Menu

None

Ontregelende (s)preekregels

Onlangs kwam ik een prachtig homiletisch werkje op het spoor van dr. James W. Alexander (1804-1859), getiteld Thoughts on Preaching (postuum gepubliceerd in 1864 en opnieuw uitgegeven in 1975). Uit zijn korte levensbeschrijving blijkt dat Alexander literair onderlegd en retorisch geschoold was en bijzondere homiletische kwaliteiten bezat. Hoewel hij enkele jaren als professor verbonden aan Princeton Seminary (Charles Hodge: ‘no minister of our Church was a more accomplished scholar), verkoos hij de kansel boven de katheder. Het deed me denken aan wat Gerrit de Kruijf in de laatste jaren van zijn leven steeds krachtiger benadrukte: het eigenlijke gebeurt onder de kansel, daarom moet er vooral gepreekt worden.

Alexander schreef zijn boek om predikers van toen uit te dagen tot een betere preekstijl en hen de nodige waardevolle adviezen aan te reiken. Al kon ik een glimlach niet onderdrukken als hij in een schets over predikers uit vroeger tijden de klacht uit: de grote predikers van weleer zijn er niet meer. ‘The number of distinguished preachers in the past is so great that we should not dare to attempt enumeration (..) The succeeding generations certainly manifest a decline in regard to the annals of the dissenting pulpit.’ De malaise lijkt altijd dezelfde!

Mij vielen een aantal waardevolle adviezen op met betrekking tot de presentatie van de preek. Ook tijdens de cursussen van Areopagus besteden we daar aandacht aan. Niet omdat we geloven dat de zaak van de prediking gered is met een paar communicatieve foefjes. Maar wel omdat we ervan overtuigd zijn dat ‘gouden appels’ gepresenteerd moeten worden op ‘zilveren schalen’. Juist de boodschap aller boodschappen verdraagt geen slordigheid. Hartstocht voor de zaak van het evangelie dwingt en dringt tot een uiterste inspanning om het Woord van de Levende zo goed mogelijk te vertolken en over te dragen. Ergernis aan het evangelie is onontkoombaar, maar mag niet vertroebeld worden door ergernis aan een slordige presentatie. En als je bedenkt dat door slechte communicatie maar liefst 80 procent van de boodschap verloren kan gaan, is gerichte aandacht daarvoor beslist geen overbodige luxe.

Alexander reikte destijds echter een aantal ontregelende gedachten aan, om overspanning en scheefgroei op dit punt te voorkomen. Hier komen ze (met dank voor de accurate vertaling van het 19e-eeuwse Engels door Eveline de Boer-van Vliet):

  • Van iedereen kan gezegd worden dat hij een bepaalde mate van levendigheid heeft. Wanneer hij die grens overschrijdt, komt hij geforceerd en aanstellerig over. Dus als je een jonge man aanspoort tot meer levendigheid, misleid je hem misschien wel, tenzij je hem ervan wilt doordringen om innerlijke emotie te cultiveren. Daarom is het beter om de natuur zijn gang te laten gaan, ook al komt de preek wat tam over, in plaats van een maniertje aan te leren dat alleen retorisch en kunstmatig warm is, maar wat intussen leidt tot hypocrisie.

  • Een reeks argumenten aanhalen met de onechte toon van passie is de hemeltergende zonde van tweederangs redenaars. Ware redenaars zijn écht welbespraakt, vanuit een innerlijke passie.

  • Geen enkele goede prediker is dat ooit geworden door te oefenen in de retorica.

  • Welsprekendheid als geestelijke vaardigheid kan worden overschat. Slechts één op de miljoen kan welsprekend zijn. Het is dus zonneklaar dat Christus niet bedoeld kan hebben dat een werk dat zó universeel is, van zo’n schaars middel afhankelijk zou moeten zijn. Een aantal van de grootste effecten zijn bereikt door mannen die niet begenadigd waren met uiterlijke stijl en welsprekendheid.

  • Er is een bepaald soort zeggingskracht en voordracht die eigen is aan iemands persoon; hij bereikt het meest als hij juist dáár gebruik van maakt. Alle geforceerdheid, alle maniertjes en alle imitatie daarentegen lijken dit tegen te werken.

  • ‘Het woord’ waar de apostel Paulus naar verlangde (Ef. 6:19), is iets heel anders dan wereldlijke welsprekendheid, omdat het een geestelijke gave is.

  • De aantrekkingskracht van een moderne preekstijl valt niet samen met de geestelijke kwaliteit van de preek. Zulke prediking kan een ongezonde sfeer in de gemeente en een zieke geest bij het gehoor creëren.

  • Als er weer een apostolische prediking kwam, zou die krachtig werken in de gemeente en bij grote menigten; maar die zou waarschijnlijk niet voldoen aan de eisen van opleidingen of het toneel; die zou echter wel ongekunsteld, verklarend, eenvoudig, vaderlijk, bondig, natuurlijk, gevarieerd, bevlogen en bovenal geestelijk zijn.

  • Ooit hechtten kerken, veel meer dan wij tegenwoordig, belang aan de waarheden die werden gebracht en veel minder aan het gewaad van die waarheden. De leer trok de gemeente aan, niet de spreektrant.

  • Laat elke prediker de hoop opgeven om een preek te houden met oprechte, natuurlijke en effectieve warmte als hij die heeft voorbereid met gemakzuchtige kilte.

  • Geen enkel retorisch trucje kan een koud gedeelte werkelijk warm maken. Als er, om welke reden dan ook, een onbezielde preek wordt uitgesproken, moet die niet met meer emotie worden gebracht dan de inhoud ervan in de ziel van de prediker losmaakt. Alles wat dat te boven gaat, is voorgewend; en dat is de bron van alle valse passie, een vastgeroeste gewoonte van veel sprekers.

  • Er kan geen sprake zijn van grote welsprekendheid als er geen innerlijk gevoel in meekomt, dat op een natuurlijke manier tot uiting wordt gebracht. Wie met stemverheffing en veel emotie een betoog houdt over een ‘gewoon’ onderwerp, overtuigt juist elke criticus ervan dat hij toneel speelt.

  • Alle verworven vaardigheden, aantrekkelijke kenmerken, charmes, overtuigingskracht en invloed die een prediker heeft zijn legitiem en waardevol zolang zij ondergeschikt zijn aan het doel. Los hiervan dragen ze nergens toe bij, maar belemmeren juist het verkondigde waarheid en slaan deze min of meer de bodem in.

  • Ten slotte: het grote doel van preken is het verheerlijken van God en tot zegen zijn voor mensen, door zondaren te brengen tot de ‘gehoorzaamheid van het geloof’ in Christus en tot heiliging, kennis, liefde en aanbidding van God; zodat zij zich aan Hem toewijden in gedachten, verlangen, woorden en daden; en ze gevoed worden in een warme en vreugdevolle gemeenschap hebben met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; en dat zij liefdevol, vriendelijk, zachtmoedig, geduldig, eerlijk en trouw zijn jegens hun naaste. Kort gezegd: het grote doel van preken is om mensen te laten groeien in godsvrucht.

Laten we er ons voordeel mee doen!

Wellicht ook interessant

Basis

Ziek kinderachtige volwassenen!

Ze zijn altijd online, vragen AI om advies over hun mentale gezondheid en lopen regelmatig protesterend door de straten: Generatie Z of Gen Z. Het gaat om jongeren die tussen 1996 en 2012 zijn geboren, in een wereld getekend door crises. Hoe gaan ze hiermee om? Met welke ideeën en vragen lopen ze rond? Yanniek van der Schans, docent levensbeschouwing, houdt een vinger aan de pols en schrijft om de maand een column over de discussies in haar klas. Dit keer over de vraag of er oorlog komt.

None

Uitnodiging boekpresentatie biografie Berkhof

Hendrikus Berkhof is een van de meest invloedrijke Nederlandse theologen van de twintigste eeuw. Karel Blei schreef het fascinerende levensverhaal van deze communicatieve theoloog, die er naar zocht om het evangelie slagvaardig te maken in de naoorlogse samenleving. Blei schetst Berkhof als een creatieve gangmaker, die de kerk een weg probeerde te wijzen tussen star traditionalisme en stuurloos modernisme door. Zo maakte hij op overtuigende wijze geschiedenis in de oecumene.

Nieuwe boeken