Kwast
slip of zoom
De Jood die zijn gebed opzegt, thuis of in de synagoge, draagt een gebedsmantel (tallit), een soort omslagdoek over de schouders. Aan de hoeken van de mantel bevinden zich kwasten, ook wel franjes of schoudraden genoemd. De buitenstaander zal wellicht denken: mooie versiering. Maar voor de joodse gelovigen ligt dat anders; voor hen zijn de kwasten meer dan versiering. In de kwasten zien zij meer dan de omstanders zien; zij verwijzen ergens naar. Dit gebruik gaat terug op de Tora, waar de Israëlieten de opdracht krijgen aan hun kleed kwasten te bevestigen. Wat beoogde dit gebod? Welke rol speelden deze franjes in de geloofsbeleving van het joodse volk?
Grondtekst
In het Hebreeuws komen we het woord tsietsiet, ‘kwast(en)’ (gedraaide strengen; Vertaling-NGB 1951: ‘gedenkkwasten’; Statenvertaling: ‘snoertjes’) dat aan de hoeken of slippen van hun gewaden moet worden bevestigd (Num. 15:3839). De vorm heeft iets weg van een haarlok (vgl. Ez. 8:3). Deuteronomium 22:12 gebruikt in hetzelfde gebod het woord gadil, dat elders voorkomt als versiering van de tempelzuil (1 Kon. 7:17). Het is niet altijd duidelijk of nu de kwast dan wel de slip of zoom van het kleed wordt bedoeld. Begrijpelijk, omdat de kwast aan de slip wordt vastgemaakt.
Voor de slip van de kleding heeft het Oude Testament twee woorden: kanaf, letterlijk ‘vleugel’, maar in een aantal teksten gaat het om de slip van het gewaad (Num. 15:38-39; Deut. 22:12; 23:1[22:30]; 27:20; 1 Sam. 15:27; 24:5-6, 12; Jer. 2:34; Ez. 5:3; 16:8; Hag. 2:12[13]; Zach. 8:23; Ruth 3:9); in Psalm 133:2 heeft pèh, meestal ‘mond’, mogelijk de betekenis van zoom; ook ‘hals’ (opening) is denkbaar. Het nieuwtestamentische kraspedon kan zowel de slip van het gewaad als de kwast die aan derand hangt duiden (Mat. 9:20; 14:36; 23:5; Mar. 6:56; Luc. 8:44).
Letterlijk en concreet
a.Aan de rand van de kleding, het bovenkleed of de mantel, heeft Israël naar de richtlijnen van de Tora kwasten gevlochten van blauw purperen draden (Num. 15:37-41; Deut. 22:12). Deze mantel heeft een rechthoekige vorm, met op elke hoek een kwast. Deze franje behoort tot het geloofsgoed van Israël en tekent mede zijn identiteit. Ook aan Jezus’ kledij zitten kwasten (Mat. 9:20). Als later door andere kleedgewoonten de kwasten niet meer op de dagelijkse kleding kunnen worden aangebracht, verschijnt de gebedsmantel.
b.Door de mantel van onderen op te nemen ontstaat er een soort draagdoek, waarin men voorwerpen kan dragen, bijvoorbeeld brood en wijn (Hag. 2:12[13]). Ezechiël moet er haar van hoofd en baard in verstoppen (5:3).
Beeldspraak en symboliek
a.De kwasten aan de zoom van de mantel verwijzen naar de opdracht de geboden van de Heer te houden. Dagelijks ziet de gelovige de kwasten, dagelijks zal hij de geboden gedenken. Om het geloof levendig te houden, zijn beeld en teken onontbeerlijk. De kwasten zijn nodig om beter te kunnen denken, om te gedenken. Israël is een heilig volk en de kwasten onthullen deze identiteit. Verder symboliseren de kwasten, in elk geval in de latere tijd, de verlossing uit Egypte (Num. 15:41). In de blauw purperen kleur ziet het nabijbelse jodendom een verwijzing naar de zee, de zee veronderstelt de hemel en de hemel suggereert de glorierijke troon van God. Met andere woorden: de franjes zijn uitingen van Gods goedheid voor de mens (vgl. Midrasj Rabbah Num. XVII,5). De joodse traditie ziet de verbinding met de uittocht ook in de verwantschap tussen het Hebreeuwse woord voor de blauwdraden en het woord voor de Egyptische eerstgeborenen die in de bevrijdingsnacht werden gedood (Ex. 12:29).
