Om jezelf te kunnen worden, moet je op reis gaan
Korte Metten
Ik luister graag naar de radio, maar moet me nogal eens door reclames heen worstelen om bij mijn favoriete programma uit te komen. Bijvoorbeeld een advertentie voor een reisorganisatie – ik noem geen naam. Op hun site lees ik dat ze klanten proberen te lokken met beloftes als ‘hoogtepunten’, ‘zorgeloos’ en ‘comfortabel’. Daar gaat een bepaalde opvatting achter schuil over wat reizen de moeite waard maakt: dat je zonder last of ongemak een reeks bijzondere ervaringen opdoet. Maar is dat de waarde van reizen?
In de Bijbel kom ik een andere opvatting van reizen tegen. Ik denk aan het verhaal waarin God Abram oproept om op pad te gaan: De Eeuwige zei tegen Abram: ‘Ga weg uit je land, je geboorteplaats en het huis van je vader, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen’ (Genesis 12,1). Dat is nogal wat, wat God hier van Abram vraagt. Niet alleen het land verlaten waar hij geboren en getogen is, waar hij het klimaat en het eten kent, de geluiden en de geuren. Maar ook zijn familie: mensen die hem vertrouwd zijn en hem wegwijs hebben gemaakt in het leven. En dat niet tijdelijk, om na de reis weer geïnspireerd huiswaarts te keren, maar voorgoed.
Abram gáát. Hij is dan 75 jaar. Zijn vrouw Sarai en zijn neef Lot trekken met hem mee.
De eerste woorden van dit vers klinken in het Hebreeuws bijna poëtisch: lech lecha. Letterlijk vertaald is het zoiets als: Ga (lech), jij (lecha). Maar wat betekent dat: ‘Ga, jij’? In zijn commentaar op Genesis onderscheidt de Britse rabbijn Jonathan Sacks vier dimensies aan deze twee woordjes.
De eerste: ‘Ga voor jezelf op reis.’ Dat wil zeggen: ‘Ga voor je eigen bestwil.’ Afscheid nemen van alles wat je dierbaar is, is in deze visie geen offer, maar een opening naar iets nieuws. In de woorden van de rabbijn: ‘Soms moeten we ons verleden opgeven om toekomst te verwerven.’ Om die sprong naar het onbekende te durven maken, is vertrouwen nodig. Vertrouwen in de stem die je binnen in je hoort en die je zegt dat het tijd is – om te gaan.
De tweede dimensie is: ‘Ga met jezelf.’ Bedoeld is: door weg te trekken en de wereld in te gaan, kun je anderen deelgenoot maken van jouw opvattingen, van jouw manier van leven, laten zien waar jij aan hecht. De twee woordjes lech lecha kunnen óók nog betekenen: ‘Ga naar jezelf’. De reis is een reis ‘naar het diepst van de ziel’. Abram werd gevraagd alles achter zich te laten wat hem tot iemand anders maakte. De lange, eenzame reis zou hem helpen te ontdekken wie hij werkelijk is. Dit is de derde dimensie.
En, ten slotte, de vierde: ‘Ga alleen.’ Verlaat je ‘natuurlijke bronnen van identiteit’ – je thuis, je verwanten, je cultuur – en durf de reis met onbekende bestemming aan. Want alleen zo kun je een werkelijk vrij mens worden.
Als ik de visie van Sacks op me laat inwerken, strijden twee gevoelens bij mij om de voorrang. Het ene is: ik schrik terug voor de radicaliteit van zijn oproep. Het tweede is: het klopt wat hij zegt. Om jezelf te kunnen worden, moet je je thuis verlaten en op reis gaan. Bij voorkeur niet met een reisorganisatie die je de hemel op aarde belooft. Nee, Sacks heeft het over een innerlijke reis, die niet per se comfortabel of zorgeloos is. Maar je wel een rijker mens maakt, omdat je zo je uniciteit op het spoor kan komen. Goedkoop is het ook. Je hoeft er geen trip voor te boeken. Het kan gewoon thuis, op de bank. Kopje thee erbij. Een Bijbel. En het commentaar op Genesis van Jonathan Sacks.
Annemarieke van der Woude is theoloog, remonstrants predikant in Oosterbeek en practicumdocent Geestelijke Verzorging aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze promoveerde op oudtestamentisch onderzoek en werkte tien jaar als geestelijk verzorger. Als redactiesecretaris van Speling en publicist schrijft ze geregeld over zingeving en het levenseinde.