Met de ogen van Sara
Genesis 11-23
Dit najaar staan de verhalen rondom Abraham op het leesrooster. Sara speelt slechts een bijrol, maar wel één die cruciaal is voor het ontstaan van het volk Israël. De aartsvaderlijke belofte krijgt alleen via haar een begin van vervulling: Isaak, de zoon die tegen alle verwachting in geboren wordt, en haar graf dat het eerste stuk van het land is dat Abraham in bezit krijgt. Reden genoeg om hier eens Sara zelf aan het woord te laten.
‘Zoals het vrouwen in mijn tijd en cultuur past, krijg ik maar zelden het woord. Mijn introductie in het verhaal is ook niet bepaald die van een hoofdrolspeelster. Van mijn schoonzus Milka wordt tenminste nog verteld van wie zij afstamt, van mij blijft dat in nevelen gehuld. Maar wel wordt meteen vermeld dat ik onvruchtbaar ben. Zo heb ik geen verleden en ook geen toekomst. De geweldige stap die Abram neemt als hij zijn land en stamverband verlaat, is voor mij niet minder groot, maar voor de verteller lijk ik slechts geheel samen te vallen met mijn onvruchtbaarheid.
De zusterleugen
Zelfs als ik Abrams leven moet redden door me in Egypte als zijn zuster voor te doen, laat de verteller mij niet aan het woord. Abram vraagt weliswaar mijn toestemming om met dat bedrog mee te doen, maar mijn positieve antwoord blijkt alleen uit de vertelde gebeurtenissen. Grappig trouwens dat Abram pas daar, bij de grens met Egypte, voor het eerst het woord tot mij richt, en dat het dan ook pas tot hem – en tot de lezer – lijkt door te dringen hoe mooi ik ben.
Dezelfde geschiedenis wordt nog twee keer verteld, in hoofdstuk 20 met koning Abimelech van Gerar in de rol van de farao, en in hoofdstuk 26 met dezelfde Abimelech, maar nu met Rebekka in mijn rol. De aartsvaders zijn wel hardleers! De bijbelgeleerden maken zich erg druk om de verschillen tussen die verhalen, de vraag wat de oerversie is, zaken als mondelinge en schriftelijke overlevering, maar er wordt maar weinig commentaar geleverd op het ongehoorde van de vraag van mijn echtgenoot: offer om mijnentwil jouw lichamelijke integriteit maar op. Of cru gezegd: laat jij je maar verkrachten, daar vaar ik wel bij. Als duidelijk wordt welk risico we lopen in Egypte, is het er Abram niet om te doen mij en zijn huwelijk te beschermen. Nee, om zichzelf te beschermen maakt hij het risico voor mij alleen maar groter, want door de leugen garandeert hij bijna dat ik in de harem van de farao word opgenomen. Wil mijn man (en later mijn zoon) soms de begeerlijkheid van zijn vrouw bevestigd hebben door met eigen ogen te zien dat zij door andere mannen begeerd wordt? Dit mechanisme is later door René Girard uitvoerig geanalyseerd als de driehoeksverhouding van de begeerte. Wat er in de harem van de farao gebeurd is, daar doe ik het zwijgen toe, en de verteller neemt dezelfde terughoudendheid in acht, al gaat er een duidelijke suggestie uit van de uitspraak van de farao dat hij mij tot vrouw genomen heeft. In de volgende varianten op deze geschiedenis is het duidelijker: Abimelech heeft niet met mij geslapen (Gen. 20:4) en Rebekka is zelfs niet over zijn drempel geweest (Gen. 26:8, 10). Tegelijk wordt onze eigen rol steeds kleiner gemaakt. Abram vroeg mij de eerste keer nog om toestemming, de tweede en derde keer gebeurt dat al niet eens meer. Ook in een ander opzicht is de tweede keer eigenlijk veel erger dan de eerste: Abraham heeft dan al van JHWH gehoord dat de belofte van nageslacht via mij zal lopen. Hij offert dus niet alleen mijn lichamelijke integriteit op aan zijn gevoel van veiligheid, maar brengt ook die belofte in gevaar. Volgens mij is dat nog een heel wat ernstiger teken van ongeloof dan een beetje ongelovig lachen over een onmogelijke belofte. Dat hebben wij beiden gedaan (Gen. 17:17; 18:12), maar op de een of andere manier wordt mij dat altijd veel zwaarder aangerekend dan hem.
Maar ik loop op de zaken vooruit. Als het om de drievoudige zusterleugen gaat, blijken de buitenlandse mannen gelukkig moreel hoger te staan dan verwacht: ze doden Abra(ha)m/Isaak niet als ze achter de waarheid komen. Ook voor hen heeft er wat op het spel gestaan: de farao wordt ziek en Abimelech en zijn vrouwen worden door goddelijk ingrijpen tijdelijk onvruchtbaar. De joodse traditie vermoedt dat ik in stilte ontzettend gehuild heb, daar bij de farao, omdat mijn kostbare deugdzaamheid zo in gevaar was, en dat de engelen mijn tranen zagen en mij te hulp schoten. Een latere joodse uitleg, in het spoor van Emmanuel Levinas, zet mij om een andere reden op een voetstuk: die ziet in mij de eerste figuur in de Bijbel die zich laat gezeggen door het appel dat de naaste op mij doet, de eerste die het welzijn van de ander voor laat gaan boven haar eigen welzijn. Ik ben voor Abram een zuster in de ware zin van het woord, het omgekeerde van Kaïn, die niet de broeder van Abel was. Maar toch, ik had me best mogen afvragen hoever de verantwoordelijkheid jegens Abram als mijn naaste moest gaan. Mocht die wel zo totaal ten koste gaan van mijn eigen menselijke waardigheid? En wat van ons gehoopte nageslacht, zou dat niet ook het slachtoffer hebben kunnen worden van mijn opofferingsgezindheid? Ik ben er zelf nog niet uit.
Mijn slavin Hagar en ik (Gen. 16)
Net als mijn tijdgenoten weet ik niet beter dan dat het altijd aan de vrouw ligt dat er geen kinderen komen. In mijn wanhoop verzin ik een oplossing die in mijn cultuur gangbaar en legitiem is. Men verwijt mij wel eigenmachtig optreden; kennelijk had ik rustig moeten wachten op een wonder. Dat Abram op zijn manier ook oplossingen voor onze kinderloosheid zoekt, wordt gemakshalve over het hoofd gezien. Maar dat hij neef meenam naar het beloofde land, zal toch echt geweest zijn omdat hij in hem zijn erfgenaam zag. Later stelt hij voor, nota bene aan God zelf, om zijn knecht Eliëzer die rol te geven. In mijn project stelt Abram zich, moet ik zeggen, behoorlijk dociel op (Gen.16), en de verteller laat dat heel slim uitkomen door Abram ook grammaticaal steeds omringd te laten zijn door ons, de twee vrouwen (16:1 en 16:3).
Wat Hagar van de kwestie vindt, doet er voor mij niet toe; haar toestemming heb ik niet nodig, haar naam komt niet over mijn lippen. Zusterschap? Alleen met iemand van mijn eigen klasse graag! Abram doet precies wat ik van hem vraag, en met het gewenste resultaat. Dat het misloopt, was misschien wel te verwachten. Ook het wetboek van mijn Babylonische tijdgenoot Hammoerabi stelt regels voor het geval de slavin die de eerste vrouw aan haar man aanbiedt zich de rechten van die eerste vrouw wil toe-eigenen. Hagar ziet de dingen anders dan ik (‘zien’ blijkt überhaupt een sleutelwoord voor haar te zijn). Voor haar komen de bestaande verhoudingen op hun kop te staan, maar voor mij absoluut niet. De verteller kiest zijn woorden heel subtiel: hij lijkt in de gebeurtenissen een diapositief te zien van wat een paar generaties later gebeurt, in wat je zou kunnen zien als het geboorteverhaal van het Hebreeuwse volk waarvan ik de stammoeder ben: een Egyptische, vruchtbare slavin die onderdrukt wordt (of vernederd of die het leven zwaar gemaakt wordt, of hoe je het maar wilt vertalen) door een Hebreeuwse meesteres (vgl. Ex. 1:14). In die zin zou je ook Hagar de Egyptische een stammoeder van Israël kunnen noemen. Ik heb dan de rol van kwaaie pier. Daar zou ik dit tegenover willen stellen: Hagar kan mij vernederen omdat zij de in onze dagen gangbare visie inzet dat onvruchtbaarheid een straf van God is, en dat ik kennelijk een heel fout persoon ben, dat ik zo’n straf verdien. Dat laat ik mij niet aanleunen. Ik ben zo woedend omdat ik weiger onschuldig veroordeeld te worden. Ik verzet mij tegen al te makkelijke antwoorden op het lijden, zelfs al bezorgt mij dat een reputatie van hardvochtige liefdeloosheid.
De belofte (Gen. 17-18)
Met God heb ik vrijwel geen direct contact. Abram had al eerder de belofte van land en nageslacht en zegen ontvangen. Nu krijgt hij die opnieuw; God sluit zelfs een verbond met hem en geeft hem een nieuwe naam. Ik krijg er ook een, maar niet rechtstreeks, alleen via Abraham. Nu pas hoort hij dat de zoon van de belofte uit mij geboren zal worden. Hij moet daarom lachen; hij kent immers onze situatie en onze leeftijd als geen ander. Later wordt bij een bezoek van drie mannen die belofte nog eens herhaald. Ik houd me bij dat bezoek van vreemde mannen natuurlijk onzichtbaar. Ik hoef echt geen luistervink te spelen om door het tentdoek heen te horen wat er gezegd wordt, en ik schiet spontaan in de lach. Want niet alleen ik ben oud, Abraham is dat net zo goed. En seks hebben we niet meer, in elk geval geen seks waar ik plezier aan beleef (want wat de NBV in 18:12 met ‘verwelkt’ vertaalt, zou ook als ‘verdroogd’ weergegeven kunnen worden). De Eeuwige – de verteller laat er geen twijfel over bestaan dat díe de bezoekende vreemdeling is – raadt de reden van mijn lach, maar geeft die om Abraham te sparen heel discreet weer, alsof ik alleen maar betwijfel of ik nog een kind zou kunnen krijgen. De enige keer dat de Eeuwige zich rechtstreeks tot mij richt, is om mij berispend toe te spreken dat ik wel degelijk gelachen heb. Alsof dat lachen iets is om je voor te schamen. Kan hij het niet zien als uiting van blijde ontvankelijkheid voor een totaal onverwachte toekomst die zich alsnog voor mij opent? Abraham werd niet berispt om zijn lachende reactie op de belofte, toch is, gezien de herhaling van de zusterleugen die later volgt, zijn ongeloof bepaald groter dan het mijne.
De twee zonen (Gen. 21)
Hoewel de verteller Abraham opvallend buiten beeld laat bij de conceptie, benadrukt hij in het vervolg dat Isaak Abrahams zoon is: hij wordt steeds ‘de zoon die hij gekregen had’ of ‘die Sara hem gebaard had’ of ‘zijn zoon’ genoemd (Gen. 21:2, 3, 5). Die nadruk is zo opvallend dat je er bijna argwaan van zou krijgen!
