Menu

Premium

Maandverband in de Bijbel

Bij Jesaja 64,1-9 en Marcus 13,24-37

Eerste Advent: één kaarsje brandt er tussen het groen. Het roept al een beetje de kerstsfeer op. Helemaal niet in de kerstsfeer zijn de lezingen van deze zondag. Deze sluiten eerder nog aan bij de laatste zondagen na Pinksteren, over de schapen en de bokken, over de voleinding, de Grote afrekening.

Jesaja bidt dat God zal neerdalen uit de hemel als een vuur, dat tegelijk verbrandt en reinigt. En in het evangelie zien we de kosmos wankelen bij de wederkomst van de Mensenzoon. Dit soort apocalyptiek komen we in de Bijbel vaak tegen. Er zit naast iets hoopvols ook iets vreeswekkends in: wat zal er dan met ons gebeuren?

Vier logoi

Dit evangelie is een stukje van een lange toespraak van Jezus over de eindtijd, of eerder een viertal logoi die de evangelist bijeen heeft gezet: de komst van de Mensenzoon, de gelijkenis van de vijgenboom, de nabijheid van de eindtijd en de gelijkenis van de knechten die wachten op de heer des huizes. Deze vier logoi worden bij elkaar gehouden door dezelfde thematiek: verwachting, hoop en vrees. En over de nabijheid van die dag, waarop niets bij het oude zal blijven. Een nu voor de hand liggende gedachte is: als Jezus dat in die tijd heeft voorspeld als iets van de directe toekomst, dan heeft Hij zich blijkbaar vergist. Want nu, zoveel eeuwen later, is de Mensenzoon nog steeds niet teruggekeerd; de zon, maan en sterren staan als nooit tevoren aan de hemel. En in vele opzichten is er niets nieuws onder de zon. De mensen zijn geen haar beter dan toen, en er is nog evenveel, misschien nog wel meer onrecht. Heeft Jezus zich vergist? Je zou het haast zeggen.

Weest waakzaam

Maar dan vraag ik me af: is het wel zo verkeerd om je God zo dichtbij voor te stellen, niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd? ‘Gods Rijk staat om de hoek, weest daar klaar voor,’ zei Jezus. Voor ons mensen is die gedachte niet altijd welkom. Menselijk en vanuit onze wereld gezien is de tijd nooit rijp, of de heer des huizes nu ’s avonds komt, om middernacht of bij het hanengekraai van de morgenstond.

Verwachten als levenshouding is belangrijker dan een uitspraak over tijden en plaatsen. Over die houding gaat het ook steeds in het evangelie van vandaag. Er staat steeds weer: weest waakzaam! (Marcus 13,35). Míjn eerste reactie hierop is een lichte irritatie. Ontwaakt is het lijfblad van de Jehova’s Getuigen. Zet nu Jezus zelf een voet tussen onze deur? Is ons leven nog niet rusteloos genoeg? Als iedere morgen de wekker al ‘Word wakker!’ roept, moet dan het evangelie ook als een specht tegen ons gehoorbeen kloppen? Is dat goed nieuws? Hier ligt een misverstand. De waakzaamheid waartoe Jezus oproept, is iets heel anders dan de rusteloze bedrijvigheid van ons leven. Het is precies het tegenovergestelde. Steeds maar bezig zijn heeft vaak tot doel om een echt ontwaken te voorkomen. Keihard werken is iets anders dan waakzaam zijn voor een beangstigende werkelijkheid.

Schokkend

Jezus’ beschrijving van de voleinding is steeds enerzijds hoopvol, anderzijds bedreigend. Dat klopt ook eigenlijk wel met onze ervaring: er is een grensvlak tussen redding en gevaar. We kunnen zo in onze slaapwereld weggevlucht zijn, dat de gedachte aan ontwaken bedreigend is. We klampen ons vast aan veiligheid en zekerheden.

Een profeet als Jesaja schuwt het niet om zijn hoorders te schokken. Hij vraagt zich af: wat is er in onze slaapwereld gebeurd met onze gerechtigheid? En dan zegt hij tegen zijn joodse volksgenoten, die vaak zo bezig zijn met reinheid dat ze dreigen te vluchten in een soort geestelijke smetvrees: ‘onze gerechtigheid is als het kleed van een menstruerende vrouw’ (bègèd ‘iddim, Jesaja 64,5). Nogal schokkend, deze (NBV)vertaling. Eigenlijk gaat het over een opgevouwen lap, een soort maandverband. De vertalers van de NBG ’51 moeten gedacht hebben: dat kun je in de kerk toch niet zeggen. Ze hebben het wat netter gemaakt: ‘een bezoedeld kleed’. Maar Jesaja laat zijn hoorders bewust griezelen. Hij irriteert. Niet om te irriteren, niet om de grenzen van het betamelijke op te zoeken, maar om de mensen wakker te schudden: wat zijn we nou voor leven aan het leven? Uiteindelijk is Jesaja’s boodschap opbouwend. Hij wil een nieuw begin.

Schrik

Ook Jezus maakt zijn leerlingen duidelijk: jullie kunnen eindelijk beginnen zelf te leven in plaats van geleefd te worden, door te kijken naar welk doel in je leven het best bij je past. Door een eigen levensinhoud te vinden, waarvan je kunt zeggen: hiertoe laat God mij leven. Zo geeft de huisheer in de gelijkenis aan ieder van de knechten een eigen taak gedurende de tijd dat hij weg is (Marcus 13,34). Het besef van die eigen opgave brengt vaak een verandering in ons leven teweeg. En juist daartegen zien we zo vaak op. Dan zeggen we: ach, het is zoals het nu is toch ook niet slecht. Die schijnwereld zal moeten instorten. Dat kan heel ingrijpend zijn in een mensenleven; het kan werkelijk zijn alsof de sterren van de hemel vallen, alsof de kosmos wankelt. En zo jaagt soms datgene wat ons redden kan ons eerst schrik aan.

Dat wil niet zeggen dat iedere schok een heilzame schok is. Een crisis in een mensenleven, verlies van werk, van gezondheid, verlies van een partner, een ouder, een kind – we gedenken het vandaag. Daarbij voel je ook de zon verduisterd worden, de maan haar glans verliezen en de aarde wankelen. Maar daarvan kun je niet zomaar zeggen: het zal wel ergens toe dienen. Dat is niet genadig. Genadig is het als een roep om te ontwaken op tijd komt. Als de schok het leven bréngt. Dat is de betekenis van de profetie in de Advent.

Wellicht ook interessant

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Drie-eenheid

In 2024 schreef Bram van de Beek een artikel voor een wetenschappelijke encyclopedie over hoe er in de Vroege Kerk werd gedacht over de drie-eenheid. Al vanaf de jaren-’80 is hij actief als hoogleraar. In 1981 volgende hij in Leiden prof. dr. H. Berkhof op als hoogleraar Dogmatiek. In 2000 verhuisde hij naar de Vrije Universiteit, waar hij Symboliek ging doceren. Bij symboliek gaat het om de inhoud van de geloofsbelijdenissen. Ook was Van de Beek bijzonder hoogleraar Systematische theologie aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika.

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Inferno

Iedereen heeft misschien wel zijn eigen beeld van de hel. Persoonlijk vind ik de hel zelf veel moeilijker voor te stellen dan de hemel. Als ik de hel zou moeten verbeelden, dan zou ik kiezen voor een druk winkelcentrum waar ik eindeloos op en neer ga op de roltrap. Ik ben dan in een drukte van mensen waar ik niet verbonden mee kan raken, omdat die mensen op dat moment allemaal voor zichzelf leven. Een plek waar ik innerlijk alleen maar onrustig kan worden en onrustig zal blijven. Zo stel ik me de hel voor: als een plek waar ik in het leven hier op aarde al niet graag kom. Als ik over het beeld nadenk, ontbreekt een belangrijk element: God Die Zijn oordeel heeft uitgesproken over mijn leven. Dat ik niet zonder reden voor altijd op die roltrap op en neer zal gaan en ik innerlijk gek wordt van de steeds toenemende onrust.

Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Basis

Waarom ‘Eeuwig’ toch niet altijd een goed vertaalwoord is

Enkele publicaties vorig jaar, waaronder het boek “Het einde van de Hel” van Reinier Sonneveld, hebben de eeuwenoude discussie of God alle mensen uiteindelijk zal redden1 weer nieuw leven ingeblazen. Een belangrijk argument tegen de leer dat voor ongelovigen de hel de eindbestemming zou zijn, is dat de Hebreeuwse en Griekse woorden die meestal met “eeuwig” vertaald worden, niet de betekenis “eindeloos” hebben. Dat was aanleiding voor het blad Met Andere Woorden (MAW), een vakblad voor Bijbel en vertalen, om een themanummer uit te geven rondom dit woordje, “eeuwig” en “eeuwigheid”. En, hoewel vertalers zich het liefst op de tekst zelf focussen, ontkom je er niet aan keuzes te moeten maken die aan een dergelijke discussie raken.2 Zo moet een vertaler kiezen of hij meegaat in het zo bekende “eeuwig” en “eeuwigheid”, of in navolging van kritiek en diverse onderzoeken voor een andere weergave kiest. In het themanummer verdedigden enkele artikelen de keuze voor “eeuwig”. In de studievertaling waar ik aan mee mag werken, de Nieuwe Concordante Vertaling (NCV),3 is echter een andere keuze gemaakt. In dit artikel laat ik graag zien waarom “eeuwig” toch niet altijd een goed vertaalwoord is.

Nieuwe boeken