Noodweer
Bij Johannes 17,14-26
In de vakantie gaan Mosje en Mirjam een flinke strandwandeling maken, van Kijkduin naar Hoek van Holland en dan met de bus terug. Een paar ouders gaan mee, en nog wat kinderen die goed kunnen lopen, want het is een heel eind.
Het begin is een makkie. Ze lopen langs het water op het harde zand. Maar dan komt de zee op, en moeten ze door het mulle zand lopen. Dat is zwaar. Boven de zee zien ze grote, zwarte wolken opkomen. Al gauw vallen de eerste druppels. Het wordt noodweer, in de verte zien ze donder en bliksem. Er is geen paadje door de duinen hier en er is geen mens te zien.
Ze lopen dicht bij elkaar. Jassen over hun hoofd. Verderop staat een strandtent, maar die is dicht. Gelukkig is daar een trap naar boven. ‘Waar zijn we hier?’ ‘In Monster!’ Dat klinkt niet zo vriendelijk. Er is een cafetaria waar ze willen schuilen, maar de baas wil al die natte zandvoeten niet binnen hebben. Bij de kerk is een afdak voor de fietsen, daar staan ze droog.
Er komt een mevrouw met een paraplu. Gaat ze hen wegsturen? Nee, ze zegt: ‘Kom maar binnen, allemaal de schoenen uit en wie wil, mag zijn natte kleren in de droger doen.’ Ze krijgen warme melk met honing. ‘Mevrouw Monster,’ zegt Mosje, ‘wat aardig van u.’ Papa wil wat betalen, maar dat hoeft niet. Na een half uur zijn de kleren droog en de bui is over. Nu weer verder? Nee, ze pakken de bus terug.
Thuis schrijven ze een kaart aan de mevrouw. Ze weten haar naam niet, dus zetten ze erop: ‘Mevrouw De Engel. U hebt ons gered, we zijn veilig thuisgekomen. Heel erg bedankt.’