Menu

Premium

Nabij, ver

Geloofstaal & cultuurtaal

In de geloofstaal komt het woordpaar ‘nabij, ver’ vooral voor op het terrein van het gebed. Men kan ermee uitdrukken of men nabijheid of juist afstand ten opzichte van God ervaart. De een ervaart bijvoorbeeld door het lezen in zijn Bijbel, tijdens een eredienst of in zijn gebedsleven Gods nabijheid, terwijl een ander klaagt dat voor zijn gevoel de Here zo ver van hem verwijderd is.

In de dagelijkse omgangstaal wordt met de beide woorden vooral een afstand aangeduid. We spreken van het Nabije Oosten en het Verre Oosten. Het dorp is nabij gelegen. Wij maken een verre reis.

‘Nabij’ en ‘ver’ worden in de omgangstaal ook afzonderlijk gebruikt. Met ‘nabij’ kan behalve het bij iemand of iets zijn ook bijzondere belangstelling of nieuwsgierigheid tot uitdrukking worden gebracht. Iets wordt van nabij bekeken. In het pastoraat functioneren de woorden in verband met de relatie tussen pastor en pastorant, waarin de spanning ligt tussen aan de ene kant een hartelijk en open pastoraal contact, en aan de andere kant het belang van de nodige distantie in het pastorale contact.

‘Ver’ drukt niet alleen afstand uit, maar heeft daarnaast nog een breed scala van betekenissen. Het woord kan zowel in letterlijke als in figuurlijke zin gebruikt worden. ‘Ver’ kan op het maatschappelijk-sociale vlak aangewend worden. In verband met hulpverlening wordt met een spreekwoord gezegd: ‘Beter een goede buur dan een verre vriend’. In de mooie uitdrukking ‘de verre naaste’, die in het werelddiaconaat vaak wordt gehoord, wordt zowel expliciet de afstand als impliciet de nabijheid tot uitdrukking gebracht. Wanneer iets mensen niet raakt of in beweging brengt, zegt men wel: ‘Het is ver van mijn bed’.

Met ‘ver’ kan ook vordering bedoeld zijn: hij is ver gevorderd met zijn kennis van het Latijn. Zelfs kan ‘ver’ voor rijkdom of eer aangewend worden: Hij heeft het ver gebracht in zijn leven.

Woorden

In de antieke Griekse wereld wordt het woordpaar vanaf de tijd van Homerus gebruikt om nabijheid en afstand in letterlijke en figuurlijke betekenis aan te geven. In het Oude Testament worden de woorden ‘nabij’ (qarav) en ‘ver’ (rachaq) als een woordpaar, dus in combinatie, maar ook afzonderlijk gebruikt.

Evenals in het Oude Testament worden ook in het Nieuwe Testament de beide woorden ‘nabij’ (engus) en ‘ver’ (makran) als een woordpaar en ook afzonderlijk gebruikt. In het bijbelse spraakgebruik hebben de beide woorden in verreweg de meeste gevallen betrekking op mensen in hun relatie tot God.

Betekenis in context

Oude Testament

‘Nabij’ met betrekking tot de verhouding tussen God en mensen

De beide woorden ‘ver’ en ‘nabij’ worden soms in één zin gebruikt. Er wordt in het Oude Testament bijvoorbeeld gesproken van twee soorten goden. Er zijn goden van de volken die dichtbij, en goden die veraf zijn (Deut. 13:7). In Jeremia 23:23 gebruikt de Here in een vraag de beide uitdrukkingen nabij en ver. ‘Ben Ik een God van nabij, luidt het woord des Heren, en niet een God van verre?’ Met deze vraag wil God zeggen: ‘Neem Ik soms alleen maar waar, wat vlakbij is, en zie Ik soms niet wat heel ver weg is?’ God is overal met zijn blik, met zijn genade en met zijn oordeel (Deut. 32:17; Job 34:22; Ps. 139; Am. 9:1-4). De profeet richt zich hier tegen de heidense gedachte van een nabije Baäl. De valse profetie maakt van de nabijheid van God een automatisme, een vanzelfsprekend iets, zodat je over God en zijn heil kunt beschikken en we geen kwaad te vrezen hebben.

‘Nabij’, afzonderlijk gebruikt, geeft de bijzondere verhouding van de Here als de God van het verbond tot zijn volk aan. Er is geen groot volk waaraan de goden zo nabij zijn als de Here, onze God, telkens als wij tot Hem roepen. Op het gebed is de Here nabij (Deut. 4:7; Ps. 34:19; Ps. 119:151; Ps. 145:18; Jes. 55:6). Omgekeerd spreekt de gelovige in Psalm 73:28 zijn vreugde uit over het leven in Gods nabijheid: ‘Het is mij goed nabij God te zijn’.

Mozes wijst er in Deuteronomium 30:14 op dat Gods gebod heel dichtbij is. ‘Dit woord is zeer dichtbij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen’. Het woord van God is zo tot u gesproken, dat u het kunt naspreken (mond) en zodat het in uw geheugen (hart) een plaats heeft gekregen (vgl. Rom. 10:8). ‘Nabij’ heeft ook een toekomstige betekenis. Het zijn de profeten die telkens wijzen op de nabijheid van de dag des Heren, de grote dag van het gericht (Jes. 13:6; Ez. 7:7, 30:3; Joël 1:15, 2:1; Sef. 1:7, 14).

‘Ver’ met betrekking tot de verhouding tussen God en mensen

‘Ver’ wordt in het Oude Testament gebruikt in verband met het oordeel van God over de zondaars. De Here houdt Zich ver van de god-delozen (Spr. 15:29). Zij die God niet vrezen, worden ver van Hem verwijderd (Jes. 6:12). Wie ver van God leven omdat zij met Hem breken, gaan te gronde (Ps. 73:28).

Maar ‘ver’ komt ook voor in een heilsprofe-tie. Vanuit de verte, uit de grote oneindigheid van de afstand tussen de heilige God en het zondige volk, of ver van de hoogheilige berg Sinaï, heeft de Here gesproken: ‘Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid’ (Jer. 31:3). In Jesaja 57:19 worden mensen die treuren onder de beproeving van de ballingschap vertroost met de heilsbelofte dat de Here heil, vrede aanbiedt ‘voor hem die ver en voor hem die nabij is’, dat wil zeggen voor hen die rond Jeruzalem wonen en voor hen die in de diaspora, de verstrooiing zijn achtergebleven.

Nieuwe Testament

Joden en heidenen – nabij en ver

Waar de beide woorden samen in één zin gebruikt worden, zijn ze bedoeld om iets wat van elkaar verwijderd is, samen te vatten. Israël was nabij God. Het had een heilshistorische voorrang. Dit nabij-zijn getuigt van Gods verkiezende genade. De gelovigen uit de heidenen waren vroeger als heidenen en ongelovigen ver van God en ook ver van de joden verwijderd, maar door het evangelie van het kruis zijn ze dichtbij Christus en bij de gelovige joden gekomen (Ef. 2:13). De vredesboodschap van Christus heeft hen die veraf waren (de heidenen) en ook hen die dichtbij waren (de joden) bijeen gebracht. Beiden hebben toegang tot de Vader gekregen (Ef. 2:17, 18).

De nabijheid van de Koning en zijn Rijk

‘Nabij’ heeft in het Nieuwe Testament in de eerste plaats een lokale betekenis (Hand. 1:12). In de tweede plaats heeft het woord een temporele betekenis (Mat. 26:45; Joh. 2:13).

Bekend is de uitroep: ‘De Here is nabij’ (Filp. 4:5). Het woord ‘nabij’ kan hier zowel op tijd als op plaats betrekking hebben. Wanneer het woord temporeel opgevat wordt, is deze uitdrukking een verwijzing naar de wederkomst van Christus waar in Filippenzen 3:20 op gewezen wordt. Het woord ‘nabij’ is ook op andere plaatsen in het Nieuwe Testament op de toekomst gericht. De grote dag (van de wederkomst) is nabij (Rom. 13:12; Jak. 5:8; 1 Petr. 4:7).

Het werkwoord ‘nabij komen’ wordt gebruikt om de nabijheid van het Koninkrijk van God aan te geven (Mat. 3:2; 10:7; Luc. 10:9, 11). Het Rijk van God is Gods heerschappij in deze wereld. Dit is in Christus Jezus, onze eeuwige Koning heel dicht bij ons. In zijn woorden en daden, zijn prediking en de wonderen die Hij verricht, breekt het zich baan en het is bereikbaar voor allen die op de uitnodiging van Christus ingaan (vgl. Mat. 4:17, 23-25). Hij regeert ons door zijn Woord en Geest (Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus). In het ‘nabij gekomen’ ligt ook opgesloten dat het nog niet in zijn volheid aanwezig is. Daarom leert Jezus de zijnen bidden: ‘Uw Koninkrijk kome’ (Mat. 6:10).

Die van ver staan

‘Ver’ heeft in het Nieuwe Testament veel mogelijkheden van toepassing. Het kan de afstand aangeven: de verloren zoon gaat op reis naar een ver land (Luc. 15:13). Met het woord kan ook ootmoed aangeduid worden: de tollenaar stond in de tempel van verre en wilde zijn ogen niet opheffen naar de hemel (Luc. 18:13). Bij de kooplieden en zeelieden die de ondergang van de grote stad Babylon zien, wijst het staan van verre op hun vrees en verslagenheid (Op. 18:15, 17). Mensen kunnen ver van het aangezicht van de Here en van de heerlijkheid zijner sterkte zijn. Dit zijn zij die boeten met een eeuwig verderf (2 Tess.1:9).

Kern

De woorden ‘nabij’ en ‘ver’ hebben zowel in combinatie alsook afzonderlijk in de meeste gevallen betrekking op de relatie met God. De woorden hebben in de eerste plaats een godsdienstige betekenis. Gods nabijheid betekent voor de gelovige zijn bijstand en genade. Het woordpaar wordt dan ook vaak gebruikt in verband met het gebed. In de tweede plaats hebben de woorden betrekking op de toekomst. Daarbij komt de belofte dat deze nabijheid nog intiemer zal zijn bij de te verwachten wederkomst van Christus. Voor de ongelovige geldt het omgekeerde: God is ver. Vanuit de verte dreigt er voor de ongelovige het oordeel, want God komt in Christus Jezus terug om te oordelen.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: ballingschap, heil, Koninkrijk van God, vrede, wederkomst.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken