Micha
INLEIDING
1.De man
Van Micha (de naam is een verkorting van Michaja of Michaël, ‘wie is als de HERE?’, resp. ‘wie is als God?’, vgl. 7:18) weten we niets buiten het naar hem genoemde boek en het van ± 100 jaar later daterende bericht in Jer. 26:17-19. De Micha van 1 Kon. 22 (Micha de zoon van Jimla) was een ander; hij leefde meer dan 100 jaar eerder. Een zeer oude verwarring van beiden heeft de eerste woorden van Mi. 1:2 doen binnendringen in 1 Kon. 22:28.
Micha wordt in 1:1 ‘Morastiet’ genoemd, dwz. afkomstig uit Moreset-Gat (1:14), een stadje in het ZW van Juda. Van zijn sociale omstandigheden weten wij niets; dat hij tegen de onderdrukking van armen door rijken predikte betekent niet, dat hij zelf tot de arme bevolking van het platteland behoorde.
2.De profeet
Wij vernemen niet hoe Micha tot profeet geroepen is (een zgn. roepingsvisioen ontbreekt); wel blijkt uit 3:8 een sterk besef van profetische roeping en van deel hebben aan de Geest zonder Welke niemand profeet kan zijn (vgl. 1 Kon. 22:24).
Wat zijn profetische optreden betreft kunnen we twee dingen opmerken.
a. Blijkens 1:1 is Micha opgetreden als profeet tijdens de koningen Jotam, Achaz en Hizkia, dat is, van ± 745 tot enkele jaren na 700 v. Chr. Het is dus waarschijnlijk, dat hij veel meer profetieën gesproken heeft dan in dit boekje zijn opgenomen.
b. Zijn profetisch optreden is sterk bepaald door de tegenstelling tot de valse profeten (zie bv. 3:5-7). Evenals Jeremia zal hij publiek met hen in botsing gekomen zijn (zie de aant. bij 2:12, 13 en de inleiding op de verklaring van 4:6-14).
Blijkens Jer. 26:18 v. heeft vooral zijn oordeelsprediking indruk gemaakt en bekering gewekt.
3.De tijd
Micha was een (jongere) tijdgenoot van Hosea en Jesaja en profeteerde enkele tientallen jaren na Arnos. De profetie van 1:2-7 moet uit de tijd vóór de val van Samaria (722 v. Chr.) dateren; na 1:7 horen we van Samaria en het noordelijk rijk niet meer (de naam Israel wordt dan voor Juda gebruikt).
In Juda hadden op sociaal gebied grote veranderingen plaats gevonden. In strijd met de bedoeling van de wet was er grootgrondbezit en een diepe kloof tussen arm en rijk ontstaan. De samenleving vertoonde meer een kanaänitische dan een israelitische structuur (vgl. 1 Kon. 21, de wijngaard van Nabot). Tegen sociaal en economisch onrecht komt Micha krachtig op met zijn prediking van het oordeel. Hizkia heeft hiernaar geluisterd (zie 2 Kon. 18:5-7; Jer. 26:19), maar het moet betwijfeld worden of hij er veel aan heeft kunnen veranderen, althans, voor langer tijd.
Politiek gesproken was het een tijd van toenemende bedreiging door het Assyrische Rijk. Dit had in 732 v. Chr. de ondergang van het aramese rijk van Damaskus bewerkt, in 722 die van Samaria (Israel). Micha zag, dat de dreiging aan Juda niet voorbij zou gaan. Velen echter, gesteund door de valse profeten, meenden, dat God Zijn heilige stad nooit zou prijsgeven (Sionstheologie, zie bij 2:6, 3:12 en de inl. op 4:1-5). Micha echter predikt de nabijheid van de ondergang, 1:8-16. Omdat de bedoeling van oordeelsprediking echter bekering is en deze blijkens Jer. 26:19 ook op die prediking volgde, is er geen reden op dit punt een tegenstelling te zien tussen Jesaja, die de redding van Jeruzalem, en Micha, die de ondergang ervan aankondigt.
4.Het boek
Het boek Micha spreekt een plastische, soms rauwe, maar, zoals bij profeten gebruikelijk, tevens poëtische, taal. Lang niet alles in het boekje is duidelijk; zie de noot waarmee de verklaring begint. Dikwijls wordt aangenomen, dat de hstt. 6 en 7 profetieën van een andere profeet bevatten; hetzelfde geldt volgens verschillende uitleggers ook van delen van de hstt. 4 en 5. Hiervoor is onvoldoende grond. Wel is mogelijk, dat hier en daar, bij wijze van citaat van of discussie met de valse profeten, uitspraken van hen zijn aangehaald, zie bij 2:12, 13 en 4: 11-13. Zoals andere profetische boeken bevat ook dit afwisselend profetieën van onheil en heil.
5.De betekenis
De oordeelsprediking van Micha maakt duidelijk, dat politieke en militaire verdediging zonder bekering het volk van God niet baten zal. Het leven dient ook in sociaal en economisch opzicht te beantwoorden aan de wil van God.
Het volk van God mag niet zomaar op Gods bescherming rekenen omdat het in het beloofde land rondom de berg en het huis van God woont. Juist Zijn eigen volk zal de HERE ter verantwoording roepen. Verkiezing en belofte leggen verplichtingen op.
Het laatste woord is echter aan genade en vergeving. Vooral 4:1-5 en hst. 5 beloven de messiaanse toekomst en het boek eindigt met de aangrijpende boodschap vanGods vergevende barmhartigheid, 7:18-20.
In het N.T. horen we duidelijke echo’s van het boek Micha in Mat. 2:6 (Mi. 5:1) en Mat. 10:21, 35 en Luc. 12:53 (Mi. 7:6).
VERKLARING
Noot over de verklaring van het boek Micha
Het boek Micha is op vele plaatsen moeilijk te verklaren. De taal en de woorden ervan zijn niet steeds duidelijk. Bovendien zijn er in de loop van de eeuwen bij het overschrijven nogal wat varianten ontstaan, zodat niet steeds met zekerheid is uit te maken hoe de hebreeuwse tekst precies moet luiden. In de hierna volgende verklaring hebben we ervan af moeten zien die problemen steeds aan te duiden en andere mogelijkheden van vertaling dan de door NBG gekozene te vermelden. We volstaan doorgaans met het verklaren van de door NBG gegeven vertaling. Om soortgelijke redenen zijn ook de indeling en de opschriften van de NV aangehouden.
Opschrift 1:1
Evenals bij andere profetische boeken is dit opschrift niet geplaatst door de profeet zelf, maar door hen die de uitspraken van de profeten verzamelen en redigeerden. Woord des HEREN: wat in dit boek volgt, is openbaring, Woord van God, vgl. 3:8. Over Micha, de Morastiet en in de dagen van… zie de Inl. Geschouwd: eigenlijk duidt dit woord het ontvangen van een visioen aan, maar hier wordt het (evenals in Nah. 1:1; Sef. 1:1) gebruikt in de algemene zin van ‘profetische openbaring ontvangen’. Over Samaria en Jeruzalem: deze beide hoofdsteden vertegenwoordigen resp. het Noordelijke en het Zuidelijke (Juda) rijk. Overigens gaat alleen de eerste profetie (1:2-7) over Samaria.
Aankondiging van het oordeel over Samaria (en Jeruzalem) 1:2-7
1:2-4. Gij volken allemaal: God is Rechter over de hele aarde en al wat daarin is (haar volheid); maar in vs 5 komt de verrassende wending, dat het komen van God als Rechter zich tegen Zijn eigen volk richt. Getuige: die het kwade gezien heeft en daarom als aanklager en zelfs als rechter optreden kan. Uitzijn heilige tempel, zijn woning: God daalt neer uit de hemel om te oordelen. Deze verschijning (theophanie) en de geweldige verschijnselen waarmee zij gepaard gaat, tekenen vss 3 en 4, vgl. Ex. 19: 16; Ps. 68:3, 9, 97:5; Zach. 14:4.
1:5-7. Evenals in Sef. 1 keert de komst van de Rechter van de hele aarde zich tegen Zijn eigen volk. Overtreding: dit woord typeert zonde vooral als opstand tegen, afval van de HERE. Zonden: de eigenlijke betekenis van dit woord is ‘het missen (van het doel)’. Samaria, Jeruzalem: in de hoofdsteden, waar de leidende kringen wonen, is het godsdienstige en sociale kwaad geconcentreerd. Hoogten: de plaatsen waar een eredienst plaats vond, die steeds weer aanleiding gaf tot afgoderij. De vss 6 en 7 kondigen concreet alleen over Samaria het oordeel aan; dit is echter tevens een zware bedreiging voor Jeruzalem, zie de vss 8-17. Wijngaarden: Samaria zal zo grondig verdwijnen, dat men tegen de berg waarop het gebouwd was wijngaarden zal kunnen aanleggen. Dit is profetische taal: zo is het bij de verovering van 722 v. Chr. niet gegaan. Gesneden beelden: afgoderij, de belangrijkste oorzaak van de ondergang. Wijgeschenken: hetzelfde woord wordt in dit vs nog tweemaal gebruikt (in de vert.: hoeren/oo/j); bedoeld zijn gaven aan de afgoden (afgoderij als overspel gezien, vgl. Hos. 1 en 2), vooral: betalingen aan de aan het heiligdom verbonden cultische prostituees. Dit alles zal door de (assyrische) veroveraars geroofd worden en die zullen er weer hoerenloon van maken: vijandelijke soldaten zullen hun aandeel in de buit gebruiken om er hun bezoeken aan prostituées mee te betalen. Deze profetie over Samaria is vooral vervuld, toen de stad in 722 v. Chr. door de Assyriërs werd ingenomen (2 Kon. 17).
Klaaglied van de profeet 1:8-16
In het over Samaria aangekondigde oordeel (vss 6 en 7) ligt tevens een bedreiging voor Jeruzalem dat dezelfde wegen bewandelt. Het oordeel over Jeruzalem wordt nu uitgesproken in de vorm van een klaaglied dat de verovering van Juda beweent. De tekst is zeer moeilijk te vertalen en bevat vele woordspelingen, die in de vertaling niet zijn weer te geven.
8, 9. Het zonder schoenen (barrevoets) en zonder overkleed (naakt) rondlopen is teken van rouw. Jakhalzen en struisvogels, vgl. Job 30:29, maakten klaaglijke geluiden die aan weeklachten deden denken. Poort: stad.
10-12. Het eigenlijke klaaglied begint met een traditionele zin: verkondigt het niet te Gat (vgl. 2 Sam. 1:20) met de betekenis: laten de vijanden het niet horen (in vroeger tijd was Gat een filistijnse, aan Israel vijandige, stad geweest), opdat zij zich niet over ons lijden verheugen. De opsomming van plaatsen tot vs 15 heeft ten doel te tekenen hoe de oorlog het land van Juda alom treft; van de in de vss 10-12 genoemde judeese steden is de ligging onbekend. Belet u daar te blijven: de weeklacht in Bet-Haësel is zo sterk, dat bewoners van andere plaatsen op de vlucht gaan. Om het goede: zeer onzekere vertaling; anderen: ‘in alle hevigheid’ of ‘Hoe kunt u nog hopen op het goede?’
13. Span de rossen enz.: nl. om te vluchten. Lakis, de bekende vestingstad in het ZW van Juda, is als bestuurlijk en vooral militair centrum het begin, oorzaak en kern, van de zonde van Juda: vertrouwen op wereldse machten ipv. op de HERE. Sions dochter: de stad als vrouw voorgesteld, zie de aant. bij Klaagl. 1:6.
14, 15. Afscheidsgeschenk: zoals aan een dochter wordt meegegeven bij haar huwelijk; bedoeld is: afstand doen van, als verloren beschouwen. Moreset-Gat: nb. de woonplaats van de profeet zelf! Akzib, een vestingstad waarop de koningen van Juda (hier Israel genoemd: het vroeger gewoonlijk Israel genoemde Noordelijke rijk was inmiddels verdwenen) vertrouwden, zal geen stand houden; met een woordspeling: Akzib zal worden tot een akzab, iets dat teleurstelt (NBG: leugenbeek). Maresa, eveneens een vestingstad, niet ver van Akzib (Joz. 15:44; 2 Kron. 11:7), zal veroverd worden. In Adullam, eventen NO van Lakis, zullen de aanzienlijken en machtigen van Juda (de heerlijkheid van Israel) een toevlucht zoeken voor de vijand, zoals eens David voor Saul (1 Sam. 22:1).
16. Oproep aan Jeruzalem, als vrouw voorgesteld, zich kaal te scheren (teken van rouw, Am. 8:10), omdat haar kinderen (bewoners) in ballingschap worden weggevoerd, vgl. een soortgelijk beeld in Jer. 31:15. Deze profetie is vervuld bij de veldtocht van de assyrische koning Sanherib in 701 v. Chr., waarbij het land van Juda in handen van de vijand viel, Jeruzalem een moeilijke belegering doormaakte en vele inwoners van het land werden weggevoerd (2 Kon. 18:13-19:37).
Wee over de gewelddadige machthebbers 2:1-5
1.Wee: leidt eigenlijk een klacht over een dode in (2 Kon. 13:30, vertaald met ‘ach’); hier (en vaak bij de profeten) wordt er een oordeel door aangekondigd: degenen over wie dit ‘wee’ wordt uitgeroepen, zijn ahw. ten dode opgeschreven. Op hun legersteden, bij het morgenlicht: dag en nacht zijn ze met onrecht bezig, ‘s nachts met het bedenken, zodra de dag begint met het uitvoeren ervan. In de macht van hun hand: de leidende kringen maken misbruik van hun macht en mogelijkheden zichzelf te verrijken.
2.Begeren zij akkers, huizen: in strijd met het 10de gebod, Ex. 20:17. Roven: door machtsmisbruik en afpersing, mogelijk met schijn van recht, maar in strijd met de oude regels van bezit en erfrecht in Israel; daar is het land van de HERE en is ieder zijn erfdeel door het lot toegewezen, Joz. 14.T v, 18:10; Ps. 16:6; daaraan mag niet zomaar veranderd worden, Lev. 25:23, zeker niet door geweld en onrecht, 1 Kon. 21; Jes. 5:8.
3.Dit geslacht: het soort mensen dat zulke dingen doet. Het kwaad dat de HERE tegen hen bedenkt is waarschijnlijk onderwerping door vijanden, voorgesteld als een juk, waaruit zij hun halzen niet zullen kunnen terugtrekken, vgl. Jer. 27:2.
4.Dit vs is zeer onzeker van tekst en vertaling. Spreuk: spotlied, in dit geval een spottende klaagzang, die aan de (straks) onderworpen onderdrukkers in de mond wordt gelegd en die bestaat uit de rest van vs 4. Gedaan: vgl. Ez. 37:11. Vernietigd: of ‘geruïneerd’. Het erfdeel van mijn volk: ironische formulering; degenen die geen eerbied hebben gehad voor het erfdeel van anderen als leden van het volk van God (zie bij vs 2) klagen nu, dat het erfdeel van het volk in vreemde handen overgaat. Ook afvalligen is ironie: de geweldplegers waren zelf afvallig, goddeloos, toen zij anderen hun erfdeel ontnamen; nu klagen zij dat ‘afvalligen’ onze akkers in handen krijgen.
5.Daarom: leidt (opnieuw) de aankondiging van het oordeel in. Het meetsnoer uitwerpt: nl. bij de verdeling van het land, zie bij vs 2. Misschien werd van tijd tot tijd het land opnieuw verdeeld; mogelijk zal de in vs 3 (zij het niet met zoveel woorden) aangekondigde vijand het land opnieuw verdelen, vgl. Am. 7:17.
De valse profeten 2:6-11
6.7a,b. ‘Profeteert niet’, profeteren zij: de leidende kringen in Juda en de valse profeten willen Micha (en andere profeten) verbieden het oordeel aan te kondigen. Zij beschouwen zulke strafpredikingen als beledigingen (beschimpingen) van het volk van God. En vooral: zij beschuldigen Micha ervan tekort te doen aan het geduld van God (vgl. Ps. 103:8) die immers zo meedogenloos niet met Zijn volk omgaat (is dit zijn handelwijze?).
7c. Micha antwoordt: mijn woorden zijn wel oordeelsprediking, maar alleen tegen hen die onrecht doen; ze zijn vriendelijk jegens hen die oprecht wandelen. Vgl. Ps. 18:26-28.
8, 9. Maar juist die handel en wandel deugt niet bij de leidende kringen in Juda: geweldpleging jegens niets vermoedende voorbijgangers; weduwen (vrouwen) worden, als zij haar schulden niet kunnen betalen, van huizen en kinderen beroofd, 2 Kon. 4:1. Neemt gij mijn heerlijkheid weg: berooft gij van de eer als vrij burger tot het volk van God te behoren. Misschien zelfs: doordat ze naar het buitenland verkocht worden, raken ze de heerlijkheid van God (het geloof in de God van Israel) kwijt.
10. De straf: de verdrukkers zullen het land van Juda moeten verlaten in ballingschap. Dit is de plaats der ruste niet: het land, dat God hun had gegeven als vervulling van de belofte, als plaats van ‘rust’ (Deut. 12:9, 25:19; Hebr. 4:1-10) hebben ze door hun zonden onrein gemaakt. Het is alleen dan een plaats van rust, als zij er de vermoeiden rust gunnen, Jes. 28:12.
11. Wind: het zinloze, lege, onware; het woord betekent ook ‘geest’ – ook de valse profeten beriepen zich op de Geest van God, 1 Kon. 22:24. Waarschijnlijk moet achter dit vs een dubbele punt gedacht worden en hebben we in vss 12 en 13 een voorbeeld van de geruststellende prediking van Micha’s tegenstanders.
Heilsverkondiging 2:12, 13
12. 13. Omdat deze verkondiging van heil hier, ingeklemd tussen oordeelsprediking, wel erg onverwachts komt, is het waarschijnlijk, dat Micha in deze beide vss een uitspraak aanhaalt van de valse profeten die heil verkondigen, vgl. Jer. 6:14, 8:11, 28:9. Als dat zo is, is met overblijfsel niet een restje vanIsrael bedoeld dat uit verstrooiing wordt teruggebracht, maar betekent overblijfsel hier zoveel als ‘nakomelingschap’ (vgl. ook ‘in uw geheel’). Bijeenbrengen: zoals een herder zijn schapen, vgl. Ps. 80:2; Jes. 63:14. Doorbreker: een ander beeld, nu niet dat van de kudde maar van de strijd: de HERE breekt aan het hoofd van Zijn volk door de vijandelijke legers, die Israel als een stad belegeren, heen, vgl. Ps. 48: 4, dergelijke heilsverwachtingen speelde ook de koning een rol, vgl. Klaagl. 4:20.
Tegen de leiders van het volk 3:1-12
Dit gedeelte zegt het oordeel aan over Juda en Jeruzalem vanwege de daar heersende toestanden van onrecht, geweldpleging en uitbuiting van de kant van de leidende figuren. Blijkens Jer. 26:17 v dateert deze profetie uit de tijd van Hizkia (vgl. Mi. 3:12 met Jer. 26:18). Op de vraag hoe zulke slechte toestanden hebben kunnen bestaan tijdens een goed koning als Hizkia moet waarschijnlijk geantwoord worden, dat we hier nog in het begin van de regering van Hizkia zijn en dat mede door profetieën als deze Hizkia tot zijn reformerend werk gekomen is.
1-3. En ik zeide: geeft mogelijk een tegenstelling aan tot de woorden van de valse profeten (zie de aant. bij 2:12, 13): die verkondigen vrede zonder bekering, maar ik zei, enz. Hoofden, leidslieden: regering, hoge beambten,rechters, hoge militairen, maar ook geestelijke leiders als profeten en priesters, vs 11. Recht: zoals God wil dat de samenleving wordt ingericht. Kennen: sluit liefde tot en handhaving van het recht in. Kwaad: kwam daarin uit, dat de mensen ahw. uitgebeend en hun het vel over de oren gehaald werd, vs 3. De mensen worden voorgesteld als schapen die door de leiders geslacht, in pot of ketel gekookt en opgegeten worden, vgl. Ez. 34.
4.Dan: eens, of: straks, als zij zelf, als straf van Godswege, in moeilijkheden komen. Antwoorden: door hen te verlossen. Aangezicht verbergen: een andere kant uit kijken, doen alsof zij er niet zijn.
5.Profeten: bedoeld zijn wat wij gewoonlijk de ‘valse’ profeten noemen, die het volk verleiden door de zondaars niet terecht te wijzen. Of zij heil (sjalom, welzijn, zie Jer. 8:11) of onheil (oorlog) verkondigen, hangt alleen af van de vraag of iemand hen goed betaalt, of zij iets met hun tanden te bijten krijgen (met profeteren de kost verdienen, vgl. Am. 7:12). Mogelijk zijn hier vooral profeten bedoeld die aan heiligdommen verbonden waren.
6.Voor u: voor de ‘leidslieden’ van vs 1, die straks de steun van de valse profetie zullen moeten missen, wanneer die duidelijk niet is uitgekomen. Geen gezicht (visioen) of waarzegging zal hun meer moed inspreken. Duisternis, ondergaan van de zon: beelden van ramp en onheil, waarin zij tevens het ‘licht’ van de ‘profetie’ zullen moeten missen.
7.Beschaamd worden: zij zullen door de afloop, door het oordeel van God, vreselijk in het ongelijk worden gesteld, zie bij Jes. 41:11, 42:17. Bovenlip omwinden: als teken van rouw het gezicht tot en met de bovenlip met een doek bedekken. Antwoord: openbaring, maar ook redding, zie bij vs 4.
8.Heel anders de ware profeet! Die is door de Geest des HEREN vol van kracht: moedig om zonde zonde te noemen, ook als niemand de oordeelsprediking wil horen. Recht: zie bij vss 1-3. Overtreding, zonde: zie bij 1:5.
9-11. Deze vss geven in hoofdzaak herhaling van de vss 1-3. Sion: n.b. de heilige stad, wordt met bloed, met onrecht dat mensenlevens kost, gebouwd, vgl. Hab. 2:12. Wat zo gebouwd wordt, houdt geen stand, vs 12. Spreken recht voor geschenken: laten zich omkopen. De priesters laten hun onderricht in de wet afhangen van de vraag of zij er zelf beter van worden, vgl. Ez. 22:26; Sef. 3:4 en de aant. De HERE in ons midden: het valse gevoel van veiligheid, vgl. Jer. 7:4 en zie de Inl., 3.
12. De totale verwoesting van Jeruzalem is zelfs door andere profeten van die tijd (als Jesaja) niet aangekondigd. Daarom: leidt de aankondiging van het oordeel in, vgl. 2:5. Sion: zie bij vs 10. Tempelberg: in Juda leefde een sterke verwachting, dat de HERE de plaats die Hij zich als woonplaats had uitgekozen nooit aan verwoesting zou prijsgeven. Zie voor een gedeeltelijke vervulling van deze profetie bij 1:16. Pas veel later (587 v. Chr.) is Jeruzalem werkelijk verwoest; blijkens Jer. 26:17-19 is het oordeel uitgesteld omdat deze prediking Hizkia tot inkeer bracht. Dat is de bedoeling van prediking van het oordeel: bekering, zodat het oordeel niet doorgaat.
Het komende Vrederijk 4:1-5
Dit gedeelte is vrijwel gelijk aan Jes. 2:1-4, met (naastenkele kleinigheden) dit verschil, dat vs 4 bij Jes. ontbreekt en dat vs 5 iets uitgebreider is dan bij Jes. Het is niet waarschijnlijk, dat Micha deze profetie van Jesaja heeft overgenomen, of andersom. Waarschijnlijk is deze doublure te danken aan hen die de profetische uitspraken verzameld en geredigeerd hebben. Na de scherpe oordeelsprediking over Jeruzalem in het voorafgaande gedeelte namen zij deze heilsprofetie op: er zal wel heil (zijn voor en) uitgaan van Jeruzalem, maar niet van Sion zoals het nu is; de ‘Sionstheologie’ (zie de aant. bij 3:12) krijgt pas gelijk in het laatste der dagen.
1, het laatste der dagen: deze uitdrukking kan ook betekenen ‘na verloop van (lange) tijd’, maar hier ziet ze zeker op een toekomst die buiten de gewone menselijke geschiedenis ligt. Vaststaan: vgl. Ps. 46:6, 87:5. Hoogste, verheven: deze wonderlijke verhoging is (ook!) letterlijk bedoeld: alle volken zullen de tempelberg zien (vgl. Gen. 11:4) en daarheen als pelgrims komen. Opdat Hij ons lere: het gaat niet over zendingswerk van Israel, maar om wonderlijke bekering van de volken tot de HERE. Zijn wegen, zijn paden: de wegen die Hij wil dat wij gaan. Wet: tora, aanwijzing van de wil van God. Woord: dat verkondigt wie de HERE is en wat Hij doet.
3.Alleen in de weg van deze bekering zal er vrede zijn! Geen oorlog maai het rechtspreken van de HERE zal eventuele geschillen beslechten. Zwaarden tot ploegscharen: de oproep tot oorlog (Joel 3:10, hebr. 4:10) is hier omgekeerd.
4.Ontbreekt in Jes. 2. Onder wijnstok en vijgeboom zitten: spreekwoordelijk beeld van ongestoorde vrede, vgl. 2 Kon. 18:31; Zach. 3:10. HERE der heerscharen: zie bij Jes. 44:6, 45:13.
4-5. Alle volken wandelen…, maar wij…: het is nu nog niet zover, dat de andere volken de HERE zoeken, zoals zojuist is geprofeteerd, maar de verwachting daarvan is voor ons een reden te meer te wandelen in de naam van, te leven in vertrouwen op en gehoorzaamheid aan, de HERE.
Jeruzalem in nood, maar bestemd tot heerlijkheid 4:6-14
Dit is weer een gedeelte waarin veel onduidelijk is. Niet alleen de betekenis van de woorden en zinnen, ook de samenhang van en binnen deze vss is omstreden. Vooral is de vraag in hoeverre ook hier (zie de aant. bij 2:11 en 2: 12, 13) geruststellende woorden van de valse profeten zijn aangehaald; die mogelijkheid valt mi. vooral voor 4: 11-13 te overwegen.
6-8. Te dien dage: sluit aan bij vs 1; ook deze profetie heeft dus betrekking op ‘het laatste der dagen’. Ze spreekt uit wat in het voorafgaande al verondersteld werd: het heil zal alleen komen langs de weg van het lijden. Vandaar het kreupele en het verstrooide: het volk van Juda en Jeruzalem wordt voorgesteld als een uiteengejaagde kudde, vgl. 2:12. Overblijfsel: degenen die de rampen en oordelen overleefd hebben en uitgangspunt worden voor herstel (maar vgl. ook bij 2:12). De HERE zal dan als Koning de Goede Herder zijn voor Zijn volk; vandaar dat Ofel, de zuidoostelijke heuvel van Jeruzalem, waarop de oorspronkelijke stad van David gebouwd was, Migdal Eder, ‘kudde-toren’, wachttoren waarvan herders hun kudden bewaken, genoemd wordt. Voor Dochter Sions, dochter van Jeruzalem, zie bij 1:13.
9, 10. Deze vss gaat iets terug achter de voorafgaande: daar werd de redding getekend, hier zit Jeruzalem nog midden in de ellende. Geen koning: of er op dat ogenblik een koning was of niet, hij kon niet helpen, hij was radeloos (uw raadsman omgekomen?). Gij zult uittrekken: als de stad is ingenomen, moet de bevolking haar verlaten. En gij zult naar Babel komen: mogelijk later toegevoegd, toen men in de verwoesting van Jeruzalem en de wegvoering naar Babel een voorlopige vervulling van deze profetie zag.
11-13. Misschien is dit een woord van de valse profeten, die niet alleen redding na rampen verkondigden, maar in die rampen zelfs de weg van het plan van God tot verlossing van Zijn volk zagen en daarin schijnbaar aansloten bij Ps. 46:7, 48:6, e.a. Ontwijd: verwoest en ongeschikt om heilige stad te zijn. Gedachten, raadslag: het plan van God, dat Hij de volken rondom Jeruzalem bijeen doet komen om hen daar door Israel te laten dorsen, dwz. zwaar tuchtigen (vgl. Am. 1:3). Hoeven: een os dorste het graan door er met zijn hoeven over te lopen. 14. Dit vs (waarvan de vertaling onzeker is) heeft niet veel zin als sluitstuk van het voorafgaande; beter kan het met 5:1 w. verbonden worden. In benden scharen: of ‘zich angstig opeendringen’ of ‘insnijdingen maken’ (als teken van verdriet). Duidelijk is wel, dat Jeruzalem belegerd is (belegeringswal) en dat de koning (de richter Israels) geheel weerloos is: hij wordt door de vijanden met een roede (stok) op het kinnebakken geslagen, smadelijk als onderworpene behandeld. Maar – er is redding, niet bij de koning te Jeruzalem maar bij de ‘Heerser’ die in Betlehem geboren zal worden (5:1 w).
Voorzegging van de Messias en zijn Rijk, 5:1-14
Na het vorige gedeelte, dat de weg tekende ‘door lijden tot heerlijkheid’, volgt hier het vrederijk van de Messias. Waarschijnlijk behoort ook 4:14 hierbij (zie de aant. bij dat vs).
Dat deze vss wat toon en inhoud betreft een paar maal verspringen (zie de overgang van vs 3 naar vs 4, van vs 6 naar vs 7, van vs 8 naar vs 9) doet de vraag opkomen in hoeverre dit gedeelte een eenheid is: zijn hier misschien profetieën uit verschillende perioden bijeengebracht? Worden hier woorden van Micha afgewisseld met woorden van zijn tegenstanders? Zie de aant. bij vss 4, 5 en verder bij 2:12, 13,4:11-13.
1.Betlehem Efrata: door de toevoeging Efrata ( = vruchtbaar land) wordt Betlehem in Juda, vanwaar David afkomstig was, onderscheiden van andere plaatsen die zo heetten (bv. die van Joz. 19:15). Klein: in Davids tijd was Betlehem klein en blijkbaar is het dat gebleven. Zal Mij voortkomen: dat opnieuw een reddende Heerser uit Betlehem komt, zoals eens David, is het werk van God (Jes. 11:1; Jer. 30:21). Van ouds, van de dagen der eeuwigheid: van oeroude tijden; dit kan betekenen: uit het oude geslacht van David. Aan ‘eeuwigheid’ in de zin van ‘vóór alle tijden’ is waarschijnlijk niet gedacht, hoewel de uitdrukking wel iets laat gevoelen van de onnaspeurlijkheid van het werk van God. Vgl. Mat. 2:6.
2.Daarom geeft niet zozeer een reden als wel een conclusie aan: het zal dus zo zijn, dat de HERE zijn volk zal prijsgeven aan lijden en onderdrukking, totdat de Heerser van vs 1 geboren zal worden. In het lijden van zijn eigen tijd heeft Micha de voorboden gezien van wat komen zou, zie bij vs 6. Zij die baren zal: in opzettelijk vage bewoordingen wordt de geboorte van de Messias aangeduid. Het overblijfsel zijner broederen: diegenen van het volk van Juda, die verbanning en verstrooiing overleefd hebben, zullen samen met de overgebleven Israëlieten, bewoners van het rijk van de Tien Stammen, het volk van de Messias vormen. Deze ook in Jer. 3:18; Ez. 37:1528 uitgesproken verwachting is toen in letterlijke zin niet uitgekomen; wij kunnen er een profetie in horen van het ene volk van God aan het eind van de tijden.
3.Hij: de in vs 1 aangekondigde Messias. Weiden: zie bij 2:12, 13, 4:6-8. De regering van de Messias zal het Koninkrijk van God zijn (in de kracht des HEREN, enz.); het rijk van vrede zal daarom reiken tot aan de einden der aarde. De eerste woorden van vs 4 (en Hij zal vrede zijn) horen waarschijnlijk nog bij vs 3.
4, 5. Deze vss vallen, vergeleken met de vorige, uit de toon: ze spreken niet van vrede maar van strijd; bovendien is het niet waarschijnlijk, dat ‘Assur in ons land komt’ wanneer de Messias regeert. Zijn hier weer de tegenstanders van Micha aan het woord, die menen ipv. de ene Heerser (vs 1) zeven of acht menselijke vorsten te hulp te kunnen roepen?
Assur: Assyrië, de grote dreigende macht in Micha’s tijd, zie de Inl. Zeven herders, sterker nog: acht vorsten uit de mensen: niet het messiaanse heil, maar gewone menselijke bondgenootschappen (tegenover Assyrië zocht men vaak heil bij Egypte en bij coalities van vorsten in en om Palestina). Herders: koningen, zie 1 Kron. 11:2; Ps. 80: 2; Ez. 34:2. Het land van Nimrod: Assyrië als gewelddadige macht getypeerd, vgl. Gen. 10:8-11.
6, 7, 8. De vss 7 en 8 zijn moeilijk te rijmen met vs 6; vs 6 zegt, dat het herstelde Israel een zegen, vss 7 en 8, dat het een oordeel voor de andere volken zal zijn. Horen we in vss 7, 8 weer de stem van de valse profeten met wie Micha in dispuut was?
Overblijfsel: wat de rampen en oordelen overleefd heeft en tot een nieuw volk geworden is, vgl. bij 2:12. Dauw, regenstromen: beeld van rijke zegen die door Israel tot de volken komt; de heerschappij van de Messias zal ook andere volken zegenen. Dat niet wacht op de mens: het nieuwe Israel en de zegen voor de volken zullen niet tot stand komen door menselijke inspanning maar alleen doordat men het van God verwacht, Jes. 40:27-31. Vss 7 en 8 tekenen niet slechts heerschappij van Israel over de volken, maar wraakoefening en oordeel. Mogelijk behoort ook vs 14 hierbij.
9-13. Te dien dage: vgl. 4:6. We zijn nog steeds in de sfeer van het ‘laatste der dagen’, 4:1, het rijk van de Messias, 5:1. Paarden, strijdwagens, (versterkte) steden, vestingen: alle eigen, militaire, macht waarop Israel zou kunnen vertrouwen, wordt door God weggedaan; alleen op God zullen zij vertrouwen, vgl. vs 6, 4:3; Ps. 20:8, 46: 10; Jes.2:6-8, 30:15v.; Zach. 12:4. Ook in geestelijke zin zal de HERE alles wegdoen waarop zij hun vertrouwen zouden kunnen zetten: toverijen, waarzeggers (vgl. 3:11) en heilige beelden, stenen en palen, die zij zelf gemaakt hebben (het werk uwer handen). Gewijde stenen: zgn. masseben, vgl. Hos. 10:1. Gewijde palen: asjera’s, symbolen van de godin van de vruchtbaarheid. De zuivering van het volk gaat hier nogal hardhandig toe; de toon ishier harder dan in de vss 1-3 en 6. Mogelijk komt dit doordat vss 9-14 gebruik maken van traditionele motieven uit de prediking tegen de afgoderij.
Vs 14 lijkt aan te sluiten bij vs 8. Geen gehoor gegeven: aan de oproep zich te onderwerpen aan de HERE en Zijn Gezalfde, vgl. Ps. 2:10 vv.
Het rechtsgeding des HEREN 6:1-8
ln dit gedeelte horen we de taal van het rechtsgeding: God laat zijn volk ter verantwoording roepen voor zijn ondankbaar gedrag. Een eigenlijke aanklacht ontbreekt (die kan vooral uit vs 8 opgemaakt worden), evenals een uitspraak van de Rechter. Dit laatste komt mogelijk daardoor, dat het in staat van beschuldiging gestelde volk blijkens vss 6, 7 bereid is zich te bekeren, zij het nog niet op de juiste wijze. Aan de andere kant: door aansluiting van de volgende profetie (vss 9-16) wordt het oordeel toch aangezegd.
1, 2. Hoort toch: aangesproken is het volk, dat (in werkelijkheid of alleen in de voorstelling van de profeet, zie de uitleg van vs 9) is bijeengekomen. Sta op, treed als aanklager op: deze opdracht is gericht tot de profeet, die namens God spreken moet. Ten aanhoren van de bergen: als deze vertaling juist is, zijn bergen en heuvels hier de getuigen, de jury; taalkundig juister is de vertaling: tegen de bergen – in dat geval vertegenwoordigen de bergen land en volk van Israel (op bergen en heuvels vonden vaak afgodische praktijken plaats). Onwrikbare grondvesten: men zag de bergen wel als de in de diepte gelegde fundamenten van de aarde. Aanklacht: wat die inhoudt, wordt niet gezegd; het is uit vs 8 op te maken.
3- plaats van zijn volk aan te klagen geeft de HERE Israel gelegenheid Hem aan te klagen en zo eigen afvalligheid ahw. te rechtvaardigen. Mijn volk: door God uitgekozen, Am. 3:2. Wat heb Ik u aangedaan: waaraan heb lk uw gedrag verdiend? Het is aangrijpend (en verregaand anthropomorf) de almachtige God zo te horen pleiten. Vermoeid: bv. door overmatige eisen, zware lasten, onvervulbare wetten, ln plaats van Israel te vermoeien heeft God het uit de vermoeiende slavernij in Egypte verlost. Van de geschiedenissen tussen uittocht uit Egypte en intocht in Kanaän wordt alleen die van Balak en Bileam genoemd: een vooral geestelijke dreiging, Num. 22-25, 31:16. Gedenk: meer dan alleen ‘zich herinneren’: je geloof door de verlossende daden van God laten bepalen. Sittim: Num. 25:1; Joz. 2:1. Gilgal: Joz. 4: 19. Tussen die twee ligt de doortocht door de Jordaan, de intocht in het beloofde land.
6, 7. Het antwoord van het als één persoon (ik) voorgestelde volk: het erkent het recht van God en is bereid met vele offers zijn inkeer te bezegelen en de gunst van God terug te winnen. Waarmee: voorzien van welke offers. Tegemoet treden, nl. in de tempel, om zich voor de troon van God neer te buigen in ootmoed. Brandoffers: hier in algemene zin gebruikt, zodat ook offers ter verzoening eronder vallen. Het volk is bereid tot zeer grote offers (duizenden rammen, enz.). Oliebeken: olie maakte deel uit van de spijsoffers, Lev. 2:14 vv, 14:10vv. Eerstgeborene: zelfs de mogelijkheid van het kinderoffer wordt overwogen, ondanks Ex. 34:20; zie verder 2 Kon. 3:27, 16:3, ea.
6:8. Korte samenvatting van de profetische prediking: liefde en trouw als antwoord op de reddende daden van God. Hij heeft u bekendgemaakt: Israel behoeft de vragen van vss 6, 7 niet te stellen; het weet allang, dat offers als zodanig niet zijn wat God vraagt, Ps. 50:7 vv, 51:18 vv; Jes. 1:10 w; Am. 5:21 vv. Recht (misjpaat) te doen: te leven naar Gods goede orde voor mens en samenleving. Getrouwheid (chèsèd) lief te hebben: met hart en ziel te leven in trouw aan het verbond met God en mensen. Ootmoedig wandelen met uw God: eerbiedig met hem om te gaan en een leven te leiden dat daarmee in overeenstemming is (de vertaling is overigens onzeker).
Jeruzalems zonde en het oordeel Gods 6:9-16
Tekst en uitleg van dit gedeelte zijn zeer onzeker. Mogelijk is ook het een en ander van zijn plaats geraakt (vs 12 bv. past beter na vs 9) en toegevoegd (zie bv. op vs 9). De vraag kan opkomen of toestanden als hier getekend onder Hizkia zijn voorgekomen; zie daarover Inl., 3 (de tijd) en de inl. op de verklaring van 3:1-12. Misschien ook dateert deze profetie uit de tijd van Achaz.
9.De HERE roept: dmv. zijn profeet. Daarbij kan aan een of ander publiek optreden gedacht zijn (vgl. Jer. 7); zie ook de verdere uitleg van dit vs. De stad: op grond van vs 6 denkt men wel aan Samaria, maar in het kader van het boek is zeker Jeruzalem bedoeld. En heilzaam is het uw naam te vrezen: onzekere vertaling; toevoeging? Luistert naar de roede enz.: de poging van NBG tot vertaling geeft nauwelijks een zinvol resultaat; anderen vertalen, met enkele wijzigingen en met verwijzing naar Sept.: ‘Hoort, gij stam en gij vergadering van de stad’.
10, 11. Ondanks onzekerheid in vertaling is het verwijt duidelijk: oneerlijk verkregen rijkdom, door een schriele efa, een te klein meetvat, en een onbetrouwbare weegschaal, waardoor de koper te weinig waar voor zijn geld krijgt; in het algemeen: door oneerlijke handel buiten rijken de armen uit. Vgl. voor dit blijkbaar veel voorkomende kwaad Lev. 19:36; Deut. 25:14 v; Spr. 11:1, 16:
11, 20:33; Ez. 45:10; Am. 8:5. Zou Ik rechtvaardig zijn, of: ‘zou lk rechtvaardig verklaren’, accepteren. Buidel vol valse gewichten: weegstenen en weegschaal (balans) werden onderweg meegenomen.
12. Hoort mogelijk tussen vs 9 en vs 10. Haar: van de stad. Rijken: rijk geworden op de manier van vss 10, 11; blijkens het parallelisme bewoners is het kwaad zeer algemeen. Geweld: de arme kon zich tegen hun practijken niet verweren.
13-15. Het oordeel. Ik: de HERE. U: nu is de afzonderlijke zondaar aangesproken. Personen (krank) en stad (verwoesting) worden zo gestraft, dat alle inspanning zinloos wordt: zaaien levert geen oogst op; van wat wel geoogst wordt (olie, wijn) zullen ze niet genieten; wat opgeslagen wordt (wegbrengen) vergaat of wordt door vijanden geroofd (aan het zwaard prijsgeven); wat gegeten wordt verzadigt niet. Vgl. voor deze ‘vloek van de zinloosheid’ Am. 5:11; Sef. 1:13; en voor het tegenovergestelde Jes. 65:21 vv. Concreet kan aan misoogst, oorlog en ziekte gedacht worden.
16. Inzettingen van Omri, werken van het huis van Achab: levens- en handelwijze, zoals die naar kanaäni-tisch voorbeeld onder de koningen van het huis van Omri in Israel gangbaar geworden waren, vgl. 1 Kon. 21. Opdat Ik u zou overgeven: het gevolg (‘zodat’) is hieraangegeven als de bedoeling (‘opdat’) om aan te duiden: de zondaars wisten heel goed, dat God deze zonden niet ongestraft kon laten. Voorwerp van ontzetting, aanfluiting: stad en inwoners zullen in zo’n toestand van verwoesting en ontreddering geraken, dat niemand het kan aanzien zonder aan ontzetting of verachting uiting te geven; vgl. Jer. 25:9, 18; Klaagl. 2:15 v; Sef. 2:15. De smaad van mijn volk dragen: de smaad dragen die God als straf zal brengen over zijn volk? of: de straf dragen omdat ze het volk van God te schande hebben gemaakt?
De grote ongerechtigheid 7:1-6
Deze profetische klacht tekent in traditionele taal (zie Ps. 12:1 v, 14:1 vv; Jes. 59:7 v; Jer. 51:1) de slechte zedelijke toestand onder het volk. Van bekering wordt hier niet gesproken, wel van oordeel; het vervolg van dit hoofdstuk spreekt echter wel van berouw, verlossing en vergeving. Een profetie als deze is niet goed denkbaar in de tijd van Hizkia (maar zie bij 3:1-12 en 6:9-16); zijn we met dit hoofdstuk in later tijd, bv. die van Manasse?
1, 2a. Wee mij: aan het woord is de profeet; zoals iemand bij de nalezing, na de oogst, geen druif vindt aan de wijnstok, geen vijg aan de vijgeboom (vgl. Mat. 21:18 vv), zo is er in het land geen vrome meer te vinden: niemand leeft volgens 6:8.