b.De kwast als symbool van goddelijke bevrijding en goedheid biedt wanhopigen hoop. In het Nieuwe Testament raken zij de kwast van Jezus aan in de verwachting dat heil hun deel wordt (Mat. 14:36; Luc. 8:44). Overigens kan de drager van de kwasten er ook misbruik van maken; hij wil er de aandacht mee trekken en daardoor zijn eigen vroomheid en gezag verheffen (Mat. 23:6; vgl. Mar. 12:38). In de latere joodse traditie komt de gedachte naar voren dat van het dragen van de kwasten een beschermende werking uitgaat. Misschien dat de oorspronkelijke bezwerende betekenis van zulke franjes (zoals bij andere volkeren in de oudheid) hier en daar nog doorklinkt.
c.Vol symboliek zit Zacharia 8:23. In de dagen waarin het definitieve heil van God zich zal manifesteren, zullen tien mannen uit de volkeren de slip van de Judese man vastgrijpen. Met welk doel? Zij willen met hem gaan, omdat zijn God met hem is! Tien mannen, dat wil zeggen alle volken, het geheel van de menigten. Tweemaal staat er ‘vastgrijpen’, wat er op wijst dat zij absoluut niet anders wensen. Ze grijpen de slip van de mantel van Israël. De mantel – zie bij kleding – vertelt over de drager. Deze drager, Israël, is de hoop van de volkeren en dat vanwege Israëls God aan wie Israël zijn mantel te danken heeft. De slip kan ook doelen op de kwasten. Zij grijpen de kwast, zij willen de weg van de Tora gaan. In 1 Samuël 15:27 grijpt Saul de slip van een joodse man. Hij probeert zichvast te klampen aan de mantel van de profeet Samuël. Tevergeefs. De slip scheurt af. Het afscheuren van de slip symboliseert de scheuring van Sauls macht.
d.De slip is tot op zekere hoogte het gezicht van de drager, zo zagen we hierboven. Jeremia beschuldigt Israël ervan dat zijn slip bloedvlekken van onschuldige armen bevat (2:34). Anders gezegd: Israëls wezen is met goddeloosheid doordrenkt.
e.De symbolische betekenis van de mantelslip speelt ook in de context van seksualiteit. Wie de slip uitspreidt over een naakte vrouw neemt haar ten huwelijk. In allegorische vorm doet de Heer dat bij Israël (Ex. 16:8); Hij geeft zich opnieuw aan dit volk. In letterlijke zin vraagt Ruth aan Boaz of hij met zijn slip, de ‘vleugels’ van zijn mantel, haar wil bedekken (Ruth 3:9; vgl. 2:12, de ‘vleugelen van de Heer’). De slip doelt ook op datgene wat zich onder de slip bevindt: de geslachtsorganen (vgl. Deut. 23:1[22:30]; 27:20).
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 119; 135; Gezang 24; Evangelie I: 35; Gezegend: 38; Land: 36.
b.Poëzie:
Hans Bouma, Mijn God, Kampen 1977, blz. 105: ‘Mens van Gods dromen’. Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, Nijmegen 1988, blz. 159: ‘ik voel mij zo alleen…’; 330: ‘Trek uw handen niet van mij af’. Anton Korteweg, Eeuwig heimwee drijft hem voort, Amsterdam 1973, blz. 40: ‘De verloren zoon’.
c.Verwerking:
Als kernthema zien we de verwijzing naar en de herinnering aan wat wezenlijk en onopgeefbaar is. Wij hebben tekenen en symbolen nodig die ons bepalen bij wat heilig leven is. De vraag doemt op: Welke symbolen en tekenen helpen ons vandaag zicht te houden op de bron die ons laaft? Wij signaleren de volgende thema’s rondom het begrip kwast: Tora, relatie met God, navolging, identiteit, heiligheid, verbeelding.
Verwijzing
De slip of zoom als deel van de mantel brengt ons naar ‘kleding‘.