Korte Metten: De kluwen van ellende, armoede en vernedering
Vaag zei zijn naam mij wel iets. Ik kreeg een uitnodiging om een lezing van hem bij te wonen aan de Nijmeegse universiteit. Al snel begon me te dagen dat het aan mij lag dat de naam van Édouard Louis nauwelijks herkenning bij me opriep. Weken van tevoren was de avond uitverkocht. Een aantal keer ontving ik een mailtje met het verzoek of ik, als ik onverhoopt toch verhinderd bleek te zijn, dat even wilde melden. Dan kon iemand op de wachtlijst nog blij worden gemaakt.
Recht doen
Aanleiding voor de komst van Édouard Louis naar Nederland was de publicatie van zijn roman De ondergang. Het boek gaat over het leven en de dood op 38-jarige leeftijd van zijn broer, die zichzelf kapot heeft gedronken. Louis, wiens familienaam eigenlijk Bellegueule is, haatte zijn broer. Tegelijkertijd wil hij, paradoxaal genoeg, hem recht doen door over hem te schrijven. Dat ‘recht doen’ bestaat uit het schetsen van het arme, gewelddadige, racistische, homofobe arbeidersmilieu waarin hij en zijn broer zijn opgegroeid.
Sociale reproductie
Zijn broer had grootse dromen, die één voor één stuk sloegen op de werkelijkheid. Hij zat gevangen in een omgeving die hem geen kans bood om zijn plannen te laten slagen. Édouard Louis is zelf, door naar de universiteit te gaan, gestegen op de sociale ladder. Dat dat zijn eigen verdienste zou zijn geweest, spreekt Louis krachtig tegen. Hij is homo en móést daarom vluchten. Anders was het zijn ondergang geworden. Zijn broer heeft die noodzaak nooit gevoeld. Als dominante, heteroseksuele man had hij status binnen zijn milieu. Louis in een interview, in parafrase: ‘Het was voor mij geen kwestie van vrije keuze. Het was een kwestie van overleven. Ik moest mijn naam, mijn kleding, mijn taal en gedrag veranderen. Anders zou mijn verleden me altijd op de hielen blijven zitten.’
Het begrip ‘sociale reproductie’ heeft Édouard Louis geholpen om de levensloop van zijn broer te begrijpen. Ook maatschappelijke structuren van tekort en onderdrukking worden van ouders op kinderen overgedragen. Het individu is maar in beperkte mate vrij om een eigen weg te gaan. Zijn broer is dat niet gelukt.
Erfzonde
‘Erfzonde’ beschouw ik als het theologisch equivalent van sociale reproductie. In de christelijke traditie wordt de erfzonde gewoonlijk in verband gebracht met het paradijsverhaal (Genesis 2-3). De eerste mensen, Adam en Eva, eten tegen Gods wil van de boom van de kennis van goed en kwaad. De gedachte is dat door het eten van de vruchten van die boom de hele mensheid erfelijk belast is geraakt met de zonde. In zijn brief aan de gemeente in Rome schrijft Paulus: ‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd’ (Romeinen 5,12). In de joodse traditie wordt zonde in verband gebracht met een ander verhaal: Kaïn die gek wordt van jaloezie op zijn broer Abel. God vraagt hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer’ (Genesis 4,6-7). Maar Kaïn kan zich niet beheersen en hij slaat in blinde woede zijn broer dood.
Het levensverhaal van de broer van Édouard Louis laat zien dat geweld kan worden overgedragen van generatie op generatie. Dát is erfzonde: niet zozeer het eten van de kennisboom, waardoor de mens het goede van het kwade leert onderscheiden, maar de kluwen van ellende, armoede en vernedering die van vader op zoon en van moeder op dochter wordt doorgegeven.
Annemarieke van der Woude is remonstrants predikant in Oosterbeek. Ook is zij practicumdocent aan de master Geestelijke Verzorging van de Radboud Universiteit Nijmegen.