2b-4a. Ondanks onzekerheden in tekst en uitleg is de bedoeling duidelijk: de totale verloedering van mens en samenleving: ieder is ieders vijand (loeren op bloed), corruptie, omkoperij, vooral onder de rijken en machtigen (de vorst, de minister, eist; de rechter laat zich betalen), en zelfs de beste onder hen is nog een doornstruik, dwz. een gevaar (Spr. 15:19) of in elk geval van geen nut (Ri. 9:8 vv) voor zijn naaste.
4b-6. Uw wachters: uw bespieders, de buitenlandse vijanden die loeren op u en uw land. Bezoeking: het ter verantwoording roepen, de straf. Vertrouwt de metgezel niet: in de normloze samenleving verraadt de een de ander; zelfs in intieme relaties (die aan uw boezem ligt) moet men op z’n woorden letten (behoed de deuren van uw mond), om verraad te voorkomen, Waar zo alle vertrouwen is verdwenen, blijft alleen het oordeel: God geeft hen prijs aan elkanders zonde en samen aan de vijand. Bij vs 6 vgl. Mat. 10:35 v.
7.Uitzien, wachten: er is in het heden niets dat hoop geeft; alleen van God is heil te wachten. Vgl. Jes. 40:2731. Over dat heil zie vss 8 w. Mijns heils: die mij helpt, verlost. Spreekt hierin mee, dat de profeet zich in zo’n samenleving bedreigd voelde?
Sions verlossing 7:8-13
Blijkbaar is het in vs 4 aangekondigde oordeel gekomen: Jeruzalem is gevallen (vs 8); maar het ziet zijn zonde in en wacht op verlossing.
Het is niet goed mogelijk de omstandigheden waaronder deze profetie gegeven is, resp. waarop zij betrekking heeft, nader aan te geven.
8, 9. Mijn vijandin: zowel de stad die hier aan het woord is (dat moet in het kader van het boek wel Jeruzalem zijn) als de macht die wordt aangesproken (Assyrië?) wordt als vrouw voorgesteld, zie bij 1:13. Gevallen, opstaan: Jeruzalem is gevallen, overwonnen, verwoest, maar zal herrijzen, herbouwd worden, vgl. Am. 5:2. Gramschap, gezondigd: de schuldbelijdenis van het geslagen volk, vgl. Jes. 63:16 w, 64:5 w; Hos. 6:1-3. Recht (misjpaat) verschaft: mij vrijspreekt nadat ik de straf gedragen heb, vgl. Jes. 40:1, 2.
10. Schaamte zal haar bedekken: de uitkomst zal haar in het ongelijk stellen, beschaamd doen uitkomen, zie bij 3: 7. Waar is de HERE uw God: uit de droevige omstandigheden werd geconcludeerd, dat God zijn volk had verlaten of het niet kon redden, vgl. Ps. 42:4. Nu zal zij vertreden worden: een lot nog erger dan dat Jeruzalem trof zal de vijandelijke macht overkomen.
11-13. Als de weergave van NBG juist is (wat zeer onzeker is!) wordt hier de nieuwe glorie van Jeruzalem getekend (er is ook een uitleg die hier het lot van de vijandelijke macht aangeduid ziet – uiteraard met een op verschillende punten andersluidende vertaling!). Uw muren zijn dan die van Jeruzalem; de stad zal ruim zijn, vgl. Jes. 60:11; Zach. 2:1-5. Van alle kanten, van Assur(As-syrië) tot Egypte, van Egypte tot de Rivier (de Eufraat), zullen de verstrooide bewoners toestromen, vgl. Jes. 60: 4, 8. De aarde tot een woestenij: het gebied van de vijanden wordt en blijft woest.
Bede en lof 7 :14-20
Dit gedeelte bidt om het herstel dat in het voorafgaande is aangekondigd. De profetie van het heil sluit het bidden erom niet uit, integendeel!
14. Weid uw volk met uw staf: het beeld van de koning als herder, vgl. 4:6-8 en Ps. 80:1, 2; Jes. 40:11; Ez. 34. Die eenzaam wonen in een woud, te midden van een vruchtbare landbouw: als deze vertaling juist is (dat is lang niet zeker!) staat hier, dat Israel in onherbergzame streken woont, terwijl om hen heen het goede land in handen van vijanden is. ‘Vruchtbare landbouw’ is de weergave van het hebr. karmel. Basan, Gilead: vruchtbare streken; de bedoeling is dan: geef ons de vruchtbare streken die we van ouds bezaten terug. Vgl. Jer. 50:19.
15. Het herstel na verwoesting en verstrooiing zal evenzeer met wonderen gepaard gaan als vroeger de uittocht uit Egypte en de reis door de woestijn, vgl. Jes. 40:3-5, 41:17-20, 52:11 v.
16. 17. Beschaamd worden: zie bij vs 10 en 3:7. De hand op de mond leggen: beschaamd zwijgen, van verbijstering niets meer weten te zeggen, vgl. Job 21:5, 25:9, 39: 37 (hebr. 40:4). Doof worden: horen (en zien) zal hun vergaan door het wonderlijke ingrijpen van God. Stof lekken: kruipend over de grond zullen zij uit hun burchten komen, zich onderwerpend, diep vernederd.
18-20. Heel de wonderlijke redding, die aangekondigd is, berust alleen op de barmhartigheid van God, die de zonde vergeeft (zie bij Jes. 40:3) en de overtreding van het overblijfsel (zie bij 2:12, 5:2, 6, 7) van zijn erfdeel (het volk dat Hij zich als zijn eigendom uitgekozen heeft, Ps. 33:12, 78:71) voorbijgaat, dwz. er geen aandacht meer aan schenkt, Ps. 85:3, 4. Wie is een God als Gij: vgl. de naam Micha(el), ‘wie is als God?’. Toorn niet voor eeuwig: een vast onderdeel van de belijdenis van het oude Israel, vgl. Ex. 34:6, 7; Ps. 103:8, 9; Jona 4:2. Diepten der zee: afgrond waarin ze voorgoed verdwijnen, vernietigd worden. De oeroude beloften aan Jakob en Abraham blijken nog steeds van kracht te zijn, omdat God er trouw aan is en goedertierenheid (chèsèd), trouw aan zijn gegeven woord en verbond, bewijst.