Niemand vraagt naar mijn ziel…
Bij 2 Koningen 4,18-37, Psalm 142 en Marcus 1,29-39
Als je de perikopen uit 2 Koningen en Marcus naast elkaar leest, is de overeenkomst duidelijk. Twee wonderbaarlijke genezingen, twee moeders in nood, twee Godsmannen die hulp bieden. Toch kan het juist daardoor snel wat vlak worden, zeker als je je bij 2 Koningen 4 beperkt tot de aanbevolen verzen (18-21.32-37). Bij mij begon het pas te tintelen toen ik hiernaast de klacht uit Psalm 142,5 las.
De NBG vertaalt: ‘niemand vraagt naar mij.’ De NBV: ‘(ik zie) niemand die hecht aan mijn leven.’ De Naardense Bijbel: ‘(zie:) geen die vraagt naar mijn ziel.’ Dat is het misschien waar het ook de personen uit de perikopen uit 2 Koningen en Marcus om gaat: ze verlangen ernaar om gezien, erkend te worden, ze verlangen naar iemand die naar hun ziel vraagt.
Elisa zelf is nodig
Voor een uitgebreide exegese van 2 Koningen 4 verwijs ik naar een recente exegese in De Eerste Dag,[noot 1] toen dit bijbelgedeelte op het Alternatieve Leesrooster stond. Hier beperk ik mij tot enkele opmerkingen. Als je dit verhaal kiest, is het aan te bevelen het hele verhaal te lezen. Het is weliswaar lang, maar ik garandeer een muisstille gemeente, omdat het zo hartverscheurend is. En dit hartverscheurende zit ’m nu juist in de delen voor en tussen het ‘hoofdverhaal’. Het bijna achteloos gegeven ‘cadeautje’ van Elisa aan de Sunamitische vrouw in vers 8-17, haar weeklacht die bijna een aanklacht is (4,28), en de schrik van Elisa (4,27) geven het verhaal diepte en zeggingskracht. De Sunamitische vrouw, vermogend, zelfstandig en daadkrachtig, krijgt ongevraagd een zoon en verliest hem daarna weer. Haar man weet niets van zijn dood, ook Elisa weet van niets. Wie vraagt er naar haar ziel? Pas nadat ze resoluut te kennen geeft met niets minder genoegen te nemen dan met de aanwezigheid van Elisa zelf, komt Elisa in beweging (4,30) en weet hij haar zoon te redden. Denkt Elisa dat het zonder zijn persoonlijke bemoeienis ook wel lukt? Of stuurt hij Gehazi met zijn profetenstaf omdat die sneller is dan de profeet zelf? Hoe dan ook, de vrouw heeft hem als persoon, zijn aandacht en inzet nodig. En de jongen zelf blijkbaar ook.
Niemand die om mij geeft
Psalm 142 wordt aan David toegeschreven, toen hij ‘in de spelonk was’ (opschrift). Het motief van een vlucht, opgejaagd en eenzaam zijn, verwijst naar het leven van David, maar natuurlijk daarbovenuit naar elke situatie waarin mensen de wanhoop nabij zijn. In deze bittere klacht vindt de psalmist zelfs aan zijn rechterzijde, vanwaar toch vaak hulp en voorspoed te verwachten is, geen veilige plaats en niemand die naar zijn ziel vraagt (142,5). Als er al mensen zijn, zullen ze hem niet helpen. In vers 6 wordt gezegd dat JHWH ‘alles is, wat ik heb’ (NBV), letterlijk ‘mijn deel’ is. Het Hebreeuwse cheelèq betekent ‘deel’ of ‘territorium’ en werd gebruikt als woord voor het deel van de buit dat iemand bij een plundering toekwam. Ook stond het voor het deel van het Beloofde Land dat elk van de stammen van het volk Israël toekwam. Alleen de stam van Levi kreeg geen deel van het land. Zij moesten leven van wat de andere stammen als offer voor de tempeldienst brachten. Hun deel was JHWH (Deut. 10,9). Hier in deze psalm is dit juridische begrip een spiritueel begrip geworden: ik ben totaal van JHWH afhankelijk. De psalm eindigt met de bede om bevrijding, om samen met anderen JHWH te kunnen loven.
Zo schreeuwt deze psalm de eenzaamheid en de wanhoop uit: er is niemand die om mij geeft! Alle hoop is op JHWH gericht.
Gezien worden door Jezus
Bij Marcus blijkt precies dit de grote kracht van Jezus en de reden waarom Hij telkens weer grote massa’s mensen aantrekt. Jezus geeft om mensen, Hij ziet naar hen om, Hij vraagt naar hun ziel. Ze voelen zich door Hem gezien en erkend. De genezing van de schoonmoeder van Simon is pas het tweede wonder van Jezus, op de eerste sabbat van zijn openbare optreden. In de synagoge heeft Hij een onreine geest uit een man verjaagd en het nieuws over deze daad verspreidt zich al snel door de hele stad. In het huis van Simon en Andreas ligt Simons schoonmoeder met koorts op bed. Jezus neemt haar hand en ‘doet haar opstaan’ (Gr.: egeiroo – 1,31), een woord dat ook voor het opwekken van doden gebruikt wordt (Marc. 5,41) en voor de opstanding van Jezus zelf. De vrouw ‘diende’ hen (Gr.: diakoneoo – 1,31); helpt ze simpelweg bij de tafel, of wordt hier aangeduid dat de ware genezing ligt in het dienen, het volgen van Jezus (Marc. 15,41; Luc. 8,2-3)?
Als de zon is ondergegaan en de sabbat voorbij is, mag er weer gewerkt worden en worden vele andere zieken naar Jezus gebracht. Maar Jezus ziet niet alleen naar andere mensen om, Hij vraagt ook naar zijn eigen ziel. Meermaals wordt verteld dat Hij een eenzame plaats opzoekt om daar ongestoord te bidden (hier in 1,35). Alleen zo kan Hij het volhouden om dicht bij de mensen te zijn.
Het centrale doel van de werkzaamheid van Jezus[noot 2] staat in 1,38: het brengen van het goede nieuws, van Gods Koninkrijk, in woord en daad. De genezingen zijn meer dan het helen van personen: ze zijn teken dat het Koninkrijk van God al is aangebroken. Zo wordt in het eerste hoofdstuk van dit evangelie al meteen duidelijk gemaakt waar het om gaat. De toon is gezet.
1 K. Ritsert, Elisa en ‘deze Sunamitische’. In: De Eerste Dag, 2013-4, 49-50.
2 E. Eynikel, E. Noort, T. Baarda, A. Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel, Kampen 2001, 1555.