Menu

Premium

Lied, psalm

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

Zingen is voor de christen wezenlijk voor zijn geloofsuiting. De Bijbel stimuleert dit zowel binnen als buiten de erediensten. Terwijl in onze maatschappij allerlei soorten liederen populair blijven, gebeurt het weinig meer dat serieuze levensbeschouwelijke visies worden verwoord in zang. Dit kenmerkt echter juist het christelijk geloof. De bijbelse psalmen maken geen deel meer uit van het algemeen cultuurgoed, en zelfs in christelijke kringen raakt kennis van de psalmen vaak op de achtergrond. Dit wordt onder meer zichtbaar in allerlei discussies en spanningen rond nieuwe liedbundels.

Woorden

In de Bijbel worden verschillende woorden gebruikt voor liederen. De meest algemene zijn sjier in het Hebreeuws en ooidè in hetGrieks, die een ‘lied’ aanduiden. Dit kan een godsdienstig lied zijn, maar dat hoeft niet. Meer specifiek in het bijbels Hebreeuws is het woord mizmor, dat uitsluitend wordt gebruikt als titel in het boek van de Psalmen. In het Grieks wordt het weergegeven als psalmos. Hoewel in beide talen de woorden oorspronkelijk het idee wekken van muzikale begeleiding, is deze betekenis, in ieder geval in het Nieuwe Testament, vrijwel verdwenen. Mizmor kon na het Oude Testament ook gebruikt worden voor niet-godsdienstige liederen. In het Nieuwe Testament duidt het woord psalmos mogelijk in één geval een godsdienstig lied aan dat niet tot het boek van de Psalmen behoort (1 Kor. 14:26). De titels boven de psalmen in het Oude Testament bevatten ook een aantal andere termen die verwijzen naar specifieke soorten liederen, maar hun exacte betekenis is niet meer te achterhalen. Het Psalmenboek in zijn geheel draagt als titel tehilliem, wat lofzangen, lofprijzingen betekent.

Het Nieuwe Testament gebruikt ook een aantal keren humnos, dat in de regel een religieus lied aanduidt, bijvoorbeeld de bedevaartsliederen (Pss. 115-118) die Jezus en zijn discipelen zongen na het laatste paasmaal (Mat. 26:30).

Twee keer gebruikt Paulus de trits psalmos, humnos en ooidè als aanduiding van alle soorten godsdienstige liederen (Ef. 5:19; Kol. 3:16). Een duidelijk onderscheid tussen deze termen is echter moeilijk aan te geven. Ze worden alledrie gebruikt in de titels van psalmen in de toen gangbare Griekse vertaling.

Betekenis in context

Oude Testament

In heel de Bijbel neemt muziek, en dus ook zang, een belangrijke plaats in, zowel bij godsdienstige gelegenheden als bij andere festiviteiten. Vanaf het begin werden liederen gezongen in eredienst aan de Here. Bijzondere heilsmomenten waren vaak aanleiding voor nieuwe liederen, zoals bij de redding door de Rode Zee (Ex. 15), de vernieuwing van het verbond bij Mozes’ afscheid (Deut. 32) en de verlossing door Debora (Ri. 5). Hoewel tempelzang pas in de tijd van David genoemd wordt, is het waarschijnlijk dat het bestaan van levitische zangers teruggaat tot de tijd van Mozes. De eerste vijf boeken van Mozes omvatten maar een selectie van de wetten die in Mozes’ tijd zijn gegeven en de boeken der Kronieken vullen deze aan. De tempelwetten aldaar worden vaak toegeschreven aan Mozes, die zelf Psalm 90 geschreven heeft.

Het boek van de Psalmen bestaat eigenlijk uit vijf boeken, elk een verzameling liederen voor gebruik in de tempeldienst. Naast lofpsalmen, dankliederen en gebeden zijn er ook klaagliederen, koningspsalmen en boetpsalmen. De eerste twee boeken bevatten hoofdzakelijk liederen van David en lijken de vroegste verzamelingen te zijn. Het eerste geeft de voorkeur aan de godsnaam Jhwh, het tweede aan Elohim (‘God’). Het eerste deel van boek drie (Pss. 73-83) is een verzameling Asaf-lie-deren met voorkeur voor de naam Elohim. De rest van dat boek en het vierde en vijfde boek prefereren de naam Jhwh. Boek vijf bevat ook de bekende serie bedevaartsliederen (Pss. 120134), waarschijnlijk bedoeld om gezongen te worden bij het Loofhuttenfeest tijdens de optocht van pelgrims naar de tempel. Deze laatste liederen moeten tot stand gekomen zijn na de terugkeer uit de ballingschap, zoals Psalm 126 en 137 duidelijk maken.

De psalmen bevatten veel liturgische gebeden voor de aanbidder(s) in de tempel. Zelfs liederen met een persoonlijke achtergrond, zoals Davids bekende boetepsalm (Ps. 51), zijndusdanig verwoord dat zij door anderen gebruikt kunnen worden. Psalm 80 laat zien hoe liturgische gebedspsalmen tot stand konden komen. Het is een gebed om redding, gelegd in de mond van vertegenwoordigers van de stammen Efraïm, Benjamin en Manasse. Wij kunnen ons voorstellen dat de stamhoofden in tijd van nood naar de tempel kwamen om de Here in gebed te zoeken en dat de levitische profeet Asaf werd gevraagd een gepast psalmgebed te schrijven. Zo’n lied zou gezongen worden tijdens het brandoffer, terwijl de aanbidders rondom het altaar liepen (zie Ps. 26:6). Vaak is in een psalm ook te zien hoe die in beurtzang moest worden gezongen. Naast duidelijke voorbeelden daarvan, zoals Psalm 136, kan ook gedacht worden aan Psalm 91, waar de levitische zangers (vs.1, 3-8, 9b-13), aanbidder (vs.2, 9a) en de Here God Zelf (vs. 14-16, waarschijnlijk vertegenwoordigd door een priester) woorden krijgen toebedeeld.

Zes keer in de psalmen, en ook nog eens in Jesaja en een paar keer in Openbaring, klinkt de oproep een ‘nieuw’ lied te zingen. In de psalmen komt dit voor in twee verschillende contexten. Het kan een gebed zijn dat de Here de psalmist een nieuw lied laat zingen, zoals Psalm 144. Het kan ook een oproep zijn om te jubelen met een nieuw lied omdat de Here een overwinning geschonken heeft, zoals bij Psalm 33, 96 en 98. Overal waar deze oproep klinkt, gaat het niet zozeer om een nieuw te componeren lied als wel om de overgang van een klaag- of gebedslied tot een jubelende dankpsalm.

Nieuwe Testament

Het belang van zingen neemt in het Nieuwe Testament niet af. Maria breekt in gezang uit bij de wonderlijke ontmoeting met Elisabet, herders zien de hemelen gevuld met zingende engelen en het boek Openbaring laat zien hoe het zingen een belangrijke plaats in de hemelse eredienst inneemt. In Efeziërs 5:18vv roept Paulus de Efeziërs op om vervuld te worden met de Geest. Deze oproep wordt gevolgd door vier zinnen die aangeven hoe dit ‘vervuld zijn met de Geest’ bewerkt wordt. De eerste twee zijn vooral hier van belang en betreffen het zingen en jubelen tot de Here en het tot elkaar spreken in psalmen, gezangen en liederen van de Geest. Zoals boven al aangegeven, is in Paulus’ tijd weinig verschil van betekenis tussen de woorden psalm, gezang en lied te constateren.

In de gemeente te Korinte is het naar voren komen met een psalm op één lijn gezet met bijzondere gaven van de Geest zoals een lering, openbaring, tong of uitlegging (1 Kor. 14:26). Hoewel het mogelijk is dat men een nieuw lied presenteerde, gekregen door ingeving van de Geest, ligt een andere verklaring ook voor de hand. Het is mogelijk dat men een bestaande psalm gebruikte ter vermaning en ontdekking van een ander (zie ook vs. 2425), wel of niet door de Geest hiertoe aangezet (vgl. Kol. 3:16).

De psalmen nemen ook een belangrijke plaats in het Nieuwe Testament in bij het aanwijzen van Jezus als de vervulling van messiaanse profetieën. Meer dan enig ander boek uit het Oude Testament worden de psalmen geciteerd. Petrus, in zijn betoog op de Pinksterdag, haalt Psalm 16 aan als bewijs van Jezus’ opstanding, Psalm 132 als verwijzing naar Gods eed om iemand uit Davids zoons als koning aan te stellen en Psalm 110 als profetie over de Hemelvaart van Jezus en zijn troonsbestijging. Psalm 110 werd ook door Jezus als messiaanse profetie aangehaald (Mat. 22:41-46) en krijgt een uitgebreide behandeling in de brief aan de Hebreeën. Deze brief weet ook negen andere psalmen met Jezus in verband te brengen. Ook deandere brieven van het Nieuwe Testament citeren psalmen die in verband worden gebracht met de verlossing in Jezus. Zelfs wordt er naar niet-profetische psalmen verwezen om hun verrassende overeenkomsten te laten zien met het lijden van Jezus (zie het gebruik van Pss. 22 en 69 in Mat. 27). Er wordt soms beweerd dat enkele poëtische passages in het Nieuwe Testament zoals 1 Korintiërs 13, Filippenzen 2:6-11 en 1 Timoteüs 3:16 citaten zijn uit nieuwtestamentische liederen. Er is echter onvoldoende bewijs uit het Nieuwe Testament of de vroegchristelijke kerk om zo’n theorie hard te maken.

Kern

Deze blik op liederen en psalmen in de Bijbel bevestigt hoezeer zingen bij een levend geloof hoort. Zingen heeft te maken met de activiteit van Gods Geest in het leven van de gelovige. Ook de beleving van het geloof wordt mede bepaald door de inhoud van de door God gegeven psalmen, wanneer men deze leert zingen in het licht van de gekomen Messias, Jezus Christus. Het zijn vooral de psalmen die de verkondiging van de apostelen over Christus versieren en die de nieuwe kerken een schat aan liederen over hun Heer en Heiland geschonken hebben.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: loven.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken