlijk omdat de Romeinen bekendston­den om hun sterke waardering voor hun eigen voorouderlijke gewoonten en het christendom kritisch als een ‘nieuw bijgeloof’ beschouwden. Om de nieuwheid te begrijpen die de leer van Jezus volgens Marcus, Matteüs en Jo­hannes kenmerkte, probeert dit boek Jezus te begrijpen vanuit het perspectief van de eerste eeuw. Waarom dachten mensen in die tijd (Joden, Grieken en Ro­meinen) dat het ‘evangelie’, het ‘goede nieuws’ dat Jezus verkondigde, eigenlijk ‘goed’ was? Om deze vraag te beantwoorden, kiest dit boek voor een sterk ver­gelijkende benadering door de culturele en historische omstandigheden van de eerste eeuw n.Chr., waarin Jezus verscheen en de evangeliën werden geschre­ven, opnieuw tot leven te brengen. Op deze manier brengt dit boek weer samen wat bij elkaar hoort, maar gescheiden is geraakt in de verschillende disciplines van klassieke talen en bijbelwetenschap.

Tegelijkertijd volgt dit boek een nieuwe datering van twee van de vier evan­geliën. Sinds enige tijd wordt het evangelie van Lucas steeds meer gezien als een laat evangelie, en ik volg het onderzoek van Steve Mason, een vooraanstaand geleerde op het gebied van Flavius Josephus, de Joodse historicus uit de eerste eeuw n.Chr., wiens werk ons helpt om de evangeliën te begrijpen binnen de ge­schiedenis van het jodendom in het vroege Romeinse Rijk. Mason heeft aan­nemelijk beargumenteerd dat Lucas bekend is met de Joodse Oudheden, een werk dat Josephus in 93/94 n.Chr. in Rome voltooide. Het lijkt waarschijnlijk dat Lucas’ evangelie tussen die tijd en 130 n.Chr. is geschreven, de datum waarop keizer Hadrianus de stad Jeruzalem heroprichtte, nadat de Romeinen deze in 70 n.Chr. hadden verwoest. Deze datering werpt een nieuw licht op het evangelie van Lucas en het doel ervan. Het is belangrijk dat de relatief late datering ons in staat stelt om aan te nemen dat Lucas bekend was met de evangeliën van Marcus en Matteüs, zoals ik zal aantonen in het hoofdstuk over het evangelie van Lucas.

Terwijl Lucas laat is, zijn er nieuwe overwegingen naar voren gekomen die het argument ondersteunen dat het evangelie van Johannes erg vroeg geschre­ven moet zijn. Sinds de negentiende eeuw werd dit verfijnde en meest filosofi­sche evangelie gezien als een laatkomer, maar zo’n late datum wordt nu betwist door de verwijzing in het evangelie naar bepaalde gebouwen in Jeruzalem in de tegenwoordige tijd, voordat ze werden verwoest tijdens de Eerste Joodse Op­stand (66-70 n.Chr.). Bovendien lijkt Johannes institutionele kennis te hebben van de geschiedenis van de tempel die Herodes de Grote in Jeruzalem bouwde en waarvan de bouw in 23/22 v.Chr. begon, evenals van de manier waarop het hogepriesterschap van de tempel werd geleid. We vinden ook aanwijzingen dat Lucas het evangelie van Johannes gebruikte. Waar Lucas in het voorwoord van zijn evangelie zegt dat hij gebruik heeft gemaakt van de ‘vele’ verhalen die reeds over Jezus waren geschreven, lijkt hij inderdaad te verwijzen naar de evangeliën van Marcus, Matteüs en Johannes.

Deze herwaardering van twee van de vier evangeliën zet ons ertoe aan om ze allemaal opnieuw te configureren en geeft ons een nieuw inzicht in hun beteke­nis en doel, wat op zijn beurt leidt tot een zeer dynamisch beeld van de evan­geliën. Elk evangelie is een verwoording van het ‘evangelie’ – het eu-aggélion, het ‘goede nieuws’ – voor zijn eigen context en tijd. Hun ontwikkeling kan het best worden gezien als de rimpelingen van een kiezelsteen die in een watermassa wordt gegooid, waardoor steeds bredere, concentrische cirkels over het oppervlak zichtbaar worden. De vroegste evangeliën, de evangeliën van Johannes en Marcus, zijn onafhankelijk van elkaar omdat ze gelijktijdig werden geschreven, vanuit twee verschillende perspectieven – vanuit Judea (Johannes) en vanuit Ga­lilea (Marcus).

De verschillen ertussen zijn dus ‘perspectivisch’. Samen veroor­zaakten ze echter de daaropvolgende concentrische cirkels van Matteüs en Lucas […]. Dit is een nieuwe manier om naar het bewijsmateriaal te kijken en dit perspectief vereist niet langer een eindeloze regressie naar een ongrijpbare historische Jezusfiguur die aan het zicht is onttrokken door een mist van hypothetische bronnen en ideologische geschiedschrijving die een ontwik­keling van het eenvoudige naar het complexe veronderstelt. In plaats daarvan wordt Jezus gezien als een (revolutionaire, ingenieuze) denker, wiens denken ge­cancelled werd en Hem zelfs het leven kostte. Toch heeft Hij een impact op de geschiedenis gehad – een impact die nog steeds zichtbaar is in de concentrische cirkels die zijn boodschap heeft achtergelaten in de vorm van de evangeliën die zijn verhaal vertellen. Zijn boodschap was om je leven te ‘heroverwegen’ – niet alleen om ‘berouw’ te tonen (hoewel dat er ook bij hoort), maar om je bezig te houden met metá-noia, met een ‘noëtische’ verandering van denken, en Hij noemde dit ‘goed nieuws’ omdat het een niet-politieke werkelijkheid opent.

De vroegste evangeliën, de evangeliën van Johannes en Marcus, zijn onafhankelijk van elkaar

Omdat dit boek zich richt op de evangeliën als weerklank van ‘goed nieuws’ in hun culturele en historische context, overstijgt het een grove tegenstelling tussen feitelijke historiciteit en het ontbreken daarvan. In plaats daarvan ves­tigt dit boek voortdurend de aandacht op de symbiose van ‘feitelijke’ histori­citeit en wat ik ‘culturele historiciteit’ zou willen noemen: dat wat past in het discours van zijn tijd en daarom historisch plausibel is. Niet alles kan ‘feitelijk’ bewezen worden, maar wat wel aangetoond kan worden is dat de impact die Jezus maakt, zoals zichtbaar in de vier evangeliën, verrassend coherent is.

Geurt Henk van Kooten is Lady Margaret’s Professor of Divinity (1502) aan de Universiteit van Cambridge.


Geurt Henk van Kooten, Echo’s van het goede nieuws. De evangeliën in context, toen en nu. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 360 pp. € 29,99. ISBN 9789043543798

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken