Menu

Basis

Missionaire aandachtsgebieden net na de Tweede Wereldoorlog

Zeventig jaar geleden werd het zendingstijdschrift De Heerbaan opgericht, de voorloper van Wereld en Zending en TussenRuimte. In het komende septembernummer zullen we uitgebreid stilstaan bij dit jubileum, naast het feit dat het voor TussenRuimte zelf ook een jubileumjaar is: het eerste nummer verscheen in 2008.

Zeventig jaar zendingstijdschriften laat zien dat er veel veranderd is op het gebied van de missiologische doordenking, aandachtsgebieden en prangende vragen rond kerk en zending. Verbazingwekkend is echter ook om te zien, dat sommige ‘oude’ vragen nu nog steeds actueel zijn – al zijn de antwoorden soms anders.

Als voorproefje van het jubileumnummer vindt u hieronder de integrale tekst van een artikel uit het eerste nummer van De Heerbaan*, waarin de ‘chroniqueur’ een korte stand van zaken geeft over de actuele aandachtsgebieden net na de Tweede Wereldoorlog.

Men zou een verrassende ontdekking kunnen doen, als men zich eens zou verdiepen in de vraag, wàt de zendingstijdschriften in de tijd van de moderne zending hebben betekend. Dit zou een aangrijpend hoofdstuk kunnen vormen in een ‘geschiedenis van de zendingsliteratuur’, waarvan men al een proeve gegeven heeft.[i] Mogen we hier met één enkele herinnering volstaan?

Aan het eind van de XVIIIe eeuw vinden we over het Europese vasteland kleine groepjes “opgewekte” zielen, die zich geregeld verenigden om zich over “de voortgang van het Rijk Gods over de aarde” te laten inlichten. Door zendingsberichten werden zij – temidden van het verval der kerken in het vaderland getróóst door “de hoop, dat al hetgeen in onze landen verloren gaat – in Oost en West ruimschoots vergoed wordt” (Bengel). Hier werd het oog gescherpt voor de overwinningen des Heren temidden der volkeren. De “Berichten over de uitbreiding van het Rijk van Jezus in het algemeen en door zendelingen in het bizonder” (1799 – 1817 in het Rhijnland uitgegeven) hebben – naar het getuigenis der lezers – “een geloofssterkend tegenwicht gevormd tegen de vele treurige gebeurtenissen in staat en kerk”. In deze kringen werd in Europa de nieuwe zending geboren, die de XIXe eeuw tot een “zendingseeuw” zou maken. Nagenoeg alle grote zendingsorganisaties groeiden uit deze leesgezelschappen (en door de berichten werd men tot gebed gedreven) en gebedsgemeenschappen.

Bij het begin van een nieuw zendingstijdschrift is het goed dit nog eens in herinnering te roepen. Kàn dat nog zo? Of is de wereld intussen zo verwarrend geworden, het zendingswerk te uitgebreid en zijn we zelf geestelijk te moe en oververzadigd van al het wereldnieuws? De vèrre landen zijn dichtbij gekomen, te dichtbij om er over te blijven dromen, toch nog vèr genoeg weg om nèt niet binnen onze eigen geestelijke wereld te vallen. Rondom onze eigen levenssfeer is een brede marge van niemandsland, waar alles vervaagt, waarover we slechts enkele onduidelijke vermoedens hebben. Toch wordt van deze onbekende en verontrustende wereld gezegd, dat die “de akker” is. En dat daar het Rijk in enkele tekenen reeds komt. Enkele jaren geleden, werd ons nog ingescherpt, dat “God – men zou haast zeggen als voorbereiding op onze tijd! – een christengemeenschap gebouwd heeft, die nu ongeveer in elk volk reikt en de burgers uit al deze naties in eenheid en liefde samenbindt. Dit is het resultaat van het zendingswerk van de laatste 150 jaar. Vanzelf haast is uit dit werk een wereldgemeenschap gegroeid. Zij is er nu, en zij is het grote nieuwe feit van onze tijd … Hier is een reden om ook in de komende dagen te blijven hopen!” (W. Temple).

Wij willen pogen om in deze kroniek met U op de uitkijk te gaan staan – een venster op deze wereld open te zetten – en naast de artikelen, die uiteraard voornamelijk over Indonesië, Suriname en Nederland zullen handelen, proberen, de berichten over de komst van het Rijk gespannen te volgen.

Verschillende delen dezer “wereldgemeenschap” schuiven daarbij onmiddellijk naar voren. Japan, waar na een oorlog die het aantal christenen tot ongeveer de helft teruggebracht heeft (± 150.000), nu de massa’s bewogen worden en tienduizenden een weg naar het doopvont zoeken. Generaal Mac Arthur heeft verklaard, dat van een democratisering geen sprake zou kunnen zijn, als men niet tegelijk het Christendom als fundament aanvaarden zou. Vroeg daarom 1000 zendelingen. Ze zijn er nu (ongeveer 1100 R.K. missionarissen, ongeveer 250 zendelingen!).

Deze verbinding van de nieuwe levensstijl met het Evangelie, – beide door een bezettend leger geïntroduceerd! – wordt door velen toegejuicht, door anderen met zorg gevolgd. Wanneer in een officieel zendingsrapport de verwachting wordt uitgesproken, dat “Japan binnen 5 jaar in de kanalen van een Christelijk gemeenschapsleven geleid” kan worden,[ii] wordt van andere kant gevraagd, wat dit te betekenen zou hebben, wanneer zo – als voorwaarde om in de volkerenfamilie opgenomen te worden – het christelijk geloof opgelegd wordt als fundament van de nieuwe wereld, die men door het toverwoord “democracy” voldoende omschreven acht.

In China houdt klaarblijkelijk de kerk haar – in de oorlog verworven – prestige. Onder de harde hand van mensen en door de genadige hand van God werden kerk en volk, in de verschrikkingen van de oorlog (die als burgeroorlog nog aanhoudt) naar elkaar toegedreven. Velen hebben in deze verbijsterende jaren in China ontdekt wat zending is en betekenen kan. Naast het getuigenis van President Roosevelt, die betreurde dat hij zo laat in zijn leven eerst ontdekken moest, wat zending eigenlijk is, staat het onverdacht getuigenis van journalisten, dat “geen enkel eerlijk mens, van wat voor ras of natie ook, die de christelijke zending tijdens de oorlog in China aan het werk zag, iets anders zou kunnen gevoelen, dan warme bewondering”.[iii]

In India – eindelijk vrij! – treft de eerlijke zorg der christenen, die nu weliswaar beseffen, niet meer in het isolement van een afgesloten christengemeenschap te leven, maar in het volk te zijn opgenomen – en zich toch moeten afvragen, of de vrijheid van hun christelijk belijden voor de toekomst wel voldoende gewaarborgd is.[iv] In de staat Travancore toch, is de godsdienstvrijheid al (practisch) ingeperkt en mag een Hindoe nauwelijks meer christen worden. Zonder enige illusie verklaart men daarbij, dat “wat nu in Travancore gebeurt, in andere delen van India evenzo volgen kan.”[v] Het Moslim Rijk – Pakistan – plaatst ons opnieuw voor het raadsel van de Islam. Uit enkele voorlopige berichten blijkt dat men het onderwijs in deze nieuwe staat beslist op “de Moslim ideologie” wil opbouwen. Wanneer dit wordt uitgelegd als “dus in de geest van broederschap en tolerantie” en nog uitdrukkelijk verklaard wordt, dat dus ook ruimte gelaten moet worden voor het onderwijs in “andere godsdienstige overtuigingen” (onderwijscongres December 1947) mogen we ons daar van harte over verheugen. De overige moslim wereld toch legt deze moslim ideologie niet zo “tolerant” uit.

In het Midden Oosten wordt een ieder opgeroepen om “met zijn stem het heerlijke woord, dierbaar voor elke gelovige, van Oost en West te laten klinken: “Djihad!” (Heilige oorlog)” en het huis van de Islam te zuiveren van indringers en ongelovigen. Betekent dit, dat – tegenover de nieuwe Joodse staat, waarvan de grenzen, naar men verzekerd heeft, “lijnen van vuur en bloed” zullen worden – de Arabische volkeren uit kerk en moskee op één hoop gejaagd zullen worden (zoals in het laatste jaar in Palestina reeds gebeurd is?) of zullen deze sentimenten zich nu ook gaan keren tegen de kerken in het Arabische Oos ten? Het is nog onbekend, in de naaste toekomst zal blijken, of de Liga, die de Arabische volkeren verbindt (sedert 22 Maart 1945),[vi] een Arabisch of Islamitisch blok bedoelt te zijn. De ontwikkelingen in het Midden Oosten zullen we gespannen moeten volgen, niet in het minst, omdat in dit gedeelte van de wereld beslissingen genomen zullen worden, die ook voor Indonesië van het grootste gewicht zijn.

Als een groot vraagteken ligt daar Afrika, het werelddeel dat men voor kort nog het “zwarte” werelddeel noemde. Nu spreekt men anders: “het opkomende, beloftevolle” werelddeel heeft men in de laatste jaren Afrika gedoopt. Het is een van de weinige terreinen voor “koloniale experimenten” gebleven. Maar ook hier is men zich ervan bewust, dat een nieuwe tijd niet ver meer kan zijn. De rassenvraag is brandender dan ooit, de Islam dringt verder door, de “Grote Maatschappij” breekt van alle kanten binnen en ontwortelt de tienduizenden, die vanuit hun dorp en sociaal-geestelijke omgeving in mijnen en fabrieken opeen worden gehoopt. En temidden daarvan de kerk, die groeit, en reeds enkele tekenen opricht van “Christian Wholeness”.

En dan is daar Latijns Amerika, waar een verpolitiekt katholicisme de vrijheid van de protestanten aanrandt[vii] en waar bloedige daden van vervolging zijn voorgevallen (Mexico), maar de kerk toch blijft groeien en steeds nieuwe wegen zoekt om het totale leven onder Christus’ heerschappij te brengen.

In deze kroniek nu, willen we proberen over belangrijke aspecten en ontwikkelingen op deze akker te berichten. We moeten het zo voorzichtig, als een poging, aankondigen, volledig materiaal staat niet tot onze beschikking.[viii] Wij nodigen een ieder uit om ons mee te helpen, deze rubriek te maken tot een levendig en bewogen relaas over Gods’ grote daden.

Noten

[i] F. Melzer. Die Stimme der Mission. Beiträge zu einer künftigen Geschichte derMissions-Literatuur. 1935.

[ii] Report Am. Foreign Miss. Conference, 1947, 24.

[iii] H. P. van Dusen, World Christianity, 1947, 114, 122.

[iv] Mr. Thomas, Student World 1947.

[v] Manikam. Intern. Review of Missions 1947, 25.

[vi] En waarin ook Libanon is opgenomen met een merendeels Chr. bevolking.

[vii] G. P. Howard, Religious Liberty in Latin America. 1944.

[viii] In het werk ‘Christianity Today’ (ed. H. Leiper) N.Y. 1947, 452 pp. wordt eenoverzicht gegeven van de ‘staat der kerken’ in de gehele wereld in en na de Tweede Wereldoorlog.

*Overgenomen uit: De Heerbaan, nr. 1 1948, blz. 23-27.

Wellicht ook interessant

None

Hoe klonk de christelijke tegenstem in het slavernijverleden?

Soms zijn er windows of opportunity waarop de geschiedenis een andere wending had kunnen nemen, maar dat niet heeft gedaan. Martijn Stoutjesdijk licht drie van zulke momenten uit in de geschiedenis van christendom en slavernij. De christelijke leer is gebruikt ter verdediging van slavernij, maar ook ter veroordeling. Stoutjesdijk illustreert dat laatste aan de hand van het vroege christendom, Macrina de Jongere en Hendrik Millies.

Hebreeën-brief synagoge
Hebreeën-brief synagoge
Basis

De Hebreeën-brief in de geschiedenis

De brief aan de Hebreeën is een buitenbeentje in het Nieuwe Testament. Een buitenbeentje evenwel dat uiteindelijk heel wat tongen in beweging zou brengen. Aanvankelijk was er in de oude kerk niet veel meer dan enige strijd over het auteurschap van Paulus, maar gaandeweg bleek de brief meer dan eens te raken aan theologische geschil- en strijdpunten, waardoor het geschrift voor menige theoloog kon uitgroeien tot een zie-je-wel-document. Daarmee is – zij het impliciet – meteen gezegd dat de doorwerking van het geschrift in de geschiedenis altijd de doorwerking van een interpretatie is. Soms lag die interpretatie voor ons verstaan nu – dat, voor alle helderheid, zelf natuurlijk ook weer interpretatie is – dicht bij het oorspronkelijke schrijven, echter soms ook was het daarvan ver verwijderd…

Nieuwe boeken