Namen in de NBV
Meer consistentie nodig in vertaling
Net zoals in andere bijbelvertalingen komen in onze Nederlandse bijbels woorden voor die niet vertaald zijn, maar rechtstreeks uit de oorspronkelijke tekst werden overgenomen. Daar horen ‘gewone woorden’ toe, zoals de maatnamen efa en kor, liturgische termen als amen, halleluja en hosanna, het sela van de psalmen en het mene tekel van Daniël. Maar de grootste groep vormen de eigennamen: van personen, volken, plaatsen, bergen, maanden, feesten, enz. Daarbij gaat het om een groter aantal dan vaak wordt gedacht. In de standaardeditie van de NBV met 1600 pagina’s bijbeltekst staan er namelijk gemiddeld 25 op een bladzij. De Hebreeuwse boeken tellen er zo’n 3.000 op 35.000 plaatsen, en de Griekse (canonieke) ruim 500 op 5.000 plaatsen. Sommige ervan worden vertaald, zoals Heer, Schorpioenenpas en Loofhuttenfeest, maar de meeste niet. Over deze laatste gaat het in deze bijdrage, en dan vooral over de Hebreeuwse. Die vormen namelijk de grootste en ook meest illustratieve groep. Bovendien bestaat de helft van de nieuwtestamentische namen uit Griekse versies van Hebreeuwse, zoals de namen in de zogenaamde geslachtsregisters van Matteüs en Lucas.