Nahum
INLEIDING
De man
We kennen de profeet Nahum alleen uit het naar hem genoemde boekje, dat zijn profetieën bevat. Verder in het Oude Testament komt hij niet voor; ook niemand anders, die deze naam draagt. Dat laatste zal wel toevallig zijn: de naam Nahum is wel van buiten de Bijbel bekend. Het enige, dat het opschrift (1:1) ons behalve zijn naam nog meedeelt, is zijn plaats van herkomst: Elkos. Helaas is ons ook van deze plaats niets met zekerheid bekend; ze zal ergens in Juda gelegen hebben (vgl. 1:15) en dus niets te maken hebben met het uit de Evangeliën bekende Ka-pernaüm (Kafarnaüm), waarvan de naam mogelijk ‘Dorp van Nahum’ betekent.
De naam Nahum betekent zoveel als ‘Troostrijk’; mogelijk werd deze naam gegeven aan een kind, dat geboren werd nadat een eerder geboren kind was gestorven (vgl. 2 Sam. 12:24).
Nog één ding kunnen we van Nahum zeggen: hij had grote gaven als dichter. Dit blijkt uit het hoge dichterlijke niveau van grote delen van het boek.
De profeet
Van de profetische werkzaamheid van Nahum weten we al even weinig. Mogelijk bevat het opschrift (1:1) een aanwijzing; daar wordt nl. gesproken van het ‘boek’ van het gezicht van Nahum. Dit kan erop wijzen, dat Nahum zijn woorden oorspronkelijk niet als prediking publiek heeft uitgesproken, maar ze dadelijk op schrift gebracht heeft en dit geschrift als ‘pamflet’ heeft laten circuleren, als bemoediging en vertroosting in een donkere tijd (sommigen brengen zelfs de betekenis van zijn naam daarmee in verband).
De inhoud van het boek kan ook in die richting wijzen: veel meer dan bv. Sef. is Nah. een eenheid en niet zozeer schriftelijke neerslag van een prediking die zich over langere tijd kan hebben uitgestrekt. Het is dan ook mogelijk, hoewel lang niet zeker, dat Nahums profetische optreden zich tot deze woorden heeft beperkt.
De tijd
De meeste profetische boeken bevatten opgaven van de tijd waarin de betreffende profeet optrad; Nahum behoort (met Joël, Ob., Hab. en Mal.) tot de boeken waarbij dat niet het geval is. Maar de tijd van zijn profetie laat zich wel vrij nauwkeurig vaststellen. Volgens 3:8-10 profeteerde Nahum na de verovering van Thebe door de Assyriërs (zie de verklaring); deze had plaats in 663 v.Chr. Verder blijkt uit het boekje, dat Assyrië nog op het toppunt van zijn macht stond; omdat het assyrische rijk na de dood van koning Assurbanipal (± 630 v.Chr.) snel in verval is geraakt, moeten we Nahum ruim vóór dat jaar plaatsen. Niet te lang na 663 en ruim vóór 630: wanneer we de profetie van Nahum omstreeks 650 v.Chr. plaatsen, enkele tientallen jaren vroeger dan Sefanja, zullen we er niet te ver naast zijn.
In die tijd regeerde over Juda koning Manasse (687-642 v.Chr.), die politiek en godsdienstig een vazal van Assyrië was en wiens regering een dieptepunt in de geschiedenis van Juda betekende (2 Kon. 21:1-18). Dit zou heel goed kunnen verklaren waarom Nahum zijn profetie niet publiek uitsprak, maar als ‘pamflet’ liet circuleren (zie het vorige punt, ‘De profeet’).
Het boek
Behalve het tweede deel van het opschrift (zie de verklaring van 1:1) zijn niet met zekerheid toevoegingen of redactionele ingrepen aan te wijzen. De inhoud van het boek is in hoge mate een eenheid: de a.s. ondergang van (het assyrische rijk en zijn hoofdstad) Ninevé is, zoals het opschrift aangeeft, het enige thema.
Het boek bestaat uit drie delen, die (althans in de vertaling – in de hebr. tekst heeft hst. 1 veertien vss in plaats van 15 en hst. 2 veertien ipv. 13) samenvallen met de hoofdstukken. En wel:
1:2-10 gedicht op de wrekende macht en de beschermende goedheid van de HERE
1:11-15 profetie waarin het voorafgaande gedicht wordt toegepast op Ninevé en Juda
2:1-10 dichterlijke tekening van de verovering van Ninevé
2:11-13 spotlied: het leeuwenleger verwoest
3:1-19 godsspraak: het onafwendbare wee tegen de stadvan geweld en verleiding.
De compositie is weloverwogen. Na een (alfabetisch) gedicht over het komen van de HERE (theofanie) om te straffen en om te verlossen, waarbij nog geen verband gelegd wordt met bepaalde mensen of gebeurtenissen, volgt in 1:11-15 de concrete toepassing op Ninevé (straf) en Juda (verlossing) – de naam Ninevé wordt hier nog niet genoemd, maar die stond, ook in het oorspronkelijke ‘pamflet’, boven het geheel in het opschrift. Deze eerste toepassing is nog globaal, ongedetailleerd. Daarna tekent 2:1- taal van hoog dichterlijk gehalte de val van Ninevé (waarbij deze naam pas valt in vs 8). Het resultaat wordt in een spotlied bezongen (2:11-13). Ten slotte profeteert hoofdstuk een reeks godsspraken de ondergang van Ninevé, waarbij meer dan in het voorafgaande de nadruk gelegd wordt op de schuld, waardoor deze stad zich het oordeel waardig heeft gemaakt.
De betekenis
De aankondiging van de ondergang van het assyrische wereldrijk, op een tijdstip dat dit nog in volle kracht was, heeft zeker de functie gehad het onderdrukte volk te bemoedigen. Weliswaar heeft een poging van de vrome koning Hizkia zich van het assyrische juk te bevrijden vijftig jaar eerder niet veel opgeleverd en is er daarna onder zijn zoon Manasse een moeilijke tijd aangebroken voor hen, die trouw wilden blijven aan de dienst van de Here. Maar de prediking van Nahum wil de gelovigen ervan doordringen, dat de God van Israel de macht in handen heeft en Zijn volk trouw blijft; het kan lang duren, maar eenmaal maakt Hij een einde aan de machten die Hem en Zijn volk vijandig zijn. Deze boodschap behield haar waarde ook toen ze in vervulling was gegaan. Immers, deze vervulling werd gevolgd door nieuwe druk en teleurstelling: andere rijken, niet veel beter dan Assyrië, namen de plaats daarvan in en overheersten Juda. Na een aantal jaren van vrijheid en reformatie onder koning Josia (zie de Inl. op Sef.) komt, na enkele jaren van egyptische overheersing (2 Kon. 23:28-34), Juda onder de heerschappij van Babel en later van het perzische rijk. Maar bij de wisseling van de machten blijft God dezelfde; de psalm waarmee het boekje opent behoudt zijn betekenis: al duurt het lang, de HERE maakt eens een eind aan alle wereldmachten. Op enkele plaatsen in het Nieuwe Testament horen we echo’s van verzen uit het boek Nahum: Rom. 10:15 (Nah. 1:15, maar zie ook Jes. 52:7); Op. 6:17 (Nah. 1:6); Op. 17:1, 2 en 18:23 (Nah. 3:4).
VERKLARING
Het opschrift 1:1
Godsspraak over Ninevé: deze woorden zijn door Nahum zelf boven zijn ‘pamflet’ (zie de Inl.) geplaatst; zonder dit opschrift zou immers niet duidelijk zijn wie in 1: 11 en 14 met ‘u’ bedoeld is. Godsspraak, hebr. massa, een woord dat ook ‘last’ kan betekenen en door de SV dan ook zo werd weergegeven; vandaar de woordspeling in Jer. 23.33-40; doorgaans duidt het een profetie aan die tegen andere volken is gericht. Dit woord wil zeggen, dat we in het nu volgende niet maar de mening van Nahum maar woord van God aantreffen. Ninevé: door Sanherib omstreeks 700 v.Chr. tot residentie en daarmee tot hoofdstad van Assyrië gemaakt.
Boek: zie de Inl. Het kwam meer voor dat profeten hun woorden opschreven, Jer. 36; Hab. 2:2. Gezicht, eigenlijk visioen, een van de middelen van de profetische openbaring (zie bv. 1 Kon. 22:17, 19); blijkens het feit dat de inhoud van het boek Nah. geen visionair karakter draagt, is de betekenis hier meer algemeen: openbaring; het wil er de nadruk op leggen, dat Nahum de as. ondergang van Ninevé niet verkondigt op grond van politiek inzicht maar op grond van openbaring van God. Nahum: zie de Inl. De Elkosiet: zie de Inl.
Het tweede deel van het opschrift, Boek van het gezicht van Nahum, de Elkosiet, is er boven geplaatst door hen die de boeken der profeten tot grotere gehelen samenvoegden, zie bij Sef. 1:1.
Gedicht op de wrekende macht en de beschermende goedheid van de HERE 1:2-10
Mogelijk is deze psalm bedoeld als een alfabetisch (of akrostichisch) lied, dwz. een gedicht waarvan (in het Hebr.!) het eerste vers begint met de eerste letter van het alfabet, het tweede vers met de tweede letter, enz. In dit geval komt het echter niet verder dan halverwege het alfabet.
2, 3a. Thema van het gedicht. Naijverig: Hij komt op voor zijn rechten en geeft zijn eer aan geen ander, Ex. 20:5; Jes. 42:8. Wreker: Hij reageert op het kwade met rechtvaardige toorn en straf. Tegenstanders en vijanden worden hier nog in het algemeen aangeduid; de toepassing op Assyrië en zijn hoofdstad Ninevé komt pas in de vss 11 w. In dit boek zijn vijanden van de Here praktisch: vijanden van zijn volk; onder de profeten uit de tijd vóór de ballingschap is Nahum de enige, die niet over de zonden van zijn eigen volk spreekt. Dit hangt met het doel van het boek samen; zie de Inl. Lankmoedig doch groot van kracht: God is geduldig, maar uit het uitstel moet niemand opmaken, dat Hij de kracht niet heeft om te straffen: Hij laat het kwaad niet ongestraft en Zijn volk moet niet denken, dat Hij niet naar hen omziet. De verwijzing naar de lankmoedigheid van God heeft hier dus een andere functie dan in Ps. 103:8.
3b-6. Dichterlijke tekening van de verschijning van God (theofanie) om te straffen en te redden. Geen gestalte wordt getekend, alleen de geweldige tekenen waarmee Zijn optreden gepaard gaat. De schildering doet aan natuurverschijnselen denken: storm (3b), plotselinge droogte (4), aardbeving (5) en andere vulkanische verschijnselen (6). De bedoeling is niet te zeggen, dat, als deze verschijnselen optreden, God Zich manifesteert -juist omgekeerd: de dichter-profeet ziet God optreden en gebruikt voor de uitbeelding daarvan trekken die aan natuurverschijnselen ontleend zijn; daarnaast speelt ook de heilsgeschiedenis een rol.
Zijn weg: als God (in actie) komt, treden verschijnselen op die Zijn macht tonen; ook in de (heils)geschiedenis gaat Hij Zijn stormachtige gang, die stof doet opwaaien. Hij dreigt de zee: Hij spreekt de zee bestraffend toe, waarbij het bestraffende woord tevens de kracht is die de bedreiging uitvoert. Hierbij valt te denken aan wat gebeurde bij schepping (Job 26:12) en exodus (Ps. 66:5, 6; 106:9). Alle rivieren legt Hij droog: in Palestina kunnen droge beekdalen in het gebergte in de regentijd plotseling in snelstromende rivieren veranderen, die even snel weer kunnen verdwijnen. Ook aan wat met de Jordaan gebeurde bij de intocht in Kanaän (Joz. 3 en 4) zal gedacht zijn. Basan, Karmel en Libanon, alle drie bekend om hun weelderige begroeiing, verdorren door de hete woestijnwind, die ahw. de adem van Gods neusgaten is (Ps. 18:9, 13). In Basan en op de Karmel zijn tegenwoordig natuurreservaten. De bergen golden als toppunt van vastheid. Zie voor aardbeving bij het verschijnen van de Here 1 Kon. 19:11; Ri. 5:4, 5. De wereld en al haar bewoners: is hier een woord, bv. ‘sidderen’, uitgevallen? Ondanks de verschillende woorden voor ‘toorn’ in vs 6 wordt de HERE hier toch niet getekend als onberekenbare natuurkracht (natuurkrachten raken alles en iedereen zonder onderscheid), maar als de God, die voor de zijnen en tegen Zijn vijanden optreedt. ‘Toorn’ is geen woede maar de rechterlijke reactie van God op het kwade.
7, 8. Nog eens: het thema van het gedicht. Deze beide vss beantwoorden aan de vss 2 en 3a. De benauwdheid is hier vooral de tijd van de assyrische onderdrukking. Hij kent hen: zoals vaker in het O.T. is ‘kennen’ hier ‘met hen in liefde verbonden zijn’, vgl. Gen. 18:19; Am. 3:2. De eerste woorden van vs 8 horen nog bij vs 7: Hij kent hen, die bij Hem schuilen wanneer de vloed komt aanstormen, vgl. Ps. 32:6. Haarplaats in vs 8 heeft geen zin; beter is te vert.: Hij maakt te niet hen die tegen Hem opstaan en Zijn vijanden vervolgt Hij enz.
9, 10. Conclusie ter afsluiting van het gedicht. Mogelijk worden in vs 9 de vijanden aangesproken: wat zij ook tegen de HERE op touw zetten, God zal hen vernietigen en hen zo grondig in benauwdheid brengen, dat het geen tweede keer behoeft te gebeuren. Maar het is ook mogelijk, dat hier Juda wordt aangesproken: Wat denkt u wel van de HERE: Hoe kunt u aan Hem twijfelen – Hij vernietigt de vijanden en zal niet toelaten, dat Zijn volk nog eens in de benauwdheid komt. Vs 10 is onduidelijk; wordt hier van de vijanden gezegd, dat zij zich veilig voelen door doornstruiken omgeven (de doornstruik had toen wel de functie van het prikkeldraad van tegenwoordig), en zich in hun vermeende veiligheid bedrinken, maar desondanks als droog stro door het vuur verteerd zullen worden?
Profetie waarin het voorafgaande gedicht wordt toegepast op Ninevé wat Gods wrekende toorn betreft en op Juda wat Zijn verlossende macht betreft 1:11-15
Uit u is voortgekomen: uit Ninevé is voortgekomen, of: met zijn leger uitgerukt, de assyrische koning. Deze zag zelf zijn optreden tegen Juda niet als kwaad bedenken tegen de HERE, 2 Kon. 18:22, 25, 32 v. In volle kracht: hersteld van de verliezen van 2 Kon. 19:35-37? Maar dat was inmiddels 50 jaar geleden. Al heb Ik u vernederd: al heeft God Juda onder het juk van Assyrië gebracht, dit zal niet meer gebeuren. Juk en banden: beeld van vernederende onderdrukking en uitbuiting, ontleend aan het inspannen van een last- of trekdier om zwaar werk te doen. Tegen u, nl. de Assyrier,gebiedt de HERE: de profetie wordt hier door het werkwoord ‘gebieden’ aangeduid, omdat ze zeker zal uitkomen. Uw naam: uw geslacht zal uitsterven. Nadat Assurbanipal in (±) 630 gestorven was, hebben zijn elkaar bestrijdende zonen het rijk niet lang meer in stand kunnen houden. Dat de beelden uit de godenhuizen van Ninevé zullen worden uitgeroeid, betekent de ondergang van de stad: de nederlaag van een volk werd als de nederlaag van de goden gezien (2 Kon. 18:33, 19:12) en beelden werden als tekenen van overwinning meegenomen. Uw graf: ondergang van het assyrische koningshuis (de toenmalige ass. koning Assurbanipal is niet gewelddadig om het leven gekomen). Te licht: vgl. Dan. 5:27.
Wat is aangekondigd, ziet de profeet in vs 15 als reeds geschied vóór zich: over de bergen rondom Jeruzalem nadert de bode, die de val van Ninevé komt berichten, vgl. Jes. 52:7, en die al van verre roept: sjaloml, vrede! Vier uw feesten: de viering van de grote feesten (Pascha en Loofhutten) was tijdens Manasse verwaarloosd en zal nu hersteld worden; de feesten zullen tevens dankfeesten voor de bevrijding zijn, vgl. 2 Kron. 35. Geloften: het inlossen van geloften gebeurde dikwijls op een van de grote feesten, 1 Sam. 1:21. De snoodaard Hebr. belijcfal: de Assyriër met zijn legers.
Dichterlijke tekening van de verovering van Ninevé 2:1-10
In flitsende beelden en dichterlijke taal schildert de profeet de ondergang van Ninevé, zoals hij die voor zijn geestesoog ziet. Er is geen reden van een ‘visionaire schildering’ te spreken: niets wijst erop, dat we hier met een visioen te doen hebben.
1, 2. De verstrooier, die uiteenslaat, verwoest, trekt op tegen Ninevé. De stad is 612 v.Chr. door de Meden en hun bondgenoten de Babyloniërs grondig verwoest. De oproep tot versterking van de stad is ironisch: het zal niet baten. Vs 2 wil zeggen: de val van Ninevé betekent het herstel van Juda en als Juda (hier Jakob genoemd) hersteld wordt, wordt daarin de heerlijkheid van Israel als volk van God weer zichtbaar. Hun ranken: Juda wordt hier voorgesteld als wijnstok, vgl. Ps. 80:9.
2:3, 4. Zijner, nl. van de verstrooier; rood, niet van bloed, maar als kleur van de oorlog (Op. 6:4), om vijanden schrik aan te jagen, misschien ook met bijgeloof in de beschermende kracht van die kleur; om diezelfde redenen is ook de kleding scharlakenrood. Vuurglans: het staalbeslag van de strijdwagens weerspiegelt het zonlicht, zodat het ‘vurige wagens’ (2 Kon. 2:11) lijken. In vs 4 is het leger op weg naar Ninevé.
5, 6. De inneming van de stad. Als in vs 5 ‘Hij’ de assyrische koning is, is de bedoeling: hij roept zijn strijders te hulp, maar in hun haast om de muren te gaan verdedigen struikelen deze en als ze bij de muren komen is de vijand, onder bescherming van het stormdak (een verplaatsbaar afdak, waarmee de aanvallers van een stad zich beschermen tegen stenen en pijlen, die van de stadsmuren af op hen afgeschoten worden) reeds bezig de stadsmuur te vernielen. Als met ‘Hij’ de aanvaller bedoeld wordt, wil vs 5 zeggen: hij geeft zijn helden bevel, deze stormen op de muur af, zo snel, dat ze bijna struikelen, en nauwelijks bij de muur aangekomen hebben ze ook reeds het stormdak opgericht. De poorten der rivieren: gedacht wordt wel aan sluizen of waterkeringen; volgens een oude traditie zou de hoge waterstand van de Tigris en zijn zijrivier de Choser een rol hebben gespeeld bij de inneming van Ninevé, maar dit is zeer onzeker. Met rivierpoorten kunnen ook eenvoudig bedoeld zijn stadspoorten die toegang geven tot de rivier. In elk geval, de poorten zijn open en in het paleis verliest men de laatste hoop.
2:7, 8. Gevangenen en vluchtelingen. Vs 7 kan beter zo vertaald worden: en opgesteld in de stoet van gevangenen is de vorstin; de koningin gaat in ballingschap. Als met duivenstem: op klaaglijke toon, vgl. Jes. 38:14, 59: 11. Slaan zich op de borst: uiting van rouw en ontzetting, vgl. Jes. 32:12; Mat. 24:30; Luk. 23:48. Het beeld van de leeglopende vijver geeft aan, dat iedereen in paniekvlucht; al wordt er geroepen: Blijft staan! – niemand laat zich weerhouden.
2:9,10. De stad wordt geplunderd en wat daarna aan bewoners in de verwoeste stad achterblijft is zonder hoop of kracht.
Spotlied: het leeuwenleger verwoest 2:11-13
Ninevé, de residentie van de assyrische koning, wordt hier vergeleken met het verblijf (leger) van een leeuwenfamilie. Dit beeld lag voor de hand, niet alleen vanwege het roofzuchtig karakter van de assyrische heerschappij, maar ook omdat de koningen van Assyrië zich in hun inscripties graag met leeuwen vergelijken en omdat zij hun paleizen met afbeeldingen van leeuwen versierden. Het spotlied is profetisch: het wordt bij voorbaat gezongen, in de zekerheid, dat de profetie van de ondergang van Ninevé in vervulling zal gaan.
Waar is nu: spottende vraag. Door niemand opgeschrikt: beeld van volkomen veiligheid; eeuwenlang was geen macht tegen die van Assyrië opgewassen. Die roofde: in hun inscripties geven de assyrische koningen hoog op van de hoeveelheden buit die zij behaalden op andere volken en waarmee zij Ninevé vulden. Ik zal u: hoewel het de vijanden van Assyrië zijn, die Ninevé verwoesten, vooral de Meden, is het toch God die Zich daarin met zijn straffende hand tegen Assyrië keert. Zie voor deze uitdrukking Jer. 23:31; Ez. 5:8. In vs 13 wordt het beeld van de leeuwen niet geheel volgehouden, vandaar dat naast ‘jonge leeuwen’ sprake is van wagens (strijdwagens), het zwaard en uw gezanten: de assyrische boden, die overgave en betaling van schatting eisten van andere volken, vgl. 2 Kon. 18:19 vv.
Godsspraak: het onafwendbare wee tegen de stad van geweld en verleiding 3:1-19 3:1-3.
Wee tegen Ninevé. Wee: eigenlijk een uitroep die bij de rouwklacht hoort; hij geeft aan, dat de ondergang onafwendbaar is. Bloedstad: Ninevé, als hoofdstad van een rijk, dat door oorlogvoering en onderdrukking gesticht en in stand gehouden is. De Assyriërs waren bekend om hun wrede optreden, waarvan hun koningen zelf in hun kronieken melding maken. Overigens wordt ook Jeruzalem soms zo genoemd, Ez. 22:2. Louter leugen: onbetrouwbare diplomatie als middel om het rijk te bouwen. De vss 2 en 3 tekenen nog eens (zie reeds hst. 2) in korte uitroepen de komende verwoesting van Ninevé. Eerst is het aanstormende leger alleen te horen (zweepgeklap, wielengeratel), vervolgens is het te zien (steigerende rossen enz.) en plotseling is de stad ook al ingenomen en liggen er tal van verslagenen.
3:4-7. Ninevé, de hoer, veroordeeld. Met het beeld van de hoer in vs 4 is gezegd, dat de hoofdstad van het wereldrijk en de cultuur daarvan ook iets aanlokkelijks hebben. Het leek voor kleine landjes als Juda wel aantrekkelijk tot een groot rijk te horen en koning Manasse voerde dan ook een pro-assyrische politiek. Politiek, cultureel (zie Sef. 1:8) en economisch (2 Kon. 18:31, 32) leek het voordelen te bieden. Maar tenslotte is het Ninevé alleen om eigen voordeel te doen en godsdienstig was het dodelijk gevaarlijk, 2 Kon. 16:10, 11. Toverkunsten: de magie van de prostituée is erop gericht slachtoffers te vangen. De straf op hoererij is het openlijk te schande maken, vs 5, vgl. Jer. 13:26; Hos. 2:9. Zonder beeldspraak: de verwoesting van de stad zal van de aantrekkelijkheid niets overlaten, en, zoals dat gaat, niemand wil haar meer kennen of sympathie tonen.
3:8-11. Militaire macht zal Ninevé evenmin baten als Thebe. Zijt gij, Ninevé, beter, sterker, of: verdient gij een beter lot, dan No-Amon, ‘stad van (de egyptische god) Amon’, dwz. Thebe, residentie van de koning van Egypte, in 663 v.Chr. (nota bene: door troepen van de assyrische koning Assurbanipal!) ingenomen en verwoest. Evenals Ninevé was Thebe beschermd door de nabijheid van veel water (de Nijl). Ethiopiërs: zie bij Sef. 1: 1,2:12. Putieten: het land Put, waarvan de ligging onzeker is, leverde blijkbaar hulptroepen aan Egypte. Zuigelingen verpletterd: stereotyp beeld bij de verovering van een stad, 2 Kon. 8:12; Ps. 137:8, 9. Over zijn aanzienlijken… het lot geworpen: om ze als buit te verdelen onder de overwinnaars. Wanneer de belangrijke mensen zijn weggevoerd, als vee in boeien geklonken, en de kleine kinderen zijn gedood, is er geen kans op herstel voor een oproerige stad. Ook gij, Ninevé, zult dronken worden: radeloos van angst, omdat een belegerde stad wist wat haar boven het hoofd hing? Of: dronken door het drinken van de beker van de toorn Gods, Jer. 25:15 vv?
12-15a. Land en hoofdstad van Assyrië zijn niet te redden. In vs 12 ziet de profeet de vestingen van Assyrië als rijpe vijgen vallen. De troepen in deze vestingsteden zijn vrouwen, dwz. weerloos; de poorten van uw land staan open: doordat de vestingsteden gevallen zijn, ligt voor de vijanden de weg naar Ninevé open; hetzelfde betekenen de laatste woorden van vs de vss 14 en 15a is Ninevé zelf aan de beurt. Schep water voor de belegering: tot de voorbereiding op een tijd van belegering behoorde het aanleggen van een voorraad drinkwater (het schijnt, dat het water van Tigris en Choser (zie bij 2:5, 6) niet goed te drinken was). Ga in de klei: klei en leem, nodig om de tichels te maken waarmee de vestingwerken van Ninevé versterkt moesten worden, werden gekneed door er met blote voeten in te lopen. Maar alle inspanning zal niet helpen: midden in de versterking zal het zwaard hen verslinden zoals de verslinder, de sprinkhaan, alles kaalvreet, vgl. Joël 1:14.
15b-17. Een talrijk volk – verdwenen. Wees zo menigvuldig als verslinders: al is uw (Ninevé’s) volk zo talrijk als sprinkhanen (Ri. 6:5), het zal verdwijnen als een zwerm sprinkhanen op de trek, die ‘s nachts, door de kou in hun bewegingen belemmerd, op een stadsmuur hebben gerust en ‘s morgens, als de zon opgaat, verder trekken. Uw kooplieden: onder bescherming van de assyrische macht vestigden zich overal assyrische handelaars; het rijk was ook een economische macht. Aanzienlijken, ambtenaren: het rijk is ook een politiestaat, met veel bureaucratie. Maar bij de instorting van het rijk vluchten zij weg. 18, 19. Overwinningslied op de koning van Assyrië. Hierin wordt de toestand na de laatste oorlog tegen de Assyriërs getekend. Uw herders: de leiders (ook de koning zelf noemde zich graag ‘herder’). Sluimeren, liggen terneer, zijn gedood. De toenmalige koning van Assyrië, Assurbanipal, die hier retorisch wordt aangesproken, heeft noch deze profetie gehoord noch de ondergang van zijn hoofdstad meegemaakt, zie de Inl. (De tijd) en de verklaring van 1:14. Verstrooid op de bergen: als schapen zonder herder, vgl.1 Kon.-22:17. Geen herstel: nadat Ninevé in 612 v.Chr. was verwoest, is het nooit herr gebouwd en nadat in de daarop volgende jaren de laatste gedeelten van het assyrische rijk, die nog stand hielden, door Babyloniërs en Meden (ondanks egyptische steun aan de Assyriërs, 2 Kon. 23:29) onderworpen waren, is het assyrische rijk nooit herrezën. Klappen over u in de handen: het bericht van de val van Ninevé roept overal bij de onderworpen volkén,-die onder de assyrische onderdrukking geleden hebben, reacties van blijdschap op.