Ons begrip te boven
Dankdag (Spreuken 6, Psalm 67 en Marcus 4,26-34)
Op Dankdag horen van Gods Koninkrijk. De lezing uit Marcus begint ermee. Jezus zegt: ‘Het is met het Koninkrijk van God als met een mens die…’ Dat is toch prachtig! Daar heb je het allemaal voor gedaan: het zaaien, het ploegen en zwoegen, het wachten, het oogsten, het genieten van de opbrengst, het werk van hoofd en handen. Voor het Koninkrijk van God! Of was het voor je portemonnee? En is de aarde behoed en bewaard? En de dieren? Was al het werk van onze handen tot Gods eer?
Vragen die als vanzelf opkomen, elk jaar weer, wanneer we op deze dag samenkomen om te danken. Het evangelie helpt ons om ons leven te zien in het licht van het Koninkrijk van God: ons leven, inclusief het zweet des aanschijns, de burn-outs en de stresswerkomgeving.
Helpt ook de wijsheid van het zesde Spreukenhoofdstuk ons hierbij? Daar kun je vragen bij hebben. Op zichzelf is het een mooie verzameling wijsheden, maar ‘Woord van God’? Of is dit de dwaasheid van de Eeuwige? Slechts één keer staat in dit hoofdstuk de naam van de Heer met kapitalen geschreven. Er wordt iets over Hem gezegd. Maar of Hij zelf aan het woord komt?
Van vader op zoon
Uiteraard is de omgeving waaruit deze Spreuken voortkomen een agrarische. Ze zullen weliswaar genoteerd zijn door een schriftgeleerde, iemand die kan lezen en schrijven, maar de context kan toch wel getypeerd worden als een veeteelt- en landbouwsituatie. Mooi dat een onderhandelingsgebruik uit die tijd (6,1-5) nog bij ons bekend is: de handklap op veemarkten, als dieren worden verkocht en aangekocht. Maar toentertijd betrof het ook mensen waar je borg voor staat. Daarbij is het opvallend dat deze afgesproken en beklonken overeenkomst hier beschreven wordt als een gevangenis. Moet je je dan niet aan je woord houden, dat met een gebaar onderstreept is? Wat is dit voor wijsheid?
In 6,16-19 worden aan de hand van de lichaamsdelen de zes, zeven dingen beschreven die God haat. Ze zijn een omkering, of een negatief, van de zeven deugden van God. Daarbij doen de getallen zes en zeven denken aan de zes scheppingsdagen en de volheid van de zevende dag waarop in vrede en vreugde gerust en genoten dient te worden. De zes, zeven gruwelen zijn voor ons evenzovele spiegels om in te kijken. Hoe hebben we het ’t afgelopen seizoen gedaan, als we kijken naar hoe we onze ondernemingen hebben vormgegeven met onze ogen, tong, handen enzovoort? Is er in dit licht gezien reden om te danken?
Vanaf vers 20 begint een verzameling ouderlijke leerregels, die het overwegen waard zijn. ‘Bind ze op je hart, wind ze om je hals.’ Het lijkt sterk op de Hoogliedpoëzie: ‘Draag me, leg me als een zegel aan uw hart’ (Hoogl. 8,6). Ook de moeder wordt hier als doorgeefster van een wijs en verstandig leven getypeerd: je ouders zijn jouw eerste leermeesters die jou de weg vande HEER kunnen wijzen. Met overspel wordt in deze context vooral bedoeld het navolgen van de dwaasheid, het onverstand in allerlei vormen. Ook hier zien we dat bijbelse wijsheid niet door filosofische, maar praktische gronden wordt gekenmerkt. De concrete nood wordt benoemd: ‘Een dief die steelt omdat hij honger heeft’ – dat is toegestaan, zei bisschop Muskens deze wijsheidsleraar na. En als je het kunt, betaal je op een goed moment het verschuldigde terug.
Van Biddag tot Dankdag
De aanhef van Psalm 67 (vs. 1-3) is een roep om zegen, die wij met Biddag associëren. Het slot (vs. 7-8) is een dankzegging, passend bij Dankdag, een vaststelling dat God gedaan heeft waar we om gebeden hebben: ‘De aarde, de grond heeft haar oogst gegeven… God zegent ons.’ Tussen gebed en dankzegging in (vs. 4-6) staat de hoop dat alle volken dit beseffen en dat zij mee gaan bidden, danken en juichen. Toch zal de dank het gebed niet overstemmen. Dat de aarde als een vrijwillige gave haar vruchten geeft, wat haar kwaliteit en roeping is, waartoe ze ook zonder de mens in staat is aangezien ze zelfvoorzienend is: dat alles heeft als doel dat de mens ‘op aarde uw weg leert kennen, heel de wereld uw reddende kracht’ (Ps. 67,3).
De priesterlijke zegen van Aäron, waarmee de psalm begint, is universeel: van ‘ons’ tot ‘heel de wereld’, tot aan ‘de einden der aarde’ (67,8c).
Ook Jezus geeft in de eerste van de twee gelijkenissen aan dat de aarde uit zichzelf vrucht voortbrengt (Marc. 4,28), alsof Hij Psalm 67 citeert. En de mens? De mens slaapt. Een slaap ten dode? Nee, hij staat weer op, dag in dag uit – de mens is een gewoontedier. Maar weet die mens intussen wat er gebeurt in de aarde? Nee, ‘hij weet niet hoe’ (4,27). Jezus weet er wel veel van. Hij is een agrariër. Hij kent de diepgang van het zaad, de verschillende bestaanswijzen – ‘halm, aar, rijp graan in de aar’ – en waar het op uitloopt. Op nieuw leven. Juist door die diepgang en ondergang.
Adressanten
In Marcus 4 is het een heen en weer van adressanten tot wie Jezus zijn verzameling gelijkenissen spreekt. Nu eens de mensen en de menigte (4,1), dan weer zijn volgelingen en de twaalf (4,10), dan weer de menigte (4,21). Van die laatsten staat geschreven dat Jezus hun ‘met zulke en andere gelijkenissen het goede nieuws bekendmaakte, voor zover ze het konden begrijpen’. Zijn leerlingen daarentegen krijgen alles uitgelegd, verklaard (4,34). Die worden geacht de diepste gronden van het Koninkrijk van God (en van de aarde) te kennen. Immers, aan hen is ‘het geheim van het Koninkrijk van God onthuld’ (4,11).
Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.