Menu

Premium

Met de kinderen: Help!

Bij Johannes 17,14-26

Verhaal

Kinderen hebben vaak al heel jong hun diploma A, en soms ook B en C. Maar er zijn ook altijd kinderen die moeilijk leren zwemmen. Zoals Nina, die slappe armen en benen heeft, of Bas die vreselijk bang voor water is en zich bibberend vasthoudt aan het trapje van het zwembad, zodat niemand er langs kan. En dan heb je ook nog Johan. Johan denkt misschien wel te veel. Hij zegt: ‘Mensen hebben geen schubben, ze hebben geen kieuwen, ze hebben geen staart en ze hebben ook geen vinnen. Dus mensen horen niet in het water. En ik ben een mens. Dus ik ga ook echt het water niet in.’

Maar wat als een van deze kinderen in het water valt en zou verdrinken? Je moet er niet aan denken. Daarom is er een speciale les voor deze kinderen georganiseerd om toch te leren zwemmen. Ze worden met een busje opgehaald. Boos en bang en somber zitten ze op de stoelen. De chauffeur zing een liedje, maar ze zingen niet mee.

Bij het zwembad staat de baas. Hij is speciaal voor hen gekomen en zegt vriendelijk: ‘Wees maar niet bang, je zult zien dat het lukt.’ Maar Nina, Bas, Johan en de anderen kijken hem woedend aan en lopen hem voorbij zonder een woord. Alsof ze naar de gevangenis moeten.

‘Dat wordt nog een hele klus voor jou,’ zegt de baas tegen de badmeester. Na eindeloos treuzelen bij het omkleden staan de kinderen eindelijk bij de rand van het zwembad. En kijk, de badmeester staat zelf al in het zwembad. ‘Ik kan bij de grond, zie je wel? Dus ik kan niet kopje onder. Als je er ook in komt en ik hou je vast, kun je ook niet kopje onder.’

Dat klinkt logisch, denkt Johan. Hij probeert het als eerste. En dan Nina. En dan de andere kinderen. En ten slotte zelfs Bas. En zonder dat ze het doorhebben, leren ze zwemmen.

Gesprek

Bij het verlaten van het zwembad staat de baas van het zwembad weer bij de uitgang. Hoe reageren de kinderen nu op hem? En op de andere kinderen die op school gebleven zijn?

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken