Menu

Premium

Obadja

INLEIDING

Inhoud van het boek Obadja

We kunnen eerder spreken van een boekje dan een boek. Het bevat slechts één hoofdstuk van 21 verzen en is een profetie tegen Edom, het broedervolk van Israel, zoals met nadruk naar voren komt in vs 10.

Aan Edom wordt een ontzaglijk strafgericht aangekondigd: verschillende volken zullen er naar het woord des HEREN tegen oprukken (ys 1) en het zó neerslaan en plunderen, dat het slechts een geringe en onbetekenende plaats zal innemen onder de natiën (vs 2). Daarmee wordt dit als trots en hooghartig getekend volk een vernietigende slag toegebracht, want het heeft geen rekening gehouden met de Almachtige God, die het in zijn ontoegankelijke schuilhoeken weet te vinden (vss 3, 4). Edom zal grondig worden geplunderd; zelfs zijn bondgenoten laten het in de steek (vss 5-7). In die geweldige catastrofe zullen zowel de wijsheid als de dapperheid van Edom tekort schieten (vss 8, 9).

Dit alles geschiedt, omdat Edom, toen Jeruzalem door een ontzettende ramp getroffen werd, zich schaarde aan de kant van de vijanden. Het had leedvermaak over Juda’s ondergang, het doodde de vluchtelingen of leverde ze aan de vijanden uit (vss 10-14). Daarom zal op de ‘Dag des HEREN’ Gods oordeel komen over het volk van Edom en over alle volken, om wat zij Israel hebben aangedaan (vss 15, 16).

Het boekje eindigt met twee heilsprofetieën: er zal ontkoming zijn op de berg Sion en het huis van Jakob zal zijn bezittingen opnieuw beërven (vs 17). Het herstelde Israel zal over Edom zegevieren door middel van ‘verlossers’, die God zal geven en daarin zal blijken, dat het koningschap aan de HERE is (vss 18-21).

Naam en plaats van het boek

Het boek draagt de naam van de profeet Obadja. Het behoort tot de twaalf ‘kleine profeten’, die tot één boek werden gerekend en het slot vormden van de zgn. latere profeten. Onder deze ‘twaalf’ neemt Obadja de vierde (in de Septuaginta de vijfde) plaats in. De volgorde van de kleine profeten is niet strikt chronologisch. Hosea bv., die zeker uit iets latere tijd is dan Arnos, gaat toch aan deze vooraf. Het verschil in volgorde tussen de hebreeuwse tekst en de Septuaginta doet vermoeden, dat er geen sprake is geweest van een bewuste rangschikking.

De schrijver van het boek

Het is niet bekend, wie de auteur is van het boek. Van de profeet Obadja is ons niets anders bekend dan zijn naam. Elke aanduiding van zijn voorgeslacht of woonplaats ontbreekt. Sommigen vragen zich zelfs af, of de naam Obadja die ‘dienaar des HEREN’ betekent, als eigennaam dan wel als eretitel voor een overigens anonieme profeet moet worden beschouwd.

De naam Obadja(hu) is een in Israel veel voorkomende naam geweest. Heel bekend is bv. de hofmaarschalk van koning Achab (1 Kon. 18:3 w); zie voorts 1 Kron. 7:3; 8: 38; 12:9; 27:19 e.a. Vgl. ook de naam Obed (= dienaar) in Ruth 4:17.

Eén ding valt nog te zeggen: uit de vss 11, 12, 17 en 21 is af te leiden, dat hij werkzaam is geweest in Juda en waarschijnlijk Jeruzalem, zodat wij hem mogen rekenen tot de profeten van het rijk der twee stammen. Mogelijk is hij derhalve zelf een Judeeër geweest (vgl. ‘mijn volk’, vs 13). Velen denken, dat Obadja een cultisch profeet was. We zullen er in hebben te berusten, dat we van de persoon van de profeet verder niets meer weten, zodat we al onze aandacht hebben te concentreren op zijn profetie. Het boekje toont in zijn gehele opzet zeer duidelijk een eenheid te zijn. Het eschatologisch karakter aan het slot past goed in het geheel van de profetie. De voorzegging van de ‘Dag des HEREN’ treffen we ook aan bv. in Ez. 13:5; Arnos 5:18, 20; Sef. 1:7.

De tijd van Obadja’s optreden

Over de tijd waarin de profeet optrad, zijn de meningen verdeeld. Sommigen plaatsen hem omstreeks 850 v.Chr. ten tijde van de judese koning Joram. Ze doen dit op grond van de vss 10-14, waar een inneming van Jeruzalem wordt vermeld, zie 2 Kron. 21:16, 17. Er zijn enkele argumenten te noemen, die hier vóór pleiten, zoals: de vroege plaats die Obadja in de verzameling van de Kleine Profeten heeft ontvangen, de overeenkomst tussen Obadja: 1-9 en Jer. 49:7-22, waarbij Jeremia dan steunen zou op Obadja – noch bij Obadja, noch bij Joël is sprake van een verwoesting van Jeruzalem, wel van verovering, plundering en wegvoering – er wordt niet gesproken van een ballingschap naar Babel en de Chaldeeën worden niet genoemd; Obadja: 17 wordt aangehaald in Joël 2:32 en Joël wordt veelal tot de vroege profeten gerekend.

De meeste uitleggers plaatsen de profetie van Obadja echter omstreeks 586 v.Chr., toen Jeruzalem door Nebukadnessar werd verwoest en het volk in ballingschap werd weggevoerd. Het leedvermaak van Edom over Jeruzalems ondergang, waarvan Ob.: 12 spreekt was toen groot. Ook elders wordt hierop gezinspeeld, zie: Ps. 137: 7; Klaagl. 4:21; Ez. 25:12-14; 35:1 vv; 36:5. In dit geval is Obadja een tijdgenoot van Jeremia geweest en heeft hij zijn profetie kort na 586 uitgesproken. Hij kan alzo behoord hebben tot hen, die na Jeruzalems ondergang ende wegvoering naar Babel in de Davidsstad zijn achtergebleven (2 Kon. 25:12,22).

De beslissing tussen deze twee standpunten is moeilijk, maar ik ben geneigd aan de laatste opvatting te denken. Naast de bovengenoemde argumenten óók, omdat in vs 20 de term ‘balling’ wordt gebruikt, welke op de wegvoering in ballingschap uit het land der vaderen duidt. De betekenis van dit boekje is gelegen in de troostrijke verzekering, dat God zijn volk recht doet tegenover zijn tegenstanders. Het gaat hier bovenal om het koningschap des HEREN, dat zo duidelijk uitblinkt. Zo heeft deze profetie een betekenis voor alle tijden!

De indeling van dit boek

Obadja is als volgt in te delen: Opschrift, 1a.

Aankondiging van het gericht over Edom, 1b-9.

De schuld van Edom jegens Israel, 10-14.

De Dag des HEREN en Sions herstel, 15-21.

VERKLARING

Opschrift 1a

Het opschrift is zeer sober en beperkt zich er toe de volgende profetie aan te duiden als ‘Gezicht van Obadja’. Het woord ‘gezicht’ (vgl. Jes. 1:1) wijst op iets, dat ‘gezien’ is, hetzij door het innerlijke zien (visioen), hetzij door het waarnemen van een uitwendige verschijning. In ruimere zin wordt het ook gebruikt voor een openbaring, zoals de profeten deze ontvingen. De profeet vertelt geen sprookjes, maar God laat het hem allemaal zien. En wat de HERE openbaart zal stellig geschieden!

Aankondiging van het gericht over Edom 1b-9

De inleidende formule: ‘Zo zegt de Here HERE’ komen we herhaaldelijk tegen, met name bij de profeten. Evenals in Micha 1:1 (daar wordt gesproken over ‘het woord des HEREN’) heeft deze spreuk niet slechts betrekking op het eerste vers (dat een woord van de profeet is en daarom tussen haakjes is geplaatst), maar slaat op het geheel van de daarna volgende profetie. De eerste naam Here (hebr. Adonai) is de naam, waarmee God wordt aangeduid als de Heer van het heelal (lett.: mijn Heer), de tweede naam HERE (hebr. Jahwe), die in het O.T. 6823 maal voorkomt, is de naam van de God van het Verbond.

Het is beter te vertalen: ‘over Edom’, dan ‘tót Edom’, omdat de profetie niet tot Edom, maar tot Juda is gericht en bedoeld is als een woord van troost tot het volk Israel, dat onder de vijandschap van Edom zo bitter heeft geleden.

Nu volgt eerst de tussenzin. Bij het meervoud ‘wij’ is allereerst te denken aan de profeet, die zichzelf met zijn volksgenoten samenvat of ook aan andere profeten denkt, die tegen Edom hebben geprofeteerd, zie met name Jer. 49:14. Daar wordt in het enkelvoud gesproken en daarom zijn er uitleggers, die met een beroep op de LXX het enkelvoud willen lezen. O.i. ten onrechte, want dan geldt de bekende regel: ‘lectio arduapraestat’ (= de moeilijkste lezing verdient de voorkeur).

De profeet heeft een boodschap (lett.: iets dat gehoord wordt), een openbaring van God ontvangen, dat een bode onder de volken is gezonden om hen ten strijde op te roepen tegen Edom. Die bode is de gezant, die het ene volk naar het andere zendt. In dit geval is hij door de HERE gezonden: een profetische voorstellingswijze, om te kennen te geven, dat de volken zich gereed maken tegen Edom op te trekken (vgl. Joël 3:9).

In de vss 2-4 wordt aan Edom de aloude leer gebracht, dat ‘wie zich verheft, vernederd zal worden’, zie oa. Spr.16:18; 29:23; Zach. 10:11; Luc. 1:52; 14:11; 18:14.

Het hoogmoedige Edom geloofde, dat het wonend ‘in rotskloven’ volkomen veilig was voor welke vijand ook. Temidden van moeilijk toegankelijke plaatsen, omgeven door heuvels en rotsen, lag de hoofdstad Sela of Petra (= rots), zodat de nakomelingen van Esau overmoedig zeiden: Wie zal ons ter aarde neerhalen? (vs 3).

Op die vraag komt een onverwacht antwoord: dat zal Ik doen, zegt de HERE. Al zoudt ge uw nest zo hoog bouwen als een gier, dan nog zou Ik u vandaar neerhalen! Op te merken valt, dat de Israëlieten gier en arend met hetzelfde woord aanduiden; 28 maal worden ze in het O.T. genoemd; hier liever te denken aan de gier, omdat in Edom wel gieren nestelen, maar geen arenden.

Edom valt ten prooi aan vijanden, die het beroven en verwoesten. Waar druivenlezers nog een nalezing overlaten in het belang van de armen (Deut. 24:21), gebeurt dit niet door Edoms berovers, zodat de profeet in een tussenzin uitroept: hoe wordt gij verdelgd! (vs 5). Dit alles wordt in de vss 6 en 7 nog eens benadrukt: Edom wordt doorzocht en doorsnuffeld tot in alle schuilhoeken, zodat er van zijn rijke schatten niets meer overblijft. Zelfs zijn bondgenoten bieden de Edomieten geen hulp. Integendeel: diegenen, die uw brood eten, leggen u een valstrik]

Vs 8 sluit zich nauw aan bij de slotzin van vsl:Eris geen inzicht bij hem. En dat wordt gezegd van de Edomieten, nader: de Temanieten, die bekend waren door hun wijzen, zie Job 2:11; vgl. Jer. 49:7. Teman is een landstreek van Edom, zie Jer. 49:7, 20; Ez. 25:13; Arnos 1:12; Hab. 3:3. Doch hun wijsheid zal geen redding kunnen brengen. De HERE zal verderven de wijsheid der wijzen en het verstand der verstandigen zal Hij verdoen (1 Kor. 1: 19).

Edom wordt niet alleen van zijn wijsheid, maar ook van zijn kracht beroofd: de helden verliezen de moed en de burgerij wordt aan een bloedbad prijsgegeven (vs 9).

De schuld van Edom jegens Israel 10-14

In dit gedeelte wordt de speciale zonde genoemd, waarom Edom wordt uitgeroeid, voor altoos (vs 10): het is vanwege zijn houding tegenover het broedervolk Jakob, waarbij speciaal aan Juda moet worden gedacht. Bij het woord ‘broeder’ denken we onwillekeurig aan het feit, dat de stamvaders Esau en Jakob tweelingbroers waren. De vijandschap van Edom tegenover Israel vereeuwigde ahw. de oude rivaliteit tussen Esau en Jakob, die telkens in de historie opvlamt. Denk aan Doëg de Edomiet (1Sam. 21:7) of uit het N.T. Herodes, de Idumaeër; vgl. ook Amos 1:11, 12. Idumea is de latere naam voor het enigszins naar het N. verschoven gebied van Edom.

Het onheil, dat Juda trof is een verovering van Jeruzalem. Zoals we hierboven hebben gezien is niet met zekerheid te zeggen om welke verovering het gaat. De gebezigde uitdrukkingen doen wel zien, dat hier sprake is van een heel ernstige ramp, die Israel trof: we lezen over een gevangenneming van Israels leger, het binnendringen van vreemde troepen in zijn gebied en zelfs het werpen van het lot over Jeruzalem, hetgeen veronderstelt, dat deze stad door de vijanden is veroverd. De hier gebruikte zegswijzen komen het meest tot hun recht, als we ze verstaan in verband met de gebeurtenissen rondom 586 v.Chr.

De zonen van Esau zijn in groten getale komen opzetten om zich vrolijk te maken over Jakobs rampspoed op de dag van zijn ondergang. Het is zelfs niet bij leedvermaak gebleven, maar de Edomieten hebben zich ook met de dääd gemanifesteerd: ze zijn het gebied van Israel binnengedrongen (de poort van mijn volk = de grens van Israels gebied) en ze stonden op het kruispunt (vs 14) om Jakobs vluchtelingen op te wachten en te doden (vgl. Ez. 35:5) of aan de vijanden uit te leveren. Onder het ‘kruispunt’ zal een wegkruising moeten worden verstaan, waar verschillende wegen samenkwamen, of de éne vluchtweg zich in verschillende richtingen splitste.

De Dag des HEREN en Sions herstel 15-21

Bijna alle profeten spreken over de Dag des HEREN, de jom Jahwè. Een uitdrukking, die niet minder dan 28 maal in het O.T. voorkomt. Het is de grote Dag van de toekomst, waarop de HERE zich zal openbaren in zijn luister en majesteit. Een Dag, waarop de vijanden worden verdelgd en Gods volk wordt verlost (vs 15). De profeet keert zich eerst tot Edom, maar dan verkondigt hij, dat die grote Dag over alle volken komt, het is de Dag van het uiteindelijk wereldgericht.

Zoals de baldadige Edomieten drinkgelagen hebben aangericht op de heilige tempelberg (vgl. Joël 3:3), zo zullen alle vijandige volken, van wie Edom de vertegenwoordiger was, de beker van Gods toorn moeten drinken tot hun ondergang (vgl. Jer. 25:15-19; Klaagl. 4:21 w): zij zullen worden, als hadden zij nooit bestaan (vs 16).

