Licht dat ons aanziet
Alternatief bij 6de zondag van Pasen (Handelingen 16,16-34 en Johannes 9,1-38)
‘Ik ben blind aan de ogen van mijn geest, maar ik kom tot U, o Christus. Als de blindgeborene roep ik vol vertrouwen tot U: Gij zijt het stralende Licht voor hen die in het duister zijn.’ Zo klinkt op de zesde zondag van Pasen het Kondakion, het Byzantijnse liturgische gezang voor deze dag dat verwijst naar het ‘Evangelie van de Blindgeborene’. Naast het verhaal over het opgaande licht op de dag – Johannes – staat het verhaal van het opgaande licht in de nacht – Handelingen.
Zowel voor doopleerlingen die opgaan naar het Paasfeest, als voor doopleerlingen die komen van het Paasfeest en hun doopbeloften hebben vernieuwd, zijn deze verhalen permanent onderricht. In het volgende zoeken we naar verbanden, naar contrasten, naar spiegelingen tussen beide teksten die klinken in de ruimte van de Goddelijke Liturgie. Een ruimte die versterkt wordt door de aanwezigheid van het heiligdom, het heilige der heiligen, met alle vertegenwoordigers van Eerste en Tweede Testament rondom, in fresco’s of schilderingen aan kerkmuren en op iconen, bekroond in de koepel met een afbeelding van Christus: Hij die ons aanziet. Het Licht dat in ons schijnt, waarom gedoopten in de vroege ongedeelde kerk ‘verlichten’ werden genoemd.
Op de dag
Het gebeuren – een soort ogenafwassing met het stof van de aarde, de klei van de adama – speelt zich af op klaarlichte dag. Het betreft de mensheid in de gestalte van de blindgeborene, die door Christus verlost wordt, betrokken bij zijn doopgang. Hoewel de wereld het licht heeft ontvangen en kan zien, neigt ze ertoe om de duisternis liever te hebben dan het licht. Dat hoorden we Jezus in dit Johannesevangelie al eerder zeggen: ‘Het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht’ (3,19). Dat laatste begrijpen en erkennen de mensen wel. En ook zijn leerlingen die nog altijd leerlingen zijn en blijven, brengen zélf de blindgeborene in verband met slechte daden. Ze vragen immers: ‘Wie heeft er gezondigd? Hijzelf of zijn ouders?’
De farizeeën weten het beter, ze weten het zeker: ‘Wij zijn toch zeker niet blind!’ zeggen ze, nadat Jezus het hele gebeuren nog eens had samengevat met de woorden: ‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden. Was u maar blind! Maar juist omdat u beweert dat u kunt zien, blijft uw zonde.’ Dat oordeel vellen, waartoe Jezus naar eigen zeggen in de wereld gekomen is, blijft wel opmerkelijk. Want veel eerder (Joh. 3,17) zei Hij (tegen Nikodemus, in de nacht die als Paasnacht verstaan kan worden): ‘God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door Hem te redden.’
De gedachte dat het Johannesevangelie één groot doop-onderricht vormt, is niet onbekend. Het bereidt de catechumenen voor op hun doop in de Paasnacht. Daar is water voor nodig, licht, brood, wijn, geschonken door de goede herder die zelf de toegang is, de deur. Allemaal thema’s die tijdens het aanschouwelijk onderricht van de doop en de daarbij horende rituelen en gebaren in de Paasnacht een rol spelen. Voorbereid in de veertig dagen voor Pasen – en in de oosters-orthodoxe traditie dus ook in de veertig dagen na Pasen (het is vandaag vlak voor Hemelvaart, de veertigste dag) – banen deze fundament leggende verhalen rond de ‘Ik ben-woorden’ – die spiritueel en materieel terugkomen in die nacht der nachten – de weg voor het Leven zelf. Het leven van een gelovige in Christus.
De ziener, die heeft leren zien door het handtastelijke ingrijpen van Jezus, stelt voor iedereen vast wie hem heeft leren zien, wie hij gaat volgen. Dat is ‘de man die van God kwam’, zegt hij tegen de omstanders, die maar blind blijven. ‘Ik kijk naar Hem en ik spreek met Hem,’ leert hij van Jezus zeggen. De Mensenzoon (9,33.37), aan wie hij voortaan zijn vertrouwen geeft: ‘Ik geloof, Heer!’
Midden in de nacht
‘Wat moet ik doen om gered te worden?’ roept de bewaarder tegen Paulus en Silas uit. Dat klinkt als: wat moet ik doen om te kunnen zien? Te kunnen zien wat hier aan de hand is, met jullie, en door wie dat allemaal komt?
Ook deze man worden de ogen geopend voor de werkelijkheid van de verrezen Christus, hem verkondigd door het getuigenis van Paulus. Ook hier weer een paasgebeuren, een aardbeving die leidt tot opening van graven (Mat. 27,51; 28,2), er wordt gedoopt en de maaltijd vindt plaats. In de diepste duisternis, ‘de binnenste kerker’, wordt licht gebracht – een fakkel, alsof Christus al afdaalt in het rijk van de dood om de mensheid mee naar het licht te trekken. Het antwoord van Paulus op de vraag van de bewaarder luidt: geloof in de Heer Jezus, het antwoord dat de blindgeborene tot de zijne gemaakt heeft.
Gebed
In de oosters-orthodoxe liturgie, zeker in de Syrisch-Orthodoxe Kerk, wordt vaak bij elke handeling of voortgang van de dienst een smalle kaars ontstoken, bijvoorbeeld bij de opening van een gebed, bij de lezing uit de Schriften, bij de opmaat naar de eucharistie. En telkens klinken dan, zacht uitgesproken, de woorden: ‘In uw licht zien wij licht, Jezus vol van licht. U bent immers het ware Licht, dat alle schepselen verlicht. Verlicht ons door uw schitterend licht, afstraling van de hemelse Vader.’ Met dit licht is de blindgeborene in aanraking gekomen. Net zoals alle gedoopten, en door hen heel de mensenfamilie. Het is het Licht dat ons aanziet en waarvoor onze ogen, door Christus, geopend zijn.
Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.