Menu

Premium

‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan?’

Micha 6:3-4a in de Improperia voor Goede Vrijdag en bij de kerkvaders

Zowel in het huidige Missale Romanum als in het Dienstboek van de Protestantse Kerk in Nederland zijn voor Goede Vrijdag de zogenaamde Improperia opgenomen, ofwel ‘de Verwijten’, ook genoemd ‘het Beklag Gods’.
[1]
In de rooms-katholieke liturgie zijn deze Improperia onderdeel van de kruisverering die op Goede Vrijdag ’s middags plaatsvindt na een aantal Schriftlezingen en gebeden. De huidige versie is ongewijzigd overgenomen uit het Missale Romanum, dat in 1570 is samengesteld op grond van de besluiten van het concilie van Trente. Het gezang bevat, in twaalf strofen waarin een subject spreekt in de eerste persoon enkelvoud, een herinnering aan bevrijding uit Egypte, die het volk heeft beantwoord met de kruisiging van de Verlosser.

Het gezang bevat twee refreinen, waarvan het eerste, dat tien keer wordt gezongen, is ontleend aan Micha 6:3, ‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan? Of waarin heb ik u bedroefd? Antwoord mij’(Popule meus, quid feci tibi? aut in quo contristavi te? responde mihi).
[2]
In de eerste strofe wordt bovendien het begin van Micha 6:4 geciteerd: ‘Want ik heb u uitgeleid uit het land van Egypte’ (quia eduxi te de terra Aegypti). In het andere refrein, dat drie maal klinkt, wordt afwisselend in het Grieks en in het Latijn gezongen: ‘Heilige God, heilige sterke, heilige onsterfelijke, ontferm u over ons.’

Er zijn tal van studies verschenen over de oorsprong van dit gezang en andere Improperia-teksten,
[3]
en de afgelopen decennia is in het Nederlandse taalgebied een heftige discussie gevoerd over het zo ervaren anti-joodse karakter ervan.
[4]
In deze bijdrage ga ik voorbij aan de algemene kwestie van de oorsprong van de Improperia-teksten, maar beperk ik mij tot twee vragen: 1. tot hoever het liturgische gebruik van deze woorden uit het boek Micha in het oude christendom worden herleid, en 2. hoe zijn ze destijds en in de Middeleeuwen geïnterpreteerd?
[5]
In een excurs zal ik aandacht schenken aan een oude joodse interpretatie van Micha 6:3-5 en aan de vraag of hiermee op het christelijke gebruik van de tekst wordt gereageerd.

1. De oorsprong van het liturgische gebruik van Micha 6:3-4a

1.1 Latijnse liturgieën

De tekst van het gezang uit het oude en nieuwe Missale Romanum volgt hier in vertaling.
[6]
Omdat deze studie in het bijzonder handelt over het gebruik van Micha 6:3, en van Micha 6:4a in het kielzog daarvan, zijn de woorden die daarop teruggaan gecursiveerd.

Mijn volk, wat heb ik u gedaan? Of waarmee heb ik u bedroefd? Antwoord mij!
Want ik heb u uitgeleid uit het land van Egypte,
maar u hebt voor uw Verlosser een kruis bereid.
Agios o Theos, sanctus Deus (heilige God),
Agios ischyros, sanctus fortis (heilige sterke),
Agios athanatos, eleisón imas, sanctus immortalis, miserere nobis
(heilige onsterfelijke, ontferm u over ons).
Want ik heb u uitgeleid door de woestijn gedurende veertig jaren.
en u met manna gespijzigd,
en ik heb u ingeleid in het goede land, dat overvloeit,
maar u hebt voor uw Verlosser een kruis bereid.
Agios …
Wat had ik nog meer moeten doen, en heb ik niet gedaan?
Ik heb u toch geplant als mijn uitgelezen wijngaard vol pracht?
Maar wat bent u mij tot bitterheid geworden;
want met azijn hebt u mijn dorst gélaafd,
en met een lans hebt u de zijde van uw Verlosser doorstoken!
Agios …
Om uwentwil heb ik Egypte met de gesel geslagen in zijn eerstgeborenen; nu hebt u mij gegeseld.
Mijn volk…
Ik heb u uit Egypte uitgeleid en de farao in de Rode Zee verdronken; en u hebt mij overgeleverd aan de hogepriesters.
Mijn volk….
Ik heb voor u uit de zee geopend;
en u hebt met een lans mijn zijde geopend.
Mijn volk…
Ik ben voor u uitgegaan in een wolkkolom;
en u hebt mij geleid naar het rechthuis van Pilatus.
Mijn volk…
Ik heb uw mond gevuld met manna in de woestijn; en u hebt mij beladen met kaakslagen en kastijdingen.
Mijn volk…
Ik heb u gelaafd met helder water uit de rots;
en u hebt mij gal en azijn te drinken gegeven.-
Mijn volk..’.
Ik heb om uwentwil de vorsten van Kanaan met de roede geslagen; en u hebt mijn hoofd geslagen met een rietstok.
Mijn volk…
Ik heb u een koninklijke scepter gegeven; en u hebt mijn hoofd met doornen gekroond.
Mijn volk…
Ik heb u met grote kracht verheven;
en u hebt mij aan het hout van het kruis gebonden.
Mijn volk…

Hoewel de eerste twee strofen zo kunnen worden opgevat dat God daarin zijn eigen daden in gedachtenis roept en spreekt over de gekruisigde Verlosser, blijkt uit de zinsnede ‘want met azijn hebt u mijn dorst gelaafd’ in de derde strofe onmiskenbaar dat Jezus zelf sprekend wordt ingevoerd.
[7]
Ook in de latere strofen is dat duidelijk het geval. Hieruit worden afgeleid dat Jezus ook in de eerste twee strofen als het subject beschouwd moet worden. In § 2 kom ik op de kwestie van het subject van dit gezang terug.

Johann Drumbl heeft betoogd dat de Improperia in deze vorm omstreeks het jaar het noorden van Italië zijn ontstaan.
[8]
Oudere vormen gaan echter terug op de negende eeuw.
[9]
Hoewel diverse Latijnse liturgische teksten waarin Micha 6:3 of 6:3-4a als verwijt voorkomt voorheen enkele eeuwen eerder werden gedateerd,
[10]
wordt nu alleen de Mozarabische liturgie uit Spanje erkend als een vroegere getuige van het gebruik van Micha 6:3-4a in de westerse kerk. Voor de liturgie op het negende uur van Goede Vrijdag wordt zelfs een veel omvangrijker gedeelte van deze profeet, namelijk Micha 6:1-8, afgewisseld met een refrein waarvan de eerste helft met de woorden van Micha 6:4a herinnert aan de uittocht uit Egypte:
[11]

Mijn volk, wat heb ik u gedaan? Of waarmee heb ik u bedroefd? Antwoord mij!
Want ik heb u uitgeleid uit het land van Egypte,
maar u hebt voor mij een kruis bereid.’
Hoort, wat de Heer zegt. Sta op en span een rechtsgeding aan tegen de bergen,
en laten de heuvels uw stem horen!
Want ik heb u uitgeleid…
Hoort, bergen, het rechtsgeding van de Heer, en krachtige fundamenten van de aarde, want de Heer heeft een rechtsgeding met zijn volk, ën met Israël zal hij twisten, zeggend:
Want ik heb u uitgeleid…
Mijn volk, wat heb ik u gedaan? Of waarmee heb ik u bedroefd, of waarmee heb ik u lastig gevallen? Antwoord mij!
Want ik heb u uitgeleid uit het land Egypte en uit het slavenhuis heb ik u verlost. Ik heb Mozes, Aaron en Mirjam voor u uitgezonden, maar u hebt voor mij een kruis bereid.
Mijn volk, ik vraag u, denk toch aan hetgeen Balak de koning van Moab heeft uitgedacht, of aan hetgeen Bileam de zoon van Beor hem heeft geantwoord, van Settim tot Gilgal, zodat u de rechtvaardige daden van de Heer leert kennen.
Want ik heb u uitgeleid…
Welk waardig offer zal ik de Heer brengen? Zal ik mijn knieën buigen voor de allerhoogste God?
Want ik heb u uitgeleid…
Zal ik hem brandoffers offeren, of eenjarige kalveren? Zal de Heer gunstig gestemd kunnen worden met duizenden rammen of met vele duizenden vette geitenhokken?
Want ik heb u uitgeleid…,
Zal ik hem mijn eerstgeborene geven voor mijn misdaad, de vrucht van mijn schoot voor de zonde van mijn ziel?
Want ik heb u uitgeleid…
Ik zal u te kennen geven, o mens, wat goed is of wat de Heer aan u vraagt: vooral dat u recht doet, de barmhartigheid liefhebt en ervoor zorgt dat u wandelt met de Heer uw God.
Want ik heb u uitgeleid…

[12]
[13]

De Latijnse tekst is grotendeels ontleend aan de versie van Micha 6:1- de Vulgata, maar juist in de vragen van Micha 6:3, ‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan…’, blijkt tevens de invloed van de Septuaginta. Waar de Vulgata namelijk op grond van de Hebreeuwse tekst tussen de aanspraak ‘Mijn volk’ en de oproep ‘Antwoord mij ’ twee vragen heeft, is er in de Septuaginta één aan toegevoegd die luidt: ‘of waarmee heb ik u bedroefd?’
[14]
De tweede vraag in de Vulgata en in de Hebreeuwse tekst komt overeen met de derde in de Septuaginta, afgezien van het eerste woordje: ‘en waarmee heb ik u lastig gevallen?’,
[15]
respectievelijk ‘o/waarmee heb ik u lastig gevallen?’

Aangezien in het begin van de Mozarabische tekst de tweede vraag luidt: ‘of waarmee heb ik u bedroefd?’ (aut in quo te contristavi), blijkt dat deze is ontleend aan een Latijnse vertaling die was gebaseerd op de Septuaginta,
[16]
of aan een Grieks gezang waarin gebruik was gemaakt van de Septuaginta. Deze herkomst wordt bevestigd door de drieledige vraag die even daarna klinkt: ‘wat heb ik u gedaan? Of waarmee heb ik u bedroefd, of waarmee heb ik u lastig gevallen?’ (quid feci tibi aut in quo te contristavi aut in quo tibi molestus fui). Deze tekstvorm correspondeert met de Septuaginta.

Omdat ook in het refrein van het Missale Romanum de vraag ‘of waarmee heb ik u bedroefd?’ klinkt, die in de Vulgata niet voorkomt, kunnen we concluderen dat deze zinsnede eveneens, direct of indirect, aan een Griekse tekst is ontleend. Er zijn geen aanwijzingen dat het Romeinse gezang door de Mozarabische liturgie is geïnspireerd.

1.2 Griekse liturgieën

De Byzantijnse liturgie van het Triodion, waarin de vieringen in de zeven weken voor Pasen worden voorgeschreven, kent voor de Goede Vrijdag soortgelijke ‘verwijten’, en wel in de vorm van twaalf troparia ofwel korte hymnen. In de Grieks-orthodoxe kerk worden deze gezangen nog steeds gezongen. Na het zesde uur (het middaguur) luidt het eerste troparion:
[17]

Dit zegt de Heer tot de Joden: ‘Mijn volk, wat heb ik u (σοι) gedaan, of waarmee heb ik u (σοι) lastig gevallen? Aan uw blinden heb ik het licht geschonken; uw melaatsen heb ik gereinigd; de bedlegerige man heb ik opgericht. Mijn volk, wat heb ik u (σοι) gedaan? En wat hebt u mij teruggegeven? Voor het manna, gal; voor het water, azijn; in plaats van mij lief te hebben, hebben jullie mij aan het kruis geslagen? Ik verdraag het niet langer; ik zal mijn volken roepen, en die zullen mij verheerlijken, met de Vader en de Geest, en Ik zal hun het eeuwige leven geven.’

In de viering die begint op het negende uur (drie uur ’s middags) klinkt een ander troparion dat hiermee verwant is:
[18]

Toen de boosdoeners de Heer der heerlijkheid aan het kruis sloegen, heeft hij tot hen geroepen:

[19]
‘ Waarmee heb ik jullie (ὑμ#m$ς) bedroefd? Of waarmee heb ik jullie woede opgewekt (ἢ ἐν τίνι παρώργισα)? Wie heeft, vóór mij, jullie uit de verdrukking verlost? En nu, wat hebben jullie mij vergolden? Kwaad voor goed; voor de vuurkolom, hebben jullie mij aan het kruis geslagen; voor de wolk, hebben jullie voor mij een graf gegraven; voor het manna, hebben jullie mij gal aangereikt; voor het water, hebben jullie mij azijn te drinken gegeven. Voortaan zal ik de volken roepen, en die zullen mij verheerlijken, met de Vader en de heilige Geest.’

Zonder nu op details in te gaan kunnen we zeggen dat de aard van de ‘verwijten’ in de Byzantijnse liturgie inhoudelijk verwant zijn met de twee Latijnse liturgieën die we hebben gezien. Ten aanzien van Micha 6:3 kan worden geconstateerd dat het eerste troparion de tekst van de Septuaginta volgt, en dat het andere daarvan afwijkt door de meervoudsvorm updc; te gebruiken en door er een verwijtende vraag aan toe te voegen: ‘of waarmee heb ik [jullie] woede opgewekt?’.

De twaalf troparia komen reeds voor in het Typikon (de liturgie voor het hele jaar) uit Jeruzalem van het jaar 1122,
[20]
maar hebben – zoals we zullen zien – een vroegere oorsprong. Het oudste getuigenis van de liturgie van Jeruzalem is van de hand van ene Egeria, die aan het einde van de vierde eeuw, vermoedèlijk van 381 tot 384, daar driejaar als pelgrim doorbracht. In haar reisverslag schrijft zij dat op Goede Vrijdag op Golgotha van het zesde tot het negende uur uit de psalmen, de profeten, de Apostel (de brieven ën Handelingen) en de evangeliën wordt gelezen hetgeen betrekking heeft op het lijden van Christus. Ook vermeldt zij het zingen van hymnen (dicuntur ymni).
[21]
[22]
Helaas vertelt zij niets over de inhoud hiervan.

De Griekstalige liturgie van de kerk te Jeruzalem van die tijd is niet bewaard gebleven, behalve in een Armeense en een Georgische vertaling.
[23]
Deze beide vertalingen zijn nauw verwant, maar wijken ook van elkaar af. Op grond van de verschillen is vastgesteld dat de Armeense vertaling eerder is gemaakt en teruggaat op de liturgie zoals die in de vijfde eeuw, dus enkele decennia na Egeria’s beschrijving, werd gevierd.
[24]
De Georgische versie geeft daarentegen een latere vorm van de liturgie van de kerk te Jeruzalem weer en stamt uit de vijfde tot de achtste eeuw.
[25]
Evenals in de latere liturgie van het Typikon van 1122 worden in de Georgische versie voor het zesde uur van de Goede Vrijdag twaalf troparia voorgeschreven, die echter nog niet in de Armeense vertaling te vinden zijn.
[26]
In het Georgische lectionarium worden alleen de beginregels van deze troparia vermeld, maar in een appendix is de volledige tekst van deze gezangen opgenomen. Zij blijken vergaand, overeen te komen met de latere Griekse teksten. Het derde en het achtste troparion luiden in de Georgische versie:
[27]

Aldus sprak de Heer tot de Joden:

[28]
”Mijn volk, waarmee heb ik u bedroefd, of waarmee heb ik u lastig gevallen? Aan uw blinden heb ik het licht geschonken en de bedlegerige man heb ik opgericht. Voor het manna hebben jullie mij gal geboden, voor het water, azijn, voor mijn liefde hebben jullie mij aan het kruis geslagen. Nu zal ik de volken roepen en die zullen mij loven en ik zal hun het eeuwige leven geven. ’

Toen de goddelozen u, de Koning der heerlijkheid, aan het kruis sloegen, hebt u tot hen geroepen: ‘ Waarmee heb ik jullie bedroefd? Of waarmee heb ik jullie geërgerd? Wie heeft, vóór mij, jullie uit de verdrukking verlost? Waarom hebben jullie mij nu kwaad voor goed vergolden? Voor de vuurkolom hebben jullie mij aan het kruis geslagen; voor de lichtende wolk, hebben jullie voor mij een graf gegraven; in plaats van het manna hebben jullie mij gal doen drinken; in plaats van water, azijn. Nu zal ik de volken roepen en die zullen mij loven, met de Vader en de heilige Geest.’