Nu komt (vs 17) het grote keerpunt in de profetie van Obadja (vgl. Joël 2:32). Want laten de kinderen van God niet bang zijn voor die ‘Dag des HEREN’, maar zich er zeer over verblijden. Immers: op de berg Sion zal er ontkoming zijn] Het is moeilijk een concrete gebeurtenis aan te wijzen, waarbij deze profetie werd vervuld: Edom verwoest en op de berg Sion ontkoming! In het algemeen kan worden gezegd, dat zoals het herstelde Israel over Edom zal triomferen, zó ook de gemeente van het N.T. zal triomferen over allen, die haar vijandig gezind zijn geweest. Sion is de enige veilige wijkplaats temidden van het algemene gericht voor allen, die in waarheid burgers van Sion zijn. Voor allen, die hun toevlucht nemen tot het ‘heiligdom’! Nieuwtestamentisch: het verzoenend bloed van Jezus Christus. Zo mag deze ‘dienaar des HEREN’ in dit kleine boekje heenwijzen naar de Heiland als dè Knecht des HEREN] Als geprofeteerd wordt, dat het huis van Jakob zijn bezittingen weer in bezit zal nemen (vs 17), valt te denken aan de terugkeer uit de babylonische ballingschap, zie ook vs 19.

Vs 18 noemt naast elkaar: het huis van Jakob en het huis van Jozef. Onder het huis van Jakob dienen we Juda te verstaan en onder het huis van Jozef het overblijfsel van de tien stammen, vgl. Joz. 18:5; Ps. 78:67, 68; Hosea 1: 11; Amos 5:15. Ze zullen een vuur en een vlam zijn, waardoor Esau als kaf zal worden verbrand. Ook hier is de vervulling moeilijk aanwijsbaar. In de tijd van het N.T. bestond Edom nog wel, maar Jozef niet meer! Dan zal het Zuiderland, di. de bevolking van het zuiden van Kanaän, nog nader: het gebied ten zuiden van Hebron, het gebergte van Esau in bezit nemen (vs 19) en de bewoners van de Laagte, di. het heuvelland gelegen tussen het gebergte van Juda en de vlakte van Filistea, de zgn. Sje-fela, zullen het land der Filistijnen in bezit nemen. Voorts zal het Bergland (zo voegen we met enkele vertalingen erbij) het voormalig gebied der tien stammen (E-fraïm en Samaria) in bezit nemen en Benjamin zal Gilead in Noord-Israel veroveren.

De ballingen van Noord-Israel zullen bij hun terugkeer het gebied, dat aan de Kanaänieten behoort in bezit nemen tot Sarefat (een plaats ten n. van Tyrus, zie 1 Kon. 17:9). De noordgrens komt dus te liggen in Phoeniciè! Het gaat hier over een gebiedsuitbreiding in Noord-Israel door Juda en Benjamin (de tien stammen zijn immers weggevoerd?).

De ballingen van Jeruzalem, dat zijn de Judeeërs, die in Sef arad verblijven, zullen de steden van het Zuiden in bezit nemen. Het is niet zeker waar Sefarad lag. Misschien was het het babylonischeSipar (Sefarwaïm, 2 Kon. 17:24; 18:34; vgl. Jer. 39:9). Naar de belofte aan Jakob gegeven (Gen. 28:14) zal Israel zich uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden!

Verlossers (SV ‘heilanden’) zullen de berg Sion bestijgen (vs 21). Te denken valt aan door God gezonden aanvoerders, zoals vroeger de richters (Ri. 2:16; vgl. Neh. 9:27), die typen zijn van de grote Verlosser en Redder: Jezus Christus. Zij zullen over het gebergte van Esau gericht oefenen, waarbij Esau moet worden beschouwd als vertegenwoordiger van alle Gode-vijandige volken.

Tenslotte breekt de eindjubel door, waarop dit hele geschrift moest uitlopen: en het koningschap zal zijn aan de HERE. Het is de gouden rand om de donkere wolk van het gericht. Het is wat de apostel Paulus later in 1 Kor. 15:25 zal uitroepen: Want Hij moet als koning heersen. Het Rijk van Christus zal overwinnen, waarin ‘God zal zijn alles in allen’ (1 Kor. 15:28; vgl. Ps. 22).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken