Nog altijd kan de wereld nieuw beginnen
Muus Jacobses eschatologie van de hoop
Inleiding
Een van mijn favoriete Liedboek-dichters is Muus Jacobse. Jacobse is namelijk een dichter van ongemakkelijke teksten. Weliswaar is hij in het oude Liedboek voor de kerken, uit 1973, oververtegenwoordigd in de ogenschijnlijk brave afdeling van Bijbelliederen. Maar steevast leggen deze liederen de gemeente allesbehalve brave woorden in de mond. Jacobse laat de gemeente aan God vragen:
‘Zijt Gij van wie gesproken is /
in de voorbije tijden?’
Hij laat haar zingen:
‘God week te lang geleden /
uit ons bestaan. /
God is in alle eeuwigheden /
op reis gegaan.’
En al schijnt de zon uitbundig door het kerkraam, Jacobse legt de gemeente in de mond dat ze ‘dood’, ‘melaats van harte’, ‘arm van verlangen’ en ‘droef te moede’ is. Beter gezegd: hij legde haar dit in de mond, want zijn Bijbelliederen hebben, op een enkele uitzondering na, het nieuwe Liedboek van 2013 niet gehaald. Ze werden vast niet vaak genoeg gezongen, deze liederen vol wrijving tussen, kort gezegd, een bang gevoel van godverlatenheid én een intens verlangen door God te worden gekend.Ik zeg dit, bij wijze van inleiding, omdat het gedicht dat ik als uitgangs- punt kies voor mijn verhaal van vanmiddag – Jacobses sonnet ‘Het kind’, uit de jaren dertig – nog wel eens door predikanten wordt aangehaald, bij voor- keur in een doopdienst, aan het slot van de preek, als een stichtelijk woord op rijm. Ik zal het gedicht u voorlezen, om u vervolgens uit te leggen waarom dit sonnet, als u het mij vraagt, geen brave gemeenplaatsen debiteert, maar een onvervalste Muus Jacobse is.