Niet langer solo, voortaan liever samen
‘We noemen onszelf met opzet werkgezélschap, want het gaat ook om gezelligheid, bij voorbeeld tijdens de gezamenlijke lunch.’[1]
‘Ik zal er maar eerlijk voor uitkomen. Ik geef er de voorkeur aan morgen mijn andere bezigheden voorrang te verlenen. Ik vind het namelijk jammer dat er zo weinig dienstdoende collega’s aanwezig zijn. Niets ten nadele van de erg trouwe emeriti. Hopelijk tot de volgende keer.’[2]
‘We vormden als drie collega’s een prima team vanaf de eerste kennismaking: we vulden elkaar aan in onze interesses, hielden elkaar hoog in de gemeente en woonden in dezelfde straat. Soms pasten we ook op elkaars kinderen.’[3]
Predikant in een krimpende kerk
In de loop van vijf eeuwen heeft het predikantschap grote veranderingen beleefd. Wat is dit voor beroep? Wat zal er van dit beroep worden? Zal de dominee te zijner tijd voorbijgaan? Gerben Heitink schreef rond deze vragen het boek Biografie van de dominee vanuit een historisch perspectief. Het thema samenwerking komt expliciet aan de orde in het laatste hoofdstuk ‘Om de toekomst van een “overbodig” beroep’. Heitink stelt dat we ons blindstaren op één bepaald beeld van de predikant: dat van de solist, de ‘doe het zelver’, de generalist, de altijd beschikbare alleskunner, kortom de gevangene van het pastorale grondmodel uit de tijd van Karel de Grote, ook wel aangeduid als één mens, één gebouw, één gebied. Maar déze dominee gaat voorbij.[4]
Vervolgens geeft hij een remedie: een andere organisatie met meer aandacht voor specialisatie, differentiatie, teamwork en loopbaanontwikkeling.[5] Samenwerking dus.
Sinds de verschijning van deze biografie van de dominee in 2001 is er in de kerk, waarin predikanten hun beroep dagelijks uitoefenen nog steeds veel in beweging. Het thema samenwerking is daarbij niet weg te denken. In het spoor van Heitinks historische invalshoek beschrijf ik, na een korte situatieschets, enkele momenten uit de recente kerkgeschiedenis van de Protestantse Kerk in Nederland. Vervolgens komen vormen van samenwerking in theorie en praktijk aan bod en voorzie ik deze van enig commentaar onder de kop ‘ideaal en werkelijkheid’.
Kerkelijke krimp: kramp of kans
Mijn referentiekader is de Protestantse Kerk in Nederland, sinds 2004 de voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden. In alle verscheidenheid zijn we het over één ding zeker eens: we maken deel uit van een steeds verder krimpende kerk in een seculariserende samenleving. Ook al is er een groeiende belangstelling voor godsdienst en geloof, de kerk als organisatie en instituut is veel minder populair. Tegenwoordig zijn veel mensen wel gelovig maar niet kerkelijk. De band met een kerkgemeenschap wordt steeds losser of wordt verbroken. Het ledenaantal loopt terug, met alle gevolgen van dien.
Leidt dit tot neerhangende schouders en sombere dominees? Dat kan wel. In een samenleving die gericht is op groei als succesfactor, vormen steeds minder gevulde kerkbanken en dito collectezakken op zondag geen vrolijk makende aanblik. Kleiner worden, krimpen, wordt doorgaans als negatief beoordeeld. Krimp kent vele oorzaken, ook in de kerk. Daarbij bestaat het risico, dat de predikant als deel van het probleem wordt gezien, of zichzelf hiervoor medeverantwoordelijk voelt. Met het verstand is wel te beredeneren, dat de predikant het tij niet kan keren, maar het voelt nogal eens anders. ‘Doe ík iets verkeerd? En wat dan?’ Ik heb het predikanten wel eens zachtjes horen zeggen.
Het kan ook anders. Sommigen hebben de gave van het ‘omdenken’. Ze beschouwen krimp als een gegeven, zonder negatieve connotatie. Ze ervaren geen crisis of kramp, maar zien krimp juist als een kans, een uitdaging. Krimp betekent voor hen gewoon meer ruimte en andere mogelijkheden, ook in de kerk. Zij zien een positief scenario: wees ondernemend en creatief en maak er iets (nieuws) van, al dan niet als pionier![6]
Een bijzonder beroep
Ondanks de veranderingen in de kerk, is predikant zijn nog altijd een structureel eenzaam beroep. Zeker, de predikant is lid van de kerkenraad. Maar het is niet per definitie zo, dat de ambtsdragers in de kerkenraad samen als een team functioneren. Ieder heeft een eigen aandeel in beleid en bestuur, ook op financieel gebied, maar de taak en positie van de predikant zijn toch een bijzondere. In de woorden van Heitink: zij of hij is een doe-het-zelver. De predikant is degene, die ervoor heeft gestudeerd (aan een universiteit) om gelovig te zijn, die als vrijgestelde een traktement ontvangt en aanspraak kan maken op een ambtswoning. De predikant is bovendien het rolmodel in en van de gemeente. Ondanks snuffelstages en andere praktijkervaringen tijdens de studie, wordt die realiteit pas tijdens het werken in de gemeente aan den lijve ervaren. En al lijkt het beroepingswerk in veel gemeenten nu meer op een sollicitatieprocedure dan vroeger, de contactadvertenties en digitale profielen schetsen ondanks vlotte teksten nog steeds het beeld van een schaap met (meer dan) vijf poten. Bij het parttime-predikantschap komt het er nog meer op aan. Een deeltijddominee is doorgaans geen beleidsmatige keuze van gemeente en kerkenraad, maar een oplossing ingegeven door financiële krapte. Hetzelfde geldt doorgaans voor de inzet van kerkelijk werkers. Gemeenten worden kleiner, met minder leden en minder euro’s. Maar de preekvoorbereiding of de vergaderingen gaan niet minder minuten tellen. Werktijd-overschrijding of grotere werkdruk liggen dan op de loer, tenzij er keuzes worden gemaakt met bijbehorende taakverdeling, vastgelegd in een werkplan.
Synodale aandacht
Wat kan een predikant helpen om in deze omstandigheden gemotiveerd en met vreugde aan het werk te blijven? Zal een jongere zich nog wel geroepen voelen tot de opleiding tot predikant? Er wordt immers zoveel van haar of hem verwacht en dat in een doorgaans geïsoleerde positie. Sinds de kerkvereniging in 2004 zijn de predikant en diens opleiding en vorming onderwerp van menig synodegesprek. Het ene synoderapport is rap op het andere gevolgd. Een citaat uit een rapport uit 2005:
Met het oog op de arbeidsvreugde van de predikant en het voorkomen van burnout, is nodig dat het predikantschap in de visie van de gemeente of instelling en in de visie van de predikant zelf, zich concentreert op de kerntaak van Dienst van Woord en Sacrament, en zich beperkt tot de werkvelden van voorganger, herder en leraar.[7]
En uit een rapport uit 2006:
Het nieuwe élan moet vooral komen van onze predikanten en kerkelijk werkers. Van hen wordt verwacht dat zij het voortouw nemen en geestelijk leiding geven aan de opbouw van de gemeente en hun verantwoordelijkheid nemen voor de kerk in haar geheel.[8]
In deze jaren gaat men uit van de prognose dat er op niet al te lange termijn een fors tekort aan predikanten zal ontstaan. In reactie hierop wordt een groot aantal voorstellen gedaan. In de beleidsontwikkeling van de kerk speelt tevens de arbeidsrechtelijke en kerkordelijke positie van de kerkelijk werker in relatie tot de academisch gevormde predikant een prominente rol.
In 2007 wordt – eindelijk – expliciet de vraag gesteld naar de aantrekkelijkheid van het beroep van predikant.
Investeert de kerk voldoende in de beroepsgroep waar zulke hoge verwachtingen aan worden gesteld in het licht van de positie van kerk en geloven in de samenleving?[9]
Inzichten uit het personeelsmanagement zullen behulpzaam kunnen zijn, veronderstelt men. Een jaar later schrijft stuurgroepvoorzitter Veerman over hét sleutelwoord in het proces van verandering voor de hele kerk, namelijk ‘samen’.
Concrete samenwerking kan niet worden afgedwongen of opgelegd, maar moet worden gewild en moet groeien. Men kan ook worden verleid tot samenwerking.[10]
In april 2009 verschijnt De hand aan de ploeg, een dun maar compact rapport waarin negen hoofdlijnen van beleid worden neergezet. Deze hoofdlijnen focussen op solidariteit, loopbaanontwikkeling, op de predikant/kerkelijk werker en de samenwerkingsverbanden en op de kerkelijk werkers.[11] In de derde hoofdlijn van beleid wordt de samenwerking van de professionals expliciet benoemd: zij maken verplicht deel uit van de werkgemeenschap. De leiding is in handen van een predikant die als primus inter pares de continuïteit en kwaliteit van de werkgemeenschap bewaakt, met oog voor de groeimogelijkheden en ontwikkelingskansen van de predikanten en kerkelijk werkers binnen de werkgemeenschap. In één adem wordt daarna de pastor pastorum genoemd, als begeleider van de voorzitters van de werkgemeenschappen. Blijkbaar kennen de stuurgroepleden ook Heitinks boek, want zijn pleidooi voor specialisatie, differentiatie, teamwork en loopbaanontwikkeling is in dit rapport goed te herkennen.
Samenwerken werkt
Tussen 2009 en 2012 worden de diverse deelthema’s uitgewerkt. De synode discussieert grondig en neemt besluiten die nogal eens afwijken van de voorstellen. Zo halen de primus inter pares en de ‘pastor pastorum’ het niet. Dus geen leiders en begeleiders om samenwerking van predikanten te stimuleren. Wel wordt het belang van samenwerking stevig neergezet, met name in de eindrapportage Samenwerken werkt.[12][13] Hiermee wordt niet alleen de samenwerking van professionals bedoeld, maar ook de samenwerking van gemeenten. Wie heeft er sindsdien niet van’ Samen Gemeente zijn’ (SaGe) gehoord, compleet met stimuleringsbijdrage, om kleiner wordende gemeenten vitaal te houden en nieuw perspectief te bieden? Natuurlijk bestaat er een wisselwerking: geen samenwerking van gemeenten zonder samenwerking van pastores. Het omgekeerde geldt net zo. Ervaringen met recente samenwerkingsprocessen leren dat de invloed van pastores hierbij behoorlijk groot is. Zij kunnen echt het verschil maken en het proces stimuleren – of afremmen.
Bovenplaatselijke en intergemeentelijke samenwerking gaan isolering en verschraling van het lokale kerkelijke leven tegen. Er is meer ruimte voor één of meer voltijds predikanten. De werkzaamheden kunnen beter worden verdeeld en er ontstaat ruimte voor bovenplaatselijk en collegiaal werk. De samenwerking tussen beroepskrachten draagt daarmee bij aan de vitaliteit van de gemeenten waaraan zij verbonden zijn.[14]
Netwerken en coalitievorming worden gepropageerd. Afdwingen lukt immers niet.
De werkgemeenschap en wat vooraf ging
Vóór 2004 kende de Nederlandse Hervormde Kerk het breed-ministerie van predikanten in een bepaalde ring (regio) van gemeenten. De Gereformeerde Kerken in Nederland noemden dit coetus. De basis hiervan is al in het begin van de reformatie gelegd. In Génève en Straatsburg, later ook in Emden, werden geregeld samenkomsten van predikanten gehouden. Het was geen ambtelijke vergadering, wel een vergadering van predikanten uit een bepaald ressort. De bijeenkomsten waren bedoeld voor het bestuderen van de Schrift, om censura morum te houden, aanstaande predikanten te examineren en om de vragen van het kerkelijk leven te bespreken.[15] Daarnaast kende men in de Hervormde Kerk het ministerie. Dit was de groep van predikanten verbonden aan één centrale gemeente, die regelmatig samenkwam om werk op centraal niveau af te stemmen. In grotere gemeenten gebeurt dit nog steeds.
De praktijk dat predikanten regelmatig hun collega’s in de regio ontmoeten, samen studeren en al doende hun isolement doorbreken, heeft oude papieren. Juist samen hebben ze belangrijk werk te doen. Zo dienen ze zichzelf en dus ook hun gemeenten. De werkgemeenschap, ingesteld door het breed moderamen van de classicale vergadering, is ervoor bedoeld de saamhorigheid en gezamenlijke bezinning van predikanten en kerkelijk werkers te bevorderen. Studie en onderling pastoraat horen daarbij. Alle dienstdoende predikanten en kerkelijk werkers worden geacht mee te doen. Bovendien moet de werkgemeenschap de consulenten aanwijzen (zie ordinantie 4-18 PKO). Er is geen sanctie voor structurele wegblijvers opgenomen. De wetgever gaat ervan uit dat dit voor professionals binnen de kerk niet nodig is.
De werkgemeenschap in praktijk
Het reilen en zeilen van werkgemeenschappen gaat mij ter harte. Soms ben ik als regionaal adviseur te gast, op uitnodiging of op mijn eigen verzoek. Regelmatig adviseer ik een breed moderamen om met een werkgemeen schap contact te onderhouden. Visitatoren vragen ook naar ervaringen van predikanten met de werkgemeenschap; de reacties komen terug in visitatieverslagen en worden zo nodig besproken. Gelukkig hoor ik zelf ook bij een werkgemeenschap.
Onlangs was ik bij een groep collega’s die zichzelf bewust werkgezelschap noemen. Er was een inloop-lunch met tijd voor lief en leed, het uitwisselen van tips en het onderling sparren van enkele collega’s. De voorzitter vertelde dat zij veel investeert in onderlinge verbondenheid en vertrouwen. Juist omdat zij als stagiaire had waargenomen hoe negatief een gebrek aan collegialiteit kan doorwerken in allerlei verhoudingen, hield zij een pleidooi voor een intentieverklaring, waarin collega’s naar elkaar uitspreken dat en hoe zij willen samenwerken. Regelmatig worden in dit werkgezelschap diverse thema’s ingebracht, die heftig en persoonlijk kunnen zijn. Jaarlijks wordt een tweedaagse georganiseerd met tijd voor studie, zang en onderlinge ontmoeting aan de bar. Dit jaar wil men naar Chevetogne. Ook hier zijn er berichten van verhindering maar dan meldt de betreffende collega zich met spijt af. De sfeer is openhartig en sprankelend. Ik vroeg naar de succesfactoren van deze groep. ‘Je moet het willen’, zei de één. ‘We hebben ook mazzel met elkaar’, voegde een ander toe, ‘want we zijn modalitair niet erg verschillend’. Een derde collega constateerde: ‘je moet wel een ruim hart hebben om met collega’s om te gaan’. Allen waren het erover eens: samenwerken hebben ze niet geleerd in hun opleiding.
Een andere ervaring. Kort voor de afgesproken vergaderdatum meldde de ene na de andere collega van een werkgemeenschap zich af. Sommigen bleven – niet voor het eerst – weg zonder kennisgeving. Uiteindelijk zat een kleine groep om tafel, want de voorzitter had het samenzijn bewust niet afgeblazen. Het geagendeerde onderwerp bleef onbesproken, want frustratie over afhakende collega’s kreeg voorrang. Waarom schrijven ze de datum niet tijdig in de agenda? Waarom moet juist een afspraak met collega’s altijd wijken? Een volle agenda is geen excuus; een uitvaart evenmin. Dit is geen samenwerken, zo neem je elkaar als collega’s niet serieus.
De wel aanwezige pastores kwamen omdat zij hun deelname aan de werkgemeenschap als zinvol werk beschouwen. Eén ochtend per kwartaal is toch niet veel gevraagd? Onderlinge bemoediging is voor hen een must in de huidige situatie van krimp en eenzaamheid in de eigen gemeente. Als voorgangers hun afspraken met elkaar al niet nakomen, wat kan men dan verwachten van gemeenteleden? Zo komt bovendien samenwerking van gemeenten onder druk te staan. Men besloot om deze cri de coeur te delen met alle collega’s door middel van een brief, te verzenden in een rouwenveloppe. En allen werden dringend uitgenodigd voor de volgende bijeenkomst om een stevig gesprek te hebben over de toekomst van deze werkgemeenschap.
Permanente educatie
Een andere vorm van samen werken is samen leren. Sinds 2012 is het vijfjaarlijks studieverlof vervangen door permanente educatie (PE). In deze nieuwe opzet besteden predikanten en kerkelijk werkers jaarlijks een aantal weken aan studie, deels in aangestuurd, deels in vrij aanbod. De Protestantse Theologische Universiteit verzorgt veel cursussen, maar ook bij andere opleidingen kan gestudeerd worden. De synode heeft dit levenslange leren tot beleid gemaakt om bij te dragen aan de beroepsontwikkeling van de kerkelijke professional. In andere sectoren van de samenleving werkt dit systeem al jaren. Nascholingsstudie is onder andere bedoeld om het welbevinden van de predikant en kerkelijk werker te vergroten, om het beroep aantrekkelijker te maken. Samen een cursus volgen betekent uit het isolement komen. In de aanloop naar de PE is dit samenwerken gezien als een belangrijke verbetering, vergeleken met de oude regeling. Toen las menig collega drie maandenlang boeken in de studeerkamer of ging pelgrimeren. Zo bleef men in de – eenzame – solorol.
De PE functioneert nu ruim drie jaren. Menig collega is blij met de geboden mogelijkheden en neemt (lange) reistijden en ander ongemak voor lief. Andere collega’s blijven terugverlangen naar het oude studieverlof, waarin ze geheel eigen baas waren. Ze morren over cursussen die niet doorgaan of te ver van huis (Amsterdam of Groningen) worden gegeven. De kerkordelijke rol van kerkenraad en breed moderamen zijn aan kritiek onderhevig. Uit recente gegevens blijkt dat ongeveer 40% van de predikanten en kerkelijk werkers nog niet deelneemt aan PE en waarschijnlijk evenmin een persoonlijk scholingsplan heeft gemaakt.[16] Anderen sprokkelen hier en daar wat kwart punten voor de PE bij elkaar en wachten af. Ook hier is immers geen kerkordelijke sanctie vastgelegd. Kortom: zin en plezier van samenwerken door samen leren worden nog niet algemeen gedeeld.
Teamvorming
Dit verhaal is niet compleet zonder aandacht voor een toegespitste vorm van samenwerking die inmiddels kerkbreed wordt gestimuleerd. Ik gaf al aan dat samenwerking van gemeenten niet kan slagen, wanneer niet ook de betrokken predikanten steeds nauwer gaan samenwerken. Idealiter zal dit leiden tot de vorming van een team. Uiteraard gebeurt dit met instemming van de kerkenraden, mogelijk zelfs op hun verzoek. Wat houdt dit in? Een team is een functioneel samenwerkingsverband van kerkelijke professionals, verbonden aan één of meerdere gemeenten. Aanleiding kan zijn een verlangen om meer te profiteren van ieders kwaliteiten om elkaar aan te vullen bij de uitoefening van het werk. Ook ontwikkelingen in de gemeenten kunnen tot teamvorming leiden, zoals reorganisatie van menskracht, regionale samenwerking tussen gemeenten en herschikking van taken. Het proces om tot een team te komen, doet meestal de meerwaarde van een dergelijke samenwerking ontdekken. Dat kost tijd en inzet.[17]
Kees Waardenburg noemt in zijn werkboek vier vormen van samenwerking: overleggroep, projectgroep, werkteam en team. Deze kan men ook beschouwen als fasen in een proces. Beroepskrachten bespreken met een zekere regelmaat hun werkervaringen. Wanneer dit positief uitpakt, kan dit ertoe leiden dat men meer één lijn gaat volgen. Of dat men samen gaat werken aan een project of taken regionaal gaat verdelen op basis van specialisatie. Besluit men vervolgens tot een (werk)team, dan werkt men op basis van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en zijn de leden gezamenlijk aanspreekbaar. Het werk wordt verdeeld, in overleg uitgevoerd en geëvalueerd. Daarbij gaat het niet alleen om de taak maar evenzeer om het proces en de persoonlijke inbreng van elk teamlid.
Wat is eigenlijk goed samenwerken? Uit het werkboek schrijf ik enkele karakteristieken over.
Het team heeft duidelijke doelstellingen die door alle teamleden worden onderschreven. Openheid is een voorwaarde. Tegengestelde meningen worden uitgesproken en benut. Teamleden vertrouwen en ondersteunen elkaar. Het team ziet conflicten niet als negatief, maar gebruikt de oplossing om het doel te bereiken.
Volgens deze criteria is een werkgemeenschap van predikanten een overleggroep. Een initiatief in het kader van PE kan leiden tot een projectgroep. Voordat een groep collega’s een werkteam of een team kan worden, is veel inzet en voorbereiding nodig.
De landelijke kerk zet de laatste jaren stevig in op samenwerking tussen gemeenten, al dan niet uit nood geboren. Dit kan leiden tot samenvoeging van gemeenten in een bepaalde regio. Vorming van zo’n nieuwe, samengevoegde, gemeente kan alleen slagen, wanneer ook de pastorale beroepskrachten een samenwerkingsverband aangaan.[18] Regelmatig overleg of een incidenteel gezamenlijk project is dan niet voldoende. In een ‘echt’ team kunnen predikant en kerkelijk werker ieder hun specifieke opleiding en persoonlijke kwaliteiten en specialisaties inzetten. Juist zo kunnen ze optimaal tot hun recht komen en elkaar versterken.
Intermezzo
Vijftig jaar geleden kwam minister Den Uyl naar Heerlen om mee te delen, dat de mijnen gesloten zouden gaan worden. In Zuid-Limburg wordt aan dit historische feit in 2015 veel aandacht gegeven. De nu nog levende mijnwerkers, koempels, krijgen volop gelegenheid om over hun werkervaringen, honderden meters onder de grond, te vertellen. Werken in de mijn werd goed betaald, maar was wel vol risico’s. Het duurt daarom nooit lang eer het begrip ‘kameraadschap’ valt. Want de mannen die als groep collega’s in de lift voor hun ‘sjicht’ naar beneden gingen, vertrouwden zich aan elkaar toe. Ze deden er alles aan om na gedane arbeid ook weer samen boven te komen. Vandaar de term ‘Glück auf!’ Voor mijnwerkers was samenwerken levensnoodzakelijk. Juist die kameraadschap gingen ze missen toen ze na de mijnsluiting in andere bedrijven, zoals aan de lopende band van de autofabriek in Born, terecht kwamen.
Ideaal en werkelijkheid
Predikanten en kerkelijk werkers zijn niet te vergelijken met de koempels van weleer. Ze zijn in hun werk niet zo van elkaar afhankelijk. Samenwerking is geen levensnoodzaak. Maar die kameraadschap zou ik hen wel gunnen. Iets daarvan heb ik zelf ervaren, toen ik een tijdlang met twee collega’s in een wijkgemeente functioneerde. We vormden weliswaar geen officieel team, maar in de praktijk beleefde ik het wel zo.
Gelukkig is voor veel predikanten en kerkelijk werkers samenwerking in een breder, bovenplaatselijk verband zoals de werkgemeenschap, de gewoonste zaak van de wereld. Deze collegiale ontmoeting hoort bij hun ambtswerk. Dat is al eeuwen zo. Voor emeriti kan juist dat een reden zijn om collegiale bijeenkomsten als gast te blijven bezoeken. De Protestantse Kerk telt momenteel 149 werkgemeenschappen, waarvan er vele redelijk tot goed functioneren.[19]) Daarbij veronderstel ik meer motivatie voor samenwerking dan alleen het vasthouden aan een goede gewoonte. Voorgangers hebben er immers zelf baat bij om bezinning en saamhorigheid van elkaar te ervaren, om regelmatig een zekere kameraadschap met elkaar te beleven. Samen wijzer worden, elkaar inspireren, plannen uitwisselen, meeleven met elkaars wel en wee, samen eten: hoe zinvol, stimulerend en gezellig kan het zijn. Zelfs ontspannend én relativerend. Jonge predikanten komen in de werkgemeenschap ervaren collega’s tegen, bij wie ze met hun starterservaringen terecht kunnen, ook buiten de bij eenkomsten om. Deeltijddominees hebben er baat bij om in vertrouwde kring hun specifieke werksituatie te bespreken. De uren, in collegiaal gezelschap doorgebracht, zijn geen verloren tijd. Het is dan ook meer dan jammer, wanneer men het belang niet onderkent of zich daarvoor geen tijd gunt; reden waarom een aantal werkgemeenschappen niet of nauwelijks functioneert.
Laat ik het principiëler formuleren. Collegialiteit is geen extra taak, waarvoor tijd vrijgemaakt moet worden en die in het ergste geval de werklast verzwaart. Collegialiteit en daarmee samenwerking hangen voor mij samen met een professionele werkhouding. Predikanten zitten niet ieder op hun eigen eiland; net zo min als hun gemeenten eilandjes in een regio zijn. We zijn in de kerk aan elkaar toevertrouwd. Predikanten zijn ertoe geroepen met hun medemensen op te trekken in goede tijden en slechte tijden, in Gods naam. Zouden ze dan niet geroepen zijn om met elkaar op te trekken? Het is al eerder gezegd: concrete samenwerking kan niet worden afgedwongen. Men moet het willen en het laten groeien. Toch kan het een intentie zijn en een bewuste keuze worden. Dat past bij een stijl van werken die de kwaliteit van het beroep ten goede komt. De collega’s die hun cri de coeur in een rouwenveloppe verzonden, doen een beroep op collega’s om elkaar serieus te nemen. Het gesprek dat zij aangaan, kan aan kracht winnen wanneer ze als collega’s open en eerlijk met elkaar willen communiceren. En bij regelmatige afwezigheid zonder bericht, moet het vanzelf spreken om een signaal te geven: ‘We hebben je gemist’. Ook dat is kameraadschap.
Uiteraard geldt dit ook predikanten in een centrale gemeente. Sommigen beschouwen het ministerie ter plaatse als alternatieve werkgemeenschap. Hun collega’s in de regio ontmoeten ze daarom niet of nauwelijks. Ze weten niet wat ze missen.
Het spreekt vanzelf dat samenwerking de moeite waard moet zijn. Dus zullen bijeenkomsten van de werkgemeenschap ergens over moeten gaan, met een fatsoenlijke agenda en een kundige, attente voorzitter. Laat daarbij het nuttige vooral met het aangename verenigd worden, zoals tijdens een inlooplunch. Een boekbespreking, een pastorale casus, een ethisch dilemma, door wisselende collega’s ingebracht; met zoveel mensen die het ‘bijzondere beroep’ delen om tafel is er themakeuze in overvloed. En wanneer op de begroting van de classis een post voor de werkgemeenschap is opgenomen, kan er soms wat geld beschikbaar zijn voor een spreker of een studiedag. In het beste geval is men bereid er eigen geld te steken, zoals voor de trip naar Chevetogne.
Is er behoefte om de werkgemeenschap nieuw élan te geven? Vanuit de landelijke kerk is hiervoor een speciaal traject opgezet. De methode ‘de werkgemeenschap als inspirerende leergemeenschap’ is gebaseerd op positieve feedback, die aanwezige krachten activeert en aanzet tot nieuwe ontwikkelingen.[20]
Best mogelijk dat het tot nu toe gestelde getuigt van te groot idealisme. Want er zijn reële tegenwerpingen te maken. Om te beginnen de gedachte, dat samenwerking doorgaans betrekking zal hebben op een klein deel van het predikantenwerk. Veel is en blijft toch generalistenwerk, zoals kerkdiensten leiden, (crisis)pastoraat en uitvaarten. Dat laat onverlet, dat op kleine schaal gestart kan worden. En dat samenwerking al doende kan opbloeien en uitgroeien. Gaandeweg het proces zal blijken of en zo ja wat, nog meer mogelijk is.
Het is tot nu toe zo, dat samenwerking door predikanten en kerkelijk werkers zélf moet worden georganiseerd in een werkgemeenschap of met buurcollega’s. Dat is een kracht, maar tegelijk een zwakte. In de huidige kerkelijke structuur heeft niemand macht om wie niet wil samenwerken, daartoe te verplichten. Verleiden is mooi, maar soms werkt dat gewoon niet. Evenmin zijn er sancties, wanneer wordt tegengewerkt in plaats van samengewerkt. Persoonlijke motivatie zal de beste motor blijven voor collegialiteit en samenwerking. Maar is het ondenkbaar, dat wordt nagedacht over een structuur om samenwerking meer op te leggen? En dat in de opleidingen aan samenwerking veel meer aandacht wordt gegeven?
En dan nog dit. Wanneer een aantal kerkelijke professionals als team wil samenwerken, is men afhankelijk van de gemeenten, c.q. de kerkenraden. Deze zullen goedkeuring aan een herverkaveling van taken moeten hechten. Dat maakt samenwerken inderdaad tot een complex en kwetsbaar geheel, waarvoor tijdens het proces wellicht deskundigheid van buiten onmisbaar zal zijn. Nog lastiger wordt het, wanneer een collega in een goedlopend samenwerkingsverband van collega’s en gemeenten, vertrekt. In zo’n situatie is weldoordacht beleid met afspraken en randvoorwaarden rond samenwerking van gemeenten en teamvorming van professionals essentieel. Een volgende collega zal deze intenties moeten delen. Want wie zou energie willen steken in een proces dat zomaar op losse schroeven kan komen te staan?
Ten slotte
In een krimpende kerk zijn we op weg naar de toekomst. Het jaartal 2025 valt in dat verband regelmatig. De organisatie van de Protestantse Kerk zal dienen in te spelen op de veranderende omstandigheden. Ook het beroep van predikant zal verandering ondergaan, onontkoombaar. De remedie van Heitink zal weer worden ingebracht. De solo-predikant of kerkelijk werker gaat voorbij. De structurele eenzaamheid moet worden doorbroken. De samenwerkende professional heeft de toekomst. Zo kunnen ieders kwaliteiten dienstbaar worden gemaakt aan een groter geheel. Dat is winst, zowel voor de plaatselijke gemeente als voor de regio. Wanneer komt het zover, dat de predikant zelf deze verleiding niet langer kan weerstaan? Om met een speelse variatie op een kinderlied te eindigen: ‘samen werken is pas fijn!’[21]
[22]