Met de kinderen: De koning in zijn hemd
Bij 1 Koningen 21,(1)20-29
Monoloog
Voorganger pakt een hip, modieus of decadent jasje van een stoel in de kerkzaal en trekt het aan.
Zo, dat is nog eens een mooi jasje. Prachtig. Zit me als gegoten. Goed dat mijn vrouw Izebel dat voor me heeft meegenomen. Ik weet niet hoe ze eraan gekomen is. Dat vraag ik ook maar niet. Dat kan ik wel raden. Ze pakt wel vaker per ongeluk een verkeerde jas van de kapstok als ze ergens op bezoek is geweest. Ach, zolang ik Achab heet, wat doet het er toe. Degene die nu zonder jas loopt, mag er trots op zijn dat de koning hem nu draagt.
Nee hè, kijk nou eens wie daar aankomt! Dat is Elia, de ellendeling. Ik dacht dat die profeet dood was. Gauw m’n jasje uittrekken. ‘Zo, Elia, waar heb ik het aan te danken dat ik u weer ontmoet? Toch geen slecht bericht, hoop ik?’
Iemand die voor Elia speelt, eventueel in grauwe, vormloze jas
Achab, gij zult niet doden. Gij zult niet liegen en bedriegen. Gij zult niet stelen. Gij zult niet alles willen hebben wat van een ander is. Gij zult de Naam van uw God niet voor gemene dingen gebruiken. Gij zult geen andere goden aanbidden, dus ook de Baäl niet. Het enige dat de God van Israël wil, is dat wij ‘aardig zijn en iedereen helpen’. Als een koning alleen maar slechte dingen doet, zal het nog eens slecht met hem aflopen!
Voorganger
Achab is even stil, loopt rondjes, pakt het jasje en legt het terug over de stoel waar hij het vanaf gepakt had. Boos trekt hij een veel te grote jas aan, gaat op de grond zitten en duikt mokkend weg in zijn jas.
Gesprek
Hoe reageer je als je niet krijgt wat je graag wilt?
Ik wil het hebben,
nu meteen!
Geef het
want anders…
sla ik je
van top tot teen.
Bij de zegen
k: Laten wij blij zijn met wat we hebben.
Laten wij blij zijn met wat een ander heeft.
Zo delen wij in elkaars geluk.
v: Elkaar het goede toewensen,
dat is zegenen: … (volgt de zegenbede)