Om herstel van het Godsvolk
Bij Handelingen 1,12-26
Handelingen 1,12-26 staat in het teken van het herstel van de twaalf, die sinds het verraad van Judas immers onvolledig waren, zoals de opsomming in vers 13 aangeeft. De onmiddellijke chronologische context is de tijd tussen Hemelvaart (Hand. 1,1-12; ‘daarna’ waarmee vs. 12 begint wijst hiernaar terug) en de uitstorting van de Geest (Hand. 2). De plaats van handeling is Jeruzalem, wat ondanks de historiografische insteek van Lucas-Handelingen (zie Luc. 1,1-4 en Hand. 1,1) van meer dan historisch belang lijkt, gezien wat volgt in deze perikoop en in Handelingen 2.
Jeruzalem is een plaats die nauw geassocieerd is met het herstel van het (Gods)volk Israël. Dat wordt in Handelingen 1,1226 symbolisch voorbereid door het herstel van het twaalftal. De opsomming van de elf (1,13) biedt dus meer dan dan een inventarisatie en heeft een narratieve functie. De tweedeling van de groep die in de bovenzaal bidt, namelijk de elf aan de ene kant en de vrouwen, de moeder van Jezus en zijn verwanten (adelphoi kan een bredere betekenis hebben dan ‘broers en zussen’) aan de andere, kan erop wijzen dat aan de twee delen van de groep verschillende betekenissen moet worden toegekend.
Criteria en opdracht voor Judas’ opvolger
Afgezien van het volharden in het gebed in vers 14, wat met een participium als achtergrondinformatie beschreven wordt, is de eerste actie in deze perikoop het opstaan van Petrus – een typische houding voor een redenaar – en zijn rede in de verzen 16-22. Daarin zet hij uiteen waarom het noodzakelijk was (edei in 1,16 duidt zelfs op een goddelijke noodzaak) dat wat de heilige Geest door David wat betreft Judas gezegd heeft, in vervulling zou gaan. Hij citeert daarbij de psalmteksten 69,26 en 109,8 (1,20), die betrekking hebben op Judas’ dood en de consequentie daarvan voor de overgebleven elf: ze dienen een opvolger te kiezen. Het criterium voor de kandidaten voor dit ‘ambt’ (episkopè – 1,20) is eenvoudig: het dient iemand te zijn die het gehele leven van Jezus van doop tot hemelvaart heeft meegemaakt en wel als tochtgenoot van de andere elf. De opdracht is eveneens duidelijk: deze persoon dient te getuigen van Jezus’ opstanding (1,22).
Dit criterium en deze opdracht vervullen een dubbele functie. Ze leggen aan de ene kant de link tussen Lucas en Handelingen, die als twee delen van één werk bij elkaar horen en zo ingedeeld zijn: het leven van Jezus tot en met Zijn hemelvaart in deel één en, na een herhaling van de hemelvaart, het getuigenis aangaande Jezus in deel twee (zie de inleiding, 1,1-2). Aan de andere kant vormt het criterium ook een garantie voor de eenheid van leven, dood en verrijzenis van Jezus, door het ononderbroken getuigenis van degenen die de gehele tijd bij Hem waren, terwijl de formulering van de opdracht voor het nieuw te kiezen lid tevens de opdracht van Jezus aan zijn discipelen recapituleert: getuigen te zijn van Hem in Jeruzalem, Judea en Samaria, tot aan het einde van de wereld (1,8). Op deze manier beginnen de leerlingen bij monde van Petrus er al gelijk mee, ervoor te zorgen dat deze opdracht ook inderdaad kan worden vervuld.
Door ‘Godsoordeel’ aangewezen
De verkiezing gaat door een eerste selectie en vervolgens door een ‘Godsoordeel’, een door gebed ingeleid loten, waarbij God geacht wordt de juiste keuze te maken. De reden hiervoor geeft de tekst van het gebed (1,24-25): God kent de harten van de mensen, een topos in de joods-christelijke traditie. Zie bijvoorbeeld de opmerking hierover bij de selectie van David voor het koningschap (1 Sam. 16,7). Deze manier van kiezen heeft dus oudtestamentische wortels en wordt tot op de dag van vandaag nog gebruikt. Bijvoorbeeld bij de verkiezing van een patriarch in de Servisch-Orthodoxe Kerk, ook al had de procedure hier destijds ook de functie de socialistische regering buiten de deur te houden. Van de twee kandidaten krijgt Mattias de (goddelijke) voorkeur; hij speelt in het vervolg van Handelingen echter geen rol meer.
De terminologie die gebruikt wordt om de taak van Mattias en de rest van de twaalf aan te duiden, is vatbaar voor anachronistische misverstanden, zowel wanneer Handelingen als een historisch verslag van de gebeurtenissen vlak na Jezus’ hemelvaart wordt gelezen – het boek geeft waarschijnlijk ook verhoudingen van later tijd weer – , alsook wanneer de begrippen ‘diaconie’ en ‘apostolaat’ in hun huidige betekenis worden opgevat. Wat ‘dienst’ en ‘apostolaat’ in Handelingen betekenen, wordt niet in eerste instantie duidelijk uit hun etymologie, maar vooral uit de rest van het boek.
Een nieuwe fase
Ten slotte moet nog worden benadrukt, waarom het op dit moment zo belangrijk is dat de twaalf weer hersteld worden. Dit heeft alles te maken met het herstel van het Godsvolk, waarvan de twaalf de – symbolische, maar niet minder echte – kern vormen. Toen Jezus de twaalf koos, drukte Hij daarmee uit, dat de vernieuwing en het herstel van het Godsvolk begonnen waren. De dood, verrijzenis en hemelvaart van Jezus stoppen dit werk niet, maar vormen de overgang naar een nieuwe fase, die gekenmerkt is door Jezus’ verhoogde status en het harde werk van de leerlingen, de twaalf voorop.
De uitstorting van de heilige Geest in Handelingen 2 staat in de context van dit herstel van het Godsvolk, maar anders dan de leerlingen denken. Het gaat niet om het herstel van Israël als een politieke macht (zie de korte dialoog in Hand. 1,6-7, vgl. ook 1,3), maar om het koningschap van God, dat door de Geest tot nieuw leven wordt gewekt. Petrus, zoals de auteur van Handelingen hem beschrijft, lijkt zich van deze dynamiek bewust en herstelt de twaalf als de kern van het herstelde Godsvolk, die tot eerste taak hebben, te getuigen van Jezus’ verrijzenis. De tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren, waarin deze lezing valt, is zo een tijd van voorbereiding en tevens een tijd vol spanning, want de verkiezing van Mattias wijst vooruit naar wat komen gaat, voor wie oren heeft voor de symboliek die zij inhoudt.