Waarom word ik nu zo woedend om het lachen van Ismaël (21:9)? ’t Is maar net hoe je dat lachen interpreteert. Spotten klinkt al duidelijk anders; de rabbijnse traditie ziet Ismaël als immoreel en goddeloos, en dat spotten als Ismaëls poging Isaak tot afgoderij te verleiden. Maar de rabbijnen verwijten mij vervolgens dat ik niet genoeg werk van Ismaëls opvoeding heb gemaakt. Nachmanides legt het zelfs op mijn schouders dat mijn nakomelingen daarom later zo veel te lijden zullen krijgen in Egypte. Hoe dan ook, ik weet dat de natuurlijke orde, de liefde van een vader voor zijn oudste zoon, een gevaar vormt voor die goddelijke belofte. Natuurlijk, ieders sympathie ligt bij Hagar, die niet minder dan Ismaël het slachtoffer wordt van mijn actie. Maar ik wijs er graag even op dat ook de verteller haar behoorlijk onheus behandelt door haar actieve aandeel te minimaliseren. Hij deed het al in hoofdstuk 16, toen zij van de engel de opdracht kreeg haar zoon Ismaël te noemen, en vervolgens Abram degene was die die naam daadwerkelijk gaf. Nu gebeurt iets vergelijkbaars: Hagar huilt in de woestijn, maar God hoort het kermen van de jongen.
Mijn dood (Gen. 22 en 23)
Meteen na de geschiedenis van de Akeda, de opdracht aan Abraham om onze zoon te offeren, wordt over mijn dood verteld (op een klein intermezzo na over de overvloed aan mannelijke nakomelingen van Abrahams broer), en dat is natuurlijk geen toeval. Ik werd er totaal buiten gelaten, maar zou ik niet gemerkt hebben dat Abraham en Isaak in alle vroegte op pad gingen, zou ik met die offerattributen niet vermoed hebben wat Abraham van plan was? De joodse traditie suggereert dan ook dat mijn dood door schrik en smart teweeggebracht werd. Er is zelfs geopperd dat de verantwoordelijkheid die ik heb gevoeld voor de ander, in dit geval voor Isaak, zo ver ging, dat ik zijn lot op me nam en dat hij in leven bleef omdat ik in zijn plaats gestorven ben. Maar zo wordt het zwijgen van de verteller over oorzaak en gevolg wel erg zwaar opgetuigd. Hoe dan ook, de plaats waar ik sterf heet Kirjat-Arba. Kirjat betekent ‘schoot’ en de Zohar stelt dan ook dat de Eeuwige bepaalde dat ik zou sterven in de schoot van zijn onuitsprekelijke naam.
Al heb ik dan het toneel verlaten, ik ben, hoe passief ook, nog van cruciaal belang voor het verhaal: het graf dat Abraham voor mij koopt is het eerste stukje van het beloofde land dat hij zich daadwerkelijk verwerft. En zo blijk ik niet alleen doorslaggevend voor de vervulling van de belofte van nageslacht, maar ook voor die van het bezit van het land dat hem toegezegd is, het land waar hij tot dan toe slechts als vreemdeling verbleef. Een beetje respect is wel op zijn plaats.’
Literatuur
Catherine Chalier, De aartsmoeders, Hilversum: Gooi & Sticht 1987.
Saskia de Jong, Onvruchtbare moeders. Een feministische lezing van Genesis, Boxtel/Brugge: KBS/Tabor 1989.
Phyllis Trible, Verhalen van verschrikking. Een literair-feministische lezing van bijbelse verhalen, Kampen: Kok 1986.
Alice Ogden Bellis, Helpmates, Harlots, Heroes. Women in the Hebrew Bible, Louisville, Kentucky: Westminster/John Knox Press 1994.
Susan Niditch, ‘Genesis’ in: The Women’s Bible Commentary (Carol A. Newsom and Sharon H. Ringe, eds.), : John Knox Press 1992, 10-25.
J. Cheryl Exum, Fragmented Women. Feminist (Sub)versions of Biblical Narratives, : JSOT Press 1993.