Menu

Premium

Openbaring

INLEIDING

1.Titel, schrijver en jaar van schrijven

Uit 1:1 blijkt dat de titel eigenlijk is: ‘Openbaring van Jezus aan Johannes’. Veel wordt in hst. 1 duidelijk: dat de schrijver Johannes heet (de griekse vorm van de hebreeuwse naam Johanan, die betekent ‘de HERE is genadig’); dat hij schrijft als profeet (immers in 1:3 wordt het boek ‘woorden der profetie’ genoemd); dat hij gezichten gezien heeft op Patmos (1:9; dit is een eiland in de Egeïsche Zee, plm. van de westkust van Klein-Azië verwijderd, zo groot als ons eiland Vlieland, dunbevolkt, waarheen de schrijver verbannen was door de romeinse overheid), en dat het boek verzonden moest worden naar zeven christelijke gemeenten in de romeinse provincie Asia, die het westelijk deel van Klein-Azië besloeg (1:11), die de schrijver blijkbaar kenden. Maar het wordt uit het boek niet duidelijk of de schrijver Johannes identiek is aan de apostel Johannes, de zoon van Zebedeüs. Een aantal christelijke ‘kerkvaders’, die slechts twee of drie generaties na het schrijven van Op. leefden, verklaren nadrukkelijk dat het inderdaad de apostel Johannes is; dit zijn Justinus Martyr, Ireneüs, Tertullianus en Clemens Alexandrinus. Zeer opvallend is wel het verschil in het Grieks van het Evangelie van Joh. en deze Op. van Joh. Terwijl het Evangelie geschreven is in eenvoudig, maar goed Grieks, gaat het in Op. gebruikte Grieks vaak in tegen de regels van de griekse spraakkunst, zodat men zeggen zou dat de twee boeken niet van dezelfde auteur kunnen komen. Er mag echter worden bedacht dat de leerlingen van Johannes, die blijkens Joh. 21:24 voor de uitgave van het Evangelie zorgden, de taal ervan kunnen hebben nagezien. Bovendien veronderstelt een aantal geleerden dat het eigenaardige Grieks van Op. niet voortkomt uit onbedrevenheid in die taal, maar een opzettelijke nabootsing van het Hebreeuws taai-eigen is. Maar ook al zou het boek Op. niet door de apostel Johannes geschreven zijn maar door een christelijke profeet met dezelfde naam, dan verliest het boek toch niet zijn wettige plaats in de Bijbel.

Wanneer de apostel Johannes de schrijver is, dan moeten we ons voorstellen dat hij, toen de Joden in opstand kwamen tegen de Romeinen en die in 70 Jeruzalem verwoestten, naar Klein-Azië verhuisde, dat sinds de zendingsreizen van Paulus (± 45-57) een centrum van christendom geworden was.

Wat de tijd van schrijven betreft, zegt de kerkvader Ireneüs dat Joh. zijn visioenen zag ‘tegen het eind van de regering van de romeinse keizer Domitianus’, wat neerkomt op een tijd tussen 90 en 95 n. Chr. De meeste geleerden zijn het met die datering eens, want juist keizer Domitianus (81-96) stelde nadrukkelijk dat hij een god op aarde was, wat in Op. 13 scherp wordt afgewezen;slechts een klein aantal geleerden is voor een vroegere datering.

2.Over de bedoeling en de juiste uitleg van het boek Openbaring

Het gemakkelijkst te begrijpen zijn hstt. 2 en 3, waarin de verhoogde Christus woorden van vermaning en troost spreekt tot 7 gemeenten in de romeinse provincie Asia. Moeilijker is de uitleg van de ‘visioenen over de plannen Gods’ in hstt. 4-22. Eeuwenlang heeft men daarop de zgn. ‘kerkhistorische uitleg’ toegepast, en er een voorzegging in gezien van allerlei figuren en machten uit de kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis, zoals het pausdom, de Turken, Napoleon, enz. Maar tegen deze wijze van uitleg bestaan twee grote bezwaren. In de eerste plaats zouden dan de eerste lezers van Op. nog maar heel weinig aan deze voorspellingen gehad hebben. In de tweede plaats blijft men zich bij deze uitleg bewegen in gissingen, die bij verder verloop van de wereldgeschiedenis telkens vervangen worden door andere gissingen. In het boek Op. zelf zijn er tekenen, dat de gestalten, die Joh. in zijn visioenen zag, terdege ‘thuis gebracht konden worden’ door de christenen uit die tijd. Zo ziet Joh. in 17:9 dat ‘de hoer Babyion’ zit op ‘zeven bergen’; daarmee begreep ieder dat ‘de hoer Babylon’ de stad Rome was, want Rome was in de romeinse keizertijd op zeven heuvels gelegen (Capitool, Palentijn, enz.), welke identificatie in 17:18 bevestigd wordt. Bovendien wordt van het ‘zevenkoppige beest uit de zee’, dat zo’n grote rol speelt in Op., in 17:10 gezegd dat de zeven koppen zeven koningen zijn (in Klein-Azië werd ‘koning’ gebruikt voor de romeinse keizer, zie 1 Petr. 2:17), waarvan er één ‘is’, dwz. aan de regering is ten tijde dat Joh. zijn visioenen ziet. De meeste Bijbelexegeten zijn daarom tegenwoordig van mening, dat veel van de visioenen van Joh. over het romeinse rijk handelen, en over de grote christenvervolging die de romeinse keizer zou ontketenen, die inderdaad ook gekomen is.

De christenen uit Klein-Azië in Joh. tijd konden dus de visioenen begrijpen, en hoorden uit dit boek de oproep om trouw te blijven in de vervolging, en niet uit vreesachtigheid Christus te verloochenen (zie 21:8); ze werden door dit boek ook versterkt in de zekerheid, dat op het eind niet de zo machtige romeinse keizer met al zijn helpers, maar Christus overwinnen zal. Nu geldt van Op. wel hetzelfde als van de profetieën uit het Oude Testament, dat ze zo’n diep en krachtig goddelijk woord bevatten, dat het met één vervulling niet uitgeput is. Daarom rijst ‘het beest’ uit Op. niet alleen op in een romeinse keizer, maar telkens opnieuw in zichzelf vergoddelijkende heersers en stelsels. Zo is Op. een boekvoor alle tijden. Ook de gerichten van God, waar Op. van spreekt, kunnen vele malen in vervulling gaan. Soms wordt bij grote rampen de vraag gesteld: ‘hoe kan God die ellende toelaten?’, maar C. ten Boom zei op haar eenvoudige manier: ‘het boek Op. leert ons dat ook gerichten (oordelen) een plaats bekleden in Gods plannen’. Ook de brieven aan de 7 gemeenten in hstt. 2 en 3 bevatten een roepstem voor de kerk van iedere tijd; voor ons is bv. van belang de oproep niet zoals de Nikolaïeten (2:14, 15) mee te gaan doen met slechte zeden van niet-christenen om ons heen. Men komt echter weer op het verkeerde spoor, als men in die brieven een nauwkeurige voorspelling ziet van zeven op elkaar volgende tijdperken in de kerkgeschiedenis.

3.Het boek openbaring en het oude testament

Prof. A. Schlatter wees erop, dat letten op het verband met het O.T. veel in Op. duidelijk maakt. Ieder kan zien dat in Op. honderden malen het O.T. aangehaald wordt, meest in wat vrije vorm. De SV geeft onder de verzen veel van die aanhalingen aan, maar nog niet volledig. We zouden de beschikbare ruimte ver overschrijden, als we in de aant. alle toespelingen op het O.T. vermelden zouden. Beroemde woorden uit Op. als 7:16, 17 zijn een herhaling van de beloften uit Jes. 49:10 en 25:8. Maar ook op andere manieren worden lijnen uit het O.T. doorgetrokken: bij de 7 bazuinen en de 7 fiolen (schalen) zendt God plagen, die veel gelijkenis hebben met de 10 plagen over Egypte, omdat God blijft die Hij was; en in Op. 17 en 18 ziet Joh. hoe de in Jer. 51 beschreven toorn van God over de stad Babel aan de Eufraat ook geldt voor wat oprijst als een nieuw Babel. Het is alsof Op. voortdurend de kracht en de vervulling van het O.T. wil laten zien.

Wel wordt in Op. heel duidelijk tot uitdrukking gebracht dat ‘de heidenen medeërfgenamen zijn van de belofte’, want bv. de waardigheid van ‘een koninkrijk van priesters’, in Ex. 19:6 aan Israel gegeven, is volgens Op. 5:10 geschonken aan de mensen uit alle volken, die in Christus geloven. Dat betekent niet dat het oude volk Israel nu afgedaan heeft, want de verwachting van Paulus in Rom. 11, dat het volk Israel eenmaal tot bekering zal komen, vinden we ook in Op. 11:13. Juist omdat in Op., naast het heilswerk van Christus, het O.T. zo uitvoerig ter sprake komt, is dit boek zo geschikt om sluitstuk van de hele Bijbel te zijn.

4.Getallen en liederen in openbaring

De getallen in Op., die vaak vragen oproepen bij de Bijbel-lezer, worden verstaanbaar als we letten op de oudtestamentische achtergrond.

Het getal van 144.000 verzegelden in hst. 7 en 14 wordt niet vermeld om ons te laten weten hoeveel verlosten er precies zijn, maar om aan te geven dat ze de voortzetting zijn van het 12-stammen volk uit het O.T. (144 is immers 12 maal 12).

Het in Op. zo vaak gebruikte getal 7 zet de Oudtestamentische gewoonte voort om met 7 een volkomenheid aan te geven (bv. zevenmaal bloed sprenkelen in Lev. 16:14). Vier is het getal van de wereld (vier windstreken). Vaak komt in Op. ‘3’A jaar’ voor, soms in de vorm van 42 maanden, of van 1260 dagen, wat immers even lang als 3‘/2 jaar is. Dit getal vindt zijn verklaring in Dan. 7: 25, waar voorzegd wordt dat de syrische koning Antiochus Epifanes 3Vi jaar Gods volk zal verdrukken. Deze 3 + jaar is in Op. telkens aanduiding van de tijd van verdrukking der kerk.

De lofliederen, die Op. zo fraai onderbreken, hebben waarschijnlijk verwantschap met lofliederen die in Joh. tijd in de gemeenten gezongen werden; Plinius rapporteert in zijn bekende brief aan keizer Trajanus dat ‘de christenen op een vastgestelde dag vóór zonsopgang samenkomen en in wisselzang Christus als God prijzen’.

5.Overzicht van openbaring

Aanhef, en roeping van Joh. tot schrijven 1

Brieven van de verhoogde Christus aan 7 gemeenten 2 en 3

Het gezicht van de troon van God 4

De 7 zegels geopend door het Lam, met in hst. 7 een tussenstuk over het volk Gods 5:1 tot 8:5

De 7 bazuinen, met in 11:1-13 een tussenstuk over het volk Gods 8:6 tot 11:19

De vijanden van de kerk, namelijk de draak en de twee beesten, met in 14:1-5 een tussenstuk over het volk Gods 12, 13 en 14

De 7 schalen met de toorn van God, met in 15:2-4 eentussenstuk over het volk Gods 15 en 16

De ondergang van Babel en van de twee beesten 17,18 en 19

Het duizendjarig rijk, en het laatste oordeel 20

De nieuwe aarde 21 en 22:1-5

Afsluiting 22:6-21

VERKLARING

Aanhef en roeping van Johannes tot schrijven

Opschrift 1:1-3

De term ‘openbaring’ (1) neemt Joh. wellicht over uit Dan. 2:19, waar we lezen: ‘toen werd de verborgenheid aan Daniël geopenbaard’. Het eerste ‘dienstknechten Gods’ in vs 1 betekent de gelovigen; maar in het slot van dit vers wordt Joh. in bijzondere zin dienstknecht Gods genoemd, om hem op één lijn te stellen met de profeten, die in het O.T. telkens ‘de knechten Gods’ heten (Ez. 38: 17; Dan. 9:10; Arnos 3:7; Zach. 1:6). De openbaring, die Joh. ontvangt, is hoog, want ze komt van God via Jezus Christus en een engel.

‘Hetgeen geschieden moet’ (1) komt uit Dan. 2:28 en 45; Joh. ziet wat weldra moet geschieden, want God werkt snel heen naar de voltooiing van Zijn werk; deze waarheid blijft bestaan, ook al kunnen voor ons menselijk gevoel de tijdsruimten lang worden. Zoals een getuige in de rechtszaal getuigt van wat hij gezien heeft, zo zal ook Joh., volgens vs 2, eerlijk verhalenwat hij in zijn visioenen zag; en die visioenen zijn vol waarheid, want het woord Gods en de getuigenis van Christus ligt erin.

Het boek Op. heeft dus een betrouwbare en goddelijke inhoud; daarom kunnen in vs 3 zalig (di. gelukkig) genoemd worden wie het in de gemeente voorleest, en de gemeenteleden die zich eraan houden.

Aanhef 1:4-8

Omdat het boek Op. als een rondzendschrijven aan zeven gemeenten verzonden wordt, gebruikt Joh. de in die tijd gebruikelijke briefaanhef; daarin werd altijd eerst de afzender van de brief genoemd, daarna de geadresseerde, daarna een zegenbede.Johannes noemt zichzelf kort, teken dat hij goed bekend was aan de zeven gemeenten in Asia (di. in de romeinse provincie Asia).

Achter ‘vrede’ (4) ligt het hebreeuwse ‘sjaloom’, dat ‘welzijn’ betekent. Die is en die was en die komt (4) is waarschijnlijk omschrijving van de naam HERE of JHWH, die eigenlijk betekent dat God altijd werkzaam tegenwoordig is. De zeven geesten zijn wel het best te verstaan als de Heilige Geest in de volheid van zijn werken.

In vs 5 wordt Christus genoemd met uitdrukkingen die ontleend zijn aan Ps. 89:28 en 38. Christus is de getrouwe getuige omdat Hij getrouw getuigenis aflegt van de waarheid Gods, en dat getuigenis ook niet herriep in het aangezicht van de dood. Hij is de eerstgeborene der doden, want vóór Hem waren er wel mensen uit de dood opgewekt, maar die waren niet opgewekt tot onvergankelijk leven en stierven later weer. Hij heeft ons verlost door zijn bloed, zoals het bloed van de paaslammeren in Egypte de Israëlieten redde; de SV volgt hier minder goede handschriften, die lezen: ‘gewassen heeft’ (dat maakt in de griekse grondtekst maar één letter verschil).

Gemaakt tot een koninkrijk, tot priesters (6) grijpt terug naar Ex. 19:6, waar Israel aangesteld wordt tot een koninkrijk van priesters. Joodse rabbijnen uit Joh. tijd erkenden dat Israel dat voorrecht verspeeld had, en pas weer terug zou krijgen in de dagen van de Messias. Joh. wijst erop, dat Christus dit voorrecht verworven heeft voor allen die in Hem geloven. In ‘Koninkrijk van God’ zit in Ex. nog niet de klank van ‘aangesteld zijn tot koningen’, maar Joh. vatte het wel zo op, blijkens Op. 5: 10. Priesters zijn mensen die vrij tot God mogen naderen, en voorbede-dienst voor anderen mogen doen; dat voorrecht geeft Christus; het ‘Amen’ (‘het is waar’) aan het slot van vs 6 was bestemd om bij het voorlezen van het boek mee uitgesproken te worden door de gemeente. Hij komt op de wolken (7) is aanhaling van Dan.7:13, die Hem doorstoken hebben aanhaling van Zach. 12:10. Alleen wordt in Zach. het ‘doorsteken’ en ‘weeklagen’ door Israel verricht, terwijl Joh. het toepast op alle volken, die door vijandschap tegenover de Christus Hem doorsteken, en bij zijn verschijning schrikken en weeklagen (zoals in Mat. 24:30); dit weeklagen hoeft geen oprechte bekering in te sluiten. Ja, amen (7), geeft een dubbele bevestiging met een grieks en een hebreeuws woord. In vs 8 noemt God Zich de Alpha en de Omega, dat is de eerste en de laatste letter van het griekse alfabet; het betekent dat God aan het begin en het eind van de wereldgeschiedenis staat en haar almachtig omspant (Jes. 44:6).

De verschijning van de Zoon des mensen 1:9-20

Johannes stelt zich aan de gemeenten voor als deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk; Paulus had al gezegd dat de christenen ‘door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan’ (Hand. 14:22). De kerk kan het in die verdrukkingen alleen maar uithouden door de volharding in Jezus, wat ook vertaald kan worden met: volhardend wachten op Jezus (in zijn wederkomst).

Johannes was vanwege het woord Gods verbannen naar het eiland Patmos (dat we beschreven in de inleiding); het getuigenis van Jezus (dwz. het getuigenis dat Jezus gaf) staat op één lijn met het woord Gods.

Joh. kwam in vervoering des geestes (10) op de dag des Heren; dat is hier niet de dag van Gods oordeel (zoals in Jes. 2:12), maar de dag van de opstanding des Heren, de zondag; in een brief van Ignatius, ongeveer 20 jaar na Op. geschreven, betekent het griekse woord, dat in vs 10 gebruikt wordt, heel duidelijk de zondag.

Joh. hoort een stem, luid als van een bazuin (10); dit wil wellicht herinneren aan het geluid als bazuingeschal bij de openbaring Gods op Sinaï (Ex. 19:16); het is niet zeker of dit al de stem van Christus zelf is, omdat het eerste gedeelte van vs 11, zoals dat in SV staat, in de oude griekse handschriften ontbreekt, en als latere toevoeging gelden moet. Het is opmerkelijk dat Joh. een geluid achter zich hoort, net als Ezechiël in Ez. 3:12. Joh. krijgt opdracht te schrijven aan zeven gemeenten, die in een grote kring in de romeinse provincie Asia lagen, de één gemiddeld een van de ander. Een boek: een rol van papyrus.

Als Joh. zich omkeert ziet hij zeven gouden kandelaren (12), die volgens vs 20 de zeven gemeenten voorstellen; de christelijke gemeente heeft tot taak een licht te zijn in de wereld (Mat. 5:14). De 7 kandelaren herinneren aan de 10 gouden kandelaren in de tempel van Salomo (1 Kon. 7:49). Tussen die kandelaren ziet Joh. iemand als eens mensen zoon, wat toespeling is op de bekende titel van Christus, Zoon des mensen (vgl. Dan. 7:13); Gods Zoon is als mens gekomen, en is dat nog in de heerlijkheid. Bij kandelaren in de tempel hoort een priester, die de kandelaren verzorgt en inspecteert; inderdaad verschijnt Christus als priester; de israelitische priesters droegen namelijk een tot de voeten reikend gewaad, met de gordel niet om het middel, maar onder de oksels om de borst. De gouden gordel herinnert misschien aan het gouddraad, dat geweven was in de gordel van de israelitische hogepriester (Ex. 28:8), of anders wil het zeggen dat deze priester tegelijk koning is. Christus’ haar als witte wol (14) betekent niet ouderdom of eeuwigheid, maar wil zeggen dat dit haar straalt in hemelse lichtglans; wit is in de Bijbel ‘kleur van de hemel’ (vgl. Mat. 17:21); tevens wordt Christus hierdoor op één lijn gesteld met God, die in een bekende tekst in Dan. 7:9 verschijnt met hoofdhaar blank als wol.

Wat het verdere van de verschijning van Christus in vs 15 betreft, legge men Dan. 10:6 ernaast (al gaat het daar over een engel). Christus’ ogen als een vuurvlam zijn allés-doordringend; Zijn voeten van gloeiend koperbrons kunnen alle tegenstand vertreden; en met alweer een aanhaling uit het O.T. (Ez. 1:24, 43:2) wordt gezegd dat Zijn stem was als een geluid van vele wateren, di. Bruisenderivieren of de branding van de zee.

Joh. ziet zeven sterren (alsof ze door een onzichtbare band samengehouden worden) in Christus’ rechterhand. Dit zal op de mensen in Joh.’ tijd in de eerste plaats de indruk gemaakt hebben dat Christus macht heeft over de sterren (wier invloed in die tijd door zeer velen gevreesd werd, en in onze tijd weer door velen gevreesd wordt); inderdaad zal dat zijdelings ook wel bedoeld zijn, al wordt aan die sterren een bijzondere betekenis gegeven in vs 20.

Joh. ziet dat uit Christus’ mond een scherp tweesnijdend zwaard komt (16), wat betekent dat Christus alleen met te spreken al kan straffen en vernielen (vgl. Jes. 49:2 en 11:4); Christus’ aanzien (er kan ook vertaald worden: aangezicht) is gelijk de zon schijnt in haar kracht (16), waarmee wellicht Ri. 5:31 wordt aangehaald.

Als Joh., overweldigd door Christus’ bovenmenselijke majesteit, neervalt, legt Christus geruststellend de hand op hem. Hij noemt Zich ‘de eerste en de laatste’, een titel die in Jes. 44:6 aan God gegeven wordt. Christus’ aanhangers hoeven niet te vrezen in vervolging, want Hij kan hen uit de dood doen verrijzen omdat Hij de sleutels van de dood en het dodenrijk heeft (‘dodenrijk’ is hier beter dan ‘hel’, omdat er in het Grieks niet gehenna, maar hades staat).

In vs 19 betekent ‘hetgeen is’ oa. de toestand van de 7 gemeenten, die in de hstt. 2 en 3 beschreven wordt. De 7 sterren worden in vs 20 toegepast op de ‘engelen der zeven gemeenten’, maar wie die ‘engelen’ zijn is een bekende moeilijkheid. Men heeft er vaak de opzieners van de 7 gemeenten in willen zien; maar de titel ‘engel’ voor hen is bevreemdend, en een nog groter bezwaar is dat dan elk van de 7 gemeenten precies één ‘opziener’ zou hebben, terwijl de geleerden het dubieus achten, dat er in die tijd in iedere gemeente een éénhoofdige leiding was; daarom is het beter deze ‘engelen’ te zien hetzij als een soort verpersoonlijking van de gemeente, hetzij als beschermengelen der gemeenten; Jezus spreekt immers in Mat. 18:10 van beschermengelen (‘de engelen der kleinen’), en in Dan. 10:21 en 12:1 is Michaël beschermengel van Israel. In het laatste geval moeten de brieven gedacht worden als tegelijkertijd gericht aan de beschermengel en aan de gemeente.

Brieven van de verhoogde Christus aan 7 gemeenten

De brief aan de gemeente te Efeze 2:1-7

Efeze was in die tijd een grote havenstad, de volkrijkste stad van de provincie Asia. Voor de engel, de sterren en de kandelaren (1) zie de uitleg gegeven bij 1:9-20; elk van de 7 brieven begint met enkele onderdelen te herhalen van hst. 1. De uitdrukking ‘dit zegt Hij’ lijkt op de stijl van de oudtestamentische profeten (bv. Jer. 2:2 en Arnos 1:3).

De verheerlijkte Christus prijst bij de gemeente in Efeze haar volharding in allerlei activiteiten (2); ook wordt zij geprezen omdat zij van ‘kerkelijke tucht’ weet; ze treedt op tegen de kwaden, di. gemeenteleden die zich verkeerd gedragen. Zij weet ook van ‘leertucht’, want rondreizende predikers die zich als apostelen (di. afgezanten van Christus) aandienden, werden door haar op hun leer onderzocht en, zo nodig, afgewezen. De gemeente van Efeze heeft bereidwillig verdrukking om Christus’ wil verdragen (3).

Maar Christus’ bezwaar tegen deze ‘orthodoxe’ gemeente is dat de eerste liefde (vgl. Jer. 2:2) tegenover Christus en tegenover de mede-broeders verlaten is, waardoor hun orthodoxie dor, bitter en liefdeloos werd (4). Het is het droevige verschijnsel dat we ook nu meemaken, dat geestelijk leven in een gemeente verdort en dat gemeenteleden, die dicht bij God leefden, daarin verachteren. Daarom wordt de gemeente opgeroepen zich te bekeren; want al kan Christus’ kerk nooit verdwijnen, toch kan een bepaalde kandelaar (een gemeente) door Christus prijsgegeven worden.

De werken der Nikolaïeten (6): zie bij 2:14 en 15. ‘Wie een oor heeft die hore’ (7) zei Christus al in Zijn aardse dagen (Mar. 4:9).

In vs 7 krijgt ‘wie overwint’ (in de verzoekingen tot zonde) de belofte dat Christus hem toegang zal geven tot de boom des levens in het paradijs, dat door Christus hersteld wordt bij zijn wederkomst. De boom des levens betekent het eeuwige leven.

De brief aan de gemeente te Smyrna 2:8-11

Smyrna, kleiner dan Efeze, was toch ook een flinke en bloeiende havenstad, en in die tijd bekend als de mooiste stad in Klein-Azië. De uitdrukkingen in vs 8 grijpen terug op 1:17 en 18.

De christelijke gemeente in het prachtige Smyrna is arm (8), wat mogelijk mede veroorzaakt was door beroving van goederen (verdrukking), maar in feite is zij rijk in Christus. In Smyrna leefde een groot getal Joden; dezen belasterden de christenen, waardoor ze de erenaam van Joden niet meer waard waren en een synagoge (gemeente) des satans geworden waren. De naam ‘gemeente des Heren’, die oa. in Num. 16:3 aan Israel gegeven wordt, kwam de Joden in Smyrna met meer toe. In een bekend verslag uit de oude kerk, getiteld ‘de marteldood van Po-lycarpus van Smyrna’, wordt verteld dat de Joden het hardst hout aansleepten voor de brandstapel waartoe de romeinse overheid deze christen veroordeelde 160 n. Chr.).

De verdrukking van tien dagen (10) is natuurlijk een symbolisch getal; de 10 dagen betekenen een korte tijd, en zijn wellicht genomen uit Dan. 1:12, waar Daniël en zijn 3 vrienden 10 dagen beproefd worden. Maar de gemeente hoeft niet te vrezen; als ze trouw is tot de dood (dwz. ook als het hun het leven zal kosten) zullen ze van Christus de kroon des levens ontvangen (10); voor deze kroon des levens (zinnebeeld van eeuwig leven) staat in de griekse grondtekst eigenlijk ‘krans des levens’. Een krans van bladeren werd in de griekse wereld gegeven aan de overwinnaars in de oorlog en wedstrijden; juist in Smyrna vonden regelmatig bekende sportwedstrijden plaats. Wie overwint (over de verleidingen tot zonde en tot afvalligheid van Christus) hoeft niet te vrezen voor de tweede dood (11). De eerste dood is het stervensuur, de tweede dood is (zoals blijkt uit 20:14) het veroordeeld worden door God.

De brief aan de gemeente te Pergamum 2:12-17

Pergamum, landinwaarts gelegen, was in die tijd een flinke stad met een geweldige bibliotheek; het ‘perkament’ (van dun dierenvel) heet naar deze plaats. Pergamum was bekend om 3 heiligdommen: 1. een reusachtig altaar voor de griekse oppergod Zeus; 2. de tempel van Asklepios, god der genezing, waarheen van heinde en ver patiënten kwamen; 3. een tempel gewijd aan de ‘godin Rome’ en de vooral na zijn dood als god vereerde keizer Augustus; wellicht is het om een of meer van deze heiligdommen dat van Pergamum gezegd wordt dat daar de troon des satans is en de satan woont (13).

Voor het scherpe zwaard (12) zie 1:16.

De gemeente van Pergamum was trouw gebleven aan Christus, ook toen één van haar leden, Antipas, van wie verder niets bekend is, om zijn christen-zijn gedood was (13); maar er is nu een kankergezwel in de gemeente, ‘een vijand binnen de poorten’; een groep gemeenteleden namelijk zijn navolgers van Bileam (14). Bileam was door God verhinderd vloekspreuken over Israel uit te spreken, maar gaf daarna aan de vijanden van Israel het listige advies om de Israëlieten van hun God te scheiden door hen te verleiden om deel te nemen aan heidense offerfeesten en de daarmee gepaard gaande sexuele losbandigheden (zie Num. 25 en 31:16). Inde gemeente te Pergamum waren navolgers van Bileam (in vs 15 Nikolaïeten genoemd, naar een niet nader bekende voorman Nicolaüs), die zich niet resoluut ver hielden van heidense plechtigheden en heidense sexuele losbandigheid. Wellicht vonden ze (als voorlopers van de gnostiek) in vermeende ‘wijsheid’ alleen het geestelijke belangrijk en de daden van het lichaam onbelangrijk, maar in ieder geval versoepelden ze de christelijke moraal, waardoor ze het gemakkelijker hadden in de omgang met heidense plaatsgenoten. Waar dwaalleer is, dreigt Christus straffen te doen komen; voor het vernielende zwaard uit zijn mond (16) zie 1:16. Wie niet van de afgodenoffers eet, krijgt iets dat veel beter is er voor in de plaats; hij zal na Christus’ wederkomst de nu nog verborgen hemelspijs (manna, 17) mogen eten, wat een zinnebeeld is van het eeuwige leven. Met de witte steen wordt gezinspeeld op stenen tabletten die in de grieks-romeinse wereld gebruikt werden als legitimatie- of toegangsbewijs, en die ook als ‘diploma’ met inscriptie uitgereikt werden aan overwinnaars bij sportwedstrijden (wat goed past bij ‘die overwint’), ln het O.T. krijgt iemand vaak een nieuwe naam in een nieuwe levenspositie; in Jes. 62:2 staat dat het volk Israel in de tijd des hels ‘een nieuwe naam zal krijgen, die de mond des HEREN zal bepalen’; dit wordt hier toegepast op de gelovigen, die, als zinnebeeld van hun nieuwe heerlijkheid, bij Christus’ wederkomst een nieuwe naam zullen krijgen, die nu nog niemand weet (17).

De brief aan de gemeente van Tyatira 2:18-29

Tyatira was een veel minder bekende stad dan Efeze, Smyrna en Pergamum; voor vs 18 zie 1:14, 15.

ln vs 19 prijst Christus de goede dingen in de gemeente te Tyatira, waarbij duidelijk wordt dat oprecht geloof zich uit in werken, zoals dienstbetoon (di. hulp aan mensen in moeilijkheden).

Helaas laat deze gemeente in haar midden de vrouw Izebel begaan; dat is niet haar eigenlijke naam, maar geeft aan dat zij het werk herhaalt van koningin Izebel, die de afgodendienst propageerde in Israel; deze vrouw is in dezelfde lijn als de Nikolaïeten (zie 2:14). Haar onschriftuurlijke leer verdedigt zij als profetes’ met ‘profetische ingevingen’, zoals in de loop der geschiedenis secten vaak doen. Christus zal oordelen over haar en haar aanhangers brengen (22, 23) (kinderen kan eigen kinderen betekenen of volgelingen). In vs 23 worden oudtestamentische uitdrukkingen gebruikt (Ex. 7:5; Jer. 17:10).

Deze vrouw meende de diepten des satans te kennen (24), dwz. diepe kennis te hebben van de satan; het is ook mogelijk dat zij zélf sprak over diepe kennis van Gods wil en wezen, en dat in scherp sarcasme dit als kennis van satan betiteld wordt. Geen andere last (24) betekent: niets anders dan de aan hen reeds bekende christelijke moraal; het is mogelijk dat ook gedacht wordt aan Hand. 15:28 en 29.

Achter vss 26 en 27 staat Ps. 2:8 en 9, waar aan de Messias beloofd wordt, dat Hij van God macht krijgt over de volken, en ze verplettert met een ijzeren knots en stukslaat als aardewerk; niet alleen soldaten gebruikten een ijzeren knots, maar ook herders hadden als gevaarlijk wapen een knots met een krans van ijzeren punten; hoeden met een ijzeren staf (knots) betekent verpletteren, ln vs 26 en 27 belooft Christus dat de gelovigen aan Zijn overwinning mogen deelnemen; niet dat ze letterlijk een bloedbad zullen aanrichten; de sterke beelden zijn veroorzaakt door Ps. 2; het betekent in ieder geval dat de vaak zo schrijnende heerschappij der goddelozen zal ophouden, en Christus en Zijn gelovigen de eindoverwinning verkrijgen.

De morgenster geven (28) betekent ‘de dag des heils doen aanbreken’, of ‘heerschappij geven’ (omdat in die tijd de morgenster in verband werd gebracht met heerschappij over de wereld).

De brief aan de gemeente van Sardes 3:1-6

Sardes was eenmaal de hoofdstad van de rijke koning Croesus, maar had in de tijd van het N.T. alleen nog maar een schaduw van de oude grootheid.

Die de zeven Geesten Gods heeft (1) bet. dat Christus de Heilige Geest als werktuig heeft (vgl. 1:4); voor de zeven sterren zie 1:16, 20.

Christus heeft scherpe kritiek op deze gemeente; het kerkelijk leven gaat wel voort, maar het echte leven met God ontbreekt, zodat vanzelfsprekend allerlei zonden de overhand krijgen, en de werken niet meer vol zijn voor het aangezicht van God (2). De gemeente wordt opgeroepen om te versterken wat er nog aan goeds is in het gemeenteleven (het overige, 2). Als de gemeente niet wakker wordt, zal de oordelende Christus komen als een dief (3); dit herinnert aan Luc. 12:39, 40, en tegelijkertijd aan het feit dat de citadel van Sardes, die op een onneembaar geachte steile berg lag, in de loop der geschiedenis tweemaal ingenomen werd door gebrek aan waakzaamheid. Toch waren er in Sardes enkelen die hun klederen niet hebben bezoedeld (4), beeldspraak voor zich niet bezoedelen met de zonde; zij zullen met Christus mogen verkeren op de nieuwe aarde in witte klederen, symbool van de hemelse heerlijkheid. Wie overwint in de verzoeking tot zonde en afval zal niet worden uitgewist uit het boek des levens (5), di. het boek waarin degenen staan die het eeuwige leven krijgen (vgl. Dan. 12.T) en Christus zal hen belijden voor God (5), wat teruggrijpt op Luc. 12:8.

De brief aan de gemeente te Filadelfia 3:7-13

Filadelfia was genoemd naar koning Attalus Filadelfos (± 150 v. Chr.); omdat Filadelfia in het Grieks ‘broederliefde’ betekent, komt de naam goed uit voor een christelijke gemeente.

In vs 7 worden aan Christus de titels Heilige en Waarachtige (di. Getrouwe) gegeven, die in het O.T. voor God gebruikt worden; en zoals in Jes. 22:22. Eljakim de sleutels Davids krijgt, en als groot-vizier toegang tot het koninklijke paleis in Jeruzalem kan geven of weigeren, zo kan Christus voor ons de toegang tot het nieuwe Jeruzalem openen of sluiten. De geopende deur in vs 8 wordt door sommigen verklaard als de geopende toegang tot het nieuwe Jeruzalem (voortzetting van vs 7 dus), door anderen als een open deur tot verbreiding van het evangelie (vgl. 2 Kor. 2:12). Met kleine kracht zal bedoeld zijn kleine omvang der gemeente of lage sociale stand der leden; maar in alle eenvoudigheid was deze gemeente trouw.

Zij zal iets groots mogen beleven, zij zal mogen zien dat Gods werk onder de Joden voortgaat. Van de Joden die in Filadelfia woonden, en die vijandig aan Christus waren (vandaar synagoge des satans, enz., zie 2:9) zal een deel tot bekering komen. In Jes. 45:14 staat dat de heidenen zich voor Israel nederwerpen zullen en bekennen dat de ware God bij Israel is; dit wordt nu in vs 9 toegepast op deze Joden, die zich nederwerpen en erkennen dat achter de gemeente van Christus de verheerlijkte Zoon van God staat; zo komen deze ongehoorzame Joden via de prediking van de kerk tot de Messias (zoals in Rom. 11). Dat Ik u heb liefgehad is aanhaling van Jes. 43:4.

De verzoeking in vs 10 betekent wel vooral grote rampen die komen zullen; bewaring daarin wordt straks nader uitgewerkt in hst. 7. Opdat niemand uw kroon (overwinningskrans) neme (11), bet. waarschijnlijk ‘opdat niet de duivel en zijn handlangers u die krans afnemen’; al is de verklaring ‘opdat niet, als ge faalt, de krans naar een ander gaat’, ook mogelijk.

In vs 12 wordt met een prachtig beeld gezegd dat de christenen die overwinnen in verzoekingen en niet tot afval komen, straks in de nieuwe wereld na Christus’ wederkomst zuilen in de tempel Gods zullen zijn (wellicht met herinnering aan de pilaren in de zuilengalerijen van de tempel in Jeruzalem, of de koperen pilaren Jachin en Boaz in de tempel); daar in die nieuwe wereld zal geen wankelen meer zijn. Het is moeilijk uit te maken of in de uitdrukking ‘op hem schrijven’ het beeld van de zuil nog even vastgehouden wordt of niet; de mensen in Klein-Azië waren gewend aan inscripties op zuilen aangebracht, en ook (meer dan wij) gewend aan tekens die op de huid van mensen gemaakt werden, met inbranden of dgl. Het schrijven van de naam van God, Jeruzalem en Jezus op hem (of haar) (12) betekent dat hij (zij) blijvend verbonden mag zijn met God en Jezus en burgerrecht in het nieuwe Jeruzalem krijgt. Jezus’ nieuwe naam is een teken van Zijn nieuwe heerlijkheid.

De brief aan de gemeente in Laodicea 3:14-22

Laodicea, in ± 250 v. Chr. zo genoemd naar een koningin Laodice, lag zeer gunstig aan een knooppunt van wegen; het was welvarend; bankwezen, textiel-industrie, een academie tot vorming van artsen en verkoop van eenzeer bekende oogzalf hielpen aan die welvaart mee. Jezus stelt Zich voor als ‘de Amen’ (14), wat door de uitleggers veelal in verband wordt gebracht met ‘de God der waarheid’ in Jes. 65:16 (waar in het Hebreeuws ‘elohe amen’ staat). Het begin der schepping Gods (14) betekent niet dat Christus geschapen is, maar dat Hij de oorsprong van de schepping is.

Het lauw-zijn, waarvan Christus de gemeente van Laodicéa beschuldigt (15, 16) (met waarsch. herinnering aan door warme bronnen gevoede lauwe beken niet ver van de stad) betekent onbeslistheid; de gemeenteleden kozen niet tegen Christus, maar ook niet echt vóór de dienst van Christus (zoals velen in alle eeuwen); wie, een verfrissende dronk verwachtend, lauw water in de mond krijgt, spuwt het uit. Deze gemeente voelde zich rijk door haar welvaart, en was wellicht ook tevreden met haar kerkelijk leven, en had geen besef van haar ellendige toestand. Met toespeling op het bankwezen, de kledingindustrie en de oogzalf van Laodicéa raadt Christus de gemeente aan om goud, klederen, en ogenzalf te kopen (18). Het zuivere goud betekent geestelijke goederen; de witte klederen moet men hier liever niet opvatten als de hemelse heerlijkheid, maar als de rechtvaardigmaking (zondenvergeving) en heiligmaking, die Christus geeft; de ogenzalf betekent een juist gezicht op God en op zichzelf. Natuurlijk kan de gemeente de gaven van Christus niet kopen; wellicht wijst Christus hier heen naar Jes. 55: 1: ‘koopt zonder geld en zonder prijs’; om Christus’ gaven te ontvangen is niets anders nodig dan een eerlijk en verwachtingsvol smeekgebed.

Achter vs 19 staat zeker Spr. 3:11, 12 en achter vs 20 vrij zeker Hoogl. 5:2. Ik klop (20): dit verbeeldt prachtig hoe het initiatief van de zoekende liefde van Christus uitgaat; door zijn oordeel en zijn genade ons voor ogen te stellen (zoals Hij dat doet in de brief aan Laodicéa) klopt Christus aan de deur van ons hart en begeert ingang. Het samen maaltijd houden (beeld van gemeenschap) ziet op de gemeenschap met Christus in de nieuwe wereld na zijn wederkomst, en op de gemeenschap die reeds nu begint, oa. in het H. Avondmaal.

Vs 21 is de slot-belofte van de 7 brieven: wie door het geloof mag volharden in de aardse strijd, zal eenmaal samen met Christus, de overwinnaar, mogen heersen; in de oudheid waren tronen soms breed, zodat er meer dan één persoon op zitten kon, wat de beeldspraak in dit vers verheldert.

Het gezicht van de troon van God

Het gezicht van Gods troon 4:1-11

De stem van 1:10 (wellicht van een engel) roept Joh. weer; hij mag nu in de hemel binnenzien door een open deur (1), en een indruk krijgen van de hemelse heerlijkheid en van de troon van God (2); die troon staat daar onwankelbaar verheven boven alle gebeuren en alle strijd op aarde.

In ‘ik zag en zie’ (1) volgt Joh. de stijl na van de oudtestamentische profeten (Jer. 4:25; Dan. 7:6). In vs 2 volgt Joh. de joodse gewoonte (ook door Jezus gevolgd, Mat. 10:28) om eerbiedshalve het woord ‘God’ liever door een omschrijving te vervangen.

De gestalte van God wordt als een schittering van edelstenen beschreven, in het Grieks ‘jaspis en sardion’. Helaas kloppen de namen van edelstenen in de oudheid niet met de tegenwoordig gebruikte namen; tegenwoordig is ‘jaspis’ ondoorzichtig en niet bijzonder kostbaar, terwijl er in de oudheid een kostbare steen mee bedoeld werd (Op. 21:11), maar het is niet zeker dat het diamant was; sardius is rood. Boven de troon welfde zich een regenboog (3), waarschijnlijk beeld van Gods trouw (Gen. 9) alleen overheerst hier smaragdgroen.

De oudsten (SV ouderlingen) rond Gods troon (4) zijn volgens de kanttekenaren van SV ‘de triomferende kerk in de hemel’; zij konden moeilijk anders zeggen, omdat in 5:10 in SV deze oudsten zingen: ‘Gij hebt ons gemaakt tot koningen en priesters’; maar dit ‘ons’ moet volgens de beste handschriften veranderd worden in ‘hen’. Wel vermoedden de kanttekenaren terecht, dat het getal 24 komt van de 24 hoofden van priestergroepen in 1 Kron. 24:4; in Op. 5:8 verrichten deze 24 oudsten in de hemel inderdaad de dienst van priesters (en levieten), met reukwerkschalen en citers. Tegenwoordig ziet men meestal in deze 24 oudsten hoge engelen; dat is wel terecht, want in een boek als Op., dat zo nauw verband houdt met het O.T., verwacht men in een visioen, dat handelt over Gods majesteit, vlak rondom Zijn troon ‘de raad van zijn heiligen’ (engelen), zoals in Ps. 89:8 staat: ‘God is zeer ontzagwekkend in de raad der heiligen (engelen), geducht boven allen die rondom Hem zijn’; vgl. ook 1 Kon. 22:19. In Op. 7:13-17 geeft één van deze 24 oudsten aan Joh. uitleg over een visioen, wat in het O.T. juist het werk van engelen is (Zach. 1-6). Het blijkt in Op. wel dat deze 24 engelen bijzondere belangstelling hebben voor de kerk. De benaming ‘oudsten’ voor deze 24 hoge engelen verwondert niet, want in de Bijbel is ‘oudsten’ vaststaande uitdrukking voor leiders; misschien is Jes. 24:23 nog in het bijzonder achtergrond van de titel (ook in Op. 20 is Jes. 24 verwerkt). De gouden kronen (4) moeten we ons niet denken als de hoge, zware kronen die later in Europa gebruikt werden; de witte klederen betekent het behoren bij de hemelse heerlijkheid.

Joh. bemerkt bliksemstralen en donderslagen (5) (als bij de Sinaï, Ex. 19:16!), tezamen met stemmen (di. geluiden, misschien van bulderende storm); dat verhoogt de indruk van Gods majesteit. Zeven fakkels stellen de Geest voor (zie 1:4). De glazen zee (6) grijpt terug op de oudtestamentische voorstelling, dat er boven het uitspansel een hemelse oceaan is (Ps. 148:4; Ps. 104:3); deze zee is hier doorzichtig als glas, niet zoals het niet erg doorzichtige glas uit Joh. tijd, maar als doorzichtig kristal; Joh. ziet de troon dus aan de overkant van dat watervlak; dat geeft perspectief aan het beeld dat hij ziet, en wijst ook op de afstand tussen God en de schepselen. Joh. ziet vlak bij de troon nog vier dieren (6) (het griekse woord kan ook vertaald worden met ‘levende wezens’); ‘midden in de troonis een moeilijke uitdrukking, die misschien betekent dat elk van de vier wezens voor één van de vier zijvlakken van de troon staat. Bij deze wezens is de oudtestamentische achtergrond duidelijk; in hen zijn verenigd de trekken van de serafs bij Gods troon in Jes. 6, en van de dragers van Gods troon in Ez. 1; van de serafs uit Jes. 6 hebben ze de zes vleugels (8) en de inhoud van de lofzang die ze zingen; van de troondragers in Ez. 1 hebben ze de gestalten van leeuw, rund, mens en arend (7). Die vier gestalten wijzen erop dat deze troon-wachters moedig zijn als leeuwen, sterk als runderen, bezonnen als mensen en snel als arenden; in de gestalte van leeuw, rund en arend zit niets vernederends voor deze engelen, het wijst juist op hun bovenmenselijke kracht; in deze vier gestalten zien we tegelijk de rijkdom aan vormen en gaven die God in de schepping gelegd heeft. De ogen waarmee deze wezens geheel bezet zijn (6), zelfs van binnen (8) (di. aan de binnenkant van hun vleugels), wijzen op hun scherpe opmerkzaamheid (vgl. Ez. 1:18). Een vliegende arend (7) is een arend met uitgespreide vleugels, klaar om te vliegen. De vier levende wezens verbond men in later tijd graag met de 4 evangeliën, maar daarvan ligt nog niets in Op. Het ‘heilig’ in de lofzang (8) betekent dat God hoog verheven is boven alles. Het ‘zullen’ in vss 9 en 10 duidt op herhaling. Het neerwerpen van de kronen vóór de troon (10) was in de oudheid een bekend gebaar van onderwerping. De lofzang der oudsten in vs 11 prijst Gods grootheid in de schepping; Gij zijt waardig te ontvangen moet men opvatten als ‘Gij zijt waardig dat aan U toegekend wordt enz.’. De romeinse keizer Domitianus, die in Joh. tijd regeerde, wilde graag ‘onze Here en God’ genoemd worden; wellicht richt Gods titel in vs 11 zich daartegen.

7zegels geopend door het Lam

De verzegelde boekrol en het Lam 5:1-14

In Gods rechterhand ziet Joh. een verzegelde boekrol. In 1:19 was aan Joh. in vooruitzicht gesteld dat hij zal mogen opschrijven ‘hetgeen na dezen geschieden zal’; Joh. begrijpt dat die toekomstige dingen, de wegen die God zal inslaan tot oprichting van Zijn Koninkrijk (die kunnen lopen door gerichten en door bevrijdingsdaden), in deze boekrol staan-. Joh. ziet dat de boekrol, vanwege de overrijke inhoud, van binnen en van buiten beschreven is, wat herinnert aan de aan beide zijden beschreven boekrol, die in Ez. 2:9, 10 voor Ezechiël ontrold werd; maar de rol die Joh. ziet is nog toegesloten, de inhoud is nog niet geopenbaard. Volgens sommige verklaarders geven de zeven zegels aan dat in deze rol Gods ‘testament’ staat, omdat een romeins testament met zeven zegels gesloten werd, maar het is wellicht beter om in zeven hier alleen een getal van volkomenheid te zien. Op de oproep van een engel, wie het recht heeft dit boek van de toekomst te openen, antwoordt niemand van de hemel, van de aarde en van onder de aarde (woonplaats van de doden en de boze geesten, vgl. 9:1). Als Joh. weent, omdat het boek dicht zal blijven, zegt een oudste (zie 4:4) dat er één is die door zijn gehoorzaamheid, zijn offerdood en zijn opstanding, overwonnen heeft (5) over alles wat aan de oprichting van Gods Koninkrijk in de weg staat (duivel, zonde, dood) en aan wie het daarom toekomt om Gods plannen tot oprichting van Zijn Koninkrijk openbaar te maken en uit te voeren.

De titels in vs 5 aan Jezus gegeven, leeuw uit de stam van Juda en wortel (di. scheut uit de wortel) van David wijzen erop dat in Hem de verwachtingen van het O.T. in vervulling gaan (Gen. 49:9 en Jes. 11:19). In vs 6 ziet Joh. in zijn visioen Christus verschijnen, in de gestalte van een lam als geslacht, dwz. met de snede van het slachten nog zichtbaar aan de hals. Wat Joh. zag wasniet een klein lammetje; de Joden noemden een schaap tot 12 maanden oud, dat al groot is, nog een lam. Christus verschijnt als Lam omdat Hij gelijkt op de paaslam-meren, die voor Israel stierven bij de uittocht uit Egypte (Ex. 12), of omdat in Hem vervuld wordt wat in Jes. 53:7 staat van de Knecht Gods, die zich als een lam ter slachting laat leiden. Lam is voortaan in Op. vaste titel voor Christus, want zijn zelfopoffering is zijn eer, en maakt dat Hij onze liefde duizendvoudig waardig is. Toch ziet Joh. ook tekenen van hoogheid bij dit Lam, nl. zeven horens, zinnebeeld van grote kracht, en zeven ogen, beeld van alziendheid; tegelijk wordt gezegd dat de H. Geest (zeven Geesten Gods, zie 1:4) aan Christus ten dienste staat (vgl. Zach. 4:10).

In vs 8 krijgt Christus, het Lam, aanbidding. In de tempels, opgericht voor de als god vereerde romeinse keizer, steeg de geur van reukwerk (wierook) op vóór het beeld van de keizer, begeleid door tempelmuziek (van bv. citers, een snaarinstrument), maar Joh. ziet in zijn visioen deze goddelijke eer gebracht worden aan Christus, aan wie ze werkelijk toekomt; het reukwerk dat voor Hem opstijgt is beter dan gewoon reukwerk, het bestaat uit de gebeden (hier lofgebeden) der heiligen (dat zijn de gelovigen; heilig betekent afgezonderd en behorend bij God). Dan volgt in vss 9-14 een geweldige beurtzang tot lof van Christus (die gezongen zeker nog indrukwekkender is dan gelezen), een nieuw gezang genoemd (9) omdat in het O.T. nieuwe daden van God met een nieuw gezang begeleid worden (Ps. 40:4). In de oudheid werden krijgsgevangenen en slaven vaak met geld vrijgekocht; zo heeft Christus de gelovigen gekocht met zijn bloed (9); niet opdat ze in een ‘lege vrijheid’ zouden leven, maar opdat ze een volk van God zouden zijn (voor God). Voor koninkrijk en priesters (10) zie 1:6. In vs 11 wordt de lofzang op Christus overgenomen door de engelen, die met precies dezelfde getallen als in Dan. 7:10 aangeduid worden als ontelbaar veel. In vs 13 hoort Joh. alle schepselen erkennen dat aan God en Christus de eer toekomt; hier grijpt het visioen vooruit naar de voleinding; nu zien we nog niet dat alle dingen aan God en Christus onderworpen zijn, maar eenmaal zal het zo zijn.

De eerste vier zegels geopend 6:1-8

Volgens sommigen wordt de boekrol pas ontrold en gelezen na opening van alle 7 zegels, en is wat gebeurt bij de opening van de eerste 6 zegels alleen maar voorbereiding. Op de oproep ‘Kom!’ van de troonwachters (dieren, zie 4:6-8) komt telkens een ruiter te voorschijn; het ‘kom en zie’ van SV rust op minder goede handschriften. De paarden met verschillende kleur doen misschien denken aan paardenrennen, die tot eer van de romeinse keizer gehouden werden, maar toch vooral aan de paarden van 4 verschillende kleuren, die in Zach. 6:1-8 de aarde doorkruisen (vgl. ook Zach. 1:8). In de ruiter op het witte paard (2) heeft men wel eens Christus willen zien, maar in onze eeuw zijn de meeste uitleggers van mening dat pas in 19:11 Christus als ruiter op een wit paard verschijnt en dat hier in hst. 6 de eerste ruiter het onheil van een binnendringend leger betekent. Er zijn inderdaad twee redenen waarom de eerste ruiter Christus niet kan zijn:

1.de paarden van vier verschillende kleuren vormen bijZacharia een bij elkaar behorende groep met werk van eenzelfde soort, zodat hetzelfde hier te verwachten is. 2. het is niet aan te nemen dat Christus voor Joh. op hetzelfde ogenblik zichtbaar zou zijn als zegel-openend Lam en uitrijdende ruiter (dit laatste bezwaar vervalt bij de opvatting van O. Cullmann dat de eerste ruiter niet Christus zou zijn maar de overwinningsgang van het evangelie). De ruiter met de boog herinnert veeleer (zoals A. Schlatter zegt) aan de Parthen, een boogschietend ruitervolk uit Iran, waar zelfs de romeinse legers bevreesd voor waren, terwijl het tweede paard misschien meer aan burgeroorlog doet denken.

De weegschaal voor het afwegen van voedsel, die de derde ruiter vasthoudt (5) betekent hongersnood (Lev. 26:26 en Ez. 4:16 zijn hier gebruikt!), waarop ook de prijs van een maat tarwe (± ) in vs 6 wijst, omdat die prijs vele malen hoger is dan de toenmaals gebruikelijke; de hongersnood is nog iets gematigd door het gespaard blijven van olie- en wijnoogst. In vs 8 worden nauwkeurig de vier gerichten Gods uit Ez. 14:21 opgesomd: zwaard, honger, zwarte dood (di. pestziekte) en wilde dieren (die vermenigvuldigen in door oorlog getroffen en ontvolkte streken).

Zoals veel profetieën uit het O.T. een herhaalde vervulling vinden, zo komen ook de rampen, door de nieuwtestamentische profeet Johannes bij de eerste vier zegels gezien, herhaaldelijk tot vervulling in de geschiedenis.

Het vijfde en zesde zegel 6:9-17

Zoals er treffende parallellie is van de eerste vier zegels met Mat. 24:6 en 7, zo ook van het vijfde zegel met Mat. 24:9. Joh. ziet in de hemel een altaar, en aan de voet daarvan de zielen der martelaren. Aan de voet van het brandofferaltaar in Jeruzalem werd het bloed van de offerdieren uitgegoten, en het leven, de ziel, is in het bloed (Gen. 9:4). Zo worden de martelaren getekend als offer voor God.

Het getuigenis dat zij hadden (9) betekent het getuigenis dat zij bewaarden of uitdroegen. Het roepen van de martelaren in vs 10 komt niet uit wraakzucht voort; uit het O.T. leren we dat onschuldig vergoten bloed (over bloed gaat het in vs 10) automatisch om Gods vergelding roept (Gen. 4:10); ook kan het de martelaren niet euvel geduid worden dat ze verlangen naar de dag waarop het onrecht op aarde ophoudt en ‘het oordeel vol majesteit wederkeert tot gerechtigheid’. De martelaren krijgen een wit gewaad (11), wat betekent dat ze burgerrecht in de hemel verkrijgen (wit is de hemelse kleur); en hun wordt gezegd dat het door God bepaalde getal martelaren vol moet worden. De vele christenen, die door Nero in Rome op de wreedste manieren omgebracht waren, waren in Joh. tijd niet vergeten; maar er zullen nog meer martelaren volgen!

Er zijn uitleggers, die gedacht hebben dat bij het zesde zegel (vss 12-17) de ondergang der wereld beschreven wordt, maar anderen hebben er terecht op gewezen dat er bij de opening van het zevende zegel (in hst. 8) nog nieuwe oordelen komen; daarom is het meest bezonnen het oordeel van een uitlegger die schrijft dat in vss 12-17 een grote aardbeving beschreven wordt met trekken die aan de grote oordeelsdag ontleend zijn. Bij een grote aardbeving wordt inderdaad alle berg en eiland van zijnplaats gerukt (14); mensen die een grote aardbeving hebben meegemaakt, getuigen wat een verbijsterend gevoel het is als de vaste aarde beweegt. Men heeft er wel op gewezen, dat bij een grote aardbeving de atmosfeer soms verduisterd wordt, waardoor mensen de indruk krijgen dat de hemel (het uitspansel) en de sterren des hemels verdwenen zijn, als opgerold en gevallen (13, 14). Inderdaad hebben in vss IS en 16 de mensen het gevoel alsof de oordeelsdag reeds gekomen is. Het zich verbergen in de holen en in de rotsen (bergspleten en spelonken) komt uit Jes. 2:19-21, en de roep tot de bergen: ‘valt op ons’ uit Hos. 10:8. Het is niet juist de trekken van vss 12-17 te ‘vergeestelijken’, waarvan de kanttekenaren van de SV (zelf aarzelend) een voorbeeld geven.

De 144.000 verzegelden 7:1-8

Hier wordt in een ‘tussenspel’ tussen het zesde en het zevende zegel antwoord gegeven op de vraag wat er met de gelovigen gebeurt tijdens de gerichten. Er zijn winden (orkanen) die losgelaten dreigen te worden door 4 engelen die staan op de vier hoeken van de (als een vierkant, plat vlak voorgestelde) aarde.

In vss 2 en 3 ziet Joh. het gezicht van Ez. 9 tot een nieuwe vervulling komen. In Ez. 9 wordt een teken gezet op de voorhoofden van die mensen in Jeruzalem, die niet aan de afgoderij meedoen; Joh. ziet hoe een engel, komend van de opgang der zon (van het Oosten verschijnt Gods heerlijkheid in Ez. 43:2) samen met zijn helpers de oprechte volgelingen van God aan hun voorhoofden verzegelt (3). In de oudheid hadden mensen soms een teken op hun lichaam dat aangaf dat ze aan een bepaalde godheid of een bepaalde meester toebehoorden. De betekenis van het zegel is hier dat zij Gods eigendom zijn en onder zijn bescherming staan. Dit zegel betekent geen bescherming tegen het martelaarschap, want het verdere van het boek Op. spreekt juist veel over het martelaarschap; ook kan het zegel niet betekenen dat de gelovigen niets te lijden zullen krijgen van de rampen die, vooral dicht voor de wederkomst van Christus, over de wereld komen. Mogelijk betekent het zegel dat God de gelovigen geestelijke ondersteuning geeft in leed. Eén duidelijke aanwijzing geeft het boek Op. zelf; als in Op. 9 een leger duivelen de mensen gaat kwellen, kunnen die duivelen geen schade doen aan de mensen met het zegel Gods op hun voorhoofd (volgens 9:4). Zo blijkt het zegel in ieder geval Gods bescherming in te houden tegen de macht van de duivelen.

Joh. kan de verzegelden niet zelf tellen, omdat ze daarvoor teveel zijn, maar hij hoorde hun getal (4), 12.000 uit elke stam van Israel; dat getal is zeker niet letterlijk bedoeld, maar zinnebeeld van volledigheid. De stam van Jozef wordt twee keer genoemd, Jozef èn zijn zoon Manasse; inderdaad mocht Manasse als zelfstandige stam gerekend worden (Gen. 48:5); maar zo is er geen plaats voor Dan, die misschien weggelaten wordt vanwege de menigvuldige afgoderij in die stam (Ri. 18:1; 1 Kon. 12). De mening van sommige uitleggers, dat deze 144.000 verzegelden alleen Joden zijn (die in Christus zijn gaan geloven) is niet te verdedigen, omdat de andere christenen het dan zouden moeten doen zonder bescherming tegen de aanval van de duivelen in 9:4. Daarom zijn er meer uitleggers, die menen dat hier alle gelovigen bedoeld zijn, die immers allen door het geloof in Christus ‘Abrahams zaad’ geworden zijn (Gal. 3:29). Alleen blijft het uitvoerig opsommen van de 12 stammen in vss 5-8 dan nog bevreemdend. Deze moeilijkheid verdwijnt bij de zeer aantrekkelijke uitleg, dat de 144.000 het hele volk Gods aanduiden in twee concentrische cirkels; als binnenste kring de tot geloof gekomen Israëlieten (waaruit immers ook ae oudste kerk werd opgebouwd volgens Hand. 1-9), en als bredere kring daaromheen de gelovig geworden heidenen die zijn ‘geënt op de stam van Israel’ (Rom. 11: 17).

De schare met witte klederen 7:9-17

Nadat Joh. in 7:1-8 een visioen gezien heeft van de ‘strijdende kerk’, verzegeld met het zegel van Gods bescherming, ziet hij in 7:9-17 een visioen van de ‘triomferende kerk’, zoals die eenmaal aan het eind der tijden in Gods heerlijkheid zal verkeren. Deze triomferende kerk is dezelfde als de strijdende kerk in vss 1-8, alleen wordt het symbolische getal 144.000, dat de band met het Godsvolk Israel aangaf, weggelaten en vervangen door de meer algemene aanduiding van een grote schare uit alle natiën (9), die niet door één mens alleen geteld kan worden.

Het staan voor de troon van God kan betekenen de troon van God in de hemel, maar in 22:3 lezen we dat na het laatste oordeel de hemel als het ware verenigd zal worden met de vernieuwde aarde en de troon van God op die nieuwe aarde zal zijn; er is veel te zeggen voor de opvatting dat Joh. hier een vooruitgrijpend visioen ziet van de nieuwe aarde, omdat in dit visioen de laatste grote verdrukking al voorbij is (volgens vs 14).

De witte gewaden (9) betekenen hemelse heerlijkheid (zoals de engelen in Jezus’ graf witte gewaden droegen), maar krijgen straks in vs 14 daarnaast nog een tweede betekenis. Ook de palmtakken (9) hebben twee betekenissen: ze zijn teken van overwinning, en tegelijk een herinnering aan het loofhuttenfeest, een dankfeest waarbij de Israëlieten met palmtakken in de hand in de voorhof van de tempel stonden (Lev. 23:40). In Zach. 14:1619 staat ook al dat in de voleinding mensen uit alle volken het loofhuttenfeest zullen vieren. Op het loofhuttenfeest stonden de Israëlieten niet zwijgend in de voorhof, maar jubelend; zo jubelt in vs 10 de grote schare dat de zaligheid (het heil) van God en het Lam (Christus) komt; het heil is niet door hen zelf bewerkt, maar door God! Met ‘amen’ (wat betekent: ‘het is zo’) sluiten de engelen zich bij die lofprijzing aan; voor de oudsten en de vier dieren zie men de aant. bij 4:4-8. De profeten in het O.T. kregen soms uiüeg van een visioen door gesprek met een engel (bv. Zach. 4:4-7); evenzo krijgt Joh. door gesprek met een oudste, di. een engel (zie uitleg van 4:4) te horen dat de schare met de witte gewaden uit de grote verdrukking komt (14). Bedoeld is de grote verdrukking die Joh. voor de christenen zag naderen door de hand van de romeinse keizer (zie hst. 13); God openbaart aan de profeten niet alle bijzonderheden van de toekomst, en openbaart aan Joh. niet hoeveel verdrukkingen er daarna nog voor de kerk zouden komen. De machtige troost van deze tekst is dat de verdrukking uitloopt op heerlijkheid. Gewassen (14): naast de betekenis van hemelse heerlijkheid wordt nu aan de witte gewaden de betekenis vanreinheid gegeven; die reinheid is verkregen door het geloof in het verzoenend offer van Christus {het bloed des Lams). Daarom, dwz. door die reiniging, mogen de gelovigen in de tegenwoordigheid Gods verschijnen. De oude Israëlieten mochten in Ex. 19:10 alleen met gewassen klederen in Gods tegenwoordigheid komen, wat hier in hogere zin vervuld wordt.

In het God dag en nacht vereren in zijn tempel (15) wordt het beeld van het loofhuttenfeest nog voortgezet; ‘dag en nacht’ is synoniem met onophoudelijk.

Dit visioen van een loofhuttenfeest in heerlijkheid wil wel niet als een complete en letterlijke beschrijving van het eeuwige leven fungeren, maar een beeld geven van de blijdschap in God en de toewijding aan God die dat eeuwige leven kenmerken. Dat God zijn tent over hen zal uitspreiden (15) betekent dat Hij beschermend bij hen wonen zal, met herinnering aan de tabernakel en de wolkkolom in de woestijn.

Met woorden uit Jes. 49:10 wordt er gezegd dat er geen honger, dorst en zonnehitte zal zijn, wat net als in het O.T. beeld is van zowel lichamelijk als geestelijk lijden. In het Lam zal hen weiden (17) gaat de belofte van Ez. 34:24 in vervulling, en tegelijk Ps. 23:1. De overige woorden van vs 17 zijn genomen uit Jes. 49:10 en Jes. 25: 8. De mooiste kleuren van het palet van de profeten en psalmisten zijn hier gebruikt; hoe indrukwekkend het slot: God zal alle tranen afwissen!

Het zevende zegel 8:1-5

Hst. 7 was een tussenstuk, bedoeld om de gelovigen te troosten; in hst. 8 gaat de opening van de zegels verder. De opening van het zevende zegel zal straks leiden tot zeven bazuinstoten, die het sein van nieuwe rampen zijn. Maar eerst maakt Joh. in zijn visioen een stilte van een half uur in de hemel mee (1). De lofliederen van de engelen, waarover we in hst. 4 lazen, zwijgen even. Dit is een stilte van gespannen verwachten van wat gebeuren zal, maar deze stilte is tegelijk gevuld met voorbereidingen; Joh. ziet immers hoe bazuinen aangereikt worden aan de zeven engelen, die tot dienst bereid voor Gods troon staan. Het woordje de wijst op bekende engelen, waarschijnlijk de zeven aartsengelen, waar men in Israel van sprak; bazuinen zijn lange rechte metalen blaasinstrumenten. Wat verder gebeurt tijdens het half uur stilte gelijkt nauwkeurig op wat er elke morgen en middag in de tempel te Jeruzalem geschiedde. Terwijl de priesters, de Levieten en de Israëlieten die in de voorhof waren stilte bewaarden, trad een priester het vertrek, dat het heilige genoemd wordt, binnen en strooide fijngestoten wie-rookhars, die hij uit een gouden schaal nam, op de gloeiende houtskool die op het gouden reukofferaltaar uitgespreid was, zodat de geurige rook voor Gods aangezicht opsteeg. Zo’n wierookoffer als in de tempel ziet Joh. door een engel in de hemel gebracht worden, waarbij de opstijgende rook als het ware een voertuig wordt voor de gebeden der heiligen (4). ‘Heiligen’ kan omschreven worden als ‘zij die bij Christus behoren’. Dit visioen wijst erop dat de engelen met de gelovigen samenwerken, maar verzekert ons er vooral van dat de gebeden der gelovigen inderdéad bij God aankomen, en een machtige invloed hebben. Immers het wierookvat der gebeden wordt met het vuur (de gloeiende kolen) van het altaar gevuld en uitgestort op de aarde (5). Als inhoud van de gebeden kan men denken: ‘Uw Koninkrijk kome’; als antwoord richt God dat Koninkrijk op, ook door de weg van gerichten heen. Door de wereld bespotte en gering geachte gebeden schakelt God in zijn werk in. Het uitstorten van vurige kolen op aarde is herhaling van het visioen van Ez. 10:2. In vs 5 kan stemmen beter met ‘gedruis’ vertaald worden.

De zeven bazuinen 8:6-11:19

De vier eerste bazuinen 8:6-13

In Joël 2:1 en Mat. 24:31 is de bazuin inleiding van het laatste oordeel; de rampen die in hst. 8 bij de bazuinstoten van de engelen geschieden zijn als het ware stappen naar de oordeelsdag.

Het is duidelijk dat bij de eerste vier bazuinstoten God aan Joh. een herhaling laat zien van de plagen die over Egypte kwamen vóór de bevrijding van Israel, namelijk hagel en vuur (7), water dat bloed wordt (8), en licht dat verduisterd wordt (12) (zie Ex. 7-10). Zoals God vóór de bevrijding uit Egypte plagen deed komen waarmee Hij de Egyptenaren tot inzicht wilde brengen, zo doet Hij ook vóór de uiteindelijke bevrijding van zijn volk. Maar de plagen die Egypte troffen worden verhevigd; bij hagel en vuur (wat in Ex. betekent hagel waardoorheen bliksemstralen schieten) komt nu een regen van bloed (7); en de plagen die’Egypte troffen worden wereldwijd; alleen wordt nog tweederde van de wereld gespaard. Achter de alsem (11) staan de woorden van Jer. 9:15 en 23:15: Tk (de Here) spijzig hen met alsem’. Bij de vergelijking met de alsemplant gaat het alleen om het bittere, niet om het vergiftige; het bittere alsemsap is nl. niet giftig.

In vs 12 blijkt uit het slot van het vs, dat niet de lichtkracht van de zon vermindert, maar dat de zon, maan en sterren voor het derde deel van de dag verduisterd zijn. Bij de eerste vier bazuinstoten worden de hulpbronnen van het menselijk leven aangetast: plantengroei, zeewater, zoet water en licht. Het is mogelijk dat God in de visioenen die Hij aan Joh. het zien, aansloot bij huiveringwekkende ervaringen van de mensen uit die tijd; men sprak nog over de hevige uitbarsting van de aan de zeekust gelegen vulkaan Vesuvius in 79, toen hete stenen in de zee vielen, waardoor vs 8 begrijpelijker wordt. Vragen we hoe deze visioenen vervuld worden, dan moeten wij bedenken dat de oudtestamentische profetieën vaak meerdere malen vervuld werden, en dat dit soms ook duidelijk geldt van het boek Op. (zie bv. hst. 13); en we moeten ook bedenken dat bijbelse profetie geen minutieuze ‘reportage van de toekomst’ geeft, maar hoofdlijnen laat zien. We moeten het aan God overlaten op welke wijze Hij vervullingen geeft van hst. 8; milieubederf en watervergiftiging door radio-actieve straling, zouden vervullingen kunnen zijn.

In vs 13 ziet Joh. een arend (het griekse woord kan ook ‘gier’ betekenen) in het zenit vliegen; zijn akelig gekras wordt tot woorden die nieuwe rampen inleiden.

De vijfde bazuin 9:1-12

De plagen van Egypte blijven ook hier nog de achtergrond vormen. Zoals in Egypte een sprinkhanenplaag optrad (Ex. 10), zo ziet Joh. sprinkhanen verschijnen(3). De beschrijving die Joh. geeft klopt ten dele met echte sprinkhanen. In de oudheid vond men dat de langwerpige kop en de sterke poten van een sprinkhaan op een paard geleken; vandaar de vergelijking met paarden in vs 7. De lange voelsprieten op de kop van een sprinkhaan lijken op vrouwenhaar (8); het aan het lichaam vastgegroeide borstschild van een sprinkhaan lijkt op een harnas; het snorren van de millioenen vleugels van een sprinkhanenzwerm doet aan het gedruis van wagens denken (9). Maar de sprinkhanen die Joh. ziet hebben ook voor sprinkhanen ongewone trekken: een angel aan de staart, waarmee ze pijnlijke steken toebrengen gelijk de schorpioenen met hun staart doen (10), ze dragen overwinningskransen en hebben mensenaangezichten (7) ten teken dat het denkende wezens zijn. Anders dan gewone sprinkhanen tasten ze niet de gewassen, maar de mensen aan (4). Deze sprinkhanen zijn in feite duivelen (demonen), want in vss 1-3 zien we dat ze uit de put van de afgrond komen, die geopend wordt door een dienende engel die uit de hemel neerdaalt met de snelheid van een vallende ster (1). Nu is de afgrond (in het Grieks abussos) een plaats waar boze geesten tijdelijk gevangen gehouden worden, waar we ook van lezen in Luc. 8:31 en Op. 20:1- de tijd van Joh. stelde men zich die ‘afgrond’ voor als een onderaardse ruimte, die via een soort schacht met de aarde in verbinding stond; men dacht zich die ruimte met vuur gevuld, zodat er rook uit opsteeg (2) als de afsluitdeur van de schacht geopend werd. In de pijniging die de losgelaten duivelen veroorzaken zien sommige uitleggers een lichamelijke ziekte, maar anderen een louter geestelijke kwelling. Juist in onze moderne tijd kunnen we mensen ontmoeten die alle geestelijk houvast kwijt zijn en niet meer geloven dat godsdienst, moraal, geloof en liefde een werkelijke betekenis hebben. De duivelen werken graag mee aan die twijfel aan geestelijke waarden en aan de wanhoop en levensmoeheid (6) die daaruit kunnen voortvloeien; het is te begrijpen dat pijniging van dit soort voor de ongelovigen is, en niet voor de mensen met het zegel van God, di. de gelovigen. Maar er kunnen nog meer manieren zijn waarop dit visioen vervuld wordt.

De losgelaten demonen zijn georganiseerd; hun hoofd (een boze geest) wordt in het Hebreeuws Abaddon genoemd (verderf) en in het Grieks Apollyon (verderver) (11). Misschien wil de gelijkheid van klank van Apollyon en Apollo (de naam van een van de bekendste heidense goden uit die tijd) tot uitdrukking brengen dat de afgoden met de duivelen in verbinding staan, zoals ook 1 Kor. 10:19-21 zegt. Vijf maanden lang (5 en 10) is de symbolische aanduiding voor een vrij lange maar toch beperkte tijd. In vs 12 blijkt het drievoudig weegeroep van de adelaar (8:13) opgevat te worden als aankondiging van drieërlei rampen.

De zesde bazuin 9:13-21

Het gouden reukofferaltaar in de hemel wordt voorgesteld met vier horens aan de hoeken, net als het reukofferaltaar in Jeruzalem; de stem uit die horens (13) komt van dezelfde plaats waar vandaan in 8:3 de gebeden der gelovigen opstegen, zodat die stem een antwoord is op die gebeden, die dus een rol spelen in de wereldgeschiedenis. Vier kwade engelen worden nu losgelaten, die gebonden waren tot het tijdstip dat God voor zijn gerichten bepaalt; vier wijst op een wereldwijd gericht (14 en 15). De Eufraat wordt ook in Gen. 15:18 de grote rivier genoemd. De Eufraat, waarachter in het O.T. de Assyriërs en Babyloniërs woonden en in Joh. tijd de gevreesde Parthen, is een symbolische naam van verschrikking. De ruiterij, die door de vier kwade engelen wordt aangevoerd, bestaat niet uit mensen, maar uit duivelen (demonen); daarop wijst reeds het praktisch ontelbare getal uit vs 16; zoals er ontelbaar veel engelen zijn (zie 5:11), zo zijn er ook ontelbaar veel duivelen. Maar in vss 15 en 18 wordt gezegd dat door deze duivelen het derde deel van de mensen gedood werd. Hoe doden deze duivelen? Volgens sommige uitleggers door ziekte, maar de beste opvatting zal wel zijn dat deze duivelen de mensen tot bloedige oorlogen ophitsen, waardoor de doden vallen. De krachten der vernietiging, die ze ontketenen, ziet Joh. in de vorm van paarden die vuur en zwavel uit hun muil uitbraken (17) en die staarten hebben als slangen, met koppen, die overal heen bijten (19); de berijders der paarden hebben harnassen waarvan de kleuren overeenkomen met wat de paarden uitspuwen: rossig (kleur van het vuur), blauw (kleur van de rook) en zwavelkleurig (17). Monsters die vuur uitspuwden en wier lichaam in slangen eindigde kwamen in de oudheid in volksverhalen voor; Joh. verzekert dat hij in dit gezicht werkelijk zulke monsters zag (17); maar wat in een visioen gezien wordt kan in werkelijkheid enigszins anders vervuld worden, bv. in allerlei verderfbrengend oorlogsmateriaal, waarbij we ook nog moeten bedenken dat de oorlogsgruwel die Joh. zag meerdere malen vervuld kan worden (zie Inl.). Vss 20 en 21 leggen.nadruk op de kracht van de zonde, waardoor immers zo vaak roepstemmen vruchteloos blijven. Joh. geeft in vss 20 en 21 een concrete opsomming van dingen die God mishagen, waarbij natuurlijk ook de in die tijd veelvuldige afgodsbeelden genoemd worden; afgodendienst wordt gelijkgesteld met aanbidden van boze geesten (zoals in Ps. 106:37, 38). Toverijen (21) is zeker betere vertaling dan ‘venijngeving’ in SV (in Kantt. van SV ook reeds geopperd); toverij, in Deut. 18:10 en 11 verboden, was in Joh. tijd zeer in zwang (zie bijv. Hand. 19:19) en in onze tijd niet verdwenen (amuletten, occultisme).

Het geopende boek 10:1-11

Na de aankondiging van rampen begint hier weer een tussenstuk, dat in hst. 10 handelt over een nieuwe roeping van Joh., en in hst. 11 over het getuigen van de kerk, en over het israelietische volk. Hst. 7 vormde ook al zo’n ‘tussenstuk’.

De majesteitelijke sterke engel die Joh. hier in hst. 10 ziet, heeft veel gelijkenis met de engel met linnen klederen, die aan Daniël verscheen in Dan. 10-12; beiden hebben een stralend gelaat, en staan op het water (vgl. vs 2 met Dan. 12:6), beiden hebben een dreunende stem (vgl. vs 3 met Dan. 10:6), beiden zweren een eed met naar de hemel geheven hand (vgl. vs 5 met Dan. 12:7). Door het zien van een verschijning, zo sterk gelijkend op de verschijning die Daniël zag, wordt Joh. op één lijn gesteld met de profeet Daniël; straks in hst. 13 zal ook veel uit het boek Daniël terugkeren.

Maar behalve ‘een nieuwe Daniël’ wordt Joh. ook ‘eennieuwe Ezechiël’. Zoals de profeet Ezechiël in Ez. 2:9 tot 3:3 een geopende boekrol moet opeten (wat het in zich opnemen van de openbaring van God betekent), zo moet ook Joh. een geopend boek eten, in de toenmaals gebruikelijke vorm van een rol (2 en 9). De boekrol die door een machtige engel overhandigd wordt, versterkt Joh. roepingsbesef en zijn gezag bij zijn lezers. De mening van de uitieggers verschilt over wat in de boekrol stond: alleen 11:1-13, of een groter deel van Op.? Het valt op dat Joh. niet mocht opschrijven wat hij hoorde in de zeven donderslagen (4); misschien is dit temidden van al Gods openbaringen bedoeld als een vermaning voor ons tot bescheidenheid; God openbaart niet alles aan ons. In vs 6 is er zal geen uitstel meer zijn een duidelijker vertaUng dan ‘er zal geen tijd meer zijn’ (SV). Het gaat hier zeker niet om een ‘ophouden van het verschijnsel tijd’. Na al de voorgaande oordelen, waarin een zeker uitstel gelegen was, zal nu in hst. 13 de Antichrist komen. In vs 7 betekent het geheimenis Gods zijn verborgen plan, en de profeten zijn die uit de tijd van het O.T. en het N.T. In vs 10 is de opgegeten boekrol zoet als honing (zoals in Ez. 3:3) en tegelijk bitter; de eenvoudigste verklaring hiervan is dat Joh. zoete dingen voorspelt over de komst van Gods Koninkrijk en tegelijk bitter lijden voor de kerk en de wereld. In vs 11 wordt Jer. 1:10 herhaald.

De twee getuigen 11:1-3

In Ez. 40-42 mat, in een visioen, een engel de tempel in Jeruzalem tot verzekering van de wederopbouw; Joh. moet ook in een visioen de tempel Gods in Jeruzalem meten (1), die in de tijd dat Joh. op Patmos verkeerde (± 95 n. Chr.) in feite al verwoest was (in 70 n. Chr.). Sterke stengels van riet (1) werden in die tijd als meetstok gebruikt. In de tempel die Joh. in jongere jaren nog gezien had met eigen ogen, waren heilige voorhoven waar het brandofferaltaar stond en waar alleen Israëlieten mochten komen, en een buitenvoorhof (die in vs 2 genoemd wordt ‘de voorhof die buiten de tempel is’), waar ook heidenen mochten komen. Joh. mag de binnenste voorhof, met degenen die daar aanbidden, afmeten, ten teken dat die binnenste voorhof door God beschermd zal worden. Dit betekent niet dat er een stukje van de tempel zou blijven staan, want in 70 n. Chr. ging alles in vlammen op; de aanbidders in de binnenste voorhof krijgen een symbolische betekenis: het zijn degenen die God aanbidden, zoals Hij Zich in Christus geopenbaard heeft, met daaronder diegenen van de Joden die Christus aanvaard hebben; de boodschap van de bewaring van de 144.000 uit hst. 7 wordt hier herhaald onder een ander beeld. Maar terwijl God de zijnen beschermt, wordt de heilige stad (Jeruzalem) vertreden, twee en veertig maanden lang (2); hier wordt de profetie uit Dan. 7:25 aangehaald, die sprak van VA jaar (geUjk aan 42 maanden) verdrukking voor Israel; Jezus sprak in Luc. 21:24 ook over ‘de tijden der heidenen waarin Jeruzalem vertrapt zal worden’, die in feite langer kunnen duren dan de tot symbool geworden VA jaar.

Gedurende die 42 maanden van vertrapping en verdrukking voor het volk Israel (die ook twaalfhonderd zestig dagen genoemd kunnen worden, omdat 42 maal 30 dagen 1260 is) houdt Gods zorg voor Israel niet op; immers Hij zendt temidden van het israeUetische volk twee getuigen; zij profeteren, di. prediken, bekleed met een zak (3); een ‘zak’ is een grof gewaad van geiten- of kameelhaar, dat als rouwgewaad of boetegewaad diende; het zijn dus boetepredikers. De twee getuigen worden in vss 5 en 6 met trekken van Elia en Mozes getekend; toch kunnen we hen het best opvatten als de getuigende kerk van Christus; het getal twee houdt verband met het feit dat in de bijbelse tijd twee getuigen nodig waren om de waarheid vast te stellen (Deut. 19:15). In vs 4 wordt hetgeen in Zach. 4:11-14 van Jozua en Zerubbabel gezegd was, op de getuigende kerk toegepast: zij is als twee olijfbomen vervuld met de oUe van de Heilige Geest, en verspreidt licht als twee kandelaren. Overigens blijkt uit vs 10 straks dat het getuigenis der twee getuigen, dus van de kerk, zich niet alleen richt tot de Joden, maar algemeen tot degenen die op de aarde wonen.

In vss 5 en 6 wordt de vertroostende waarheid geleerd dat niemand de getuigende kerk kan tegenhouden en uitroeien (schade toebrengen) totdat haar getuigenis voleindigd is; hier wordt met andere woorden gezegd wat in Mat. 24:14 staat: ‘het evangelie zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen’. Tenslotte behaalt het beest uit de afgrond, de antichrist (waarover meer in hst. 13) een tijdelijke overwinning over de kerk (7). Dan ligt de kerk smadelijk op de straat van de grote stad (8), waarmee ongetwijfeld Jeruzalem bedoeld is, gezien de bijvoeging alwaar ook hun Here gekruisigd werd; de naam Sodom werd reeds in Deut. 32:32; Jes. 1:10; 3:9 en Jer. 23:14 aan onbekeerlijke Joden gegeven, die vanwege hun verzet tejen God met Egypte vergeleken kunnen worden. In vss 9 en 10 lezen we dat de inwoners van Jeruzalem (dat zijn de ongelovige Joden, want in het O.T. wordt Jeruzalem vaak als naam voor het hele joodse volk gebruikt) samen met mensen uit de hele wereld blij zijn over de nederlaag van de kerk en het ophouden van de lastige boe-teprediking; ze zenden elkaar geschenken als uiting van vreugde, zoals in Ester 9:19, 22 en Neh. 8:11, en zijn bereid tot smaad (onbegraven laten der Ujken). Zij, die op de aarde wonen (10) heeft in Op. steeds de bij-betekenis van ongelovigen. Hun opluchting over het tot zwijgen gebracht worden van de getuigen van Christus is van korte duur; na drie en een halve dag (symbolisch getal voor een korte tijd) staan die op en varen ten hemel (11, 12). Volgens sommige uitleggers wordt dit telkens in de wereldhistorie vervuld in het onverwacht herleven van de vervolgde kerk, maar wellicht is in het bijzonder bedoeld een rehabilitatie in de eindtijd op een wijze die nu nog niet in bijzonderheden doorgrond kan worden. Een aardbeving vernielt een tiende deel van de stad Jeruzalem (13) en doodt zevenduizend mensen, wat inderdaad ongeveer een tiende is van het inwonertal van Jeruzalem in de tijd van het N.T. Dat betekent een gericht over de Joden; want Jeruzalem is zinnebeeld van het joodse volk. De overgebleven Joden komen tot bekering, want God de eer geven (13) is in de Bijbel steeds uitdrukking voor bekering (bijv. Ezra 10:11 en Jer. 13:16). Zo is het einde de bekering van Israel (vgl. Rom. 11). Prof. A. Wiken-hauser zegt terecht dat in een zo omvangrijke profetie over het einde der wereld, als Op. geeft, ook opheldering over de toekomst van het volk Israel te verwachten is. Er is in vss 1-13 veel vertroostends: de getuigende kerk doorGod geleid en bewaard en de bekering van Israel.

De zevende bazuin 11:14-19

Na het tussenstuk 1 O.T tot 11:13 wordt de draad weer opgenomen. Het tweede wee (14) was in 9:13-21 beschreven. Vóór de gebeurtenissen, die bij de zevende bazuin behoren, intreden, hoort Joh. een wisselzang in de hemel van engelen (luide stemmen in de hemel, vs 15) en de vierentwintig oudsten (hoge engelen, zie 4:4); in deze prachtige wisselzang wordt vooruitgrijpend gezongen over de laatste voleinding, de volle oprichting van de heerschappij van God en Christus. In vs 18a zijn enkele aanhalingen uit Ps. 2; ‘de kleinen en de groten’ in vs 18b is een oudtestamentische zegswijze (bv. Ps. 115:13), die mensen van hoge en lage rang betekent; de aarde verderven (18) betekent moreel bederven (vgl. 19:2).

In vs 19 wordt aan Joh. de ark van Gods verbond getoond in de hemelse tempel; die ark is het hemelse voorbeeld van de ark die in Jeruzalem stond, en wijst erop dat God door alle gebeuren heen zijn verbond handhaaft, dat is opgericht met Israel en met de kerk; zware hagel (19) wijst op Gods oordelen (zie 16:21).

De vijanden van de kerk nl. de draak en de twee beesten

De vrouw en de draak 12:1-18

In hst. 12 ziet Joh. in een groots visioen wat de achtergrond is van de vervolging die de kerk ondervindt. Hij ziet in de hemel (1), di. tegen het firmament, een vrouw met heerlijkheid bekleed, die op het punt staat een kind te baren (2). Aangezien in het O.T. (waar Op. steeds op teruggrijpt) het volk Gods talloze malen als een vrouw wordt voorgesteld (‘de dochter Sions’) en vaak ook als barende vrouw (bv. Jes. 66:7, 8) zijn de uitleggers het erover eens dat de vrouw, die Joh. ziet, het oude volk Gods, Israel, betekent en tegelijk de christelijke kerk die het nieuwe volk van God is. Ook de zon, de maan en twaalf sterren (1) die de vrouw omringen, wijzen op Israel, want in Gen. 37:9 ziet Jozef in zijn droom Jakob, Rachel en de stamvaders van de twaalf stammen in de gedaante van zon, maan en sterren. Met de zon bekleed (1) betekent omstraald met zonlicht; al die heerlijkheid geeft de belangrijkheid van het volk van God aan. Het kind, dat de vrouw baren zal is Christus, die immers naar het vlees uit Israel voortgekomen is.

Tegenover de vrouw staat een rossige draak (3); een draak is een grote slang, en rossig wijst op moordzucht. In vs 9 wordt verklaard dat deze draak de duivel is. Als teken van zijn macht heeft hij zeven koppen, tien horens en zeven kronen (3); voor ‘kronen’ staat in de griekse grondtekst ‘diademen’. Wellicht zijn de zeven koppen ontleend aan de koppen van de Leviatan in Ps. 74:14, en de tien horens aan Dan. 7:7. Het neerwerpen van dester-ren des hemels herinnert aan Dan. 8:10; het is niet uit te maken of het hier in Op. het verleiden van een deel der engelen betekent (Judas 6), of meer algemeen de vernieling die de duivel in de schepping aanricht.

De bedoeling van de duivel is om de Christus, die geboren wordt tot vernietiging van zijn rijk, zo snel mogelijk te verslinden (4); men denkt bv. aan de kindermoord te Betlehem. Maar als uit de vrouw (Israel) de Christus geboren is, die de heidenen zal hoeden met een ijzeren staf (zie bij 2:27), slaagt satan er niet in Hem te vernielen; het visioen verspringt meteen naar het ogenblik waarop satans aanslagen definitief verijdeld werden, nl. toen Christus bij de hemelvaart weggevoerd werd naar God en zijn troon (5), en voor satan onbereikbaar werd. Nu blijft samen met de satan de vrouw over, het volk Gods, dat na Christus’ hemelvaart bestaat uit in Christus gelovende Joden en in Christus gelovende heidenen, die ook Gods volk geworden zijn Q3f. 2:11-22); dit volk van God mag vluchten naar de woestijn (6), zoals in Ex. het oude Israel naar de woestijn vluchtte; de woestijn betekent afzondering en moeite, maar ook onderhouden worden met Gods gaven, zoals Israel ondervond in de woestijn; dat alles duurt twaalfhonderd en zestig dagen (6), een getal dagen dat gelijk is aan VA jaar; dat is weer de uit Dan. 7:25 genomen tijd van verdrukking van de kerk. In vss 7-9 lezen we dat op of rond de tijd van Jezus’ hemelvaart een oorlog in de hemel plaats vindt; we zullen daarbij niet moeten denken aan de derde of hoogste hemel, waarvan Paulus spreekt in 2 Kor. 12:2, maar aan een lagere hemel-afdeling; tegenover elkaar staan de draak en zijn (kwade) engelen (ook Jezus spreekt in Mat. 25:41 van ‘de duivel en zijn engelen’), en Michaël en zijn (goede) engelen. Michaël, die in Dan. 12:1 beschermengel van Israel genoemd wordt, treedt opnieuw op ten bate van Gods volk. Het resultaat is verdrijving van de duivel uit de hemel (8); daarvan sprak ook Jezus in Luc. 10:18 met de woorden: Tk zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen’; door kruis, opstanding en hemelvaart van Christus is de grondslag gelegd voor de definitieve nederlaag van de duivel en het teloor gaan van zijn positie. In vs 9 wordt de duivel openlijk genoemd: hij is de oude slang (oud, omdat hij al in het paradijs optrad), duivel en satan (beide woorden betekenen vijand en aanklager), die de gehele wereld tot zonde verleidt. De schoonheid van het boek Op. wordt verhoogd door de lofliederen die in antwoord op gebeurtenissen gezongen worden; in vs 10 hoort Joh. een luide stem in de hemel (waarsch. weer van engelen als in 11:15) die zingen dat door de zo juist beschreven nederlaag van de duivel de wereldheerschappij van Goden zijn Gezalfde (Ps. 2:2) is komen vast te staan. In Op. wordt steeds de nauwe relatie tussen de gelovigen en de engelen getekend, zodat het mogelijk is, dat zij de gelovigen hun broeders noemen, die door satans uitdrijving uit de hemel niet meer door de satan voor Gods troon kunnen worden aangeklaagd, zoals gebeurde in Job 1:9 en Zach. 3:1; de diepste grond voor het ophouden der aanklachten ligt in het bloed van Jezus (11); maar de ware gelovigen schuilen niet alleen tot vergiffenis bij dat bloed, maar ze zoeken ook kracht bij Christus om Hem niet te verloochenen, maar van Hem te blijven getuigen, en hun leven des noods te offeren in de martelaarsdood; zij hebben hun leven niet liefgehad^ 1) betekent: ‘zij hebben hun leven gering geacht, en opgeofferd’; zo blijven zij overwinnaar te midden van satans verzoekingen.

Ondanks de vreugde der hemelbewoners is er voor degenen die de aarde bewonen en de zee bevaren reden om te sidderen, want de duivel is woedend om zijn onvrijwillige nederdaling uit de hemel en weet van de weinige tijd, die hij nog maar op aarde kan werken (12). De satan heeft een bijzondere haat tegen de vrouw, di. de kerk (zie vs 1); maar bij de nieuwtestamentische kerkwordt herhaald wat God aan de Oudtestamentische kerk deed, nl. dat God haar op arendsvleugelen droeg (Ex. 19: 4enDeut. 32:11 en 12); en zoals God in Ex. Israel in veiligheid bracht naar de woestijn en daar onderhield, zo doet Hij ook aan de nieuwtestamentische kerk, en dat een tijd, twee tijden en een halve tijd, dat is de 3Vi jaar van de tijd van de vervolging uit Dan. 7:25 (14). En zoals Israel in de woestijn afgezonderd leefde van de volkeren, zo moet de kerk, bij alle roeping tegenover de wereld (hst. 11), toch afgezonderd leven van de zonden der wereld, ‘eenzaam, met God gemeenzaam’.

In vs 15 lezen we dat de duivel niet ophoudt met zijn pogen de kerk weg te vagen; hij wordt nu voorgesteld als een zeemonster (zie Ps. 74:13; Jes. 27:1; Ez. 32:2), dat een waterstroom uitspuwt, beeld van de kerkvervolging. Voor Joh. was een gevaarlijke rivier in de woestijn niet vreemd; want in Palestina zijn er in de regentijd gevaarlijke overstromingen in dorre streken. Maar de aarde verzwolg de stroom, wat de lezers in Klein-Azië begrepen, omdat daar rivieren soms onderaards verdwijnen (zoals bij Han in België). Bedoeld is dat de kerk als geheel nooit uit te roeien is (vgl. Mat. 16:18). Wat de satan wel kan doen, is oorlog voeren tegen individuele christenen, die in vs 17 de overigen van het nageslacht van de vrouw genoemd worden; de gróte zoon van de vrouw is Christus (zie vs 1), terwijl de christenen de andere kinderen van de vrouw (de kerk) zijn; zij worden prachtig gekarakteriseerd als mensen die de geboden Gods bewaren en de getuigenis (di. de woorden) van Jezus vasthouden (17).

De draak (de duivel) gaat nu zijn grote veldtocht tegen de gelovigen beginnen; hij gaat staan op het zand aan de oever der zee, om uit die zee het beest, de romeinse keizer, te,doen oprijzen, die satans werktuig zal worden bij de ‘grote vervolging der gelovigen (zie volgend hst.). Het ‘ik stond’ in SV berust op minder goede handschriften.

Het beest uit de zee 13:1-10

Terwijl de draak aan de oever staat (12:18), komt uit de zee (die in het oude Oosten gold als symbool van de anti-goddelijke macht) een beest op, dat bijzonder veel weg heeft van de draak, want het heeft net als de draak tien horens en zeven koppen (12:3); alleen is de draak (satan) een onzichtbare macht, terwijl dit beest zijn zichtbare vertegenwoordiger op de aarde wordt. In vs 2 zien we dat dit dier in zich de trekken verenigt van de luipaard, de beer en de leeuw die Daniël uit de zee zag oprijzen (Dan. 7). Bij Daniël zijn die dieren beeld van koninkrijken uit de Oudtestamentische tijd; het is daarom te verwachten dat het beest dat Joh. ziet een koninkrijk uit de nieuwtestamentische tijd is; de uitleggers zijn het er vrijwel over eens dat het beest dat Joh. op ziet rijzen het romeinse wereldrijk is; dat wordt volkomen duidelijk uit 17:9 en 10, waar van de zeven koppen gezegd wordt dat het zeven koningen (keizers) zijn, waarvan er een in Joh. tijd aan de regering is. We begrijpen dan ook de zeven kronen (in het Grieks diademen), die om de horens gewonden zijn, en de namen van godslastering (1), want juist de romeinse keizer werd god, zoon van god en heiland (redder) genoemd. De duivel geeft aan dit romeinse rijk zijn troon en macht over (2), net zoals God Christus tot zijn aardse gevolmachtigde maakt; de duivel kan niet iets echt nieuws scheppen, alleen het goddelijke pervers naäpen. Ook de kop, welks dodelijke wond genas (3) is duivelse nabootsing van Christus; zeer veel uitleggers menen (wel terecht) dat de eerste lezers van Op. dit wonderlijk genezen worden het best begrijpen konden uit wat in die tijd over Nero verteld werd; Nero, de bekende diep ontaarde romeinse keizer, pleegde, na afgezet te zijn door de romeinse senaat, zelfmoord in een landhuis buiten Rome in 68; maar er ging een sterk gerucht dat hij niet dood was, maar alleen gevlucht, en terug zou keren; sommigen meenden ook dat hij uit de dood zou opstaan; inderdaad wordt in Op. de antichrist als teruggekeerde Nero getekend (zie 17:10, 11 en de aant. daarbij).

Bij de gehele aarde in vs 3 moeten we bedenken dat in Joh. tijd het romeinse rijk het grootste deel van de toenmaals bekende wereld beheerste; de inwoners van dat rijk zullen zich verbazen over de teruggekeerde Nero, en zij zullen de kracht aanbidden die in het romeinse rijk werkt, wat eigenlijk satans kracht is (4). ‘ Wie is gelijk?is een liturgische formule, die eigenlijk tegenover God past (Ex. 15:11).

In vss 5-8 wordt voorzegd dat het beest, di. het romeinse rijk, verpersoonlijkt in de teruggekeerde keizer Nero, de werken van de antichrist zal doen: godslasteringen spreken (door zichzelf een god te noemen, wat de romeinse keizer Domitianus ten tijde van Joh. reeds deed), en oorlog voeren tegen de heiligen (gelovigen), en dat 42 maanden lang (de bekende tijd van verdrukking der kerk). Het is duidelijk dat Joh. verwacht dat een romeinse keizer (de teruggekeerde Nero) binnen afzienbare tijd als antichrist zal optreden; in 17:10,11 zegt Joh. dat de achtste koning (di. keizer) van Rome de teruggekeerde Nero en antichrist zal zijn; zijn profetie is inderdaad vervuld, niet alleen in één keizer maar in verscheidene romeinse keizers die Christus’ kerk met al hun macht vervolgd hebben. Voor Joh. oog was nog verborgen dat zijn profetie, evenals de oudtestamentische profetieën, een herhaalde vervulling zou krijgen; na de romeinse antichrist zouden er nog meer antichristen volgen uit andere volken, en tenslotte zal zijn profetie haar laatste vervulling in de antichrist aan het einde der tijden vinden. Er moet nog op gewezen worden dat in vss 5-7 de profetie van Dan. 7 (vss 7, 8, 20, 21, 25) aangehaald wordt over een mond vol grootspraak, woorden tegen God en strijd tegen de heiligen; de tent Gods in vs 6 betekent de hemel.

In vs 8 wordt gezegd dat bijna allen het beest zullen aanbidden; zij zullen meedoen met dat wat een totalitaire staat wordt met als staatsgodsdienst de goddelijke verering van de keizer; maar de uitverkorenen, die van den beginne geschreven staan in het boek des levens doen niet mee, al zou het hun leven kosten; hierbij sluit een vermaning aan de christenen aan, in vss 9 en 10; helaas is er in vs 10 een verwarring in de griekse handschriften, waarbij de beste lezing wellicht is die van de laatste druk van Nestle’s grieks N.T.: ‘als iemand bestemd is tot gevangenschap, dan gaat hij in de gevangenschap; als iemand bestemd is met het zwaard gedood te worden, dan zal hij met het zwaard gedood worden’ (letterlijke aanhaling van Jer. 15:2 en 43:11); door zich zo aan het voor hen bestemde martelaarschap te onderwerpen, tonen de gelovigen hun volharding en geloof (10).

Het beest uit de aarde 13:11-18

De teruggekeerde Nero, wiens dodelijke wond genezen was (12, zie vs 3), dat is de romeinse antichrist, krijgt hulp van een ander beest; dat ziet er onschuldig uit met zijn twee horens als die van het Lam, maar als het de mond opent spreekt het satanisch. Zeer veel uitleggers menen, wel terecht, dat met dit tweede beest de priesters van de romeinse keizer bedoeld zijn; in Joh. tijd was men juist in Klein-Azië ijverig in het oprichten van tempels voor de als god vereerde romeinse keizer; daaraan waren priesters verbonden, die al hun best deden om te bewerken dat allen de keizer zouden aanbidden (12). Die satanische propaganda-activiteit zal nog toenemen als de teruggekeerde Nero, de grote antichristelijke romeinse keizer verschijnt. De grote tekenen die deze priesters zullen doen, vuur laten neerdalen (13) en het beeld van de keizer laten spreken (15) kunnen ten dele uit goocheltrucs bestaan, maar omvatten ook satanische wonderen, want Jezus zegt in Mar. 13:22 dat er valse profeten zullen opstaan die wonderen doen om zo mogelijk zelfs de uitverkorenen te verleiden (vgl. ook 2 Tess. 2:9); deze priesters worden als ‘valse profeet’ betiteld in 16:13 en 19:20.

Men lette erop dat de draak en de twee beesten als een ‘drieëenheid’ de goddelijke drieëenheid naäpen; de draak wil God de Vader vervangen, het eerste beest wil Christus vervangen, en het tweede beest, dat zich inspant het eerste te verheerlijken, wil de Heilige Geest vervangen, die Christus verheerlijkt (Joh. 16:14).

Bij de grote nadruk in vss 14, 15 gelegd op het beeld van de keizer moet men bedenken, dat een heidense eredienst niet kon bestaan zonder beeld; inderdaad zijn in het romeinse rijk veel christenen gedood omdat ze geen wierook wilden offeren vóór het beeld van de keizer; waarschijnlijk wordt ook weer op het boek Daniël gezinspeeld, nl. het beeld dat Nebukadnezar ter aanbidding liet oprichten (Dan. 3). In de tijd van Joh. was het niet ongewoon dat mensen de naam van een eigenaar, of van een godheid aan wie ze toegewijd waren, op hun lichaam droegen, getatoeëerd of ingebrand; vandaar de naam van het beest op hand of voorhoofd, wat gelegenheid geeft tot economische boycot van hen die dat teken weigeren (16, 17).

In vss 17 en 18 lezen we van het getal 666, waarin de naam van het beest verborgen is; volgens vs 18 kon die naam door de eerste lezers van Op., als ze verstand hadden, gevonden worden; hoogstwaarschijnlijk is het ‘keizer Nero’ (want het beest is immers de teruggekeerde Nero). De methode van berekening is aldus: in het Grieks en het Hebreeuws kende men geen cijfers, en daarom duidde men 1 aan met een a, 2 met een b, enz. Rekent men de getalswaarde van de letters van ‘keizer Nero’ (in het Hebreeuws geschreven) bij elkaar, dan komt men tot 666. Christen geworden Joden in de gemeenten konden helpen bij deze berekening. Het was beter een keizernaam niet ronduit in Op. te schrijven, om inbeslagneming van het boek door de romeinse beambten te voorkomen. Het is mogelijk dat 666 nog een nevenbetekenis heeft, namelijk van onvolmaaktheid, omdat de 6 de 7 niet bereikt.

Men moet blijven bedenken dat de antichrist, die Joh. in een romeinse keizer ziet verschijnen, later in andere vormen opnieuw oprijst in de historie, tot aan de laatste Antichristen; daarom zijn ruimere omschrijvingen van het tweede beest, zoals ‘het propaganda-apparaat van de totalitaire staat’, ‘antichristelijke literatuur’, e.d. niet misplaatst.

De 144.000 op de berg Sion 14:1-5

In dit visioen verschijnen, als tegenhanger van degenen die de antichrist nalopen (13:3), de volgelingen van het Lam (4), zoals die rond Christus geschaard-staan op de berg Sion (1). Sion, de tempelberg, treedt in het O.T. op als plaats van Gods tegenwoordigheid (Ps. 99:2) en als plaats van veiligheid (Joël 2:32: ‘op de berg Sion zal ontkoming zijn’); Sion is in vs 1 wel symbolisch gebruikt. De volgelingen van Christus worden honderd vier en veertig duizend genoemd, zoals in hst. 7; in tegenstelling tot de naam van het beest (13:16, 17) hebben ze de naam van Christus en God op hun voorhoofd (1).

In vs 2 hoort Joh. uit de hemel een machtig en tegelijk lieflijk geluid komen van gezang, begeleid door citers (een soort snareninstrument); er wordt niet gezegd wie dit nieuwe lied over Gods daden zingen (misschien de engelen); voor de vier dieren en de oudsten zie aant. hst. 4. De 144.000 die op de Sion op aarde zijn, horen dit lied uit de hemel en alleen zij kunnen leren dit lied mee te zingen, omdat alleen zij er begrip voor hebben. De gelovigen zijn door Christus’ bloed losgekocht uit het midden der wereldbewoners, wat herinnert aan het toenmaals vaak voorkomende loskopen van slaven en krijgsgevangenen.

In vs 4 staat dat Christus’ ware volgelingen zich niet met vrouwen hebben bevlekt, maar maagdelijk rein zijn; dit is zich onthouden van hoererij (wat de heidenen in Joh. tijd als geoorloofd zagen) en ook een zich onthouden van afgodendienst en keizervergoddelijking (omdat afgodendienst in het O.T. overspel genoemd wordt, bv. Jer. 3:8). Zij volgen het Lam overal, ook in het lijden en de verdrukking. Omdat de eerstelingen van de oogst bij Israel aan God gewijd waren, betekent eerstelingen in vs 4 gewijd bezit. Met aanhaling van Zef. 3:13 wordt in vs 5 gezegd dat in hun mond geen leugen gevonden is; dat betekent niet alleen het liegen tegenover de medemens, maar ook de afgodendienst, die een grote leugen is (vgl. Jer. 10:14). Offerdieren moesten onberispelijk, zonder gebreken zijn; Christus’ ware volgelingen bereiken de onberispelijkheid wel niet, maar God ziet hun oprechte verlangen er naar.

Hoererij en hegen kenmerkten het heidendom in Joh. tijd; deze twee dingen, waarvan de christenen altijd geroepen zijn zich af te scheiden, rijzen gewoonlijk weer op in kringen waar het christendom wordt losgelaten.

De drie engelenboodschappen en de boodschap over de in Christus gestorvenen 14:6-13

Drie engelen waarschuwen; de eerste roept heel de wereld toe om zich tot God te bekeren (6, 7); vreze Gods is heilige eerbied voor God, en God eer geven is in de Bijbel uitdrukking voor bekering (bv. Ezra 10:11 en Jer. 13:16); het is zeer onjuist om in deze eerste engel één bepaalde figuur uit de kerkgeschiedenis verbeeld te zien, eerder verbeeldt hij de predikende kerk; de oproep tot bekering is een goede boodschap, en wordt daarom in vs 6 evangelie genoemd (dat griekse woord betekent goede boodschap).

De roep van de tweede engel: gevallen, gevallen is Babel (8) is letterlijk herhaling van Jes. 21:9; Jesaja sprak van de stad Babel (Babylon) aan de Eufraat, maar Op. wijst erop dat de profetie van Jesaja een nieuwe vervulling zal vinden in de val van Rome, dat ook in 1 Petr. 5:13 Baby-Ion genoemd wordt; ‘is gevallen’ betekent: ‘zal vallen’; de hartstocht zijner hoererij betekent de afgoderij en het zedenbederf dat door de keizerstad Rome over de volkeren verbreid werd. In hstt. 17 en 18 wordt veel uitvoeriger over de val van Babyion gesproken; daar zullen wij bespreken of Babyion ook breder toegepast kan worden. De derde engel waarschuwt allen die het merkteken van het beest aannemen (9), dat is de antichrist aanhangen (zowel de romeinse keizer die als antichrist optreden zal, als ook latere verschijningsvormen); zij zullen de wijn van Gods gramschap drinken (19), wat weer een oudtestamentische uitdrukking is (oa. Jes. 51:17, 22) en met vuur en zwavel gepijnigd worden, zoals Sodom (Gen. 19: 24), ten aanschouwen van Christus, de rechter (10). Op. wil de christenen waarschuwen niet met de aanbidding van de antichrist mee te doen, zodat hun volharding blijkt (12).

In vs 13 wordt Joh. opgeroepen om te schrijven (opdat het vaststa) dat de doden die in de Here (dat is in Christus) sterven, zalig zijn; het van nu aan maakt duidelijk dat dit bijzonder bedoeld is als een troostwoord voor de martelaren die zullen sterven in de grote kerkvervolging die Joh. nabij zag (zie hst. 13); van de moeiten van de vervolging en het martelaarschap gaan ze in tot de rust, anders dan de volgelingen van de antichrist, die geen rust zullen hebben (11); oprecht geloof kan nooit bestaan zonder werken van dienen van God (zie Jak. 2:26, en Heid. Cat. vr. 64), waarom er staat dat hun werken hen navolgen wanneer ze van de aarde heengaan.

De oogst 14:14-20

In iemand als eens mensen zoon, gezeten op een wolk (14) is Christus getekend met woorden uit Dan. 7:13; de gouden kroon (in het Grieks staat krans) is teken van overwinning; een kromme sikkel werd in bijbelse tijd gebruikt zowel voor het afsnijden van rijpe korenaren als van rijpe druiventrossen; de samenwerking van God de Vader en Christus blijkt uit de opdracht die Christus krijgt van een engel, die van God, uit de tempel in de hemel komt (15); als de vijandschap van Gods tegenstander rijp geworden en ten top geklommen zal zijn, zal de tijd komen dat de aarde gemaaid wordt. Verscheidene uitleggers menen dat de korenoogst in vs 15 betrekking heeft op de gelovigen, maar andere uitleggers wijzen erop dat in vs 15 de woorden ‘zend uw sikkel uit, want de oogst is rijp’ duidelijk aanhalingen zijn van ‘slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp’ uit Joël 3:13, waar er kennelijk onheil mee bedoeld wordt; ook de toevoeging ‘scherp’ bij de sikkel van Jezus (14) maakt het waarschijnlijk dat bij het maaien de onheilvolle betekenis voorop staat; zo wordt in dit geweldig visioen van de maaier herhaald, wat al eerder in dit hst. stond, dat Gods tegenstanders (en ook christenen die tot die tegenstanders overlopen) een gewisse ondergang tegemoet gaan.

De verdere woorden van Joël 3:13 (‘treedt, want de pers-kuip is vol’) ziet Joh. ook nóg in visionaire vorm; in vs 18 komt een engel van het altaar in de hemel (waarvan in 8:3 de gebeden der gelovigen opstegen, die nu beantwoord worden); omdat hij macht heeft over het vuur (18) is hij geschikt om als gerichtsengel op te treden; op zijn roep wordt de wijngaard van de aarde geoogst; daarmee wordt het beeld van het oogsten verdubbeld, wat de zaak des te zekerder maakt. Joël 3:13 volgend legt het visioen nadruk op het treden van de druiven (20), wat in het gewone leven met de voeten geschiedde in een stenen pers-bak; wijnpersbakken lagen buiten de stad; we mogen er ook aan denken dat doodvonnissen gewoonlijk buiten de stad voltrokken werden, maar vooral worden Gods tegenstanders hier gesteld tegenover de gelovigen, die Joh. in het begin van dit hst. in veiligheid zag binnen de symbolische stad Jeruzalem (Sion). In Gen. 49:11 en Deut. 32:14 wordt wijn druivenbloed genoemd, en in Jes. 63:3, 6 doet Gods druiven-treden het bloed van Zijn vijanden vloeien; zo ziet ook Joh. bloed uit de pers komen, zelfs zestienhonderd stadiën ver (20); een stadie (±) was een lengtemaat in Joh. tijd, en in 1600 (40 X 40) zit het getal 4 van de wereld; deze onafzienbare bloedstroom van meer dan een meter diep (tot de tomen der paarden) wil eer huiver verwekken dan dat we letterlijke vervulling moeten verwachten; op aarde zal de nederlaag van Gods vijanden zichtbaar worden, waar hst. 19 en 20: 7-9 nader over zullen spreken; gedeeltelijke vervullingen zijn er al geweest, bv. in de bloedige ondergang van Hitler’s legers.

De 7 schalen met de toorn van God

De zangers aan de glazen zee 15:1-4

In vs 1 ziet Joh. zeven engelen, die straks een laatste reeks van plagen zullen brengen, erger dan de voorgaande; maar er gaat een ‘liturgie in de hemel’ vooraf, zoals er ook vóór de 7 zegels en de 7 bazuinen een liturgie was. Joh. ziet de zee van glas, die hij al zag in 4:6, maar nu vermengd met vuur van de gerichten; aan de oever van die zee staan de overwinnaars van het beest (2); in hst. 13 staat te lezen over dat beest (de antichrist), zijn beeld en zijn getal. Aangezien Joh. de antichrist zag in een voor hem toekomstige romeinse keizer, ziet hij ook de overwinnaars in de toekomst; zij overwonnen de antichrist door zich niet door hem te laten verleiden; dat betekende lijden voor hen en eventueel zelfs de dood (13:15), maar in dit visioen ziet Joh. hen dwars door het lijden heen aangekomen in Gods heerlijkheid; hun staan aan de oever van de glazen zee wil herinneren aan het staan van de Israëlieten aan de oever van de Schelfzee na de doortocht; die zongen daar Gods lof bij tamboerijnen (Ex. 15, het bekende lied van Mozes en van Mirjam); precies eender hoort Joh. de verlosten aan de glazen zee, begeleid door muziekinstrumenten (citers Gods betekent dat die door God gegeven zijn en aan Hem gewijd) het lied van Mozes aanheffen (3), maar dit is tegelijk het lied van het Lam, want Christus heeft de bevrijdingsdaad van Mozes herhaald en overtroffen.

Het lied in vss 3 en 4 volgt niet letterlijk Ex. 15, maar is samengeweven uit vele oudtestamentische lofprijzingen (oa.Ex. 15:11; Ps. 139:14; Ps. 111:2; Deut. 32:4, 43; Jer. 10:7); het valt op dat de verlosten niet spreken van zichzelf, maar alleen van Gods grootheid, te zien oa. in zijn rechtvaardige gerichten; in de hemel is men niet vervuldvan zichzelf! Alle volken zullen komen en voor U neder-vallen (4) is aanhaling uit Ps. 86:9, en gaat in vervulling in tijden van uitbreiding der kerk, waar Op. 20 over spreken zal.

De zeven schalen van Gods gramschap 15:5-8

Uit het binnenste van de hemelse tempel, dus uit Gods tegenwoordigheid, ziet Joh. zeven engelen komen; er wordt nog bijgevoegd de naam die Gods heiligdom in de woestijn had, nl. tent (tabernakel) der getuigenis (Num. 1:50); wellicht is het de bedoeling te herinneren aan de wetten Gods, die stonden op de ‘tafelen der getuigenis’, die bewaard werden in de ark in de tabernakel (Ex. 40: 20).

In optocht ziet Joh. zeven engelen uit de tempel komen, gekleed met blinkend (blinkend wit) linnen, zoals de priesters in het O.T. droegen (Ex. 39:27), en met een gordel niet om het middel, maar om de borst, zoals bij de priesters (vgl. 1:13); alleen is bij deze engelen de gordel van goud, als teken van de hemelse heerlijkheid. In de tempel in Jeruzalem gebruiken de priesters gouden schalen om wijn als drankoffer bij het altaar uit te gieten (zie Ezra 1:9 en Num. 29:11), maar de gouden schalen (SV fiolen) (7), die een van de vier dieren (zie 4:6) aanreikt, zijn vol van Gods toorn.

In vs 8 wordt duidelijk dat Joh. het werk van de oudtestamentische profeten mag voortzetten, want Jesaja zag de tempel vervuld met rook (Jes. 6:4) en Ezechiël zag vóór het gericht de wolk van Gods heerlijkheid in het heiligdom (Ez. 10:3); evenzo ziet Joh. de hemelse tempel vervuld met rook; het woord ‘rook’ zinspeelt op Gods gericht. Ezechiël kon het gericht niet afwenden door voorbede (Ez. 9:9, 10), en overeenkomstig daarmee kan in het visioen van Joh. niemand de met rook vervulde hemelse tempel binnengaan om door voorbede de gerichten van het volgende hoofdstuk af te wenden.

Vijf schalen van Gods toorn 16:1-11

oh. ziet weer grote rampen komen, nu duidelijk in de tijd van de antichrist, want het gaat over mensen die het merkteken van het beest hadden en zijn beeld aanbaden (vs 2, zie uitleg van 13:14-18). De rampen bij het uitgieten van de eerste vijf schalen zijn herhaling van Gods plagen over Egypte (boze zweren, water wordt bloed, duisternis), net zoals het geval was bij de bazuinen in hst. 8; echter zijn de rampen, die Joh. in hst. 16 ziet, intensiever dan de egyptische plagen en ook intensiever dan de rampen in hst. 8; werd daar een derde van de zee bloed, nu wordt de gehele zee bloed als van een dode (3), wat wellicht wijst op reuk van ontbinding. Voor de vraag hoe deze visioenen vervuld worden, verwijzen we naar de opmerkingen die we bij 8:6-13 maakten; nog duidelijker dan in hst. 8 wordt hier in hst. 16 erop gewezen dat achter rampen, die God over de wereld uitgiet, zijn toorn staat (‘de zeven schalen van Gods gramschap’, vs 1); die toorn is heel iets anders dan menselijke drift; het is Gods heilige reactie op de schending van Zijn gerechtigheid en zijn liefde, en een voorspel van het laatste oordeel; als een bijzondere reden wordt in vs 6 genoemd het vergieten van het bloed der heiligen (di. gelovigen), wat in het bijzonder in de tijd van de antichrist geschieden zal.

Bij het spreken van het altaar in vs 7 mogen we bedenken dat in 6:9 Joh. de zielen der martelaren aan de voet van het altaar zag. Bij nauwkeurige waarneming ziet men in Op. steeds weer aanhalingen van het O.T. (in vrije vorm); zo liggen achter vss 6 en 7 Ps. 79:3; Jes. 49:26 en Ps. 19:10. Dat de mensen in de duisternis hun tongen van pijn kauwden (10) is gevolg van de zweren van vs 2; ontroerend wordt in vss 8 en 10 de boosheid van de menselijke natuur beschreven, die in voorspoed God vergeet en in tegenspoed opstandig is tegen God.

De zesde en zevende schaal van Gods toorn 16:12-21

De grote rivier, de Eufraat (12) vormde de grens tussen het romeinse keizerrijk en het rijk van de Parthen (die in het tegenwoordige Irak en Iran woonden), zodat opdrogen daarvan de weg open legde voor de gevreesde vorsten der Parthen, maar er gebeurt meer dan alleen een inval van de Parthen, want Joh. ziet drie onreine geesten verschijnen (13), die verleiden door wondertekenen (14) en een geweldige coalitie tot stand brengen, waaraan zowel de Parthen deelnemen als ook de inwoners van het reusachtige romeinse rijk, dat zich uitstrekte van Engeland tot Egypte en waarin, onder de keizer, nog enige onderworpen koningen regeerden (van verre landen als Amerika, Australië en Japan was in die tijd nog niets bekend). Bij de mensheid leeft vanouds het ideaal van een samenvoegen van alle natiën, maar als Christus de grondslag niet is kan dat alleen maar op een antichristelijk wereldrijk uitlopen. De drie onreine geesten komen uit de mond (dwz. het binnenste) van de draak (satan), het beest (di. de antichristelijke romeinse keizer, zie hst. 13) en de valse profeet (di. het tweede beest, de helper van de romeinse keizer, zie hst. 13); aangezien in een visioen alles een zichtbare vorm hebben moet, hebben ze de afstotelijke vorm van kikvorsen (waarbij de egyptische plaag der kikvorsen een rol speelt, en het onrein-zijn van kikvorsen (in Lev. 11:10). Harmagedon (16), de plaats waar God slag levert tegen de legers van de Antichrist, kunnen we het best, naar de aard van Op., niet als letterlijke plaatsaanduiding, maar als symbolische naam zien; ‘har’ betekent in het Hebreeuws ‘berg’, en ‘Magedon’ is schrijfwijze voor de stad Megiddo in de griekse vertaling van het O.T. (2 Kron. 35:22); afdalend van de berg Tabor bij Megiddo behaalden Barak en Debora aan de wateren van Megiddo hun grote overwinning op de Kanaänieten (Richt. 4:6, 12, 5:19), zodat Harmagedon, ‘berg van Megiddo’, een zinnebeeldige naam wordt voor een plek waar Gods vijanden verslagen worden; de oudtestamentische overwinning bij Megiddo is voorafschaduwing en onderpand dat God de antichrist zal verslaan, in welke vorm hij ook verschijnt (als een romeinse keizer, zoals Joh. hem allereerst zag, en in latere vormen).

Vs 15 is een oproep van Christus tot de gelovigen om juist in de dagen van de antichrist te waken en hun klederen van geloof en gehoorzaamheid niet af te leggen; de woorden van dit vs herinneren sterk aan Luc. 12:36- vs 17 betekent het is geschied, dat de plagenreeks ten einde is; er komt nog een grote aardbeving, zo groot als er geen geweest is, waardoor het grote Babyion (bedoeld is Rome) door scheuren van de aarde in drieën gespleten wordt. In vs 20 worden opzettelijk heel sterke woorden gebruikt, om het geweldige van de aardbeving te doenbeseffen. In vs 21 wordt de egyptische plaag van de hagel in verhevigde mate herhaald in de vorm van hagelstenen van een talent zwaar (± ); al zullen zulke profetische visioenen niet altijd in strakke letterlijkheid in vervulling gaan, toch wijzen ze op de realiteit van de hevigheid van Gods gericht.

De ondergang van Babel en van de twee beesten

De vrouw op het beest 17: 1-6a

Dat het nu komend visioen getoond wordt door één van de engelen, die de schalen van Gods toorn uit het vorig hst. hadden (1), wijst erop dat dit visioen nader zal ingaan op Gods oordeel over Babylon, de stad die in hst. 16 al genoemd werd. Joh. ziet een hoer die op een beest zit; voor ons een wat vreemd beeld, maar de mensen uit de oudheid waren gewend aan afbeeldingen van godinnen op dieren; het beest met zeven koppen, tien horens en godslasterlijke namen hebben we al ontmoet in 13:1; wij zagen toen dat het romeinse keizerrijk van die tijd er mee bedoeld is; de vrouw die gedragen wordt door het beest, is de hoofdstad Rome, die inderdaad ‘gedragen’ werd door dat keizerrijk. Net zoals in Ez. 16:35, 36 het ontrouwe en goddeloze Jeruzalem een hoer genoemd wordt, zo wordt ook de goddeloze stad Rome een hoer genoemd; dat inderdaad Rome bedoeld wordt zal straks heel duidelijk worden uit vs 9, waar gezegd wordt dat de vrouw op zeven bergen zit; het Rome van Joh. tijd was immers op zeven heuvels gebouwd. Om veiligheidsredenen wordt Rome met voluit genoemd, maar aangeduid met de geheime naam (geheimenis in vs 5) Babyion, dat de grootste stad uit de oudtestamentische tijd was en in hoogmoed en heidendom op de keizerstad Rome leek. Zoals het oude Babel, om de brede Eufraat, die dwars door de stad liep, en de zij-kanalen daarvan, in Jer. 51: 13 genoemd kon worden ‘gij die aan vele wateren woont’, zo kan van de hoer Rome gezegd worden dat zij zit aan vele wateren (1), omdat de rivier de Tiber door Rome loopt en Rome vlak bij de Middellandse Zee ligt (een tweede verklaring geeft vs 15).

De koningen der aarde, de leiders der volken, hebben met Rome gehoereerd, dwz. zich onder de verderfelijke invloed van deze stad laten brengen (vs 2, het slot van dit vers zinspeelt op Jer. 51:7); Joh. ziet deze vrouw in een woestijn (3), waarschijnlijk omdat de woestijn gold als plaats der boze geesten; met het scharlakenrood van het beest is de bloedige kleur van dat beest bedoeld, of de kleur van een prachtig dekkleed erover, waarop de vrouw dan zit.

In de tijd van Joh. waren er in de geweldige metropool Rome, met meer dan een rhillioen inwoners, wel arme mensen, maar toch ook een ongelooflijke opeenstapeling van rijkdom; daarom is in vs 4 de hoer Rome met alle kostbaarheden versierd; maar dat is alles ijdel, vergeleken bij de hemelse versiering van de vrouw in hst. 12 en het fijne linnen van de bruid van Christus in 19:8; de gouden beker die de hoer Rome aanreikt (vs 4, met toespeling op Jer. 51:7) is van buiten wel mooi, maar gevuld met gruwelen, wat een oudtestamentische uitdrukking is voor afgodendienst (bv. Ez. 8:9,10); de onreinheden van Rome’s hoererij (4) zijn het dienen van allerlei afgoden, het vereren van de keizer als god; en de sexuele losbandigheid, tot allerlei perversiteit toe, die karakteristiek was voor het keizerlijke Rome (en in moderne wereldsteden weer opkomt); de vrouw heeft haar naam op haar voorhoofd (5), misschien omdat hoeren in Rome hun naam op een voorhoofdsband droegen, maar vooral in tegenstelling tot het in 14:1 vermelde; als de grootste zonde van Rome wordt genoemd het dronken zijn van het bloed van Jezus’ volgelingen (6).

Het oordeel over Babyion 17:6b-18

Joh., die zich verbaast over de verblindende pracht en tegelijk de gruwelijkheid van deze vrouw, krijgt nadere uitleg, die allereerst gaat over het beest waarop zij zit; in deze uitleg valt het beest (het romeinse rijk) samen met één bepaalde keizer, die verdwijnt maar tot aller verbazing uit de afgrond terugkeert; dat is de omgekomen Nero uit 13:3, die als uit de hel terugkeert in de vorm van een vurig antichristelijke romeinse keizer, die door iedereen, behalve door de uitverkorenen vereerd wordt; het was voor Joh. nog verborgen dat de terugkeer van de bloeddorstige en christen-vervolgende Nero niet in één romeinse keizer zou plaatsvinden, maar in verschillende romeinse keizers, en nog in vele antichristen daarna. In vss 9-11 worden de zeven koppen dubbel toegepast, op de zeven heuvels van Rome en op zeven romeinse keizers, die in Klein-Azië vaak als ‘koning’ aangeduid werden; de telling kan men het best beginnen bij Caligula (37-41), de eerste romeinse keizer die de troon besteeg na Christus’ dood en opstanding, en die ook de eerste keizer was die voluit als god vereerd wilde worden; dan volgden Claudius (41-54), Nero (54-68), en, na een jaar verwarring, Vespasianus (69-79), Titus (79-81) en Domitianus (81-96). Domitianus is dan de zesde, die er nog is (10) tijdens het schrijven van Op.; na een korte regering van de zevende komt dan de grote kerkvervolger, de achtste keizer, die tegelijk uit dezeven is, nl. Nero, de vijfde keizer, die in die achtste terugkeert; Joh. heeft (zoals vaak de profeten) de dingen in wat verkort perspectief gezien, want de gruwelijke hoogtepunten der romeinse christenvervolging zijn wat later gekomen.

In vs 12 worden de tien horens uit vs 3 toegepast op tien koningen; men heeft wel eens gedacht dat dit een reeks van op elkaar volgende koninkrijken zou betekenen, maar de bewoordingen van vss 12 en 13 wijzen erop dat het gaat om gelijktijdig met de antichrist levende vorsten, die door zich met hem te verbinden een korte tijd (één uur) tot grote macht komen; wij vinden hier dus weer de grote coalitie uit 16:14, die tegen het Lam oorlog voert, door met het christendom strijdige regels aan allen op te dringen en door met geweld tegen de gelovigen te keer te gaan; maar uiteindelijk overwint het Lam, en daarmee komen tegelijk de verdrukte gelovigen tot overwinning (14). Opmerkelijk is dat volgens vs 6 het beest en zijn helpers de hoer zullen uitplunderen en verbranden; dus de keizer steekt Rome, zijn eigen hoofdstad, in brand; dat doet denken aan keizer Nero, die door velen beschuldigd werd de grote brand van Rome in 64 aangestoken te hebben, en van wie men ook vreesde dat hij bij een terugkeer wraak zou oefenen aan” Rome, om zijn afzetting door de senaat van Rome in 68; maar zonder twijfel is hier tevens Ez. 16:35-43 aangehaald waar gesproken wordt van een ‘hoer’ die mishandeld en gedoodwordt door vroegere vrienden; zo tekent Op. in een flits dat goddelozen geen oprechte onderlinge band hebben, maar plotseling in haat tegen elkaar kunnen uitbreken. Uit vss 15 en 18 werd voor de eerste lezers duidelijk dat de stad Rome bedoeld was; bij het volgende hst. willen we nader bespreken wat de profetie over de stad Rome voor ons te zeggen heeft, en waarom de stad Rome, die Joh. kende, tenslotte niet verwoest is.

Aankondiging van de val van Babylon 18.T-8

Een sterke engel, die uit de hemel komt en omstraald is door de lichtglans van God (1), roept dat Babyion gevallen is, en een verlaten ruïne geworden is, alleen bewoond door duivelen en onreine vogels (bv. uilen en gieren) (2); het ‘is gevallen’ en ‘is geworden’ betekent niet dat het al gebeurd is, maar dat het zeker gebeuren zal (de zgn. ‘profetisch voltooide tijd’, die we uit het O.T. kennen); profetieën, die in Jes. 21:9; Jes. 13:19-22 en Jer. 51:37 uitgesproken waren tegen de stad Babel aan de Eufraat, worden hier toegepast op het nieuwe Babylon, de stad Rome, en mogen verder toegepast worden op alle machten in de wereld die het karakter van de stad Rome van Joh. tijd vertonen; dat karakter van Rome wordt (net als in hst. 17) in vs 3 aangeduid met hoererij, wat zowel afval van God alsook zedelijke verdorvenheid betekent, met nog daarbij (in het slot van vs 3) weeldezucht; alle volken, culturen en gemeenschappen, die als Rome God verlaten en in verdorvenheid en weeldezucht leven, ook in onze tijd zullen, door Gods oordeel getroffen, ondergaan, net zoals de stad Rome; deze waarheid geldt, ook al is de stad Rome nooit verwoest, omdat ze nog op tijd het christendom aanvaardde; dan gaat het immers als met Ninevé, dat door bekering het door de profeet Jona aangekondigde oordeel ontging. De koningen der aarde hebben met haar gehoereerd (3) betekent ‘hebben zich voor de verderfelijke invloed van deze stad opengesteld’. In vs 4 roept een stem, met herhaling van de woorden van Jer. 51:45, de gelovigen op om uit Babel weg te trekken; dit is een oproep aan de christenen in Rome en in heel het romeinse rijk (ook Klein-Azië) om zich duidelijk af te scheiden van de afgoderij en de zedeloosheid, die zich van Rome uit verbreidde; het roept ook óns op om ons duidelijk af te scheiden van verkeerde godsdienst en een bedorven ‘cultuur’; immers God vergeet die hemelhoge zonden niet (5); de oproep vergeldt haar met gelijke munt (6) is niet tot de gelovigen gericht, maar tot de instrumenten van Gods gericht; dubbele vergelding is oudtestamentische uitdrukking voor volle vergelding; de stad Rome, hoofdstad van het onmetelijke romeinse rijk, herhaalde in hoogmoed de woorden van Babel in Jes. 47:8 ‘ik ben geen weduwe’ (7), dwz. een eenzame vrouw in moeilijkheden; maar sterker dan zij is God die haar oordeelt (8); dat mochten de christenen van Joh. tijd weten, die met beklemming de schijnbaar onvernietigbare romeinse macht zagen; zo zwak is in feite elk antichristelijk wereldrijk.

Treurzangen over het gevallen Babyion 18:9-24

In de oudheid was het gewoonte om na een sterfgeval klaagzangen aan te heffen, soms met as of stof op het hoofd (zie vs 19); ook over een verwoeste stad kon een klaagzang aangeheven worden, zoals de klaagliederen

over de handelsstad Tyrus in Ez. 27; naar het voorbeeld daarvan worden hier treurzangen over het verwoeste Rome aangeheven door de koningen der aarde, dwz. de vazalvorsten van Rome en de leiders van de provinciën van het rijk (vss 9, 10), door de kooplieden, die rijk werden van Rome (11-16) en door de zeevaarders die via de Middellandse Zee het vrachtvervoer in het romeinse rijk verzorgden (17-19). De opsomming van handelswaren in vss 12-14 lijkt veel op de lijst in Ez. 27:12-24; voor Joh. waren zulke waren niet al te vreemd, omdat hij in Efeze, een grote doorvoerhaven, woonde; het zijn meest luxe artikelen, die hier genoemd worden, zodat er kritiek op pralende luxe in ligt; voor welriekend hout (12) staat in het Grieks thuja-hout, waarvan oa. zeer kostbare tafels vervaardigd werden; als grote beschaming voor de romeinse cultuur staan in vs 13 lichamen en zielen van mensen (wat allebei benamingen voor slaven zijn) als handelswaren. In vs 20 zijn mogelijk met de apostelen in het bijzonder Petrus en Paulus bedoeld, die in de stad Rome ter dood gebracht werden; vs 20 spreekt van Gods recht, dat tot uitvoering komt, en niet van wraakzucht. De engel die in vs 21 een molensteen in de zee werpt als symbool van Rome’s ondergang, herhaalt wat Seraja in opdracht van de profeet Jeremia moest doen (men leze Jer. 51:59-64). Ih vss 22 en 23 wordt met woorden uit Ez. 26:13 en Jer. 25:10 de doodse stilte van de verwoeste stad getekend; juist de over elkaar draaiende stenen van de molen voor koren gaven veel geruis. In vss 23 en 24 worden drie redenen voor Gods straf over Rome genoemd: haar weeldezucht, waardoor haar kooplieden mannen van macht en aanzien werden (vgl. Jes. 23:8), haar betoveren van de volken, in de zin van verleiden tot haar eigen slechte levenswijze (vgl. Nah. 3:4), en als kroon vajL haar zonden het ter dood brengen van de heiligen (di. christenen) en pro/eten (in de christelijke gemeente); het is moeilijk uit te maken of het bloed van allen die geslacht zijn op de aarde ziet op christen-martelaren in het romeinse rijk of in het algemeen op mensen, gedood door romeinse wreedheid en veroverings-oorlogen (als in Jer. 51:49); onschuldig vergoten bloed roept om Gods straf (Gen. 4:10).

Lied in de hemel over de val van Babyion 19:1-5

De indeling in hoofdstukken is niet van de hand van Joh., maar in veel latere tijd gemaakt, en hier niet erg gelukkig, want 19:1-5 horen helemaal bij hst. 18. Na de treurzangen op aarde over de verwoesting van Babyion (di. de stad Rome), die uit eigenbelang voortkwamen, komen nu lofzangen van een grote schare engelen in de hemel, die Gods rechtvaardig gericht over ‘de grote hoer’, di. de stad Rome, die de aarde godsdienstig en moreel bedierf, met haar hoererij (zie aant. bij 17:1 en 4). Andere mensen tot zonde brengen is een grote zonde. In vs 1 is: zijn van onze God inderdaad de beste vertaling. In vss 2-5 zijn weer veel aanhalingen uit het O.T.; het slot van vs 2 komt uit Deut. 32:43; 2 Kon. 9:7 en Ps. 79:10; Halleluja (di. prijst de Here) komt uit de Psalmen; vs 3b komt uit Jes. 34:10 en vs 5b uit Ps. 115:13. Kleinen en groten (5) zijn aanzienlijken en geringen. Voor vs 4 zie aant. bij 4:4-8. Bij hst. 18 bespraken we al hoe het gericht over de stad Rome is afgewend door bekering, maar blijft gelden voor alle staten, culturen engemeenschappen die God de rug toekeren, met insluiting van het rijk van de laatste antichrist.

De bruiloft van het Lam 19:6-10

Het boek Op. laat altijd tegenstellingen zien. Zo zingt in vss 6-8 een koor van (niet nader gedefinieerde) stemmen over de tegenhangster van de zo juist genoemde ‘grote hoer’, nl. over de bruid van Christus. Er wordt gezongen van de bruiloft die gekomen is (7). Dit is vooruitgrijpend, want in feite is de bruiloft pas in het nieuwe Jeruzalem op de nieuwe aarde (zie 21:9, 10). In vs 7 wordt de bruid vrouw van het Lam genoemd, omdat bij de Israëlieten de bruid tijdens de ondertrouw reeds als vrouw van de man aangeduid werd (zie Mat. 1:19). In het O.T. wordt de innige band van liefde en trouw van God met zijn volk met het huwelijk vergeleken (bv. Jes. 54:5 en Jer. 2:2) en in het N.T. wordt dat beeld op Christus en zijn gemeente toegepast (bv. 2 Kor. 11:2). Christus’ bruid, de gemeente, verlangt naar het huwelijk met Christus op de nieuwe aarde, en heeft een huwelijksgewaad van blinkend wit smetteloos fijn linnen (8), een kostbare stof, maar toch heel anders dan de opsmuk van purper en paarlen waarmee de hoer Babylon de aandacht trekken wilde (17:4). Ter verklaring wordt toegevoegd dat dit witte linnen de rechtvaardige daden van de gelovigen betekent. De meeste geleerden menen dat ‘rechtvaardige daden’ hier de juiste vertaling is, dus daden van gehoorzaamheid aan God en van liefde tot Christus. Maar dit bruidsgewaad van liefdedaden is gegeven (8), want die daden heeft de bruid verricht door Gods kracht (vgl. Ef. 2:10). Waarschijnlijk worden de rechtvaardige daden van de bruid genoemd als de tegenstelling van de zonden van de hoer (18:5), omdat de griekse woorden voor deze beide dingen op elkaar lijken.

Terwijl de bruid de gemeente der gelovigen als geheel betekent, worden in vs 9 de individuele gelovigen getekend als degenen die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal. De engel verzekert dat de onuitsprekelijke vreugde van het aanzitten aan Christus’ bruiloftsmaal waarlijk in vervulling zal gaan voor de oprechte gelovigen. Maar als Joh. zich, diep onder de indruk, aanbiddend voor de voeten van de engel werpen wil, wordt hij er aan herinnerd dat een engel, hoe groot in macht (2 Petr. 2:11), slechts mededienstknecht is (10), waarin wellicht zijdelings ook protest ligt tegen de verering van engelen, die in de klein-aziatische gemeenten soms opkwam (Kol. 2:18). Er wordt door de engel nog op gewezen dat het kenmerk van de christenen is dat ze het getuigenis (de woorden) van Jezus vasthouden. Alleen bij zulke mensen kan de geest der profetie werken, die diep inzicht geeft in Gods waarheid en in Gods plannen en bedoelingen.

De nederlaag van de antichrist 19:11-21

Werd er in hstt. 17 en 18 gesproken over de stad Rome, nu ziet Joh. een visioen over wat er gebeurt met de legermachten van de antichrist die nog in het open veld vertoeven. Joh. ziet een ruiter op een wit paard (11). Dat is de kleur van de hemelse heerlijkheid, met wellicht bijgedachten aan de witte paarden, die de Romeinen gebruikten in een triomftocht na een overwinning. De ruiter is Christus, want Hij heeft dezelfde doordringende ogen als een vuurvlam (12) als in 1:14, en draagt dezelfde naam Getrouw en Waarachtig (11) als in 3:14 (wat betekent dat Hij altijd zijn Woord houdt en zijn beloften vervult, al is dat niet altijd terstond zichtbaar). In Hem wordt de profetie van Jes. 11:4 vervuld, dat de Messias in gerechtigheid vonnis velt (11). Hij draagt volgens vs 12 vele kronen (diademen, bij elkaar gevoegd in een hoge tiara). Dat Hij een naam draagt die niemand weet dan Hijzelf (12) betekent waarschijnlijk dat niemand zijn wezen kan doorgronden. Zijn in bloed geverfd kleed (13) wijst ongetwijfeld heen naar Jes. 63:3, waar God van Edom komt met een gewaad rood gekleurd door het bloed van zijn vijanden, zoals in vs 15 ook de wijnpers van Gods toorn uit datzelfde Jes. 63:3 genoemd wordt. Het rode gewaad van Christus spreekt hier dus van het bloed van zijn vijanden, en niet van het bloed dat Hij vergoot tot verzoening van de zonden van zijn gelovigen. Dat middelaarsbloed wordt elders in Op. genoemd, maar is hier niet aan de orde. Dat Christus het Woord Gods genoemd wordt (13) betekent dat door Hem het alvermogend spreken van God werkt (vgl. Ps. 33:6: ‘door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt’). De heerscharen uit de hemel, die Jezus volgen (14) zijn de engelen, want Jezus zei in Mat. 26:53 dat God Hem legioenen (di. legerscharen) van engelen ter zijde kan stellen. Voor het zwaard uit zijn mond en de ijzeren staf zie aant. bij 1: 16 en 2:27. Christus, die uittrekt tot verslaan van de antichrist, draagt een naam op zijn kleed en opzijn dij (16), waarmee wellicht niet bedoeld wordt dat die naam twee keer geschreven staat, maar dat hij geschreven is op het kleed waar het over de dij valt, bij een ruiter een in het oog lopende plaats. De naam ‘Koning der koningen en Here der heren’ is hoogtepunt bij deze verschijning van Christus, en geeft aan dat bij Hem de ware heerschappij ligt, zodat elke tegenstander, ook de antichrist, bezwijken zal.

Nog vóór de strijd tussen Christus en de antichrist begint, ziet Joh. al een engel op de zon staan en van die hoge plaats de hoogvliegende roofvogels oproepen om te komen tot de maaltijd Gods, die bestaan zal uit de lijken van de legerscharen van de antichrist (17, 18), waarbij heel duidelijk Ez. 39:17-20 aangehaald wordt. Voor deze gruwzame ‘maaltijd’ wordt hetzelfde griekse woord gebruikt als voor het bruiloftsmaal van het Lam (19:9), opdat zo de tegenstelling uitkomt.

In vs 19 ziet Joh. in zijn visioen Christus en de engelen staan tegenover de antichrist en de met hem verbonden koningen (zie 16:13, 14); maar de strijd is slechts kort, want met het zwaard uit zijn mond (21), dwz. met een enkel vernietigend woord, doodt Christus de legerscharen van de antichrist; terwijl de antichrist en zijn propagandist, de valse profeet, levend gegrepen worden (20); in de oudheid nam men aanvoerders graag levend gevangen. In vs 20 wordt de tekening van hen uit hst. 13 kort herhaald, en tenslotte gesproken van hun einde in de poel van vuur en zwavel; dat herinnert aan Gen. 19:24, en is ‘het helse vuur’ waar Jezus van sprak in Mat. 18:9. Hoofdinhoud van 19:11-21 is dat Christus de antichrist overwint. Dat is een goddelijke belofte, die al vele malen in de historie in gedeeltelijke vervulling is gegaan; bv. toen de romeinse keizers, de voorzegging van Op. 13 over de antichrist op de romeinse keizerstroon vervullende, de christelijke kerk met alle machtsmiddelen trachtten uit te roeien (vooral van 250 tot 311), maar daarin hopeloos faalden. Of, toen een andere openbaring van de antichrist, Hitler, in bloed en vuur ten onder ging. En als er in de toekomst een antichrist verschijnt, zal Christus hem zeker overwinnen; zo leert ons Op. 19.

Het duizendjarig rijk en het laatste oordeel

Het duizendjarige rijk 20:1-6

Joh. ziet hoe een engel de duivel bindt en voor duizend jaren in de afgrond opsluit; voor de namen van de duivel in vs 2 zie men de aant. bij 12:9, en voor de ‘afgrond’ de aant. bij 9:1; duizend betekent in de symbolische taal van Op. niet letterlijk 1000 jaar, maar een lange tijd. Lang heeft de opvatting van Augustinus veel invloed uitgeoefend, dat de hier bedoelde binding van satan plaatsgevonden zou hebben bij Christus’ eerste komst op aarde, bij zijn opstanding en hemelvaart, en voort zou duren tot bijna het einde der wereldgeschiedenis; maar er zijn ook veel bijbeluitleggers, die het in dezen niet met Augustinus eens zijn. Het is inderdaad moeilijk in te zien dat de verschrikkelijke christenvervolgingen in het romeinse rijk, dat bijna de hele toenmaals bekende wereld omvatte, plaats vonden terwijl satan gebonden was. Tezamen met een zo voorzichtig theoloog als prof. F.F. Bruce menen we dat de binding van satan, waar dit hst. van spreekt, niet begint bij Christus’ opstanding, maar veel later. Mogelijk is de betekenis van de profetie van ‘het duizendjarig rijk’ in dit hst., dat er in de wereldgeschiedenis behalve perioden van kerkvervolging ook lange perioden van vrede voor de kerk en verbreiding van het geloof zijn. Aangezien vele profetieën uit Op. herhaaldelijk vervuld worden, kunnen zulke perioden komen en weer verdwijnen, en het is mogelijk dat wij in de toekomst nog zo’n periode van vrede beleven zullen. Het is opvallend dat Op. 20 geen precieze beschrijving geeft van de toestanden tijdens ‘het duizendjarig rijk’. Het is niet goed om tot ‘opvulling’ van het duizendjarige rijk schilderingen van de oudtestamentische profeten te gebruiken, die wellicht eer op de geheel vernieuwde aarde betrekking hebben. Twee Oudtestamentische gedeelten, die vrijwel zeker achter Op. 20 liggen, zijn Jes. 24:21, 22 en Ez. 37- het genoemde gedeelte van Ez. lezen we eerst van een opstanding van doden (Ez. 37, wat daar symbolisch bedoeld is voor het herstel van Israel als vrije natie), daarna van een periode van rust voor het volk van God (Ez. 38:8, 11) en daarna van een laatste aanval van Gog (Ez. 38 en 39). Juist die drie fasen uit Ez. komen hier in Op. 20 terug.

Heel duidelijk is, dat in vss 4 en 5 gesproken wordt van rehabilitatie van de martelaren, gedood vanwege hun trouw aan Christus (die in vs 4 aangeduid worden met woorden uit 13:11-17, zie aant. aldaar). In zijn visioen ziet Joh. tronen, waarop rechters zich zetten, aan wie het oordeel gegeven wordt (4). Kennelijk herhaalt zich hier het visioen van Dan. 7:9, 10, dat ‘terwijl ik bleef toezien, tronen neergezet werden, en het gericht (de vierschaar) zich neder zette’. In Dan. wordt niet gezegd wie de leden van die hemelse vierschaar zijn, en zo is het ook hier in Op. Het resultaat van die hemelse rechtspraak is in Dan. 7:22 ‘dat recht (genoegdoening) verschaft wordt aan de heiligen en dat ze het koningschap in bezit kregen’, en evenzo wordt hier in Op. de martelaren geschonken als koningen te heersen (5), terwijl ook de benaming heilig (di. bij God behorend) uit Dan. door Joh. in vs 6 overgenomen wordt. In Op. wordt er vaak nadruk op gelegd dat ‘het oordeel vol majesteit haast weerkeert tot gerechtigheid’. De martelaren, door de romeinse rechters als uitvaagsel der mensheid veroordeeld om voor de wilde dieren geworpen te worden, worden door God gerehabiliteerd. Volgens sommige uitleggers zijn het de martelaren zelf, die op rechterstoelen mogen zitten, maar ook dat betekent rehabilitatie.

Bij de rehabilitatie der martelaren hoort ook dat ze weer levend werden (dit is een wat duidelijker vertaling van de griekse werkwoordsvorm in vs 4 dan ‘zij leefden’ in SV), wat in vs 5 de eerste opstanding genoemd wordt. Prof. A. Wikenhauser meent dat Joh. in zijn visioen de martelaren wel lichamelijk zag opstaan, maar dat dit een symbolische betekenis heeft (zoals in Ez. 37 het levend worden van de dorre doodsbeenderen een symbool is voor het herstel van Israel); en als werkelijk het verkrijgen van een verheerlijkt lichaam bedoeld zou zijn, wijst prof. F.F. Bruce er toch op dat er niet duidelijk gesproken wordt van een tronen op aarde van die verheerlijkte martelaren. Sommigen denken dat ze op een of andere wijze regeren vanuit de hemelse gewesten, ook al omdat leven van mensen met een verheerlijkt lichaam temidden van sterfelijken grote moeilijkheden geeft voor ons voorstellingsvermogen. Al is het wijs om voorzichtig te zijn met preciseringen, toch krijgen in vs ieder geval de gestorven martelaren een rijk en intensief leven, waarbij ook priester zijn behoort (6), di. toegang tot God. In vs 6 staat verder dat ze voor de tweede dood, di. het eeuwig verderf, geen gevaar meer lopen, waarmee een troost wordt meegegeven aan de christenen, die de marteldood om Christus’ wil tegemoet gingen (en gaan).

Nederlaag van Gog en Magog en van de satan 20:7-10

In Ex. 38 en 39 wordt geprofeteerd dat het volk van God, terwijl het in vrede en rust verkeert (zie Ez. 38:8-12), een aanval zal ondervinden van Gog, de vorst van Magog, die zou komen met een groot leger uit vele volken. De Joden waren in Joh. tijd gewend dit aan te duiden als de aanval van ‘Gog en Magog’. In overeenstemming met deze profetie van Ez. zegt Op. dat na de ‘duizend jaar’ van vrede Gog en Magog van de uithoeken der aarde zullen komen aanrukken over de breedte der aarde (deze term in vs 9 geeft aan dat er tegelijk een nieuwe vervulling plaatsvindt van Hab. 1:6). In hun satanische aanval omsingelen zij de legerplaats der heiligen (de legerplaats van Gods volk, met herinnering aan de ‘legerplaatsen’ van Israel in de woestijn) en de door God geliefde stad. Deze stad is Jeruzalem (vgl. Ps. 87:2), maar er is hier geen dwingend bewijs te vinden dat Op. de stad Jeruzalem in Palestina als hoofdstad beschouwt tijdens ‘de duizend jaren’. Vele uitleggers menen, wellicht terecht, dat Jeruzalem hier een beeld is voor de kerk. Vuur uit de hemel (hier haalt vs 9 Ez. 38:22 aan, in een combinatie met 2 Kon. 1:10) vernietigt de legers van Gog en Magog.

Deze dingen kunnen meermalen in vervulling gaan: eerst een tijd van vrede voor de kerk, daarna een satanische aanval, die toch ook weer mislukt, tot de laatste en definitieve mislukking komt. Vs 10 is een hoogtepunt uit hetboek Op. Nadat de duivel in Gods ondoorgrondelijke raad gelegenheid gehad heeft de mensen op de proef te stellen, wordt hij tenslotte voorgoed in de poel van vuur en zwavel geworpen (zie aant. bij 19:20).

Het laatste oordeel 20:11-15

Joh. ziet nu in vs 11 aarde en hemel in vrees voor Gods aangezicht vluchten (Ps. 114:5). Dat geen plaats voor hen gevonden werd is een oudtestamentische uitdrukking voor verdwijnen. De hemel die verdwijnt is niet Gods woonplaats, maar het uitspansel. Zo blijven op indrukwekkende manier alleen tegenover elkaar staan de grote witte troon, waarop God zit (wit is de kleur van de hemel en van Gods heerlijkheid) en de opgestane doden. Meestal spreekt Op. van ‘de kleinen en de groten’, maar hier staan ‘de groten’ voorop, om aan te duiden dat de groten der wereld tegenover God moeten staan naast de geringsten. Daar in het laatste gericht gaat alles naar recht; de boeken met de daden der mensen worden geopend (term uit Dan. 7:10), maar er is hier ook een boek des levens, waarin de oprechte gelovigen staan (Dan. 12:1; we zien telkens dat Op. het boek Dan. aanhaalt). Zelfs de doden, waarvan geen zichtbaar spoor was overgebleven in de zee

(13) , verschijnen. Nu komt er ook een einde aan de dood, want dood en dodenrijk (als monsters gepersonifieerd) worden in de poel des vuurs, di. de hel, geworpen

(14) . We zien hier dat de SV ‘dodenrijk’ (Grieks: hades) op niet gelukkige wijze met ‘hel’ weergeeft, want dat de hel in de hel geworpen wordt, heeft geen zin, waarom in de kantt. van SV ook al gezegd wordt ‘hel of graf’. Veroordeling door God is tweede dood na de eerste dood aan het eind van het leven.

De nieuwe aarde

De nieuwe aarde 21:1-8

Nu ziet Joh. in zijn visioen het einde van Gods wegen, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (1). De woordkeus laat zien dat Joh. denkt aan een in vervulling gaan van Jes. 65:17 en 66:22. Het boek Op. laat doorlopend zien hoe de oudtestamentische profetieën in vervulling gaan, en zo zullen we in de laatste twee hoofdstukken van Op. telkens heenwijzingen vinden naar Jes. 54-66, Ez. 40-48 en Zach. 14. Wat betreft de eerste hemel, die verdwijnt (1), zie aant. bij 20:11. Dat in de nieuwe wereld geen zee meer is, is te begrijpen, omdat de Bijbel, zowel in O.T. als in N.T., vooral de gevaarlijke kant van de zee tekent (o.a. Ps. 89:10; Hand. 27; 2 Kor. 11:25). In overeenstemming met de beloften uit het O.T. dat er een heerlijk Jeruzalem zal zijn (oa. Ez. 48:30-35 en Zach. 14:10, 11) ziet Joh. in vs 2 op de nieuwe aarde een nieuw Jeruzalem. Die stad is geen mensenwerk, maar daalt neer uit de hemel. De rijke tooi van die stad, die in vss 9-27 uitvoeriger getoond wordt, wordt met bruidstooi vergeleken, omdat de bewoners van die stad de bruid van Christus zijn (zie 19:6-9). Maar de luide stem die Joh. in vs 3 hoort van de troon (di. uit de nabijheid van Gods troon), legt er alle nadruk op dat het voornaamste geluk van het nieuwe Jeruzalem bestaat uit de innige gemeenschap met God; in Ez. 48:35 was reeds gezegd dat de naam van die stad zou zijn: ‘de Here is aldaar’. De uitdrukking tabernakel of tent van God in vs 3 herinnert aan de woestijnreis van Israel. De tent van God, die toen temidden van Israel stond, was een begin van de gemeenschap met God, die in de nieuwe wereld volmaakt wordt. Als uitstraling van die gemeenschap met God verdwijnen tranen en dood (4), waarmee Jes. 25:8 vervuld wordt. In vs 3b geven de oudste griekse handschriften ‘zijn volken’, wat erop wijst dat God zijn kerk bouwt niet alleen uit Joden, maar uit alle volken.

In vs 5 hoort Joh. Gods eigen stem (wat in Op. uitzondering is). Hij moet de belofte aangaande de nieuwe schepping opschrijven, opdat die belofte vaststa temidden van twijfels die kunnen oprijzen. In vs 6 zegt God vooruitgrijpend: ze zijn geschied. Voor alpha en omega zie aant. bij 1:8. Het om met drenken van de dorstige is aanhaling van Jes. 55:1; ‘dorstige’ is karakteristiek voor de gelovige, die in zichzelf het leven niet vindt en het zich ook niet verschaffen kan. Die overwint (7) is degene die stand houdt in de strijd des geloofs. Hij zal Mij een zoon zijn haalt 2 Sam. 7:14 aan, en Ik zal hem een God zijn haalt Gen. 17:7 aan (waardoor de belofte aan Israel uitgebreid wordt over anderen).

In vs 8 worden degenen, die zich overgeven aan de zonde, gewaarschuwd dat ze geen deel hebben aan de nieuwe wereld, maar alleen de straffen te verwachten hebben waar 20:14 over sprak. De lafliartigen (SV vreesachtigen) zijn degenen die door vrees Christus verloochenen, waartoe men gevaar liep in de verdrukkingen waar Op. van spreekt; de ongelovigen zijn zij die het christelijk geloof verlaten en ook degenen die met dat geloof spotten; de verfoeilijken (SV gruwelijken) zijn degenen die zich met de gruwel van het heidendom inlaten (vgl. aant. bij 17:4). Bij de moordenaars, hoereerders, tovenaars en leugenaars moeten we bedenken dat Op. houdt van twee betekenissen in één woord (net als het Ev. v. Joh. in bv. 8: 28). Daarom zijn de ‘moordenaars’ niet alleen de gewone doodslagers, maar ook degenen die christenen doden bij de vervolgingen. De ‘hoereerders’ zijn niet alleen de on-tuchtigen, maar ook allen die ‘van God afhoereren’, dwz. afgoderij bedrijven. De ‘tovenaars’ zijn niet alleen de bedrijvers van magie in Efeze (en in de moderne wereld), maar ook zij die anderen betoveren om aan de afgodendienst mee te doen. ‘Leugenaars’ moet niet alleen in gewone zin worden opgevat, maar betekent ook degenen die de goddelijke waarheid verlaten.

Het nieuwe Jeruzalem 21:9-27

We zien hier weer hoe Op. telkens met tegenstellingen werkt, want één van de 7 engelen die de schalen van Gods toorn uitgoten en die in 17:1 aan Joh. de stad Babyion liet zien, toont nu de tegenstelling daarvan, het nieuwe Jeruzalem, maar voert daarvoor Joh. in de geest niet naar een woestijn (17:3), maar naar een verheven uitzichtspunt, een hoge berg (10), waarmee min of meer Ez. 40:2 herhaald wordt. Dat nieuwe Jeruzalem wordt naar haar bewoners de bruid van Christus genoemd (9). Joh. ziet het nieuwe Jeruzalem overstraald met de heerlijkheid Gods, waarmee hier zichtbare goddelijke lichtglans bedoeld wordt, oneindig verheven boven alle pracht van Babyion (17:4). Er wordt gesproken van schittering als van de kristalheldere jaspis, wat misschien diamant betekent (zie aant. bij 4:3). In de bijbelse tijd was een stad ondenkbaar zonder een muur rondom;daarom ziet Joh. een hoge muur, teken van veiligheid, met engelen als poortwachters (12); het griekse woord, dat gebruikt wordt, kan ‘op’ de poorten of ‘in’ de poorten of ‘bij’ de poorten betekenen. Geheel in overeenstemming met Ez. 48:30-34 heeft de stad 12 poorten met de namen van de 12 stammen Israels, maar niet alleen tot Christus bekeerde Joden hebben daardoor toegang, maar ook gelovige heidenen die ‘geè’nt zijn op de stam van Israel’ (Rom. 11:17). De namen van de twaalf apostelen van Christus op de lange fundamentstukken van de muur (14) geven hetzelfde aan als Ef. 2:20, nl. dat het Godsgebouw gegrond is op werk en getuigenis van die 12 apostelen.

Net als in Ez. 40:3 is er een engel tegenwoordig om te meten (15). Bij het nieuwe Jeruzalem zijn lengte, breedte en hoogte gelijk (16). Het is dus een kubus, wat waarschijnlijk betekent dat de stad even heilig is als het kubus-vor-mige Heilige der heiligen in de tempel van Salomo (zie 1 Kon. 6:20). Een kubus-vormige stad kan men zich met enige moeite voorstellen als gebouwd tegen alle vier de hellingen van een geweldige berg. De engel gebruikt een mensenmaat (17), opdat het voor mensen begrijpelijk zou zijn. Bij de muur van 144 el hoog (di. ± ) gaat het niet alleen om de veilige hoogte, maar ook om het heilig getal het kwadraat. Het is niet uit te maken of de twaalf duizend stadiën in vs 16 de hele omtrek van de stad weer willen geven, of de lengte van één der zijden. Hier is het heilig getal 12 vermenigvuldigd met 1000, wat meer als symbool bedoeld is, dan om het nuchter na te rekenen, want aangezien een stadie ± is, wordt een hoogte van 3000 stadiën . In vss 18-21 wordt de onvoorstelbare heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem beschreven met beelden aan het tegenwoordige leven ontleend (zoals ook in Jes. 54.T 1 en 12 gebeurt). De stad is van goud, dat doorzichtig is als zuiver glas (18). De ringmuur is van jaspis, wat misschien diamant is, en de fundamenten van die muur bestaan uit edelgesteenten. SV geeft de namen daarvan in vss 19-21 ten dele anders dan de vert. NBG, maar ook in onze eeuw zijn de geleerden het nog oneens over de vertaling van sommige van deze edelstenen, zoals ze het wel eens zijn over de doorzichtige groene smaragd en de doorzichtige violette ame-tist. Ook joodse rabbijnen spraken van poorten uit één parel gemaakt (21). De straat der stad (21) is de hoofdstraat.

Een tempel-gebouw ziet Joh. niet in het nieuwe Jeruzalem (22). De tempel was verbindingsschakel tussen God en mens, maar daar in het nieuwe Jeruzalem God bij zijn volk woont (zie vs 3), is zo’n verbindingsschakel overbodig. Ook zijn de zondoffers, die in de tempel zo’n centrale rol speelden, afgedaan door het offer van Christus (Heb. 9:22-28). De tegenwoordigheid van God en van het geslachte Lam, dat de Middelaar des heils is, maakt van het nieuwe Jeruzalem één grote tempel.

Omdat de heerlijkheid Gods als een zichtbare lichtglans in het nieuwe Jeruzalem is, heeft die stad (naar de belofte van Jes. 60:19) geen zon en maan meer nodig (die in het heidendom in Joh. tijd als goden opgevat werden) (23). Ook het Lam, de eenmaal verworpen en aan het kruis geslachte Christus, verspreidt daar goddelijk licht. De volken, dwz. de christenen, die uit alle volken afstammen, wandelen in het licht van die stad (naar Jes. 60:3). In Ps.68:30; 72:10 en Jes. 60:5, 11 stond dat ‘koningen geschenken zullen brengen, en het vermogen der volken tot Jeruzalem zal komen’. Deze woorden worden aangehaald in vss 24 en 26, maar dit betekent hier in Op. niet dat op de nieuwe aarde koningen zich alsnog tot God zullen bekeren, want op de nieuwe aarde, na het laatste gericht, leven alleen verlosten. De heerlijkheid der volken, die aangebracht wordt, kan betekenen de begaafdheden en de talenten die er in de verschillende volken zijn.

In het nieuwe Jeruzalem zal Zach. 14:7 vervuld worden, dat er geen nacht zal zijn (25). Daarom zullen (terwijl stadspoorten oudtijds ‘s avonds dicht gingen) de poorten van die stad nooit gesloten worden (vgl. Jes. 60:11). Vs 27 zegt dat in het nieuwe Jeruzalem ook vervuld zal worden wat staat in Jes. 52:1, nl. dat er niets onreins zal binnenkomen. Als voorbeelden van onreinen worden genoemd die gruwel doen, dwz. die zich met de afgodendienst inlaten, en leugen spreken (zie aant. bij 21:8). Wie daar wel komen, komen er niet op grond van hun verdiensten, maar op grond van Christus’ heilswerk (want ze staan in het boek van het geslachte Lam).

Het herstelde paradijs 22:1-5

In het nieuwe, eeuwige Jeruzalem wordt ook het paradijs teruggegeven, waar nu geen verleider meer is (20:10), waar de vloek opgeheven is, en de boom des levens voortdurend toegankelijk is. Zoals een rivier het paradijs bevochtigde (Gen. 2:10), zo laat de engel een kristalheldere rivier van water des levens (1) aan Joh. zien, waarmee tegelijk Ez. 47:1-12, Joël 4:18 en Zach. 14:8 vervuld worden. De troon van God en het Lam (1) die Joh. eerder in Op. in de hemel zag, staat nu op de top van het zo hoog oprijzende nieuwe Jeruzalem (zie 21:16), zodat hemel en aarde dan verenigd zijn en ineen vloeien. Uit die troon vloeit, door de stad kronkelend, de rivier, waarvan het water eeuwig leven geeft. In dat nieuwe Jeruzalem is ook de boom des levens uit het paradijs, maar opdat zijn vruchten gemakkelijk bereikbaar zijn voor alle inwoners, is die boom tot geboomte geworden (vs 2, naar de beste vertaling), rijen bomen midden op de straat (de hoofdstraat) van de stad en aan weerszijden van de rivier, waarmee het beeld van Ez. 47:7 gevolgd wordt. Tekort aan vruchten is er niet bij dat geboomte des levens, omdat het twaalf maal per jaar vrucht draagt (vgl. Ez. 47:12). De bladeren die tot genezing zijn van de mensen uit allerlei volken die in die stad wonen, betekenen dat daar geen ziekte zal zijn (weer wordt Ez. 47:12 gevolgd, in combinatie met Jes. 33:24). Metevervlóekts (3) betekent, dat de vloek uit Gen. 3:17 is opgeheven en tegelijk Zach. 14:11 vervuld is.

Nooit tekent Op. eeuwige heerlijkheid zonder dat God in het midden staat; in het nieuwe Jeruzalem zullen Gods dienstknechten God en Christus vereren en Gods aangezichtzien (3, 4), wat in de tegenwoordige wereld niet mogelijk is (Ex. 33:20). Voor de naam op het voorhoofd zie aant. bij 13:16. Waarover de verlosten zullen heersen (5), wordt niet gezegd; misschien is bedoeld de natuur.

Slot van het boek Openbaring

In het slotgedeelte van Op. is er een afwisseling van stemmen, waarbij soms moeilijk is te bepalen wie er precies spreekt; de woorden van Christus in vss 7, 12, 13 en 16 hoort Joh. waarschijnlijk niet regelrecht uit de mond van Christus, maar worden overgebracht door de engel die met Joh. spreekt. In ieder geval wordt in dit slotgedeelte een drievoudig zegel gehecht aan het boek Op., want de engel verzekert in vs 6 dat de inhoud van Op. niet aan fantasie is ontsproten, maar betrouwbaar woord van God is, terwijl Jezus Zich erachter stelt in vs 16, en Joh. in vs 8 verklaart dat hij alles werkelijk zo gezien heeft. In vs 6 staat in de oudste griekse handschriften: de God van de geesten der profeten, een uitdrukking gelijk aan 1 Kor. 14:32. Voor weldra en spoedig in vss 6 en 7 zie aant. bij 1:1, en voor vss 8 en 9 zie aant. bij 19:10.

In vs 10 staat dat Joh. zijn profetieën niet moet verzegelen, di. geheim houden, tot ze in een latere tijd gebruikt kunnen worden, wat in tegenstelling staat tot Dan. 8:26 en 12:4,9; immers de tijd van de vervulling van Joh. profetieën is nabij, waaruit we kunnen concluderen, dat we inderdaad juist doen met de eerste vervulling van de profetie over het beest enz., te stellen in Joh. eigen tijd, de tijd van het romeinse rijk. Het boek Op. wil in de eerste plaats de christenen, die in dat romeinse rijk leefden en vervolging tegemoet gingen, troosten en versterken. Vs 11 lijkt veel op Dan. 12:10, maar is toch enigszins anders geformuleerd, en betekent: laat de kwaaddoener maar voortgaan, hij zal er straks zelf wel het gevolg van ervaren, en laat wie goed doet, dat verder doen, want ook hij zal het gevolg ervan zien (wat goed aansluit bij vs 12). Om al de aanhalingen uit Dan. in Op. kan Joh. ‘de nieuwe Daniël’ genoemd worden. In vs 13 heet Christus, net als God de Vader, de Alpha en de Omega (zie aant. bij 1:8).

In vs 14, de laatste van de zeven ‘zaligprijzingen’ in Op., moet met de oudste griekse handschriften gelezen worden: die hun gewaden wassen, wat betekent vergevingzoeken in Christus’ bloed (vgl. 7:14) en ook in Christus’ kracht de zonde verlaten. Het overige van dit vs grijpt terug op 21:12 en 22:2. In vs 15 worden dezelfden die al in 21:8 genoemd zijn, buiten het nieuwe Jeruzalem gesloten. Alleen wordt er nog bijgevoegd de honden, wat zeggen wil de onreinen, want in het oude Oosten leefde de hond van straatvuil en afval en werd zeer onrein geacht. Het is mogelijk dat ook Deut. 23:18 meespeelt, waar mannelijke prostitué’s honden genoemd worden.

In vs 16 wordt nog eens getoond dat Christus de profetieën uit het O.T. vervult. Hij is de wortel (dwz. spruit uit de wortel) van David uit Jes. 11 TO en het geslacht (di. nageslacht) van David uit Ps. 89:30, en de ster uit Jakob van Num. 24:17, die hier nog preciezer blinkende morgenster genoemd wordt, omdat Christus de dag des heils doet aanbreken, zoals in de natuur de morgenster de dag aankondigt.

In vs 17 lezen we dat de Geest (bedoeld is de Heilige Geest, die werkt in de christelijke profeten en in de harten van de gemeenteleden) en de bruid (de bruidsgemeente, door de Heilige Geest bewogen) tot Jezus roepen: Kom! op grond van Jezus’ eigen belofte (12). Als de gemeente op haar plaats is, verlangt zij naar wat er bij Christus’ wederkomst gebeurt, nl. de vereniging met haar bruidegom en de komst van het Rijk Gods. Ieder, die het boek Op. hoort voorlezen, wordt uitgenodigd in te stemmen met die roep: Kom! Een ‘kom’ wordt in vs 18b ook nog toegeroepen aan ieder die dorst heeft naar het leven dat Jezus geeft.

Omdat de inhoud van het boek Op. van God komt, verbiedt Joh. in vss 18 en 19 verandering ervan, met woorden gelijk aan Deut. 4:2 en 12:32. Tenslotte eindigt in vs 21 het boek, dat blijkens 1:4 als een brief aan zeven gemeenten gezonden werd, met dezelfde woorden als de brieven van Paulus, en met de genade van de Here Jezus, waarin de grond des heils ligt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken