Met de tieners: Verlangen
Bij Hooglied 5,2-8
Het Hooglied tintelt van verlangen. Zoals er in de gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes gewacht wordt tot diep in de nacht, zo wacht een eenzame jongen of een meisje op de liefde. Het zweet breekt hem uit. Zij kan de slaap niet vatten. ‘Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.’ Het is om duizelig van te worden. Vreselijk, maar ook heerlijk.
Het verlangen lijkt wel heviger dan de concrete vervulling. Vaak is het verlangen een geheim dat alleen gedeeld wordt met een dagboek. Het pijnlijke gevaar dreigt dat je het je alleen maar verbeeldt.
Het spirituele verlangen van de mystici kent een even hevige hartstocht. De ziel hunkert naar God. Soms wordt dat tot mijn verbazing onder woorden gebracht met poëzie vol lichamelijke lust. Intens, want dit verlangen omvangt de hele mens, lichaam en ziel.
Verlangen
Slaap ik, of ben ik wakker?
Droom ik, of ben ik aan het denken?
Loopt hij daar op straat,
hoor ik hem zachtjes roepen?
Ik verbeeld het me
en toch heb ik het er warm van.
Ik lig gewoon in bed,
gewassen en tandengepoetst.
Zal ik toch even gaan kijken,
of hij misschien…
Ik sluip naar de voordeur,
zodat niemand mij hoort.
Ik doe open, maar er is niemand.
Hij is alweer weg.
Ik sluit me op in de badkamer,
en kijk uit het raampje.
Niemand, hij is weg,
maar hij was er, ik voelde het.
Er wordt gebonsd op de deur:
‘Schiet eens op, wat zit je te dromen?’
Ik schrik wakker,
het was dus toch een droom.
Het is mijn zusje,
wat zal ze mij pesten als ze erachter komt.
Ze is zo gemeen,
zij kent zulke dromen.
Nooit zal ik haar vertellen,
dat ik er ziek van word.