Menu

Basis

Korte Metten: Het geloof van de ander

Korte Metten Lody van de Kamp

Geloof was echt niet altijd leuk. Ook niet in deze contreien. In de achtste eeuw zwierf de Anglicaanse missionaris Winfried Bonifatius hier al rond om de niet-gelovigen te bekeren. Zijn drang liep niet zo goed af: als geloofsmartelaar werd hij bij het Friese Dokkum rond 754 vermoord.

Weer wat later moesten andersdenkenden kennismaken met de Inquisitie, met haar brandstapels. Dus ontstond er hoop op betere tijden met de reformatie. Maar ook daar had niet iedere gelovige profijt van. Ook nadat Maarten Luther zijn stellingen op de kerk in Wittenberg had vastgespijkerd was het zeker nog geen pais en vree in het land van de religieuzen. Uiteindelijk resulteerde die breuk met de oude Roomse Moederkerk ook al weer in een redelijk gefragmenteerd kerkelijk landschap. Tot en met vandaag de dag.

Toch ook met deze negatieve keerzijde van G’dsgeloof is het een onomstotelijk gegeven dat het belijden van godsdienst al eeuwenlang een gevestigd gedachtengoed is binnen onze samenleving. Zelfs in die mate dat de vrijheid daartoe haar plaats heeft verkregen binnen onze grondwet – en nog wel in het eerste wetsartikel daarvan.

Zoiets is natuurlijk helemaal terecht. De historische bijdrage van geloofsgemeenschappen is van onschatbare waarde. Als we alleen maar kijken naar het tot stand komen van het onderwijs, de gezondheidszorg, de armenzorg en verder maatschappelijk welzijn dan zien we dat dit alles zonder inbreng van de geloofsgemeenschappen nooit zo een hoge vlucht had genomen binnen onze verzorgingsstaat.

De Bijbel heeft ons veel goeds gegeven. Door al die eeuwen heen.

En toch – hoe vreemd dat ook klinkt – weten we als samenleving nog steeds niet goed hoe we om moeten gaan met geloof. En dan heel vaak met het geloof van die “ander”. Terwijl die ander krachtens onze grondwet natuurlijk dezelfde rechten heeft als wijzelf.

Neem nou de student die op een grote school met honderden leerlingen vraagt om een plekje om zijn dagelijkse gebedsverplichtingen na te kunnen komen. Een hoekje, een kamertje, voor maar een paar minuten van die lange schooldag. Hij krijgt een grondig “nee” te horen. “Wij zijn een neutrale school. Dit kunnen wij niet faciliteren.”

Een gebedsgenezer wordt het onmogelijk gemaakt om zijn religieuze praktijken uit te voeren. Natuurlijk, mogen we over dergelijke praktijken denken wat we willen. We mogen het voor onszelf afwijzen. Maar dit de ander onmogelijk maken met een concept van vrijheid van godsdienst verankerd in onze wetgeving is niet aan de orde. Pas wanneer er echte grenzen worden overschreden die de ander schade toebrengen dan kent de wet haar voorbehoud. Ook over godsdienstvrijheid kennen we de beperking “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. Bijvoorbeeld bij het verstoren van de openbare orde, bij het toebrengen van schade aan derden. Of het beledigen van anderen. Maar zolang dat niet het geval is, althans niet bewezen is, leven wij, zoals gezegd, al eeuwen met godsdienstvrijheid.

Het is een gegeven dat door het als maar meer uitbreidende leven zonder geloof de aandacht en het respect voor het geloofsleven van die ander minder is geworden. Toch moeten we er voor waken dat wij in die ontwikkeling de kostbare vrijheid van geloofsovertuiging en levensbeschouwing niet opofferen op het altaar van de secularisatie. Daarmee bewijzen wij onze samenleving een heel slechte dienst. De wettelijke grondrechten waar godsdienstvrijheid een deel van uitmaakt moeten voor elke burger onaantastbaar zijn. Een plekje om te kunnen bidden moet binnen de wettelijke kaders gezien worden als een grondrecht. Het organiseren van een gebedsdienst eveneens.

In de jaren toen ik nog naar school ging was er nog sprake van school op de zaterdagochtend. Joodse kinderen hadden echter de vrijheid om ervoor te kiezen om de lessen op deze Sjabbat te missen. Dat was toen de gewoonste zaak van de wereld. Vrijheid van godsdienst. Meneer van Meurs als rector van onze school zorgde er wel voor dat de Joodse leerlingen zo weinig mogelijk op die zaterdag misten. Hij paste ieder jaar opnieuw ongevraagd het lesrooster aan. Ik herinner mij nog heel goed hoe het lesrooster van de zaterdag er in mijn laatste jaar uitzag: één uur tekenen, één uur gymnastiek, één uur frans en een uurtje biologie. Zo maakte Van Meurs het de Joodse leerlingen gemakkelijker. En waarom deed hij dat? Uit respect voor ons Joodse geloof, dat zeker niet de zijne was. Hij was zelf streng gereformeerd.

Meneer van Meurs wist hoe om te gaan met het geloof van die ander. Jammer genoeg zijn wij dat met ons allen een beetje verleerd. Terug naar de schoolbanken, dus!


Lody Benno van de Kamp
 (Enschede, 29 september 1948) is orthodox-joods rabbijn, schrijver, maatschappelijk denker en ondernemer. Hij zet zich in voor interreligieuze dialoog en publiceert regelmatig over jodendom, Israël en hedendaagse vormen van antisemitisme.

Wellicht ook interessant

None

“Ik zoek geen Bunnikside-light in het geloof.”

Heilig gras, clubiconen, de hand van God – in de voetbalwereld barst het van de religieuze symboliek. Supporters zingen op zondag hun liederen, verlangen vurig naar een overwinning en danken het team na de weelde van drie punten. Bovendien lijkt er op het professionele veld ruimte te zijn voor ‘echte’ religie. We zien voetballers kruisjes slaan, het gras kussen en bezield omhoog wijzen na een doelpunt. In deze artikelserie leggen we voetbal en geloof naast elkaar: wat hebben ze gemeen en wat juist niet? Dit keer lezen we hoe Kees van Ekris als voormalig Theoloog der Nederlanden de Bunnikside van FC Utrecht bezocht.

Man met zijn handen voor zijn mond
Man met zijn handen voor zijn mond
Basis

De subtiele wreedheid van categorieën

Mensen zijn geobsedeerd door patronen. We vinden ze in de sterren, in de grond, en wie goed op let ziet ze ook in andere mensen. Het herkennen van patronen kan noodzakelijk zijn, omdat het ons helpt een complexe wereld te categoriseren en te navigeren. Toch kleeft er ook een schaduwzijde aan: wanneer patronen gebruikt worden om een andere groep te controleren, te definiëren of zelfs te schaden. Op het moment dat categorieën worden verheven van voorlopige beschrijvingen naar onbetwistbare waarheden, volgt schadelijk gedrag in onze meest intieme omgevingen en in onze belangrijkste instellingen. In gezinnen spreken we bijvoorbeeld over de “verantwoordelijke eerstgeborene kinderen” en zien we hoe die labels geleidelijk verharden tot verwachting. In samenlevingen worden mensen ingedeeld in “verdienstelijk” of “onwaardig,” en vervolgens wordt daar beleid op gemaakt. Wat begint als een handige mentale snelweg verandert langzaam in een script dat bepaalt wie mag floreren en wie klein moet blijven.

Nieuwe boeken