In de Griekse manuscripten worden de twaalf troparia toegeschreven aan Cyrillus van Jeruzalem (ca. 313-387), aan Cyrillus van Alexandrië (| 444), of aan Sophronius van Jeruzalem (ca. 550-638). In 1988 concludeerde Sebastia Janeras dat het auteurschap van Sophronius voor waarschijnlijk worden gehouden.
[29]
Al eerder werden deze teksten omstreeks het midden van de zevende eeuw gedateerd.
[30]
In elk geval kunnen we concluderen dat de toeschrijving van Micha 6:3-4a aan de gekruisigde Jezus in de liturgie van Jeruzalem kan worden herleid tot dezelfde periode als waarin de Mozarabische liturgie in Spanje is ontstaan. Zoals we zagen, kwam de Mozarabische tekst van Micha 6:3 overeen met die van de Septuaginta. Bij gebrek aan andere oude getuigen van Micha 6:3-4a in de liturgie van Goede Vrijdag is het het waarschijnlijkst dat het gebruik van deze tekst in Spanje is overgenomen uit Jeruzalem. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de Mozarabische versie door de liturgie van Jeruzalem is geïnspireerd zeer kort nadat die daar was ontstaan, ligt het meer voor de hand dat dit gebruik in Jeruzalem al enige tijd bestond alvorens het door de Mozarabische kerk werd overgenomen. Zo mogen we aannemen dat het gebruik van Micha 6:3-4a op Goede Vrijdag van vóór de zevende eeuw dateert.
[31]

1.3 Verklaringen van enkele kerkvaders

Ofschoon ons geen oudere liturgieën of liturgische gezangen voor de Goede Vrijdag ter beschikking staan, zijn er wel patristische teksten van eerdere eeuwen waarin Micha 6:3-4a wordt geciteerd. We zullen hieraan aandacht schenken om te zien in hoeverre het liturgische gebruik van deze woorden teruggaat op de patristische uitleg en of bij de kerkvaders al aanwijzingen van het liturgische gebruik zijn te vinden.

Voor zover bekend is Ambrosius van Milaan de eerste die Micha 6:3-4a aanhaalt als een klacht in de mond van Jezus betreffende zijn lijden en dood. In zijn werk Over het geloof (van 378-380) citeert hij, tegenover ketters van diverse snit, Micha 6:3-4a als woorden van Christus. Hij laat daarop zijn antwoord tot de Verlosser en diens repliek volgen:
[32]

‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan? Of waarmee heb ik u bedroefd? Heb ik u niet uitgeleid uit Egypte en u uit het slavenhuis verlost? ’ – Maar het is niet genoeg [het volk / ons] uit Egypte te hebben verlost en uit het slavenhuis te hebben losgerukt. Belangrijker is dat u zichzelf voor ons gegeven hebt. U zult daarom zeggen: ‘Heb ik niet al jullie ongerechtigheden gedragen? Heb ik niet mijn lichaam voor jullie prijsgegeven? Heb ik niet de dood gezocht, hetgeen niet paste bij mijn goddelijkheid, maar was om jullie vrij te kopen? Is dit jullie dank? Heeft mijn bloed daartoe gediend, zoals ik bij monde van de profeet al heb gezegd: “Welk nut heeft mijn bloed, dat ik tot in het verderf ben afgedaald?” Heeft het daartoe gediend, dat jullie, voor wie ik dit heb ondergaan, goddeloos mij hebben verloochend?’

In zijn Uitleg van twaalf psalmen (van 387-397) citeert Ambrosius, in zijn commentaar op Psalm 36,
[33]
onder meer Micha 6:3-4a volgens de Septuaginta. Hij voegt hieraan toe:
[34]

Wat moet u [mens] hem antwoorden die alles aan u heeft doen toekomen, die u over alles heeft aangesteld, die aan u de Egyptenaren heeft onderworpen tot wie u als gast gekomen was, en die hen later, toen ze u achtervolgden, in de zee heeft verdronken? Hij heeft uw vijanden uitgeroeid en vernietigd, hij heeft u voortgebracht en geschapen, hij heeft u met zijn bloed vrijgekocht, en u levert zichzelf uit om zijn vijand te dienen?

Hieruit is op te maken dat Ambrosius in zijn vragenderwijs geformuleerde antwoord op de vragen van Micha 6:3-4a de schepping van de mens en de redding uit Egypte toeschrijft aan Christus die de mensheid met zijn bloed heeft vrijgekocht. Ambrosius blijkt in beide werken Christus als het subject van Micha 6:3-4a te beschouwen. Hij is ervan overtuigd dat de Heer die Israël uit Egypte heeft verlost dezelfde is als hij die aan het kruis is gestorven.
[35]
Een verwijzing naar de liturgie op Goede Vrijdag is bij Ambrosius in dit verband niet te vinden.

In diezelfde periode was Johannes ChrysoStomus priester te Antiochië (van 386 tot 398). In een preek over de (vermeende) naamsverandering van Saulus, toen deze op weg was naar Damascus en daar volgens Chrysostomus tot Paulus werd, bespreekt hij de vraag van Jezus de verrezene: ‘Saulus, Saulus, waarom vervolgt u mij?’ (Hand. 9:4). Chrysostomus vergelijkt deze vraag met hetgeen God de Vader tot de Joden had gezegd: ‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan, of waarmee heb ik u bedroefd!,34 Nu citeert Chrysostomus Micha 6:3 wel vaker als woorden van God de Vader,
[36]
[37]
maar in deze preek is belangwekkend dat hij kort voor dit citaat Jezus vragen in de mond legt die sterk doen denken aan de latere troparia voor Goede Vrijdag. Hij verklaart en parafraseert Jezus’ vraag namelijk aldus:
[38]

‘Saulus, Saulus, waarom vervolgt u mij?’ Dit zijn niet zozeer de woorden van iemand die een verwijt uitspreekt, als wel van iemand die zich verdedigt. ‘Waarom vervolgt u mij? Wat Voor gerings of groots hebt u mij te verwijten? Welk onrecht hebt u van mij ondervonden? Dat ik jullie doden heb opgewekt? Dat ik de melaatsen heb gereinigd? Dat ik de demonen heb uitgedreven? Maar daarom had ik aanbeden, niet vervolgd moeten worden.’

De vraag: ‘Dat ik jullie doden heb opgewekt?’ (ὅτι. τοὺς νεκροὺς ὑμων ἀνέστησα;) komt in een iets langere versie voor in een troparion voor de Goede Vrijdag dat hierboven nog niet is geciteerd. Jezus zegt daar aan het kruis onder meer: ‘ welke daad willen jullie mij kruisigen, Joden? … Omdat ik de doden als uit een slaap heb opgewekt?’ (ὅτι. τοὺς νεκροὺς ὑμων ὡς ἐξ ὕπνου ἀνέστησα;).
[39]
De vraag: ‘Dat ik de melaatsen heb gereinigd?’ (ὅτι. τοὺς λεπροὺς ἐκάθηρα;) zijn we in het troparion voor de viering van het zesde uur tegengekomen in de vorm van een aanklacht: ‘uw melaatsen heb ik gereinigd’ (τοὺς λεπρούς σου ἐκάθηρα).
[40]
Alleen voor de verwante vraag ‘Dat ik de demonen heb uitgedreven?’ is in deze troparia geen parallel te vinden. Nu komen soortgelijke zinsneden ook al voor in de Paaspreek van Melito van Sardes, uit de periode 160-170.
[41]
[42]
Desondanks: als nu vaststond dat de troparia voor Goede Vrijdag uit de vierde eeuw stamden, dan zou duidelijk zijn dat Johannes Chrysostomus in deze preek op die troparia zinspeelde, hetgeen dan bevestigd zou worden door het erop volgende citaat uit Micha 6:3. Omdat er echter nog onvoldoende aanwijzingen zijn voor een datering van deze troparia in de vierde eeuw, kunnen we vooralsnog niet verder gaan dan te concluderen dat Chrysostomus een vroege getuige is van de verbinding tussen de klacht van Micha 6:3 en enkele andere klachten die Jezus in de mond worden gelegd.

Van belang is voorts een preek die Chrysostomus in 399 op Goede Vrijdag in Constantinopel heeft gehouden, een jaar nadat hij daar als bisschop was aangesteld.
[43]
Hij maakt zich boos over de gelovigen die op die dag aan de paardenrennen en het theater de voorkeur hebben gegeven boven de vieringen in de kerk. Hij begint zijn preek aldus:
[44]

Is dit dragelijk? Is dit te tolereren? Want tegen jullie wil ik een klacht indienen. Zo heeft ook God dat met de Hebreeën gedaan; tegen hen diende hij een klacht in toen hij zei: ‘’Mijn volk, wat heb ik u gedaan, en waarmee heb ik u bedroefd, of waarmee heb ik u lastig gevallen? Antwoord mij!’

Weliswaar schrijft Chrysostomus de woorden van Micha toe aan ‘God’ en niet expliciet aan Jezus, maar frappant is toch dat deze woorden, die hij op Goede Vrijdag citeert, enkele eeuwen later in de liturgie van die dag klinken als een klacht in de mond van Jezus.

Omstreeks die tijd, in 393, heeft Hieronymus, die toen in Betlehem woonde, een Commentaar op Micha geschreven.
[45]
Daarin heeft hij veel materiaal uit Origenés’ verloren gegane Commentaar op de twaalf profeten opgenomen.
[46]
Micha 6:3-4a verklaart hij daar, na een historische uitleg met betrekking tot Israël, als een getuigenis van Gods twist met ‘ons’, de christenen. Hij schrijft:
[47]

Maar laten wij, die ernaar haken met een onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen (2 Kor. 3:18) en die echt Abraham als vader hebben (Mat. 3:9), horen dat God met ons redetwist wanneer wij gezondigd hebben en dat hij ons aanklaagt op grond van de grootheid van zijn weldaden. Vroeger hebben wij immers de farao gediend en hebben wij voor het Egyptische volk leem en tichelstenen gemaakt (Ex. 1:14). Ook heeft hij, die zichzelf als een losprijs voor allen heeft gegeven (Mat. 20:28; 1 Tim. 2:6), ons vrijgekocht, opdat wij die door de Heer bevrijd waren, die hij uit de hand van de vijanden heeft vrijgekocht en die hij uit de landstreken heeft verzameld, zouden zeggen: ‘Want zijn barmhartigheid duurt tot in eeuwigheid’ (Ps. 106:l
[48]
).

Hieronymus expliciteert zo Gods klacht in Micha 6:3-4a door te wijzen op diens verlossende daden ten tijde van het oude verbond en de verlossing die Jezus als de Heer door zijn dood heeft bewerkstelligd. Naar de liturgie op Goede Vrijdag verwijst Hieronymus niet.

Tot slot verdient de anonieme, in het Grieks overgeleverde Dialoog tussen Timotheüs en vermelding. In dit geschrift, dat stamt uit dé vijfde of zesde eeuw, zijn een christen en een Jood met elkaar in gesprek. Omdat de christen Timotheüs de oordelen van de Heer over het volk Israël aan Jezus toeschrijft, vraagt de Jood Aquila hoe het dan mogelijk is dat Jezus, die tot het kruis is veroordeeld, die oordelen heeft uitgesproken. Timotheüs verklaart dat Jezus ten onrechte ter dood is veroordeeld, en dat dit heeft plaatsgevonden wegens de ongerechtigheden van het volk. Het eerste voorbeeld dat hij aanhaalt van hetgeen Jezus als oordeel heeft uitgesproken, stamt volgens de auteur uit Hosea, maar in feite geeft hij een vrij citaat van Micha 6:3, ‘’Mijn volk, welk onrecht heb ik u aangedaan? (τί ἠδίκησά σε;) Of waarmee heb ik u lastig gevallen? Antwoord mij/’
[49]
Zo blijken deze woorden evenals bij Ambrosius aan de pre-existente Jezus te worden toegeschreven, en worden ze in nauw verband gebracht met zijn latere kruisiging. De liturgie op Goede Vrijdag blijft echter buiten beeld.

1.4 Conclusie over het liturgische gebruik van Micha 6:3-4a

Al eerder hebben we uit de bespreking van de zevende-eeuwse liturgieën van Jeruzalem en van de Mozarabische kerk geconcludeerd dat we mogen aannemen dat het gebruik van Micha 6:3-4a op de Goede Vrijdag van vóór de zevende eeuw dateert. Uit de zojuist behandelde patristische teksten uit het westen en het oosten van het Romeinse rijk blijkt dat reeds in de laatste decennia van de vierde eeuw de klacht in Micha 6:3 of 6:3-4a in sterkere of in minder sterke mate in verband werd gébracht met Jezus’ lijden en dood. Hoewel de beschikbare teksten niet de conclusie toelaten dat dit gebruik van deze klacht in die tijd ook al in de liturgie op Goede Vrijdag voorkwam, dit evenmin worden uitgesloten. Johannes Chrysostomus citeerde Micha 6:3 op Goede Vrijdag en legde Jezus woorden in de mond die overeenkwamen met de latere troparia voor die dag. De hymnen die door Egeria worden vermeld zijn in enigerlei vorm voorlopers van die latere troparia geweest. Opmerkelijk genoeg heeft de grote liturgist Anton Baumstark, die de Griekse troparia voor Goede Vrijdag aanvankelijk in de zevende eeuw dateerde, later de toeschrijving aan Cyrillus van Jeruzalem – dus in de vierde eeuw – toch voor mogelijk gehouden.
[50]
Het is echter niet mogelijk deze vroege datering sluitend te bewijzen.

Excurs: Een joodse reactie?

In het onderzoek naar de oorsprong van de Improperia is diverse malen aandacht geschonken aan de mogelijke relatie met enkele Joodse teksten waarin het volk Israël om zijn ondankbaarheid wordt aangeklaagd.
[51]
In deze studie ga ik hieraan echter voorbij omdat Micha 6:3-4a in die teksten niet voorkomt. Een rabbijnse uitleg van deze passage in Leviticus Rabbah en Pesiqta de-Rab Kahana is echter, voor zover ik weet, nog niet eerder met de Improperia in verband gebracht. Beide werken worden in de vijfde eeuw gedateerd.

Eerst wordt in beide werken uit Leviticus 22:27 aangehaald: ‘een rund of een schaap of een geit’. Daarmee wordt bedoeld dat van alle dieren alleen een rund, een schaap of een geit als offer voor de HEER in aanmerking komt, nadat het jong eerst zeven dagen bij zijn moeder is geweest (aldus Lev. 22:27); meer heeft hij niet van zijn volk gevraagd.
[52]
Vervolgens wordt Micha 6:3 geciteerd en verklaard:
[53]

Een andere uitleg van ‘een rund of een schaap of een geit’. Hierop heeft betrekking hetgeen geschreven staat: ‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan en waarmee heb ik u lastig gevallen? Getuig van mij!’ Rabbi Acha zei: ‘Getuig van mij en ontvang een beloning; u zult geen vals getuigenis tegen uw naaste afleggen (Ex. 20:13), dan zult u daarvoor in de komende eeuw een rechtvaardig oordeel ontvangen’. Rabbi Samuel, de zoon van Nachman, zei: ‘Op drie plaatsen kwam de Heilige, gezegend zij hij, om met Israël te redetwisten; de volken van de wereld verheugden zich daarover en zeiden: kunnen zij soms redetwisten met hun Schepper? Nu zal hij hen uit de wereld uitroeien.’

De tweede van de drie door Rabbi Samuel genoemde tekstplaatsen wordt aldus aangehaald:

Toen hij tot hen zei: ‘Hoor, , de aanklacht van de Heer’ (Mi. 6:2), verheugden de volken van de wereld zich en zeiden zij: ‘Hoe kunnen zij redetwisten met hun Schepper? Nu zal hij hen uit de wereld uitroeien.’ Zodra de Heilige, gezegend zij hij, zag dat de volken van de wereld zich verheugden, wendde hij dit voor hen ten goede, zoals gezegd is: ‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan? Mijn volk, gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraamde’ (Mi. 6:3, 5). Allen verwonderden zich en zeiden: ‘Dit antwoord past niet bij de berisping; het ene is anders dan het andere. Gaat het hem er slechts om zich met zijn kinderen te vermaken?’

De reden van de verbazing van de volken (lees: de christenen) over Gods reactie in Micha 6:3, 5 (of veeleer de complete tekst van Mi. 6:3-5) is dat koning Balak weliswaar kwaad tegen Israël in de zin had, maar dat de door hem in de arm genomen ziener Bileam zijns ondanks het volk heeft gezegend.
[54]
[55]
[56]
Hieruit blijkt dat deze tekst volgens de rabbijnen niet betekent dat God zijn volk verwijtend ter verantwoording roept en heeft afgeschreven, maar dat hij tegenover zijn kinderen zijn mildheid toont. Nu leefde rabbi Samuel de zoon van Nachman, aan wie deze traditie wordt toegeschreven, in de tweede helft van de derde eeuw in Palestina.
[57]
Als deze toeschrijving betrouwbaar is, dan zijn uitleg niet worden opgevoerd als een mogelijke getuige van het gebruik van de passage uit Micha in de christelijke liturgie op Goede Vrijdag. Wel is het mogelijk dat in de vijfde eeuw, toen Leviticus Rabbah en Pesiqta de-Rab Kahana zijn samengesteld, deze rabbijnse uitleg in tweede instantie is gaan functioneren als een protest tegen de wijze waarop christenen in die tijd Micha 6:3-4a aanhaalden, eventueel zelfs in de liturgie.
[58]

2. De oudchristelijke en Middeleeuwse interpretatie van Micha 6:3-4a

Tot slot gaan we nader in op de interpretatie van Micha 6:3-4a, in het bijzonder op de kwesties wie in het liturgische gebruik van deze tekst als het subject wordt beschouwd en tot wie de klachten zijn gericht. In de inleiding stelde ik dat de liturgische Improperia moeten worden opgevat als uitgesproken door de aan het kruis geslagen Verlosser. Met betrekking tot het Missale Romanum verklaart Louis van Tongeren echter dat in de eerste drie strofen, die ouder zijn dan de daarop volgende, zowel God als Christus het subject kan zijn.
[59]
Voor de mogelijkheid van Christus als subject verwijst hij terecht naar de voorstelling dat Christus als de pre-existente Logos al voor zijn menswording in de heilsgeschiedenis werkzaam was, zodat de schepping van de wereld en Israëls verlossing uit Egypte aan hem kunnen worden toegeschreven. De eerste mogelijkheid, namelijk dat in deze klachten God (de Vader) zijn volk toespreekt, houdt hij echter open.

Zoals we gezien hebben, zagen Johannes Chrysostomus en Hieronymus inderdaad in dat het God is die in die passage sprekend wordt ingevoerd. In die trant wordt de passage ook verklaard in enkele commentaren op Micha uit de late oudheid en de Middeleeuwen.
[60]

In de uit Jeruzalem afkomstige troparia zijn de klachten uit Micha 6:3-4a echter onmiskenbaar de lijdende Christus in de mond gelegd. De visie dat de pre-existente Logos, die later in de persoon van Jezus Christus mens werd, het volk Israël uit Egypte heeft geleid, was reeds in het vroege christendom wijd verspreid. Zo lezen Origenes, een aantal Griekse handschriften en de Vulgata in de nieuwtestamentische brief van Judas 5: ‘Jezus, die het volk uit Egypte heeft verlost’.
[61]
Uit Johannes 12:41 blijkt de visie dat Jesaja bij zijn roeping in de tempel Jezus daar op de troon zag zitten.
[62]
Sinds Origenes is de uitleg vaak herhaald dat de komst van de Kurios uit de hemel zoals beschreven in Micha 1:2-4 betrekking heeft op de komst van Jezus.
[63]
Deze visie op Christus die in zijn pre-existentie de Israëlieten verlost en aanspreekt en die later mens wordt en aan het kruis wordt geslagen, staat dus in een oude traditie.
[64]
Ook de Mozarabische Improperia kunnen blijkens het refrein (‘Want ik heb u uitgeleid uit het land van Egypte, maar u hebt voor mij een kruis bereid’) niet anders dan met Christus als subject worden opgevat. Dit wordt bevestigd door Isidorus van Sevilla (ca. 560-639), die Micha 6:1-5 citeert als Christus’ woorden tot de Joden.
[65]
Het ligt daarom het meest voor de hand dat ook in de Improperia van het Missale Romanum met de ik-figuur Christus is bedoeld en niet God ‘de Vader’. Zo verklaart Rupertus van Deutz (ca. 1076-1129) Micha 6:3-4a dan ook, zowel in zijn verklaring van de liturgie als in zijn Commentaar op Micha.
[66]
De Nederlandse aanduiding van de Romeinse Improperia als ‘het Beklag Gods’ is dus alleen correct als men met ‘God’ Christus bedoelt.

Op de vraag wie er volgens de oude christelijke visies met deze woorden van Micha worden aangesproken kunnen verschillende antwoorden gegeven worden. Zoals we hebben gezien, is het besef dat God in het verleden zijn volk Israël aldus aansprak, bewaard gebleven. Johannes Chrysostomus en Hieronymus meenden echter dat ook christenen zich de aanklacht moesten aantrekken. Onder meer Cyrillus van Alexandrië, Theophylactus van Ohrid (ca. 1055-1126) en Rupertus van Deutz deelden die opvatting.
[67]
Zo schreef Rupertus in zijn Commentaar op Micha: ‘Maar laat niemand van ons menen dat zo’n klacht hem niet aangaat, want ook wij zijn Israël, die de Heer uit het Egypte van deze wereld heeft uitgeleid, dat wil zeggen uit de duisternis van de onwetendheid.’
[68]

Het is een spannende kwestie of in het liturgische gebruik op Goede Vrijdag alleen de Joden als de aangeklaagde partij werden beschouwd, of dat de christenen de klachten op die dag ook op zichzelf betrokken. In de Griekse troparia worden expliciet en exclusief de Joden van Jezus’ tijd aangesproken; zij worden vereenzelvigd met de Israëlieten die Jezus vroeger uit Egypte had verlost en met diegenen die hem, eenmaal mens geworden, hebben gekruisigd. Het ligt voor de hand dat de gelovigen bij het aanhoren van deze troparia ook aan de Joden van hun eigen tijd hebben gedacht.

In de Mozarabische liturgie lijkt de exclusieve identificatie van ‘Mijn volk’ met de vroegere, uit Egypte bevrijde Israëlieten en met de Joden van Jezus’ tijd evident, maar zij wordt niet expliciet verwoord. Ditzelfde geldt voor het Missale Romanum. Het is echter zeer de vraag of de gelovigen deze klachten in de liturgische context ook op zichzelf hebben betrokken. Opmerkelijk genoeg slaat Rupertus van Deutz in zijn werk over de liturgie een andere toon aan dan in zijn zojuist geciteerde Commentaar op Micha. Bij dit onderdeel van Goede Vrijdag schrijft hij over het drietalige opschrift ‘de Koning der Joden’ (Joh. 19:20) en over het feit dat het refrein ‘Heilige God, heilige sterke, heilige onsterfelijke, ontferm u over ons’ wel in het Grieks en het Latijn, maar niet in het Hebreeuws wordt gezongen: ‘Het antwoord klinkt echter niet in het Hebreeuws, omdat dat volk zijn koning tot dusver afwijst en dat opschrift met een vijandig hart vervloekt en verwenst.’ In zijn beschrijving van het ritueel vervolgt Rupertus: ‘Terwijl de bovengenoemde antifonen gezongen worden, wordt het kruis daarheen gedragen, waar er in geloof in het Grieks en in het Latijn op geantwoord wordt, omdat de gekruisigde Heer zich van de weigerachtige Joden afkeert en zich wendt tot de heidenen die in hem geloven.’
[69]
Het ligt het meest voor de hand te concluderen dat Micha 6:3-4a op Goede Vrijdag als Christus’ verwijt aan de Joden in het algemeen is opgevat.

Wellicht ook interessant

Schilderij De Leviet in Gibea van Gerbrand van den Eeckhout
Schilderij De Leviet in Gibea van Gerbrand van den Eeckhout
Basis

Seks en geweld: Rechters 19-21

Vrouw overlijdt na brute groepsverkrachting. Drie dagen hevige strijd in burgeroorlog: meer dan vijfenzestigduizend slachtoffers onder de strijders. Aantal burgerslachtoffers: onbekend, maar groot. Nee, dit is niet uit de krant van vandaag. Het is een korte samenvatting van wat we lezen in de laatste drie hoofdstukken van hel Bijbelboek Rechters (19-21). Seks en geweld. Wat moeten we met dit oude relaas? Gewoon maar concluderen dat de ontsporingen waarover verhaald wordt, nu eenmaal onontkoombaar zijn als een ‘condition humaine’ – in de zin van: het is nooit anders geweest – of valt er meer over te zeggen?

Lody van de Kamp
Lody van de Kamp
Basis

Korte Metten: Een tweede Rode Lijn op de stoep van de PKN

Vrijdag 20 maart: de Jannekes en de Hanna’s aan de niet zo pro-Israël kant van de PKN trekken hun rode jassen weer aan en doen hun rooie sjaals opnieuw om zodat zij hun zorgen over hun eigen kerkgenootschap nogmaals kunnen laten horen. Na een eerste christelijk Rode Lijn protest enkele maanden geleden volgt nu dus een tweede. Ze zijn boos. Heel boos. In hun ogen maakt de leiding van hun PKN zich, waar het over Israël, Gaza en Palestina gaat, schuldig aan het gebruik van “ontwijkende taal van ‘pijn aan beide kanten’ en misleidende taal over ‘conflict’ en ‘ingewikkeld’. En ook neemt de kerkleiding nog steeds het woord ‘genocide’ niet in de mond.” Zo schrijven de initiatiefnemers van dit tweede Rode Lijn protest in hun oproep in Nieuw Wij op 2 maart.

Nieuwe boeken