Menu

Basis

Slapen in een dixie

Over dakloosheid in Nederland

(Bron: iStock)

Wie zich in het systeem verdiept, ontdekt dat het systeem killing is. Letterlijk. Iedere maand sterft er een jonge dakloos geraakte EU-migrant op de straten van Nederland. Maartje Amelink verdiept zich in de straat om te ontdekken wat ‘moed’ betekent in het licht van moedeloosheid. Wat doe je wanneer de problemen veel te groot zijn om zelfstandig op te lossen? Doet je handelen er überhaupt wel toe, en zo niet, wat dan?

‘Wat doen we met onze waardevolle spullen?’ vraagt iemand.
‘Tsja, je moet de kat niet op het spek binden, hè’, zegt een man.
De coördinator van het daklozendiner draait het slot van een achterafkamertje open. Daar kunnen we onze portemonnees, telefoons en huissleutels bewaren. Er is onderling nog wat argwaan, gaat de deur wel echt op slot? Wie houdt de sleutel bij zich?

Kort voor dit gesprek loop ik een steegje in de Utrechtse binnenstad in. Achter een kerk, doodlopend. Daar moet ik zijn. Je zou er nooit komen als je er niets te zoeken had. Door die verlaten aanblik voel ik opeens zenuwen. Wat ga ik eigenlijk doen bij dat daklozendiner? Waarom zoek ik dit op? ‘Wat goed’, zei mijn buurvrouw toen ik vertelde over mijn altruïstische avondplan. Maar nu, aarzelend in dat steegje, kleven de privileges aan me als bijenhoning. Ik ben een geregistreerde burger met een huis, inkomen en sociaal netwerk. Wat denk ik nou, liefdadigheidje spelen? Wat weet ik van de straat?

Eenmaal binnen dubben we over waardevolle spullen. Het is een gek tafereel. Dit groepje mensen heeft zich vrijwillig opgegeven om mee te helpen met het diner: tafels dekken, drinken inschenken, praatjes maken met ‘onze vrienden van de straat’, zoals de coördinator de dak- en thuislozen steevast noemt. Er komt iemand zingen met een pianist. Een mooi initiatief. We willen bijdragen. Maar we zijn ook alert.

Komt een land bij de dokter

‘Ik voel me hopeloos’, zegt Daphne. Ze loopt als coassistent voor het eerst mee met straatarts Michelle van Tongerloo in de winteropvang van Rotterdam. Ze vindt het er ‘dystopisch’. Van Tongerloo snapt dat wel, maar trekt haar coassistent mee de realiteit in. ‘Het beste medicijn tegen onmacht is iets doen.’ En samen gaan ze eropaf: patiënten met snij- en steekwonden, gezwollen voeten, rotte tanden, kneuzingen, koorts en infecties.

In Komt een land bij de dokter schrijft Van Tongerloo over haar werk als straatarts. Een kafkaësk systeem doemt op. Iemand zonder papieren maar met een longembolie moet naar het ziekenhuis. Maar het ziekenhuis behandelt liever geen ongedocumenteerden, want hoe moeten ze de patiënt registreren in het systeem en, belangrijker, wie betaalt er voor de zorg? Intussen zit Van Tongerloo tegenover een mens die acute hulp nodig heeft. Ze vertelt het ziekenhuis dat zorgverlening een universeel mensenrecht is en dat er betalingsregelingen zijn voor ongedocumenteerden, maar ze krijgt de patiënt alsnog niet doorverwezen. ‘Dit is geen uitzondering’, schrijft ze. ‘Ongedocumenteerde patiënten met mogelijk kanker, een bloedvergiftiging en orgaanfalen: het ziekenhuis wil ze niet hebben’.

Alles wat Van Tongerloo vertelt, komt regelrecht uit de praktijk. De concrete situaties buitelen over elkaar heen. Ze schrijft down-to-earth, goed geïnformeerd en doorvoeld. Eigenlijk ben je als lezer continu onder de indruk: hoe houdt ze dit vol? En dat is ook geen eitje, ze schrijft dat ze regelmatig in huilen uitbarst, nachtenlang wakker ligt en zelfs een periode naar Sint-Eustatius emigreert omdat ze de Nederlandse context niet meer aankan. Op dat kleine eiland werkt ze ook als arts en leert wat ‘professionele nabijheid’ is. Je bent daar ‘altijd een beetje’ aan het werk, geeft je privénummer aan patiënten en rekent af met ‘zo hoort het volgens het protocol’ of ‘zo heb ik het nu eenmaal geleerd’. De kunst op het eiland is, zo schrijft Van Tongerloo: ‘gewoon mezelf zijn’.

Dat besef weerklinkt in haar hele boek en in haar mediaoptredens. Ze doorziet de wirwar aan systemen haarscherp maar verliest zichzelf er niet in. Eigenlijk laat ze de onontwarbare knoop van recht, bestuur en zorg voor wat die is: niet te ontwarren. Ze start iets nieuws, vanuit zichzelf, samen met een team van straatartsen, haar patiënten en andere inwoners van de stad, en via haar stichting Lekker geven. Het is een eigen zorgnetwerk, volledig autonoom. In Buitenhof zegt ze: ‘De verandering komt niet vanuit de politiek, de verandering komt vanuit ons, de burgers.’

De verandering komt vanuit ons, de burgers.

Aardbei, framboos, appel

Ik praat tijdens het daklozendiner met een Poolse jongen in gebrekkig Engels. We zitten aan een ovale tafel met een glas sinas, het avondeten moet nog komen. ‘Do you speak Dutch?’ vraag ik. ‘Yes, I know aardbei, framboos, appel’. Hij heeft een tijdje in de fruitteelt gewerkt, vertelt hij, maar is zijn baan verloren. Ik vraag waarom. Iets met te vaak naar de wc gegaan, maak ik op uit zijn verhaal. Nu heeft hij geen inkomen meer en geen huisvesting. Ik vraag of hij nog familie heeft in Polen. Ja, hij heeft familie, maar gaat er verder niet op in. We drinken zwijgend onze frisdrank. Ik vraag me af wat er echt is gebeurd op zijn werk.

Maar hoe meer ik lees over daklozen, hoe pijnlijker duidelijk wordt dat de ervaring van deze jongen exemplarisch is. ‘Van alle mensen die op straat slapen is ruim de helft arbeidsmigrant’, lees ik in een onderzoeksartikel van Investico en De Groene Amsterdammer. En in een column voor Trouw schrijft politicoloog Atef Hamdy hoe arbeidsuitbuiting de blinde vlek is van Nederland: ‘Uitbuiting is geen bijproduct van economische groei, maar een verdienmodel dat al decennialang rendeert.’

En niet sinds kort, maar in de jaren negentig ging het al zo. Het is structureel beleid en ‘een stille motor van delen van de Nederlandse economie’. Arbeidsmigranten werken in de ‘vleesindustrie, in de tuinbouw, in de bouw of in distributiecentra’, schrijft ook Van Tongerloo. Ze licht toe hoe deze mensen uit eigen beweging komen of via uitzendbureaus naar Nederland worden gehaald en hoe ze flexibele contracten krijgen, tijdelijke huisvesting en soms minder dan het minimumloon. Dit is rendabel voor bedrijven, maar een stuk minder florissant voor de werknemers. Jaarlijks worden ‘duizenden arbeidsmigranten onterecht op staande voet ontslagen’, schrijft Van Tongerloo. Ze verliezen daarmee hun inkomen en verblijfplaats. Deze groep belandt vaak op straat.

De journalisten van Investico/De Groene concluderen dat Nederland ‘een land van winnaars en verliezers aan het worden’ is. Zelfredzaamheid is het nieuwe toverwoord en het begrip voor mensen die door het sociale vangnet vallen ‘raakt op’.

Ze verliezen daarmee hun inkomen en verblijfplaats.

Slapen in een dixie

Bij het daklozendiner blijk ik de sinasinschenker van de avond te zijn. We zijn met veel vrijwilligers, een stuk of tien, voor een groep van ongeveer twintig dak- en thuislozen, schat ik. Ik kom er al snel achter dat een dakloze niet lekker gaat zitten tafelen. Het is onrustiger dan dat, in- en uitlopen, heen en weer drentelen. Sommigen komen alleen wat drinken, anderen eten alleen de hoofdmaaltijd. Voor het toetje doen we ons best om mensen binnen te houden: ‘We have tiramisu, it’s really nice’. Een Nederlandse man vertelt dat hij zich voor zes uur moet melden bij de opvang, anders heeft hij geen slaapplaats. Het is eten en kouvatten of honger en slapen.

Ik tel die avond één vrouw, ze komt uit Roemenië en is er met haar man.

Maar dat beeld is niet representatief, er zijn veel meer vrouwen dak- en thuisloos. Het onderzoek ‘Een einde aan dakloosheid’ van journalistiek platform Momus richt zich op vrouwen en kinderen zonder thuis. Vaak blijven zij onzichtbaar in de statistieken, omdat ze onveiliger zijn in de reguliere opvang en daarom in auto’s, tenten of stacaravans verblijven – of tussen familie, vrienden en kennissen blijven pendelen. Deze ‘onconventionele woonplekken’ duiken niet op in de cijfers van het CBS, maar wel in de cijfers van de Ethos-telling die een ruimere definitie van dakloosheid hanteert.

We moeten af van ‘het stereotype beeld van de oude onverzorgde man die op een parkbankje zit’, zegt onderzoeker Jeske Jongerius. ‘Het blijkt namelijk dat een derde van de dakloze mensen een vrouw is, een derde jonger dan achtentwintig jaar en een op de zeven zelfs minderjarig’. Ook het onderzoek van Investico/De Groene volgt de Ethos-telling, net als Van Tongerloo. Zij citeert in haar boek Ethos-kernteamlid Willem van Sermondt:

‘De meeste dakloze mensen verblijven bij vrienden of familie, op een camping, in een antikraakpand, een schuur of een auto. Niet alleen volwassenen, maar ook kinderen leven in onwenselijke omstandigheden.’

Ik citeer het om het standaardbeeld nog maar eens extra te ontkrachten. Investico/De Groene vonden slaapplekken ‘in elektriciteitshuisjes’ en ‘dixies’ en ouders met kinderen in ‘portieken, achtertuinen of garages’. Deze realiteit raakt direct aan de woningcrisis. Er zijn te weinig huizen en te hoge prijzen. Voor steeds meer mensen ligt dakloosheid op de loer, bijvoorbeeld na een scheiding. Dat vrouwen hierbij het onderspit delven, hangt samen met het feit dat zij financieel vaak slechter uit een scheiding komen, aldus Momus. Bijvoorbeeld door de zorg voor kinderen, lagere salarissen en huiselijk geweld. Dit blijft vervolgens onder de radar, omdat dakloosheid bij vrouwen er anders uitziet dan bij mannen: ze zoeken andere plekken op, hebben andere overlevingsstrategieën en lopen andere risico’s.

Er zijn te weinig huizen en te hoge prijzen.

Het lijden inzien

Je vraagt je af wat je kunt doen. Als individuutje tegen zoveel systemisch onrecht. Het is de grote paradox van onze tijd: welk verschil kan ik maken als problemen zo gigantisch zijn, terwijl we de problemen uiteindelijk creëren. Het zijn niet de schapen, de bergen of de wateren. Nee, het zijn de mensen die het doen. Er moet een sleutel zijn.

Milieuactiviste Joanna Macy leerde van Tibetanen wat ‘moed’ is. In de documentaire Widening Circles zegt ze erover:

Courage – I love. It’s facing what is there. It’s facing the suffering of the world, but with good heart.

Als we voorbij de ontkenning van het lijden gaan, zegt Macy, herstellen we de verbinding met het leven. In haar ‘Work That Reconnects’ wordt het ‘lijden’ daarom ‘geëerd’. Verdriet voelen over ecologische, humanitaire en persoonlijke catastrofes is een gezonde menselijke reactie. Ons verdriet getuigt namelijk van interdependence, de wederzijdse afhankelijkheid van alle levende wezens. Een vergelijkbare oproep doet paus Franciscus in de encycliek Laudato Si’ als hij, op de schouders van Franciscus van Assisi, toont hoe ‘onverbrekelijk de band is tussen zorg voor de natuur, gerechtigheid voor de armen, inzet voor de samenleving, en innerlijke vrede’. We kunnen die thema’s niet uit elkaar trekken, omdat ze diep in elkaar verankerd zijn. ‘De schreeuw van de aarde’ en ‘de schreeuw van de armen’, zoals de paus ze noemt, klinken samen. In algemeen christelijke zin horen we vaak dat we ‘ons kruis moeten dragen’. Dat is een verantwoordelijkheid: je kunt het kruis wel of niet oppakken (of moeizaam voortslepen). En het vergt moed om dat te doen.

Die interdependence is spiritueel maar ook reëel. Wie zich verdiept in het daklozenprobleem van Nederland stuit in no time op een scala aan thema’s: woningbeleid, (geestelijke) gezondheidszorg, gemeentelijk bestuur, het rechtssysteem, arbeidsmigratie, gender en seksualiteit, bedrijfseconomie, inkomenskloven, sociale segregatie, culturele verschillen – en de lijst is ongetwijfeld langer. We proberen categorisch te leven, alles efficiënt te structureren, maar de wereld is niet opgeruimd.

Doe gewoon maar iets

Maar wat heeft de dakloze op straat, in de auto of op het vakantiepark hieraan? Wie of wat help ik met mijn vergrote spirituele bewustzijn of mijn ja-knikken bij de integrale ecologie van de paus, anders dan mijn eigen gemoedsrust? En dat brengt ons terug bij de grote paradox: mijn handelen doet er niet zoveel toe. Of ik nu totale schijt heb aan dak- en thuislozen of tot in het diepst van mijn ziel met ze meevoel – het zal niet zoveel verschil maken. Het systeem is killing. Letterlijk trouwens, Van Tongerloo schrijft: ‘bijna iedere maand sterft een dakloos geraakte jonge EU-migrant in Nederland op straat’.

Maar ik wil waken voor apathie. De paradox is er, ja, maar daarna volgt altijd een streven, een richtpunt. De woorden van Michelle van Tongerloo blijven namelijk ook echoën: ‘Het beste medicijn tegen onmacht is iets doen’. En misschien zou ze wel een dikke eyeroll geven bij bovenstaand gemijmer, want: kom gewoon in actie, doe iets in je buurt, geef je geld, doneer je tijd, deel je aandacht. In dat licht stelt Joanna Macy:

You can’t tell the ways in which an action is effective, what the results are, you just don’t know. Just be glad that you can act.

Hoe vaak word je zelf niet geraakt, vervolgt ze, door wat een ander zegt zonder dat diegene zich daarvan bewust is? Ja, hoe vaak laat ik me niet leiden, denk ik, door iets wat ik heb gezien, gelezen of gehoord? Veel acties hebben een rimpeleffect. Daarvoor blijven openstaan, blijven meebewegen, je laten raken – daar moet toch iets in zitten. Een veranderkracht, een onderstroom.

Het daklozendiner komt tot een einde, we ruimen de boel op en het onvermijdelijke moment is daar: ik ga naar huis. Mijn waardevolle spullen liggen netjes in het achterafkamertje op me te wachten. Een ov-kaart met voldoende saldo, een boek om te lezen omdat mijn geest uitgerust en mijn maag gevuld genoeg is en de zilverkleurige huissleutel die precies op mijn voordeur past. De vrijwilligers zeggen elkaar gedag. We voelen ons die avond verbonden, vragen aan elkaar wie er de volgende keer ook weer bij is – samen hebben we in ieder geval iets gedaan.

Maartje Amelink is letterkundige en werkt als zelfstandig (eind)redacteur voor onder andere Theologie.nl en Francesco Magazine.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast. 

Word lid van Theologie.nl 

Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af vanaf €5,83 per maand. 

Wellicht ook interessant

None

Voetballen voor God en vaderland

Heilig gras, clubiconen, de hand van God – in de voetbalwereld barst het van de religieuze symboliek. Supporters zingen op zondag hun liederen, verlangen vurig naar een overwinning en danken het team na de weelde van drie punten. Bovendien lijkt er op het professionele veld ruimte te zijn voor ‘echte’ religie. We zien voetballers kruisjes slaan, het gras kussen en bezield omhoog wijzen na een doelpunt. In deze serie leggen we voetbal en geloof naast elkaar: wat hebben ze gemeen en wat juist niet? Dit keer is sportjournalist Frank Van de Winkel aan het woord over geloof in het Belgische en Nederlandse nationaal voetbalelftal.

Basis

Ziek kinderachtige volwassenen!

Ze zijn altijd online, vragen AI om advies over hun mentale gezondheid en lopen regelmatig protesterend door de straten: Generatie Z of Gen Z. Het gaat om jongeren die tussen 1996 en 2012 zijn geboren, in een wereld getekend door crises. Hoe gaan ze hiermee om? Met welke ideeën en vragen lopen ze rond? Yanniek van der Schans, docent levensbeschouwing, houdt een vinger aan de pols en schrijft om de maand een column over de discussies in haar klas. Dit keer over de vraag of er oorlog komt.

Nieuwe boeken